Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:678

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-02-2019
Datum publicatie
19-03-2019
Zaaknummer
C/18/189994 / JE RK 19-82
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet ontvankelijkheidsverklaring van de moeder in haar verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling. De moeder heeft niet voldaan aan de voorwaarde gesteld in artikel 1:255, lid 2 BW. Veilig Thuis heeft de moeder het advies gegeven met de vader de hulp van een mediator in te schakelen. De Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) is niet bekend met de zaak en de zaak is niet besproken aan de zogenaamde beschermtafel. Ter zitting ziet de Raad geen redenen voor een beschermingsonderzoek. Ten overvloede wordt overwogen dat ook de gronden van artikel 1:255, lid 1 BW jo artikel 1:257 BW niet aanwezig zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaakgegevens : C/18/189994 / JE RK 19-82

beschikking van de kinderrechter d.d. 21 februari 2019

in de zaak van

[verzoekster], hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats],

bijgestaan door mr. A. Atema, advocaat te Groningen,

betreffende

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats], hierna te noemen [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[belanghebbende], hierna te noemen de vader,

wonende te [woonplaats],

bijgestaan door mr. G. Raaben, advocaat te Assen.

Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad,

regio Noord-Nederland, locatie Groningen.

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoek met bijlagen van de moeder van 5 februari 2019, ingekomen bij de griffie op 6 februari 2019.

Op 12 februari 2019 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,

- mevrouw [raadsvertegenwoordiger] als vertegenwoordigster van de Raad.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.

[minderjarige] woont bij de vader.

Het verzoek van de moeder


De moeder heeft verzocht om [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden, om de acute en ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] weg te nemen. De moeder verzoekt voorts de kinderrechter om de Raad opdracht te geven voor het verrichten van onderzoek en het geven van advies over een definitieve ondertoezichtstelling.

De standpunten ter zitting

(Namens) de moeder

Onderhavig verzoek is ingediend omdat de moeder vreest dat vader met [minderjarige] naar Frankrijk zal vertrekken. Ouders hebben vier jaar lang in Frankrijk gewoond en de moeder is bang dat de man zonder haar medeweten of toestemming met [minderjarige] zal teruggaan. De plannen van vader zijn ongewis en maken dat de moeder in onzekerheid verkeert. Zij wenst hierover duidelijkheid te verkrijgen. Toen partijen nog in Frankrijk woonden, is vader zonder toestemming van de moeder met [minderjarige] naar Nederland vertrokken. De moeder heeft hiervan een melding bij Veilig Thuis gedaan, maar Veilig Thuis heeft moeder doorverwezen naar een mediator. Namens de moeder is aangegeven dat het de voorkeur verdient dat partijen samen afspraken maken over de omgang. De kinderrechter wordt verzocht ter zitting met partijen te overleggen over een omgangsregeling die dan in een proces-verbaal kan worden vastgelegd. Als het lukt dan is een voorlopige ondertoezichtstelling mogelijk niet meer nodig. De moeder is bereid om met de vader in gesprek te gaan. De moeder wenst door de kinderrechter, samen met de vader te worden doorverwezen naar Elker (ONS-traject). Het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling wordt gehandhaafd indien partijen er onverhoopt niet samen uitkomen. De advocaat van de moeder heeft daarbij aangegeven dat de Raad ter zitting ambtshalve kan verzoeken om een voorlopige ondertoezichtstelling. De moeder ziet [minderjarige] in het kader van een tussen partijen afgesproken omgangsregeling elke woensdagmiddag en één weekend in de veertien dagen. Moeder zou graag, wanneer zij passende woonruimte heeft, een co-ouderschapsregeling willen.

(Namens) de vader

Door en namens de vader is aangegeven dat er geen sprake is van acute noodsituatie die een voorlopige ondertoezichtstelling zou rechtvaardigen. Er is geen sprake van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige]. De moeder heeft een vermoeden dat de vader naar Frankrijk zal vertrekken, maar het is enkel de bedoeling van vader om dit weekend te gaan skiën in Winterberg en via Frankrijk terug te rijden om een aantal spullen op te halen. De vader heeft aangegeven dat het absoluut niet zijn bedoeling is om weer in Frankrijk te wonen. Hij heeft zijn bedrijf in Nederland, spreekt nauwelijks de Franse taal en hij is van plan hier te blijven. Ouders hebben vier jaar lang in Frankrijk gewoond, maar leefden daar feitelijk al gescheiden van elkaar. Zij hebben zich sinds kort weer (apart van elkaar) in Nederland gevestigd. De situatie is rustiger dan een half jaar geleden, toen de ouders besloten terug te gaan naar Nederland. Het gaat goed met [minderjarige] bij de vader. Hij gaat naar school en hij verkeert in goede gezondheid. De ouders zullen afspraken moeten maken over de verzorging en opvoeding van [minderjarige]. Zij moeten zich buigen over het ouderschapsplan, eventueel met tussenkomst van een mediator. De vader is bereid om met de moeder in gesprek te gaan over het ouderschapsplan. Als partijen er niet samen uitkomen, dan kan er een verzoek tot het vaststellen van een zorg- en contactregeling worden ingediend. In ieder geval dient het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling te worden afgewezen. Een doorverwijzing naar Elker voor het ONS-traject is op dit moment te prematuur.

De Raad

De Raad acht het zorgelijk dat de vader van de één op de andere dag met [minderjarige] naar Nederland is vertrokken en dat de ziekte van [minderjarige] heeft geleid tot een ziekenhuisopname. Het is evenwel positief dat ouders bereid zijn om met elkaar in gesprek te gaan en afspraken met elkaar te maken. De rust lijkt enigszins te zijn wedergekeerd. De Raad ziet geen redenen op dit moment om een verzoek te doen tot voorlopige ondertoezichtstelling. Ook ziet de Raad op dit moment geen redenen om over te gaan tot een beschermingsonderzoek. De ouders zijn naar aanleiding van de door de moeder gedane melding bij Veilig Thuis verwezen naar een mediator. Ouders zijn bereid om met elkaar in gesprek te gaan. Een beschermingsonderzoek is onder deze omstandigheden niet passend. Mocht in de toekomst blijk worden gegeven van ernstige zorgen over [minderjarige], dan zal de Raad vanzelfsprekend overgaan tot onderzoek, nadat via het gebruikelijke traject de zaak via Veilig Thuis bij de Raad wordt ingediend.

De beoordeling

Op grond van het tweede lid van artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming of het Openbaar Ministerie. Tevens zijn een ouder en degene die niet de ouder is en de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt bevoegd tot het doen van het verzoek, indien de Raad voor de Kinderbescherming niet tot indiening van het verzoek overgaat.

Op grond van artikel 1:257 kan de kinderrechter de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 255, eerste lid, is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.

In onderhavige zaak is aan de orde het verzoek aan de kinderrechter tot voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige], ingediend door de moeder. Daarbij is komen vast te staan dat de Raad - voorafgaand aan de huidige procedure - nog niet in de zaak was betrokken en er evenmin door de Raad enig onderzoek is verricht, waarbij zou zijn geconcludeerd dat de Raad geen verzoek tot ondertoezichtstelling zal doen. Sinds de invoering van de nieuwe Jeugdwet in 2015 is het uitgangspunt dat eerst op gemeentelijk niveau (via Veilig Thuis) wordt gekeken welke hulpverlening in een concreet geval via het wijkteam kan worden ingezet. Wanneer deze hulp niet toereikend blijkt of niet wordt aanvaard en er vervolgens toch zorgen blijven bestaan en nader onderzoek nodig lijkt, wordt de Raad in de zaak betrokken. En eerst wanneer de Raad tot het oordeel komt dat geen verzoek wordt gedaan tot ondertoezichtstelling, zou een ouder - die het daarmee niet eens is - zich alsdan tot de rechter kunnen wenden.

In het onderhavige geval is daar geen sprake van, nu de zaak zich nog in het voortraject bevindt en de ouders eerst zullen moeten profiteren van de hulpverlening voordat de zogeheten beschermtafel wordt ingezet. De kinderrechter constateert dat Veilig Thuis heeft geadviseerd dat ouders zich zouden moeten wenden tot een mediator. Eerst wanneer deze hulpverlening niet toereikend blijkt te zijn, kan de Raad worden betrokken en zal worden beoordeeld of hulpverlening binnen een gedwongen kader noodzakelijk is. Een uitzondering geldt voor de gevallen die spoedeisend zijn, vergelijkbaar met de gevallen waarin wordt overgegaan tot een voorlopige ondertoezichtstelling.

De kinderrechter begrijpt dat door en namens de vrouw wordt ingezet op deze uitzonderingssituatie, namelijk dat de Raad ter zitting ambtshalve kan vragen om een voorlopige ondertoezichtstelling van de minderjarige. De Raad heeft ter zitting evenwel uitdrukkelijk aangegeven op dit moment niet te zullen overgaan tot een verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling, omdat er, zoals artikel 1:257 BW eist, geen sprake is van een ernstig vermoeden dat de grond bedoeld in artikel 1:255, lid 1 BW is vervuld noch dat de maatregelen noodzakelijk zijn om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen, nu de ouders ter zitting bereid zijn gebleken met elkaar in gesprek te gaan ten overstaan van een mediator. De Raad heeft voorts aangegeven op dit moment geen aanleiding te zien om te starten met een onderzoek.

Een en ander leidt tot de slotsom dat, volgens het systeem van de wet, de moeder niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoek nu niet is voldaan aan de voorwaarde op grond van artikel 1:255, lid 2, tweede volzin.

De kinderrechter overweegt ten overvloede dat het verzoek tot een voorlopige ondertoezichtstelling een oneigenlijk verzoek lijkt te zijn, nu mr. Atema ter zitting de kinderrechter nadrukkelijk en meermalen heeft verzocht om te bemiddelen tussen partijen aangaande een zorg- en contactregeling van de moeder met [minderjarige] en dat, mocht die bemiddeling ter zitting slagen die afspraken in een proces-verbaal zouden moeten worden vastgelegd en dat vervolgens het verzoek tot een voorlopige ondertoezichtstelling onbesproken zou kunnen blijven.

De advocaat van de moeder heeft zowel in het schriftelijk verzoek (alwaar voornamelijk verwezen wordt naar een door de moeder vervaardigd zeer gedetailleerd verslag), als ter zitting niet voldaan aan zijn stelplicht met betrekking tot de acute en ernstige ontwikkelingsbedreigingen van [minderjarige] die een dergelijke spoedmaatregel zou rechtvaardigen, zoals artikel 1:257 BW voorschrijft. Ook heeft de advocaat van de moeder niet voldaan aan de stelplicht met betrekking tot de overige criteria van artikel 1:255 BW, namelijk in welke zin de geboden hulpverlening niet of onvoldoende door ouders wordt geaccepteerd en in welke zin niet kan worden verwacht dat de ouders de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] binnen een aanvaardbare termijn in staat zijn te dragen.

Tenslotte is verzuimd aan te geven welke gecertificeerde instelling de voorlopige ondertoezichtstelling zou moeten uitvoeren.

Mocht de kinderrechter aan een inhoudelijke beoordeling zijn toegekomen, dan zou het verzoek zijn afgewezen.

Overigens heeft de kinderrechter geconstateerd dat er reeds nu een redelijk goed lopende en redelijk bij de situatie passende contactregeling is tussen moeder en [minderjarige] en moeder ter zitting slechts bereid leek om te overleggen over een co-ouderschap. De vader was daar niet mee akkoord. Veilig Thuis heeft geadviseerd dat ouders zich zouden moeten wenden tot een mediator en partijen hebben zich ter zitting bereid verklaard met elkaar in gesprek te gaan.

De kinderrechter wenst hierover op te merken dat het raadzaam is dat de ouders, in het belang van een evenwichtige ontwikkeling van [minderjarige], met elkaar in gesprek gaan, mogelijk ten overstaan van een mediator of een andere hulpverlenende instantie als bijvoorbeeld het CJG, en dat zij goede afspraken gaan maken over hun communicatie en alles aangaande de verzorging en opvoeding van [minderjarige], afgestemd op de opvoedingsbehoeften van [minderjarige]. Rust, stabiliteit, voorspelbaarheid en de betrokkenheid van beide ouders lijken dienaangaande de richtsnoeren.

De beslissing


De kinderrechter:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. K.R. Bosker, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. F. Veenstra-Boymans als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2019.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden