Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:605

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
19-02-2019
Zaaknummer
18/730195-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld tot een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf.

Hij heeft een kassière van een servicebalie in een supermarkt gedwongen tot afgifte van geld, ongeveer € 825.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 284
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730195-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 19 februari 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 februari 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.J.P.M. Grijmans, advocaat te Bolsward. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.G. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 30 augustus 2018, te Harlingen, bij de [benadeelde partij] gevestigd aan de [straatnaam] , met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld een medewerkster genaamd [slachtoffer] , heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (ongeveer 825 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte naar de servicebalie van die supermarkt is gelopen en daar aan die medewerkster [slachtoffer] om rookwaren (shag) heeft verzocht en/of (vervolgens) een plastic tas en/of een briefje aan die [slachtoffer] heeft overhandigd met daarop geschreven de woorden: "Dit is een overval, haal de kassa leeg !", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of daarbij woorden heeft gezegd als: "Ik betaal wel met wat er op dat briefje staat" en/of "Ja het is serieus" en/of "Lees het briefje maar. Maak de kassa maar open. Wat sneller alsjeblieft. Blijf maar rustig want ik doe je niks", althans woorden van gelijke aard of strekking;

Subsidiair

hij op of omstreeks 30 augustus 2018 te Harlingen, bij de [benadeelde partij] gevestigd aan de [straatnaam] , een ander, te weten een medewerkster genaamd [slachtoffer] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid, gericht tegen die [slachtoffer] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, te weten over te gaan tot de afgifte aan hem van een geldbedrag (ongeveer 825 euro), in elk geval van enig goed, door naar de servicebalie van die supermarkt te lopen en daar aan die medewerkster [slachtoffer] om rookwaren (shag) heeft verzocht en/of (vervolgens) een plastic tas en/of een briefje aan die [slachtoffer] heeft overhandigd met daarop geschreven de woorden: "Dit is een overval, haal de kassa leeg !", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of daarbij woorden heeft gezegd als: "Ik betaal wel met wat er op dat briefje staat" en/of "Ja het is serieus" en/of "Lees het briefje maar. Maak de kassa maar open. Wat sneller alsjeblieft. Blijf maar rustig want ik doe je niks", althans woorden van gelijke aard of strekking.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde, te weten een afpersing. Hij heeft hiertoe aangevoerd -voor zover hier van belang- dat de handelingen van verdachte bedreiging met geweld opleveren. Hij heeft daarbij gewezen op de volgende combinatie van omstandigheden: het leunen tegen de balie, het zeggen van de woorden 'opschieten' en ‘sneller’ en het gebruik van een briefje met daarop de tekst: 'Dit is een overval. (…)'. Bij een overval moet volgens hem iedereen serieus rekening houden met het gebruik van geweld of een wapen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gemotiveerd bepleit dat verdachte vrijgesproken moet worden van het primair ten laste gelegde feit, omdat er geen sprake is van bedreiging met geweld. Er kan slechts gesproken worden van een feitelijkheid, zoals subsidiair ten laste gelegd. Het subsidiair ten laste gelegde kan bewezen worden, aldus de raadsman.

Oordeel van de rechtbank

Primair is afpersing aan verdachte ten laste gelegd. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen voor dit feit, moet vastgesteld worden dat er sprake is geweest van dwang door middel van geweld of bedreiging met geweld.

Verdachte heeft bekend dat hij de ten laste gelegde handelingen heeft gepleegd. Verdachte heeft hierbij geen geweld gebruikt. De vraag is of de door verdachte gepleegde handelingen als bedreiging met geweld kunnen worden aangemerkt.

Dat de kassière zich door het handelen van verdachte gedwongen voelde de kassa leeg te maken, staat voor de rechtbank vast. Vereist is echter dat zij daartoe is overgegaan onder bedreiging met geweld. De bedreiging met geweld hoeft weliswaar niet expliciet te zijn uitgesproken, maar kan ook worden aangenomen wanneer de dader door zijn gedrag een dermate dreigende situatie heeft gecreëerd, dat de vrees van het slachtoffer voor geweld van de zijde van verdachte gerechtvaardigd is. De in de tenlastelegging opgenomen handelingen ter uitwerking van de bedreiging met geweld kunnen naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet zonder meer als bedreiging met geweld worden aangemerkt. Het enkel overhandigen met een briefje met daarop de woorden: “Dit is een overval” en het aansporen van de kassière om sneller te zijn, zonder bijkomende omstandigheden, maken niet dat de vrees voor geweld gerechtvaardigd is. Om die reden is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van bedreiging met geweld.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande het primair ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte hiervan vrijspreken.

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 februari 2019;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 30 augustus 2018, opgenomen op pagina 55 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018229679/NN1R018088 d.d. 5 september 2018, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het subsidiaire feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 30 augustus 2018 te Harlingen, bij de [benadeelde partij] gevestigd aan de [straatnaam] , een ander, te weten een medewerkster genaamd [slachtoffer] , door een feitelijkheid, gericht tegen die [slachtoffer] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, te weten over te gaan tot de afgifte aan hem van een geldbedrag, ongeveer 825 euro, door naar de servicebalie van die supermarkt te lopen en daar aan die medewerkster [slachtoffer] om rookwaren, shag, heeft verzocht en vervolgens een plastic tas en een briefje aan die [slachtoffer] heeft overhandigd met daarop geschreven de woorden: "Dit is een overval, haal de kassa leeg !", en daarbij woorden heeft gezegd als: "Ik betaal wel met wat er op dat briefje staat" en "Ja het is serieus" en "Lees het briefje maar. Maak de kassa maar open. Wat sneller alsjeblieft".

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Een ander door een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primaire ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaren met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Dit zijn kort samengevat de volgende bijzondere voorwaarden: 1. een meldplicht, 2. een ambulante behandeling, 3. het meewerken aan schuldhulpverlening en 4. meewerken aan begeleid wonen of maatschappelijke opvang als verdachte niet in zijn woning kan blijven wonen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om de gevorderde voorwaardelijke gevangenisstraf te beperken tot een duur van twee maanden met een proeftijd van 2 jaar, gelet op zijn pleidooi tot vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit. Voor het overige heeft hij aangegeven de eis van de officier van justitie passend te vinden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van het Reclassering Nederland d.d. 24 januari 2019, de Pro Justitia rapportage van de psycholoog drs. B.Y. van Toorn d.d. 27 november 2018, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft een kassière van een servicebalie in een supermarkt gedwongen tot afgifte van geld, ongeveer € 825,-. Hij is de supermarkt ingelopen, heeft haar om shag gevraagd en hij heeft vervolgens een tasje en briefje met de tekst 'Dit is een overval, haal de kassa leeg!' overhandigd. Verdachte zei daarbij dat het serieus was en ze op moest schieten. De kassière voelde zich hierdoor gedwongen om de kassa te openen en hem geld te geven.

Uit de verklaring van de kassière, die destijds 19 jaar was, blijkt dat zij doodsbenauwd is geweest door het handelen van verdachte. Verdachte heeft met haar gevoelens op geen enkele wijze rekening gehouden.

Verdachte is niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Uit het rapport van de psycholoog en de reclassering blijkt dat er bij verdachte sprake is van hechtingsproblematiek, zijn intellectuele vaardigheden op het niveau van zwakbegaafd tot licht verstandelijk beperkt niveau zijn en er sprake is van een disharmonisch intelligentieprofiel en antisociale en borderline persoonlijkheidskenmerken. Tevens zijn er financiële problemen. De psycholoog heeft geadviseerd verdachte verminderd toerekenbaar te achten. Verdachte heeft door zijn problematiek en ondanks het rationele besef van het ongeoorloofde van zijn gedrag weinig gedragsalternatieven kunnen overwegen, en heeft de gevolgen van zijn handelen in verminderde mate kunnen overzien. De rechtbank neemt die conclusie over en maakt deze tot de hare.

Het recidiverisico wordt door de deskundigen ingeschat als gemiddeld.

De reclassering heeft geadviseerd om aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij het Leger des Heils, het meewerken aan een behandeling en begeleiding door Trajectum, het meewerken aan schuldhulpverlening en meewerken aan begeleid wonen of maatschappelijke opvang als verdachte niet in zijn eigen woning kan blijven.

De rechtbank zal geen langere onvoorwaardelijke straf opleggen dan een gevangenisstraf voor de duur van het voorarrest, zoals ook is geëist door de officier van justitie. Dit acht de rechtbank niet passend gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat de geadviseerde bijzondere voorwaarden passend en geboden zijn en zal deze dan ook aan verdachte opleggen. Dit met uitzondering van de voorwaarde dat het innemen van medicijnen onderdeel kan zijn van de behandeling. De beslissing over een dergelijke inbreuk op het persoonlijke leven is voorbehouden aan de rechter, op basis van advies van een arts.

De bijzondere voorwaarden zal de rechtbank koppelen aan een voorwaardelijke straf voor de duur van twee maanden. Dit is een lagere voorwaardelijke straf dan is geëist door de officier van justitie aangezien de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt. De rechtbank zal wel aansluiten bij de gevorderde proeftijd van drie jaar, omdat verdachte al langere tijd problemen heeft in zijn persoonlijke leven en naar verwachting nog een lange tijd hulp nodig zal hebben.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d en 284 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 102 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 60 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als (algemene) voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat veroordeelde zich binnen 7 dagen na het onherroepelijk worden van het vonnis meldt bij de reclassering van het Leger des Heils, Zoutbranderij 1 te Leeuwarden. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren.

2. dat veroordeelde zich laat behandelen en begeleiden in de thuissituatie door Trajectum of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling en begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling en begeleiding. Veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen, die de reclassering hem hierbij geeft, ook als dat gaat om zijn woonsituatie.

3. dat veroordeelde meewerkt met Confido, of een andere door de reclassering te bepalen bewindvoerder, aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen. Veroordeelde geeft de reclassering en bewindvoerder inzicht in zijn financiën, schulden en handelen daarin. Indien nodig werkt hij mee aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen.

4. dat, indien veroordeelde niet in zijn woning kan blijven, hij mee werkt aan een opname in RIBW Sneek of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Waarbij veroordeelde zich houdt aan de huisregels en het dagprogramma dat samen met de reclassering wordt opgesteld.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Vlietstra, voorzitter, mr. A. Jongsma en mr. M. van der Veen, rechters, bijgestaan door mr. E. de Vries-Haitsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 februari 2019.

Mrs. Jongsma en Van der Veen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.