Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:681

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-02-2019
Datum publicatie
21-02-2019
Zaaknummer
18/830130-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens ontucht, gepleegd in vereniging. Recidive. Vrijspraak voor verkrachting, nu niet aannemelijk is geworden dat het slachtoffer onder dwang van verdachte verdovende middelen tot zich heeft moeten nemen en dat zij (door dat druggebruik) onmachtig was om weerstand te bieden aan verdachten. Voorts veroordeling voor bezit harddrugs, vrijspraak voor bezit kinderporno en verboden wapenbezit.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 245
Wetboek van Strafrecht 248
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830130-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 21 februari 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] ,

verblijvend te [verblijfsplaats] aan de [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 februari 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C.C.J. Tuip, advocaat te Amsterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T.H. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is na nadere omschrijving van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:

1.

primair

hij in of omstreeks de periode van 3 april 2016 tot en met 4 april 2016 te Groningen, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2000) heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of

mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft hij, verdachte en/of (met) zijn mededader zijn penis en/of vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte en/of (met)

zijn mededader:

- die [slachtoffer] heeft voorzien van (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) drugs en/of (een) andere (bedwelmende) stof(fen) (te weten cocaïne, speed, XTC, lachgas en/of wiet) en/of alcohol en/of

- ( daarbij) tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat zij die drugs moest nemen, omdat ze anders niet weg mocht en/of

- die [slachtoffer] een drankje voorzien van GHB, althans verdovende middelen, heeft laten drinken en/of

- ( daarbij) misbruik heeft gemaakt van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht van hem, verdachte en/of zijn mededader op die [slachtoffer] , gezien de kwetsbaarheid en/of jonge leeftijd van die [slachtoffer] en/of

- ( daarbij) misbruik heeft gemaakt van de situatie dat die [slachtoffer] (deels) buiten bewustzijn was, althans onder een zodanige invloed van verdovende middelen en/of (gecombineerd met) alcohol verkeerde dat zij geen, althans onvoldoende, weerstand kon bieden aan voornoemde seksuele handelingen;

subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 3 april 2016 tot en met 4 april 2016 te Groningen, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2000, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft hij, verdachte en/of (met) zijn mededader zijn penis en/of vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] gebracht;

2.

hij in of omstreeks de periode van 3 april 2016 tot en met 4 april 2016, te Groningen, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) afbeeldingen, te weten (digitale) fotobestanden op een of meerdere gegevensdrager(s) (te weten op een Apple Macbook Air) heeft verworven en/of in bezit heeft gehad en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft, terwijl op die afbeelding(en) (een) seksuele gedraging(en) zichtbaar was/waren, waarbij (telkens) een of meer perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had(den) bereikt, was/waren betrokken of schijnbaar was/waren betrokken, welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit:

- het met de penis en/of mond/tong en/of vinger(s)/hand en/of een voorwerp oraal en/of vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt door een ander en/ of bij zichzelf en/of

het met de penis en/of mond/tong en/of vinger(s)/hand oraal en/of vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een (andere) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

(bestandsna(a)m(en): [bestandsnaam] .jpg; [bestandsnaam] .jpg; [bestandsnaam] .jpg)

en/of

- het met de penis en/of vinger(s)/hand en/of een voorwerp en/of mond/tong betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen en/of de billen van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet had bereikt en/of

het met de vinger(s)/hand en/of een voorwerp en/of mond/tong betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen en/of billen van een (andere) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet had bereikt

(bestandsna(a)m(en): [bestandsnaam] ; [bestandsnaam] .jpg)

en/of

- het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet had bereikt, waarbij deze persoon gekleed en/of opgemaakt was en/of poseerde in een (onnatuurlijke) omgeving en/of met een of meer (onnatuurlijke) voorwerpen en/of in een (erotisch getinte) houding (op een wijze) die niet bij haar/zijn leeftijd paste en waarbij deze persoon zich (vervolgens) in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van haar/zijn kleding ontdeed en/of (waarna) door het camerastandpunt, de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van deze persoon en/of de uitsnede van de afbeelding(en)/film(s) nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen en/of borsten en/of billen in beeld gebracht werden, (waarbij) de afbeelding(en) (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking had(den) en/of strekte(n) tot seksuele prikkeling

(bestandsna(a)m(en): [bestandsnaam] .jpg; [bestandsnaam] .jpg; [bestandsnaam] .jpg)

en/of

- het masturberen boven/bij en/of ejaculeren op het gezicht/lichaam van een perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of het houden van een (stijve) penis bij het lichaam van een perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had/hadden bereikt

(bestandsna(a)m(en): [bestandsnaam] .jpg; [bestandsnaam] .jpg; [bestandsnaam] .jpg).

3.

hij op of omstreeks 4 april 2016 te Groningen, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:

- ongeveer 22 zogeheten XTC-pillen (bevattende MDMA) en/of

- 2,6 gram amfetamine en/of

- 0,3 gram cocaïne en/of

- 625,2 gram van een materiaal bevattende GHB

in elk geval (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA en/of amfetamine en/of cocaïne en/of GHB, zijnde MDMA en/of amfetamine en/of cocaïne en/of GHB (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij op of omstreeks 4 april 2016 te Groningen, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een busje pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van

personen met (een) giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of

traanverwekkende stof(fen) van de categorie II, onder 6° en/of een stroomstootwapen, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht van de categorie II onder 5° voorhanden heeft gehad.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de ten laste gelegde feiten onder 1 primair, 2, 3 en 4 wat betreft het stroomstootwapen. Zij heeft daartoe zakelijk weergegeven het volgende aangevoerd.

Wat betreft feit 1 primair heeft verdachte tot driemaal toe tegenover de politie verklaard dat hij samen met medeverdachte seksuele handelingen heeft verricht bij [slachtoffer] . Verdachte is gewezen op zijn recht op rechtsbijstand, maar heeft van dit recht geen gebruik gemaakt. De processen-verbaal zijn geschikt om als bewijs te dienen. Forensisch onderzoek heeft uitgewezen dat DNA-materiaal van verdachte aan de binnenzijde van een condoom en DNA-materiaal van [slachtoffer] aan de buitenzijde van hetzelfde condoom zit. [slachtoffer] heeft onder dwang van verdachte en medeverdachte verdovende middelen tot zich genomen, waardoor zij zich niet aan de seksuele handelingen heeft kunnen onttrekken. Ook hebben verdachte en medeverdachte misbruik gemaakt van hun overwicht op [slachtoffer] .

Wat betreft feit 2 staan op de laptop die is aangetroffen in een kast in de woning waar verdachte verbleef kinderpornografische afbeeldingen. De afbeeldingen zijn opgeslagen onder account ' [naam] ' en betreffen toegankelijke bestanden. De laptop is alleen bij verdachte en medeverdachte in gebruik.

Wat betreft feit 3 blijkt de aanwezigheid van de verdovende middelen in de woning zoals ten laste gelegd uit de processen-verbaal betreffende de verdovende middelen, de test van de Forensische Opsporing en de onderzoeksresultaten van het bloed van [slachtoffer] .

Wat betreft feit 4 dient verdachte te worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van de pepperspray. Verdachte dient te worden veroordeeld voor het voorhanden hebben van een stroomstootwapen, nu dit wapen is aangetroffen in de woning van medeverdachte, waar verdacht verbleef.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe -zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd.

De onder 1 ten laste gelegde seksuele handelingen kunnen niet wettig en overtuigend worden bewezen. Het onderzoek dat het Nederlands Forensisch Instituut heeft verricht is onvolledig geweest en de onderzoeksresultaten zijn daardoor niet betrouwbaar. De processen-verbaal waarin verklaringen van verdachte zijn opgenomen wijken onderling te veel van elkaar af en zijn om die reden onvoldoende betrouwbaar en ongeschikt om als bewijs te kunnen dienen. Ten slotte is niet voldaan aan het bewijsminimum, nu alle verklaringen afkomstig zijn uit één bron. In het geval de rechtbank wel bewezen acht dat sprake is van seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] door verdachte, kan niet worden bewezen dat dit onder dwang is gebeurd. Het is niet duidelijk onder welke omstandigheden [slachtoffer] de verdovende middelen die in haar bloed zijn aangetroffen heeft ingenomen. Niet bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer] heeft gedwongen ze in te nemen.

Wat betreft feit 2 is de laptop waarop de kinderpornografische afbeeldingen zouden zijn aangetroffen niet het eigendom van verdachte. Hij heeft geen wetenschap gehad van de aanwezigheid van de betreffende afbeeldingen. Er zijn geen aanwijzingen dat verdachte bewust de afbeeldingen heeft gedownload.

Wat betreft feit 3 zijn de middelen die in de woning van medeverdachte zijn aangetroffen slechts indicatief getest. Dat is ontoereikend om vast te stellen dat het verdovende middelen in de zin van de Opiumwet betreffen.

Wat betreft feit 4 heeft verdachte geen wetenschap gehad van de aanwezigheid van het stroomstootwapen en het busje pepperspray. Het stroomstootwapen lag verstopt in een la en was onttrokken aan het zicht. Het busje pepperspray lag verborgen in een damestas. Deze tas was niet het eigendom van verdachte. Van beide voorwerpen is bovendien niet door een wapenexpert vastgesteld dat het wapens zijn.

Oordeel van de rechtbank

feit 1

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 7 februari 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik was naakt op het moment dat de politie binnenkwam.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding d.d. 4 april 2016, opgenomen op pagina 216 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2016094611, d.d. 4 juli 2016, inhoudend als relaas van verbalisanten:

Op 3 april 2016 rond 23.30 uur gingen wij het pand aan de [straatnaam] te Groningen binnen. Op een hoekbank lag een volledig naakte man verstrengeld samen met een meisje. De man gaf aan dat het meisje naast hem [slachtoffer] betrof.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 4 april 2016, opgenomen op pagina 168 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :

Ik ben de moeder van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2000. Op 3 april 2016 rond 22.30 uur kwam [getuige 2] met haar moeder bij mij aan de deur. [getuige 2] vertelde dat [slachtoffer] 4 lijntjes coke had gesnoven en steeds weg viel. Ik heb toen de politie gebeld vanwege de coke en dat ze steeds wegviel. De politie ging naar [straatnaam] .

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van inverzekeringstelling d.d. 4 april 2016, opgenomen op pagina 221 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verdachte:

Ik heb inderdaad seks met [slachtoffer] gehad. Mijn vriendin [medeverdachte] ook. Ik heb voor [slachtoffer] gezorgd dat ze coke kreeg.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 april 2016, opgenomen op pagina 108 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Bij aanvang van het contact met verdachte is direct door mij meegedeeld dat hij niet op mijn vragen hoefde te antwoorden en dat hij recht had op een advocaat bij het verhoor.

Verdachte vertelde dat zijn vriendin naakt op haar rug op de bank lag, dat [slachtoffer] op [medeverdachte] lag en dat hij [slachtoffer] van achteren 2 a 3 keer vaginaal geneukt had. Deze positie was dermate ongemakkelijk dat ie zijn penis eruit getrokken had en de condoom had weggegooid. Wel had hij staan te kijken hoe [slachtoffer] en [medeverdachte] aan het seksen waren. Hierbij had hij [slachtoffer] nog wel in haar vagina gevingerd en gezoend op haar mond.

Tijdens het uiteindelijk door de forensische GGD-arts Van Mesdag uitgevoerde sporenonderzoek aan het geslachtsdeel van [verdachte] verklaarde [verdachte] nogmaals dat hij [slachtoffer] kort vaginaal geneukt had met condoom, haar vaginaal gevingerd had en haar op de mond gezoend had. Hierbij vertelde [verdachte] letterlijk dat hij zich meer een voyeur had gevoeld omdat die 2 meiden ( [slachtoffer] en [medeverdachte]) zo druk met elkaar in de weer waren geweest. Hierbij had hij staan toekijken.

6. Een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 4 april 2016, opgenomen op pagina 318 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Inbeslagneming

Plaats: [straatnaam] Groningen

Merk/type: Condoom
SIN: AAJE2536NL
Bijzonderheden: Leeg, op tafel woonkamer, 04-04.

7. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2016.06.10.090, d.d. 24 augustus 2016 opgemaakt door J.L.W. Dieltjes, op de door deze afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudend:

Tabel 1Resultaten, interpretatie en conclusie vergelijkend DNA-onderzoek

SIN

Beschrijving DNA-profiel/ celmateriaal kan afkomstig zijn van

AAJE2536NL#01 en #02 (buitenzijde bij aantreffen)

DNA-mengprofiel van (minimaal) twee vrouwen

- slachtoffer [slachtoffer]

- onbekende vrouw A

AAJE2536NL#03 en #04 (binnenzijde bij aantreffen)

DNA-mengprofiel van minimaal drie personen

- verdachte [verdachte]

- onbekende vrouw A

- minimaal één andere persoon

8. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2016.06.10.090, d.d. 2 juni 2017 opgemaakt door J.L.W. Dieltjes, op de door deze afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudend als verklaring:

hypothese 1:

de bemonstering AAJE2536NL#02 bevat celmateriaal van het slachtoffer [slachtoffer] en één willekeurige onbekende persoon.

hypothese 2:

de bemonstering AAJE2536NL#02 bevat celmateriaal van twee willekeurige onbekende personen.

De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn minimaal 1 miljard keer waarschijnlijker als hypothese 1 waar is, dan als hypothese 2 waar is.

hypothese 3:

de bemonstering AAJE2536NL#04 bevat celmateriaal van de verdachte [verdachte] en twee willekeurige onbekende personen.

hypothese 4:

de bemonstering AAJE2536NL#04 bevat celmateriaal van drie willekeurige onbekende personen.

De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn minimaal 1 miljoen keer waarschijnlijker als hypothese 3 waar is, dan als hypothese 4 waar is.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

betrouwbaarheid processen-verbaal

Verdachte heeft op meerdere momenten tegenover de politie verklaard dat hij seksuele handelingen bij [slachtoffer] heeft verricht, welke handelingen bestonden uit vaginale penetratie met zijn penis en zijn vingers. [slachtoffer] was op dat moment 15 jaar oud. Ook heeft hij op meerdere momenten verklaard dat zijn vriendin, medeverdachte [medeverdachte], een actieve rol bij die seksuele handelingen had. De rechtbank hecht waarde aan de processen-verbaal waar de verklaringen in zijn opgenomen, nu deze op ambtseed zijn opgemaakt en verdachte de verklaringen -die op zichzelf consistent zijn- op meerdere momenten heeft afgelegd, terwijl hij ervan op de hoogte was gebracht dat hij op vragen niet hoefde te antwoorden en recht had op rechtsbijstand.

seksuele handelingen en medeplegen

[slachtoffer] heeft verklaard niet te weten wat er in de woning van medeverdachte is gebeurd, toen zij daar voor de tweede keer die avond bij verdachte kwam. Ter zitting heeft verdachte de seksuele handelingen ontkend. Gelet echter op zijn eerder bij de politie afgelegde verklaringen, die worden ondersteund door de intieme wijze waarop verdachte en [slachtoffer] samen op de bank zijn aangetroffen en de resultaten van het DNA-onderzoek van het condoom, acht de rechtbank bewezen dat verdachte seksuele handelingen heeft verricht met [slachtoffer] .

Voor de vraag of er sprake is van medeplegen dient de rechtbank te beoordelen of er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking van verdachte en medeverdachte. Daarbij kan rekening gehouden worden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van elk van de verdachten, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

De rechtbank ziet in de door verdachte beschreven seksuele handelingen die hij en medeverdachte hebben verricht bij [slachtoffer] een nauwe en bewuste samenwerking, gericht op het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] . Beide verdachten hebben immers tegelijkertijd, in elkaars aanwezigheid en fysiek dichtbij elkaar gedurende enige tijd een aantal verschillende seksuele handelingen verricht met [slachtoffer] . Verdachte en medeverdachte waren aldus betrokken in een gezamenlijk seksueel handelen, waaraan elk op actieve wijze heeft deelgenomen. De rechtbank acht derhalve bewezen dat verdachte de ten laste gelegde seksuele handelingen heeft verricht tezamen en in vereniging met medeverdachte.

(bedreiging met) geweld of andere feitelijkheid

Het toxicologisch onderzoek1 dat is verricht naar het bloed van [slachtoffer] toont de aanwezigheid van cocaïne, amfetaminen, MDMA en MDA aan. Uit de verklaring van verdachte is gebleken dat verdachte cocaïne aan [slachtoffer] heeft verstrekt. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat [slachtoffer] de verdovende middelen, waaronder de cocaïne, door (bedreiging met) geweld van verdachte of andere feitelijkheid als omschreven in de tenlastelegging heeft ingenomen. Weliswaar is zowel door [slachtoffer] als haar vriendin [getuige 2] verklaard dat verdachte zou hebben gezegd dat [slachtoffer] drugs moest nemen omdat zij anders niet weg zou mogen. Gelet echter op de door beide meisjes omschreven sfeer en de omstandigheid dat beide meisjes de woning hebben verlaten toen ze dat wilden, waarna [slachtoffer] na circa anderhalf uur weer is teruggekomen naar de woning waar verdachte verbleef, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gebleken dat [slachtoffer] zich door deze opmerking gedwongen heeft gevoeld drugs te nemen. Evenmin is aannemelijk geworden dat [slachtoffer] bij aanvang van en tijdens de seksuele handelingen buiten bewustzijn was, althans onmachtig was om aan die handelingen weerstand te kunnen bieden. Hierover is door niemand verklaard. Sterker nog, uitgaande van de verklaringen die verdachte bij de politie heeft afgelegd, lijkt [slachtoffer] tijdens de seksuele handelingen voldoende bij bewustzijn te zijn geweest. Dat [slachtoffer] ten tijde van de komst van de politie niet aanspreekbaar was, is onvoldoende om daaruit te concluderen dat zij zich op een eerder moment op de avond, waarop de seksuele handelingen plaatsvonden, ook al in diezelfde staat bevond.

Bovenstaande leidt tot de slotsom dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer] door (bedreiging met) geweld of een feitelijkheid heeft gedwongen om seksuele handelingen te ondergaan zoals primair ten laste gelegd. Verdachte zal van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Wel betekent bovenstaande dat, gelet op de hiervoor vermelde bewijsmiddelen, verdachte zich samen met medeverdachte heeft schuldig gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde, zoals hieronder nader omschreven.

feit 2

De rechtbank acht feit 2 niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

De kinderpornografische afbeeldingen zijn aangetroffen op een laptop die door zowel verdachte als medeverdachte wordt gebruikt. De afbeeldingen zijn opgeslagen onder account ' [naam] '. Dit account werd gebruikt door medeverdachte. Verdachte had een eigen account op de laptop. Medeverdachte heeft verklaard dat zij de administratie van verdachte deed, en dat die administratie werd bijgehouden op account ' [naam] '. Gelet op de ontkennende proceshouding van verdachte en de mogelijkheid dat medeverdachte (of een ander) de afbeeldingen heeft verworven, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs voorhanden dat verdachte, al dan niet in bewuste en nauwe samenwerking met medeverdachte, de afbeeldingen heeft verworven, in bezit heeft gehad of zich de toegang tot die afbeeldingen heeft verschaft.

feit 3

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van inverzekeringstelling d.d. 4 april 2016, opgenomen op pagina 221 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2016094611 d.d. 4 juli 2016, inhoudend als verklaring van verdachte:

Ik gebruik sinds enige weken allerlei harddrugs. Ik heb voor [slachtoffer] gezorgd dat ze coke kreeg.

2. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2016.06.10.090, d.d. 2 november 2016 opgemaakt door K.J. Lusthof, voor zover inhoudend als toxicologisch onderzoek in het bloed van [slachtoffer] :

Tabel 2 Resultaten toxicologisch onderzoek in het bloed van [slachtoffer] [TAAN9880NL]

stof stof(groep) resultaat

Cocaïne Overig Aangetoond, < 0,005 mg/l

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verdovende middelen d.d. 12 april 2016, opgenomen op pagina 267 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relatering:

Goednummer PL0100-2016094611-704717

B: 1 witte, papieren wikkel met fijn, wit poeder

netto gewicht: 0,322 gram

positief op cocaïne.

De kleur-reactietest is een indicatie dat het testmateriaal waarschijnlijk cocaïne bevat.

4. Kennisgeving van inbeslagneming, opgenomen op pagina 316 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relatering:

Volgnummer 4

Goednummer : PL0100-2016094611-704717

Object : Verdovende mid

Kleur : Wit

Land : Nederland

Bijzonderheden : 10 zakjes met wit poeder mogelijk vedomi

5. Zoekingslijst, opgenomen op pagina 99 e.a. van voornoemd dossier, inhoudend:

Locatie 1: [straatnaam] te Groningen Beslagdatum: 04-04-16

Volgnr. Subnr. Omschrijving voorwerp plaats van aantreffen

L1 D.4.1 10x zakje met inhoud - vermoedelijk vedomi mandje in slaapkamer

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

In de woning van medeverdachte, waar verdachte op dat moment verbleef, zijn wit poeder en overige middelen aangetroffen, waarvan het vermoeden is gerezen dat het verdovende middelen zijn. Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij in de periode waarin het poeder is aangetroffen diverse soorten harddrugs gebruikte en dat hij [slachtoffer] die avond voorzag van cocaïne. Deze verklaring vindt steun in het toxicologisch bloedonderzoek van [slachtoffer] . In combinatie met de resultaten van de indicatieve test acht de rechtbank bewezen dat de aangetroffen 0,3 gram wit poeder cocaïne betreft.

De cocaïne is aangetroffen in een afgescheiden privégedeelte van de woning van medeverdachte, bij wie verdachte met regelmaat verbleef. Medeverdachte heeft verklaard2 dat zij sporadisch verdovende middelen gebruikt, dezelfde middelen als verdachte. De mogelijkheid dat de cocaïne van één van de gasten is geweest die voorafgaand aan de ten laste gelegde periode in de woning waren, zoals door verdachte aangevoerd, vindt de rechtbank gelet op de vindplaats niet geloofwaardig. De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte de cocaïne tezamen en in vereniging met medeverdachte opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Van de aanwezigheid van de overige ten laste gelegde verdovende middelen zal verdachte worden vrijgesproken, nu de resultaten van de indicatieve testen niet door ander bewijsmateriaal wordt ondersteund.

feit 4

De rechtbank acht feit 4 niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Medeverdachte heeft over de aanwezigheid van het stroomstootwapen verklaard3 dat zij het stroomstootwapen in het verleden heeft gekregen van een derde, en dat zij het vervolgens in een lade heeft opgeborgen zonder het te hebben gebruikt. De opbergplaats wordt bevestigd door het proces-verbaal Wet Wapens en Munitie4. Nu dit wapen aan het zicht was onttrokken en uit het dossier niet blijkt dat verdachte enige wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van het stroomstootwapen in die lade in de woning van medeverdachte, is er geen bewijs dat verdachte dit wapen opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Met betrekking tot het busje pepperspray kan geen bewezenverklaring volgen, reeds niet omdat onvoldoende is gebleken dat de inhoud van het busje daadwerkelijk pepperspray bevat. De verbalisant heeft slechts geconstateerd dat het busje, dat de opdruk Pepperspray had, gevuld was met een vloeistof of gas, dan wel een combinatie daarvan5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feiten 1 subsidiair en 3 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 3 april 2016 tot en met 4 april 2016 te Groningen, tezamen en in vereniging met een ander, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2000, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader zijn penis en vingers in de vagina van die [slachtoffer] gebracht;

3.

hij op 4 april 2016 te Groningen, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad 0,3 gram cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft

bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan

uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl het feit wordt gepleegd door

twee of meer verenigde personen.

3. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven

verbod, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het ten laste gelegde onder 1 primair, 2, 3 en 4 wat betreft het stroomstootwapen wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor integrale vrijspraak.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie en de verslagen van de reclassering van 23 oktober 2017 en 5 februari 2019, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met zijn vriendin seksuele handelingen gepleegd met een vijftienjarig meisje. Hij heeft daarmee de geestelijke en lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Het was voor verdachte duidelijk dat het slachtoffer onder invloed verkeerde van verdovende middelen. In plaats van de minderjarige in bescherming te nemen, heeft verdachte samen met medeverdachte het slachtoffer tot (het ondergaan van) seksuele handelingen aangezet. Verdachte heeft aldus zijn persoonlijke lusten en die van zijn medeverdachte laten prevaleren boven de bescherming van een minderjarige. Dat rekent de rechtbank verdachte aan.

Verdachte heeft verder opzettelijk cocaïne aanwezig gehad.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van ontuchtige handelingen met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt.

Verdachte heeft niet meegewerkt aan het opstellen van een pro justitia rapportage. Daardoor is veel onduidelijk gebleven over de psychische gesteldheid van verdachte. De reclassering, die in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis belast is met het toezicht over verdachte, heeft in haar laatste verslag geconcludeerd dat hoewel het hoge recidiverisico om een behandeling vraagt, de reclassering door de opstelling van verdachte weinig mogelijkheden ziet om in ambulante zin aan de risico’s te werken.

Gezien de ernst van met name het eerste feit acht de rechtbank een gevangenisstraf passend en geboden. Gelet op de psychische problemen waarmee verdachte vermoedelijk kampt en het als hoog ingeschatte recidiverisico komt een behandeling de rechtbank aangewezen voor. Nu een behandeling echter bij voorbaat gedoemd lijkt te mislukken en verdachte bovendien in totaal al lange tijd in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal de rechtbank afzien van het opleggen van bijzondere voorwaarden en een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, zoals hierna gemeld.

Inbeslaggenomen goederen

Ter terechtzitting is gebleken dat in de zaak van verdachte een iPhone 6 in beslag is genomen, die in eigendom toebehoort aan medeverdachte [medeverdachte]. Deze iPhone 6 moet worden teruggegeven aan medeverdachte, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

Ter terechtzitting is gebleken dat de -in de zaak van medeverdachte [medeverdachte]- inbeslaggenomen iPhone 5 eigendom is van verdachte. Met betrekking tot dit inbeslaggenomen voorwerp zal in de zaak van medeverdachte [medeverdachte] worden beslist tot teruggave daarvan aan verdachte.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 90,- ter vergoeding van materiële schade en € 10.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat van de gevorderde materiële schadevergoeding

€ 30,- moet worden toegewezen, nu de benadeelde partij één dag in het ziekenhuis heeft verbleven. Het overige dient te worden afgewezen. De vordering tot vergoeding van immateriële schade ligt voor toewijzing gereed.

Standpunt van de verdediging

Primair voert de verdediging aan dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair voert zij aan dat de materiële schadevergoeding kan worden bepaald op € 30,-. De vordering wat betreft de immateriële schade betreft dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij materiële schade heeft geleden, nu zij een dag in het ziekenhuis heeft verbleven. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder feit 1 subsidiair bewezen verklaarde. De hoogte van de schade wordt vastgesteld op de dagvergoeding van € 30,-. Dit deel van de vordering zal daarom worden toegewezen tot dit bedrag, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 5 april 2016. Het overige deel van de vordering met betrekking tot de materiële schade zal worden afgewezen, nu dit niet voldoende is onderbouwd.

Hoewel voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het onder feit 1 subsidiair bewezen verklaarde, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte daarvan te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan wat dit betreft slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding die wordt toegewezen niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachte deze al heeft betaald, en andersom.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 47, 57, 245 en 248 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair, 2 en 4 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave aan de rechthebbende, medeverdachte [medeverdachte], van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven iPhone 6.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

Wijst de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] wat betreft de gevorderde materiële schadevergoeding toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 30,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf
5 april 2016, in die zin dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Wijst de vordering wat betreft de gevorderde materiële schadevergoeding voor het overige af.

Verklaart de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] wat betreft de gevorderde immateriële schadevergoeding niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] te betalen een bedrag van € 30,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 april 2016, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van één dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] daarmee de verplichting van verdachte om aan benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag komt te vervallen.

Heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Haisma, voorzitter, mr. P.H.M. Smeets en mr. H.J. Schuth, rechters, bijgestaan door mr. E.W. Jeuring, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 februari 2019.

Mrs. Haisma en Smeets zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Toxicologisch onderzoek in het bloed van [slachtoffer] , 2 november 2016, zaaknummer 2016.06.10.090

2 Verklaring medeverdachte als getuige gehoord ter terechtzitting van 7 februari 2019

3 Verklaring medeverdachte als getuige gehoord ter terechtzitting van 7 februari 2019

4 Proces-verbaal Wet Wapens en munitie d.d. 10 mei 2016, opgenomen op pagina 285 e.v. van het politiedossier

5 Proces-verbaal Wet Wapens en munitie d.d. 10 mei 2016