Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:638

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
05-02-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
18/830105-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake poging doodslag

Veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden,

waarvan 6 maanden voorwaardelijk,

met bijzondere voorwaarden: meldplicht, ambulante behandeling VNN.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830105-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 5 februari 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [straatnaam],

thans gedetineerd te P.I. Ter Apel.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van

22 januari 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W.G. ten Have, advocaat te Winschoten.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Janssens.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 5 juni 2018, in de gemeente Groningen, ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven

te beroven, met dat opzet met een mes, althans een scherp en/of puntig

voorwerp, in de buik en/of arm van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of geprikt

en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 5 juni 2018, in de gemeente Groningen, ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, te weten [slachtoffer],

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een

mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de buik en/of arm van die

[slachtoffer] heeft gestoken en/of geprikt en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 5 juni 2018, in de gemeente Groningen, [slachtoffer], heeft

mishandeld door met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de

buik en/of arm van die [slachtoffer] te steken/prikken/snijden.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde, nu het opzet (ook in voorwaardelijke zin) ontbreekt.

Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Er zijn geen aanwijzingen dat het handelen van verdachte willens en wetens op de dood of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel was gericht. Opzet in voorwaardelijke zin ontbreekt nu verdachte slechts heeft gezwaaid met het mes om aangever van zich af te houden. Er bestaan daarnaast onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de kans aanmerkelijk was dat het zwaaien met het mes zou leiden tot de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel van aangever. Nu het mes waarmee gestoken zou zijn niet is teruggevonden kan niet met zekerheid gezegd worden dat het mes waarmee verdachte heeft gezwaaid overlijden of zwaar lichamelijk letsel zou hebben kunnen veroorzaken. De meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling acht de raadsman wel bewezen nu aangever letsel heeft bekomen. Evenwel is hij van mening dat er sprake was van een noodweersituatie nu verdachte meerdere malen klappen had gekregen en tweemaal had geprobeerd zich aan de situatie te onttrekken. Hierdoor ontbreekt de wederrechtelijkheid en dient verdachte ook voor het meer subsidiair ten laste gelegde feit te worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 22 januari 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Ik heb de camerabeelden gezien en herken mij daarop. Ik had een mes bij mij.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte

d.d. 5 juni 2018, opgenomen op pagina 38 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer BVH 2018141053 d.d. 3 augustus 2018, zakelijk weergegeven:

A: Ik draag een mes. Een klein mes, vingerlengte is het lemmet. Het mes kun je dubbelklappen. Het heeft een houten handvat, bruin van kleur.

V: Is dit het door jou omschreven mes? (Afbeelding van aangetroffen mes wordt bijgevoegd, bijlage 1, p. 43).

A: Het type mes is hetzelfde.

3. Kennisgeving van inbeslagneming d.d. 5 juni 2018 opgenomen op pagina 127 e.v. van voornoemd dossier met daar aangehecht een foto van een in beslaggenomen mes met daarnaast een liniaal (identiek aan foto op p. 43):

In beslag genomen op 5 juni 2018 op grondslag van artikel 94 Wetboek van Strafvordering: een mes van het merk Flaminaire Paris kleur bruin stalen handvat belegd met hout. Goednummer PL0100-2018141053-101-54-65.

Op de foto is te zien dat het lemmet van het mes 7 centimeter lang is.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 5 juni 2018, opgenomen op pagina 49 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van

[slachtoffer]:

Het geweld dat op mij uitgeoefend werd veroorzaakte letsel bij mij, bestaande uit: twee steekwonden, links onder in mijn buik, vlak boven mijn heup en op mijn linker bovenarm. Ik heb drie hechtingen in mijn buik gekregen en een of twee hechtingen in mijn bovenarm.

Ik zag dat de man die achter mij aanrende een mes in zijn handen had.

5. Een letselrapportage ten behoeve van politie en justitie d.d. 26 juli 2018 opgenomen in voornoemd dossier op pagina 122 e.v., inhoudende de verklaring van drs T. Naujocks, forensisch arts KNMG:

Betrokkene werd op 5 juni jl. in het UMCG gezien nadat hij twee keer zou zijn gestoken.

Bij uitgebreid onderzoek bleek sprake te zijn van:

-Wond in de linker onderbuik met een lengte van 3 cm en daarnaast een bloeduitstorting lopend in de richting van het midden van de buik. Ct onderzoek: deze wond verloopt onderhuids zonder aanwijzing van inwendig letsel. In de linker onderbuik bevinden zich darmlissen. Een loodrechte steekrichting had tot darmletsel kunnen leiden.

-Wond aan de achter-/zijkant van de linker bovenarm met een lengte van 1 cm zonder letsel van zenuwen en /of bloedvaten dan wel botbreuken.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige

d.d. 6 juni 2018 opgenomen op pagina 73 e.v. van voornoemd dossier inhoudende de verklaring van [getuige 1]:

Ik zag dat [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ) iets uit zijn broekzak een klein mesje pakte. Ik zag dat het een mesje was die je kunt uitklappen. Ik zag dat [verdachte] probeerde te steken.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 juni 2018, opgenomen op pagina 92 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisanten:

Wij bekeken de camerabeelden waarop het steekincident in Groningen te zien is van 5 juni 2018.
Op 05:44:10 loopt de verdachte weg van de groep personen en loopt naar het midden van de Peperstraat. Het slachtoffer loopt achter de verdachte aan. De afstand tussen verdachte en slachtoffer is ongeveer 1 meter. Op 05:44:15 uur lijkt het alsof de verdachte iets uit zijn jas of broek pakt met zijn linkerhand. Vanuit het niets haalt de verdachte, met kracht, naar achteren uit met zijn linkerhand. Hij haalt gericht uit naar het slachtoffer. Tijdens de uithaal buigt de verdachte naar voren en de uithaal is gericht op de buik of middel van het slachtoffer en dan naar boven gericht. Het lijkt hierbij of de verdachte het slachtoffer wil steken.(...) Met zijn rechterarm maakt de verdachte een zwaaiende beweging om het slachtoffer heen en probeert hem in zijn linkerzijde te raken rond zijn middel. Daarna haalt de verdachte weer met zijn rechterarm uit richting de linkerarm van het slachtoffer. Slachtoffer en verdachte laten elkaar vervolgens los. Vervolgens haalt de verdachte minimaal 3 keer met zijn rechterarm, met kracht, uit naar de buik van het slachtoffer. Alle bewegingen zijn gericht op de buik van het slachtoffer. De laatste van de 3 stekende bewegingen is een opwaarts stekende beweging gericht op de buik van het slachtoffer. Door de snelheid en manier van bewegen door verdachte lijkt het alsof er met veel kracht wordt uitgehaald naar het slachtoffer. De verdachte is de gehele tijd gefocust op het slachtoffer en zoek deze actief op tijdens de stekende bewegingen.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende.

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde nu het opzet (in voorwaardelijke zin) ontbreekt.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van het slachtoffer – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat verdachte aangever heeft gestoken met een mes. Na het incident heeft getuige [getuige 2] verklaard dat zij verdachte iets zag weggooien onder de stoelen van een terras op de Grote Markt. Direct daarna werd door haar een mes gevonden met bloed erop. Op het fotoblad in het dossier is te zien dat dit mes een lemmet heeft van 7 centimeter. Hoewel niet kan worden vastgesteld dat het gevonden mes door verdachte is gebruikt, kan er wel van worden uitgegaan dat, op grond van zijn eigen verklaring, verdachte een soortgelijk mes heeft gebruikt. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte aangever probeerde te steken en niet slechts met het mes zwaaide om aangever van zich af te houden zoals door de raadsman is gesteld. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen waarin de camerabeelden worden beschreven zijn er twee afzonderlijke momenten waarop verdachte uithaalt met het mes. Beide keren zijn de bewegingen van verdachte gericht op de buik van aangever. Door de snelheid en de manier van bewegen van verdachte lijkt het alsof er met veel kracht wordt uitgehaald naar aangever. Uit de letselrapportage blijkt dat aangever een steekwond in de linker onderbuik had met een lengte van 3 centimeter en daarnaast een bloeduitstorting lopend in richting van het midden van de buik en voorts een steekwond aan de achter/zijkant van de linker bovenarm met een lengte van 1 centimeter. De rechtbank constateert dat het min of meer toeval moet zijn geweest dat het mes niet elders en dieper in de buik van aangever is doorgedrongen, gezien de kracht die verdachte uitoefende, de lengte van het lemmet en de wijze waarop verdachte heeft gestoken; het waren felle uithalen met name in de richting van de buik van aangever.

Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in de buikstreek vitale organen bevinden, en dat deze geraakt kunnen worden als men met een dergelijk mes met kracht in de buik van iemand steekt. Naar algemene ervaringsregels is de kans op overlijden bij een messteek in een vitaal orgaan aanmerkelijk te achten. Er is geen aanleiding om ervan uit te gaan dat deze algemene ervaringsregels bij verdachte niet bekend zijn.

De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat het op voornoemde wijze toebrengen van messteken handelingen zijn die naar haar uiterlijke verschijningsvorm zozeer zijn gericht op de dood van aangever, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op die dood heeft aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel is de rechtbank niet gebleken.

Het primair tenlastegelegde is dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 5 juni 2018, in de gemeente Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes in de buik van die [slachtoffer] heeft gestoken terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Ter terechtzitting heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft gesteld dat verdachte zich geconfronteerd zag met het onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

Daartoe heeft de raadsman de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd.

Verdachte heeft tijdens het eerste incident waarbij hij gevloerd werd door aangever niets gedaan. Ook de tweede maal, toen het weer tot een treffen kwam, heeft hij zich onthouden van het gebruik van geweld. Toen getuige [getuige 1] hem zei dat hij beter weg kon gaan heeft hij dat gedaan. Aangever volgde hem echter en wilde hem omver duwen. Er was sprake van een dreigende wederrechtelijke aanranding waaraan hij zich niet kon onttrekken en verdachte heeft met het mesje gezwaaid om de groep die op hem afkwam te beletten geweld op hem uit te oefenen. De angst dat de hele groep zich tot hem zou wenden is overheersend geweest. Het gebruik maken van het mesje staat in verhouding tot de ernst van de aanval.

De rechtbank gaat uit van de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden. Uit het proces-verbaal bevindingen waarin de camerabeelden worden beschreven en verschillende getuigenverklaringen blijkt dat verdachte een groep mannen en vrouwen treft die voor eetgelegenheid [naam] staan te praten. Verdachte wordt aangesproken door enkelen van hen omdat, naar blijkt uit getuigenverhoren, hij de dames zou lastig vallen. Na een eerdere confrontatie tussen aangever en verdachte ontstaat er opnieuw enige commotie, in de vorm van geduw en getrek tussen aangever en verdachte, omdat verdachte opnieuw één van de dames lastig valt. Een donkere man met een wit petje, naar later blijkt getuige [getuige 1], komt tussenbeide en het lijkt alsof hij de boel probeert te sussen. Daarna loopt verdachte weg van de groep naar het midden van de straat. De groep blijft met elkaar staan praten, aangever maakt enkele passen richting verdachte. De afstand tussen beide mannen wordt door verbalisanten geschat op 1 meter als verdachte een mes uit zijn zak pakt en de ten laste gelegde handelingen plaatsvinden. Verbalisanten beschrijven de gedragingen van de groep niet als gericht op een aanval en ook de houding van aangever in het bijzonder wordt niet als aanvallend aangemerkt. Verbalisanten relateren dat verdachte vanuit het niets gericht uithaalt naar aangever.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gedragingen van aangever en de groep waartoe hij behoorde niet worden aangemerkt als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf. Immers, uit voornoemd proces-verbaal blijkt niet dat aangever of de groep opnieuw de confrontatie wilde opzoeken en verdachte wilde aanvallen. Het feit dat aangever verdachte enkele passen volgde kan niet worden gezien als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Bovendien wordt door verbalisanten gerelateerd en door getuige [getuige 1] verklaard dat verdachte zelf de aanval koos. Voorts is niet aannemelijk geworden dat sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Immers, verdachte heeft enkel de vrees voor zo'n aanranding gehad. Uit niets is gebleken dat aangever de aanval dreigde te kiezen. De enkele vrees voor een onmiddellijk dreigend gevaar is onvoldoende om een ogenblikkelijke aanranding aan te nemen.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de namens verdachte aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Het bewezen verklaarde levert op:

1. poging doodslag

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Ter terechtzitting heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweerexces, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.
De raadsman heeft gesteld dat verdachte door het steken met het mes weliswaar de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden, maar dat deze overschrijding het onmiddellijk gevolg is geweest van een door het onmiddellijk dreigend gevaar voor de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding veroorzaakte, hevige gemoedsbeweging.

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van noodweersituatie, zodat het beroep op noodweerexces reeds daarom niet slaagt. Het verweer wordt verworpen.

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht en ambulante behandeling.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit, mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring en strafbaarheid van het feit en verdachte komen, voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het uitgezeten voorarrest (te weten 6 maanden en 27 dagen) met een voorwaardelijk deel van drie maanden onder oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. De raadsman heeft gevraagd daarbij rekening te houden met het feit dat aangever zelf een substantieel aandeel heeft gehad aan de ernstige escalatie van het conflict. Daarnaast heeft de raadsman de rechtbank verzocht de conclusies van het onderzoek door GZ- psycholoog D. Breuker over te nemen en verdachte het strafbare feit in verminderde mate toe te rekenen. Verdachte is zeer gemotiveerd om zich te laten behandelen voor zijn alcoholprobleem, zodat hij daarna ondanks de aanwezige beperkingen een toekomst kan opbouwen die bij hem past. De achterliggende reden van dit probleem zijn psychische problemen opgelopen tijdens zijn reis als minderjarige vluchteling. Als verdachte niet drinkt is hij een gewaardeerde kracht bij WerkPro en hij zou graag het contact met zijn twee kinderen herstellen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsrapport d.d. 16 augustus 2018, de Pro Justitia rapportage d.d. 14 november 2018 van de deskundige D. Breuker, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft aangever, nadat tijdens het uitgaan ruzie was ontstaan, gestoken met een mes, waarbij hij gericht heeft uitgehaald naar de buikstreek van aangever. Aangever is na de aanval weggevlucht, terwijl verdachte hem achterna rende met het mes in zijn hand. Aangever heeft steekwonden opgelopen in zijn buik en op zijn arm en zal door de littekens blijvend aan dit incident herinnerd worden.

De rechtbank verwijt verdachte dat hij zonder dat daartoe een werkelijke aanleiding was, buitenproportioneel heeft gereageerd door aangever op deze wijze te lijf te gaan. Dat verdachte niet degene was die in eerste instantie agressie gebruikte en aangever zelf heeft bijgedragen aan de escalatie van het incident, doet niet af aan het feit dat aangever deze aanval met een mes zeker niet had hoeven te verwachten. Verdachte wordt verder aangerekend dat het incident plaatsvond op straat in een uitgaansgebied, waar omstanders getuige zijn geweest van het steken en de achtervolging van het slachtoffer door verdachte met het mes in zijn hand. Dit soort incidenten leidt tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij.

Verdachte was zo zwaar onder invloed van alcohol dat hij tot op heden zich weinig of niets meer weet te herinneren van het incident. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij niet alle dagen drinkt, maar dat hij, als hij drinkt, van geen ophouden weet. De rechtbank verwijt verdachte dat hij, terwijl hij dit van zichzelf weet, desondanks het besluit heeft genomen om alcohol te gaan drinken, met alle gevolgen van dien.
De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een poging zware mishandeling.

Uit de Pro Justitia rapportage blijkt dat verdachte gediagnosticeerd is met een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van een matige tot ernstige stoornis in alcoholgebruik. Tevens is er sprake van een gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met een gemengd beeld van cluster-b trekken, te weten antisociale, narcistische en borderline trekken. De verstandelijke vermogens liggen op de grens van een licht verstandelijke beperking en zwakbegaafd niveau. De gebrekkige ontwikkeling en de stoornis in alcoholgebruik zijn aanwezig geweest ten tijde van het tenlastegelegde incident en hebben verdachtes gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde beïnvloed. Verdachte heeft de nacht van het incident zijn alcoholzucht niet kunnen reguleren waardoor er sprake was van overmatig alcoholgebruik. Daarnaast was er sprake van een langer bestaand hoog angst- en stressniveau vanwege een eerdere ruzie en gevecht in de week ervoor. Verdachte voelde zich bedreigd en heeft zich met een mes bewapend. Gezien het bovenstaande adviseert de psycholoog om verdachte het feit in verminderde mate toe te rekenen.

De rechtbank kan zich met dit advies verenigen en bepaalt dat het bewezen verklaarde verdachte slechts in verminderde mate kan worden toegerekend.

Uit het rapport van de reclassering blijkt dat verdachte op vijftienjarige leeftijd naar Nederland is gevlucht. Sindsdien is hij meerdere malen met justitie in aanraking gekomen, meestal vanwege geweldsincidenten. Opvallend is dat deze delicten gepleegd werden op momenten dat verdachte geen huisvesting had of geen zicht op een verblijfsvergunning. Na vrijlating kan verdachte hoogstwaarschijnlijk weer gebruik maken van de bed-bad- broodvoorziening en zijn dagbesteding bij WerkPro weer oppakken. Gezien de psychische problematiek van verdachte zou een klinische opname geïndiceerd zijn, maar dit is niet mogelijk gezien de illegale status van verdachte. De reclassering adviseert daarom een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daarnaast als bijzondere voorwaarden een meldplicht en ambulante behandeling.

De rechtbank is op grond van al het voorgaande van oordeel dat op het door verdachte gepleegde strafbare feit niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf, waarvan een deel voorwaardelijk is, zodat aan dit voorwaardelijke deel bijzondere voorwaarden kunnen worden verbonden zoals de reclassering heeft geadviseerd.

Gezien de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden, ziet de rechtbank aanleiding een hogere gevangenisstraf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

Inbeslaggenomen goederen

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het in beslag genomen mes verbeurd verklaard zal worden nu het tenlastegelegde feit hiermee begaan is. Ten aanzien van de in beslag genomen schoenen heeft de officier van justitie gevorderd dat deze aan verdachte zullen worden teruggegeven.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich over het beslag niet uitgelaten.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een mes, Flaminaire Paris, kleur bruin met stalen handvat belegd met hout, vatbaar voor verbeurdverklaring gelet op omstandigheden waaronder dit mes kort na het incident op een terras van een uitgaansgelegenheid is aangetroffen.

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen schoenen moeten worden teruggegeven aan verdachte nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 494,97 ter vergoeding van materiële schade en € 4.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel toe te wijzen met de wettelijke rente vanaf 5 juni 2018 en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen, waarbij de vervangende voorlopige hechtenis op 1 dag zal worden bepaald.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht, nu hij vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging heeft bepleit, de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel

niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om bij een bewezenverklaring en strafbaarheid van verdachte de vordering van de benadeelde partij eveneens niet ontvankelijk te verklaren vanwege het feit dat aangever een substantiële bijdrage heeft geleverd aan de escalatie van het conflict. In een civiele procedure zou een ‘eigen schuld’ verweer opgeworpen worden, waarbij de vraag voorligt welk percentage aan aangever toegerekend kan worden. Daarvoor zou een medisch deskundige ingeschakeld moeten worden, iets dat voor de vordering tijdens het strafproces een onevenredige belasting zou opleveren.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het primair ten laste gelegde en bewezen verklaarde. Hoewel ook de benadeelde partij een rol heeft gehad in het ontstaan van de ruzie en het voortduren daarvan, behoefde de benadeelde partij er niet op bedacht te zijn dat verdachte hem zou steken met een mes en bestaat er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding de vergoedingsplicht te verminderen wegens eigen schuld. De rechtbank wijst de vordering wat betreft de materiële schade daarom toe, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 5 juni 2018.

Hoewel niet nader is onderbouwd dat de benadeelde partij psychische schade heeft geleden, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij ook immateriële schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking de toegebrachte steekverwondingen, de lichamelijke ongemakken die hij daarvan enige tijd heeft ondervonden, waardoor hij meerdere weken zijn normale bezigheden niet heeft kunnen uitoefenen en de blijvende littekens. Bij het vaststellen van de hoogte van de schade maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek. De hoogte van de schade wordt geschat op € 2.000, -. Ook wat dit deel van de vordering betreft ziet de rechtbank geen aanleiding de vergoedingsplicht te verminderen wegens eigen schuld. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 5 juni 2018 en het overige gedeelte van de vordering afwijzen.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden, waarbij de rechtbank -overeenkomstig de eis van de officier van justitie- de vervangende hechtenis zal vaststellen op 1 dag.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 45, 63, 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als (algemene) voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich, binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd (telefonisch) meldt bij Reclassering VNN op het adres Leonard Springerlaan 27, te Groningen, 088 234 3434 en zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

2.dat de veroordeelde zich onder ambulante behandeling stelt van VNN, of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij hij zich houdt aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.494,97 (zegge: tweeduizend vierhonderdvierennegentig euro en zevenennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 juni 2018.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige af.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] te betalen een bedrag van € 2.497, 97 (zegge: tweeduizend vierhonderdvierennegentig euro en zevenennegentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 juni 2018, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 497,97 aan materiële schade en € 2.000,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van de in beslag genomen goederen

Verklaart het inbeslaggenomen mes FLAMINAIRE Paris, kleur bruin met stalen handvat belegd met hout, verbeurd.

Bepaalt dat de inbeslaggenomen schoenen, kleur rood, aan verdachte zullen worden teruggegeven.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Jongsma voorzitter, mr. P.H.M. Smeets en

mr. M. Haisma, rechters, bijgestaan door mr. M.A. Reese-Knigge, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 februari 2019.