Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:5852

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
30-10-2020
Zaaknummer
C/17/166328
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rekestprocedure
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

WILG, beroep ongegrond, kavel geringe oppervlakte

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rekestnummer: C/17/166328/ HA RK 19-39

Beschikking van 3 september 2019

in de zaak van

[A] ,

wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
verschenen in persoon,

tegen

de BESTUURSCOMMISSIE BARGERVEEN-SCHOONEBEEK,
zetelende te Assen,
verweerder,
gemachtigde: mr. E. Sportel,

met als belanghebbende

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
NEDERLANDSE AARDOLIE MAATSCHAPPIJ,
statutair gevestigd te Assen,
gemachtigde: M.J. Eurlings.

Partijen zullen hierna [A] , de commissie en de NAM genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het ontwerpbesluit voor het ruilplan voor de herverkaveling Nieuw-Schoonebeek (hierna: het blok)
- de zienswijze van [A] van 27 juli 2018

- het besluit tot vaststelling van het ruilplan van 12 februari 2019
- het verzoekschrift van 4 april 2019, ingekomen op 5 april 2019
- het verweerschrift van de commissie, ingekomen op 10 juli 2019
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling gehouden op 16 juli 2019

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

[A] brengt een perceel met een oppervlakte van 0.01.74 ha als eigendom in. Over dit perceel loopt een NAM-weg. [A] ontvangt voor de verhuur van zijn grond een vergoeding van de NAM.

2.2.

In het ruilplan is aan [A] geen perceel toegedeeld.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[A] stelt in beroep (samengevat) dat hij zich niet kan verenigen met het besluit omdat dit voor hem tot gevolg heeft dat zijn kavel aan een derde in eigendom overgaat, terwijl hij geen ander perceel krijgt toebedeeld. [A] stelt dat hij de kosten voor opslag van veevoer nu bekostigt uit de opbrengsten van het verhuren van de NAM-weg die over zijn perceel gaat. [A] wenst een andere kavel toegedeeld te krijgen die eenzelfde waarde vertegenwoordigt. Mocht dat niet mogelijk zijn, dan wil [A] een hogere vergoeding ontvangen omdat het perceel niet agrarisch in gebruik is en geen cultuurgrond betreft, zodat het perceel volgens hem een hogere waarde vertegenwoordigt. [A] beroept zich op een uitspraak uit 2009 waarin is geoordeeld dat op de vergoeding van NAM-locaties een factor 13 toegepast moet worden.

3.2.

De commissie concludeert tot niet-ontvankelijkheid, althans afwijzing van het verzoek. Zij voert aan (samengevat) dat de door [A] ingebrachte kavel niet meer aan [A] is toebedeeld omdat de inbreng een dermate klein stukje grond onder een NAM-weg is dat compensatie in grond elders niet te realiseren valt en leidt tot een ondoelmatige perceelvorming, wat niet in het belang is van de verkaveling.

3.3.

De NAM is van plan om de huurovereenkomst per 1 januari 2020 op te zeggen omdat de weg niet meer wordt gebruikt.

4 De beoordeling

4.1.

Ingevolge artikel 58, tweede lid, WILG, kan in het ruilplan worden bepaald dat een eigenaar, in afwijking van artikel 56, tweede lid, WILG, een algehele vergoeding in geld zal ontvangen indien de oppervlakte van zijn in een blok gelegen onroerende zaken zo gering is dat de toepassing van artikel 56, tweede lid, zou leiden tot de vorming van een niet behoorlijk te exploiteren kavel en hij geen redelijk belang heeft bij het verkrijgen van een zodanige kavel.

4.2.

De rechtbank is in het licht van die bepaling van oordeel dat de commissie in redelijkheid heeft kunnen besluiten om [A] geen kavel meer toe te delen. De commissie heeft daarbij in overweging kunnen nemen dat het verkavelingsbelang zich ertegen verzet om [A] op een andere plek een kleine, niet te exploiteren kavel, toe te delen. Daarmee wordt immers een ondoelmatig perceel gevormd. Het beroep tegen de toedeling is ongegrond.

4.3.

Het subsidiaire beroep van [A] om een hogere vergoeding toe te kennen, is niet-ontvankelijk. Zoals de commissie heeft toegelicht, zal aan [A] bij het opstellen van de lijst der geldelijke regelingen de waarde van de inbreng worden vergoed. Als [A] het niet eens is met de hoogte van de vergoeding kan hij dat in de procedure in het kader van de lijst der geldelijke regelingen aan de orde stellen.

4.4.

De conclusie is dat het beroep ongegrond is. De rechtbank zien in de aard van de zaak aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1.

verklaart het beroep ongegrond;
5.2. compenseert de kosten in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gewezen door mr. A. van der Meer en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2019.

type: CvdD

coll:

Rechtsmiddelverwijzing

Tegen deze beschikking staat voor de belanghebbenden, waaronder verzoeker, die voor de rechtbank zijn verschenen en voor de uitvoeringscommissie beroep in cassatie open bij de Hoge Raad te ’s-Gravenhage overeenkomstig de artikelen 426 tot en met 429 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het beroep in cassatie moet worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak. Het beroep wordt aangebracht bij een door een advocaat bij de Hoge Raad getekend verzoekschrift en ingediend bij de griffie van de Hoge Raad.