Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:5939

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-05-2019
Datum publicatie
15-02-2021
Zaaknummer
18/730253-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag en bedreiging van AZC-medewerkers.

Verdachte heeft op de betreffende dag te horen gekregen dat hij niet in Nederland mag blijven, maar uitgezet wordt naar Italië.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730253-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 28 mei 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd te [instelling].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 mei 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J. Gunning, advocaat te Amsterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. van der Heide.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primair

hij op of omstreeks 4 december 2018 te Drachten, (althans) in de gemeente Smallingerland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet snel op die [slachtoffer 1] is afgelopen en/of (daarbij/vervolgens) de dreigende woorden "I will kill everybody who cames near me" en/of "[slachtoffer 1] I kill you", althans woorden van gelijke strekking, heeft gebezigd en/of (vervolgens) gekomen op zeer korte afstand van die [slachtoffer 1] met een (kapotgeslagen) flessenhals een stekende beweging in de richting van het hoofd en/of de hals, in ieder geval het bovenlichaam, van die [slachtoffer 1] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. subsidiair

hij op of omstreeks 4 december 2018 te Drachten, (althans) in de gemeente Smallingerland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, (te weten [slachtoffer 1]), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet snel op die [slachtoffer 1] is afgelopen en/of (daarbij/vervolgens) de dreigende woorden "I will kill everybody who cames near me" en/of "[slachtoffer 1] I kill you", althans woorden van gelijke strekking, heeft gebezigd en/of (vervolgens) gekomen op zeer korte afstand van die [slachtoffer 1] met een (kapotgeslagen) flessenhals een stekende beweging in de richting van het hoofd en/of de hals, in ieder geval het bovenlichaam, van die [slachtoffer 1] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 4 december 2018 te Drachten, (althans) in de gemeente Smallingerland, [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een (kapotgeslagen) flessenhals op die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 1] af te lopen en/of (daarbij/vervolgens) die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "I kill you" en/of "I will kill everybody who comes near me", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of (vervolgens) terwijl die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 1] een veilig heenkomen zoeken, die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 1] achterna te lopen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feit 1. primair en 2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de gehele tenlastelegging.

Feit 1 kan niet bewezen worden omdat hiervoor wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. Uit de gedragingen van verdachte kan niet het opzet - al dan niet in voorwaardelijke zin - op de dood van aangever worden afgeleid, noch op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Feit 2 kan niet bewezen worden omdat er geen wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte de in de tenlastelegging opgenomen woorden heeft geuit richting [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2].

Oordeel van de rechtbank

Feit 1

Aan verdachte is onder 1. primair een poging tot doodslag ten laste gelegd. Verdachte ontkent dit feit te hebben gepleegd. De rechtbank stelt vast dat verdachte hierover zeer wisselende verklaringen heeft afgelegd die niet worden ondersteund door andere bewijsmiddelen.

De verklaring van aangever [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) wordt wel ondersteund door andere bewijsmiddelen, namelijk door de verklaringen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] en het relaas van de verbalisant waaruit blijkt dat [slachtoffer 1] meteen tegen de politie heeft gezegd 'dat hij moest rennen voor zijn leven omdat de man met het stuk glas achter hem aan had gezeten'. Dat in de verklaringen op punten verschillen voorkomen, maakt deze verklaringen op zichzelf nog niet onbetrouwbaar. Dit kan immers te wijten zijn aan de feilbaarheid van het menselijk geheugen, bijvoorbeeld teweeggebracht onder invloed van emoties door het delict en tijdsverloop. Het gaat om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop deze zijn afgelegd. Als geheel acht de rechtbank de verklaringen geloofwaardig en op andere punten niet zodanig met elkaar in strijd dat deze verklaringen als onvoldoende betrouwbaar terzijde moeten worden gelaten.

De rechtbank neemt op grond van het voorgaande de verklaring van [slachtoffer 1] als uitgangspunt.

Voor de beantwoording van de vraag of verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood, dient de vraag beantwoord te worden of hij zich willens en weten heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte met een zeer scherp voorwerp, te weten een kapotgeslagen flessenhals, op aangever [slachtoffer 1] is afgelopen en daarbij een stekende beweging heeft gemaakt in de richting van het hoofd en/of de hals. Aangever heeft dit net kunnen ontwijken. Algemeen bekend is dat in de nabijheid van de hals slagaders liggen en dat het dus een kwetsbaar gedeelte van het menselijk lichaam is. De gedragingen van verdachte waren geëigend om de dood te kunnen laten intreden en kunnen naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van de dood, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het overlijden van aangever bewust heeft aanvaard. Daarbij heeft de rechtbank niet alleen gelet op de uiterlijke verschijningsvorm, maar ook op de doodsbedreigingen die verdachte heeft geuit naar aangever. Van contra-indicaties voor de bewuste aanvaarding is de rechtbank niet gebleken. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever als gevolg van zijn handelen zou overlijden en is het opzet van verdachte in voorwaardelijke zin daarop gericht geweest. De rechtbank acht op grond hiervan het onder 1. primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank voorts bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de bedreiging van de drie medewerkers van het AZC.

Bewijsmiddelen feit 1 en 2

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Ieder bewijsmiddel is - ook in onderdelen - slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 4 december 2018, opgenomen op pagina 39 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018318278 d.d. 4 januari 2019, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1]:

Ik ben op het AZC te Drachten werkzaam als woonbegeleider. Vanavond zat ik met collega's van het COA in de receptie. Ik ben samen met collega's [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] naar buiten gegaan. Ik zag dat [verdachte] op de trap bij unit D4 stond. [verdachte] liep naar beneden van de trap. Ik zag dat [verdachte] een flessenhals in zijn linkerhand had. Dit was kapot geslagen en glinsterde. [verdachte] rende in onze richting. Ik hoorde hem roepen 'I will kill everybody who comes near me'. [verdachte] bleef in onze richting komen. Ik hoorde hem volgens mij zeggen '[slachtoffer 1] i kill you'. Toen kwam [verdachte] op mij af. Ik zag hem een stekende beweging richting mijn hoofd maken. Ik kon dit nog net ontwijken. Ik trok mijn hoofd naar achteren. Als ik was blijven staan had [verdachte] me zeker geraakt met de flessenhals.

Toen ben ik gevlucht samen met mijn collega's naar de receptie en hebben we onszelf opgesloten en de politie gebeld.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 5 december 2018, opgenomen op pagina 44 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1]:

Toen wij ons hadden opgesloten probeerde [verdachte] naar binnen te komen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 4 december 2018, opgenomen op pagina 50 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2]:

Ik ben werkzaam als AMV medewerker op het AZC te Drachten. Op 4 december 2018 was ik aan het werk op het AZC te Drachten. Ik werkte samen met mijn collega [slachtoffer 3].

Omstreeks 19:15 uur werd ik aangesproken door een bewoner genaamd [verdachte]. (..)

Ik ben met [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1], [slachtoffer 1] is woonbegeleider naar de unit gelopen waar [verdachte] woont. Dit betreft Unit D4. Hij woont op 1 hoog. Ik zag dat hij een stoel van de trap naar beneden gooide. Ik zag dat [verdachte] de trap af liep. Ik zag dat hij een scherp voorwerp voor zijn lichaam hield. Ik zag dat hij op ons af kwam lopen. Ik zag dat hij eerst op mij af kwam, naast mij stond [slachtoffer 1], de afstand was toen nog ongeveer 10 meter. Opeens zag hij [slachtoffer 1], ik zag dat hij hard op hem afrende. Ik zag dat hij een scherp voorwerp voor zich hield. Ik zag dat toen hij vlak bij [slachtoffer 1] was, hij met het scherpe voorwerp uithaalde richting het bovenlichaam van [slachtoffer 1]. Ik zag dat [slachtoffer 1] de uithaal nog maar amper kon ontwijken.

Wij zijn toen snel bij de receptie naar binnen gerend en hebben alles op slot gedaan. Ik zag dat hij achter ons aankwam. Hij kon niet naar binnen omdat de deuren op slot waren.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 4 december 2018, opgenomen op pagina 54 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3]:

Ik ben werkzaam als AMV medewerker, woonbegeleider van de minderjarigen op

het AZC. Vandaag, dinsdag 4 december 2018, zagen wij dat [verdachte] de trap afliep, want hij stond op één verdieping hoog. Hij liep onze kant op. Ik stond daar samen met collega's [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en een aantal AZC bewoners. Ik hoorde [verdachte] heel duidelijk roepen: 'I kill you' en 'Fuck you'. Ik zag dat [verdachte] richting [slachtoffer 1] liep en een stekende beweging maakte met zijn hand. Ik zag [slachtoffer 1] wegduiken en wegrennen. Ik ben vervolgens ook weggerend en ik zag dat [slachtoffer 2] ook weg ging rennen. Wij zijn naar de receptie gerend, naar binnen gegaan en de deuren op slot gedaan.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 december 2018, opgenomen op pagina 16 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Op 4 december 2018 kreeg ik via de mobilofoon een melding dat op adres [straatnaam] te Drachten. Het adres betreft het asielzoekerscentrum in Drachten. (..) Ik zag bij de trap een man boven staan bij een deur. Ik zag dat deze man iets in zijn handen had wat hij tegen een raam aan sloeg. Ik herkende het voorwerp als een onderdeel van een stoel. (..) Ik zag dat de man naar beneden kwam en zag dat hij in zijn hand een kapot stuk fles van glas had. Ik heb de man verzocht dit te laten vallen. Ik zag dat de man dit stuk fles naast de trap in het gras gooide. (..) Ik hoorde de medewerker van het AZC zeggen dat hij [slachtoffer 1] heette en aangifte wenste te doen. Ik hoorde hem zeggen dat hij heeft moeten rennen voor zijn leven omdat de man met het stuk glas achter hem aan had gezeten over het terrein.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feit 1. primair en 2. wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. primair

hij op 4 december 2018 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet snel op die [slachtoffer 1] is afgelopen en daarbij de dreigende woorden "I will kill everybody who cames near me" en "I kill you" heeft gebezigd en op zeer korte afstand van die [slachtoffer 1] met een kapotgeslagen flessenhals een stekende beweging in de richting van het hoofd en/of de hals van die [slachtoffer 1] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 4 december 2018 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door met een kapotgeslagen flessenhals op die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 1] af te lopen en daarbij die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "I kill you" en "I will kill everybody who comes near me", en vervolgens terwijl die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 1] een veilig heenkomen zoeken, die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 1] achterna te lopen.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. primair Poging tot doodslag

2. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1. primair en 2. wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om een lagere straf op te leggen dan is geëist door de officier van justitie. Hij heeft aangevoerd dat sprake was van een andere, minder ernstige situatie dan volgens de officier van justitie bewezen kan worden. De raadsman heeft verder verzocht rekening te houden met de persoonlijke situatie van verdachte. Verdachte heeft geen toekomst in Nederland, omdat hij uitgezet zal worden naar Italië op het moment dat hij vrijkomt.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter zitting en de rapportage van Reclassering Nederland d.d. 23 januari 2019, de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag en bedreiging van AZC-medewerkers. Hij heeft zijn eigen contactpersoon op het AZC aangevallen met een kapotgeslagen flessenhals en onder meer geschreeuwd 'I kill you'. Deze AZC-medewerker kon de aanval met de kapotte flessenhals in de richting van zijn hoofd en hals ternauwernood ontwijken, waardoor hij gelukkig niet gewond is geraakt. Dit had heel anders kunnen aflopen, gelet op het wapen dat verdachte gebruikte. De kapotte flessenhals had meerdere zeer scherpe punten. Als verdachte [slachtoffer 1] daarmee in of bij de hals had geraakt, had dit tot ernstig letsel en zelfs tot de dood kunnen leiden. De drie AZC-medewerkers zijn na de aanval van verdachte voor hem gevlucht, waarna verdachte hen achterna is gerend. De AZC-medewerkers hebben zich daarom voor hun eigen veiligheid opgesloten tot de politie kwam.

De rechtbank acht dit zeer ernstige feiten. Dit geldt in het bijzonder nu de slachtoffers hulpverleners waren. Juist hulpverleners zouden in de uitoefening van hun werkzaamheden niet bedacht hoeven te zijn op fysiek geweld.

Anderzijds houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is gevlucht uit Niger en verblijft sinds juli 2018 in Nederland, in het AZC te Drachten. Verdachte heeft geen strafblad in Nederland. Verdachte heeft op de betreffende dag te horen gekregen dat hij niet in Nederland mag blijven, maar uitgezet wordt naar Italië. Dit rechtvaardigt echter geenszins het gedrag van verdachte, met name nu de hoeveelheid alcohol die hij had ingenomen, hierop een grote invloed gehad lijkt te hebben.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit en de persoon van de verdachte, een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden passend en geboden is. Zij zal dit dan ook aan verdachte opleggen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 45, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Post, voorzitter, mr. J.Y.B. Jansen en mr. C.J. Hoedt, rechters, bijgestaan door mr. E. de Vries-Haitsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 mei 2019.