Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:5842

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-09-2019
Datum publicatie
23-10-2020
Zaaknummer
C/17/166123
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rekestprocedure
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wilg, geen bezwaren tegen toedeling, alleen tegen kavelaanvaarding werkzaamheden, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer/ rekestnummer: C/17/166123 / HA RK 19-25

Beschikking van 10 september 2019

in de zaak van

[A] ,
wonende te [adres] ,
verzoeker,
gemachtigde: mr. L.J. van Pelt, in persoon verschenen,

tegen

de BESTUURSCOMMISSIE BARGERVEEN-SCHOONEBEEK,
zetelende te Assen,
verweerder,
gemachtigde: mr. E. Sportel,

met als belanghebbenden

1 de publiekrechtelijke rechtspersoon STAATSBOSBEHEER,
gevestigd te Driebergen-Rijsenburg,
gemachtigde: mr. H. van den Burg,

2. [B],
wonende te [woonplaats] ,
verschenen in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het ontwerpbesluit voor het ruilplan voor de herverkaveling Nieuw-Schoonebeek (hierna: het blok)
- de zienswijze van [A] van 26 juli 2018

- het besluit tot vaststelling van het ruilplan van 12 februari 2019
- het verzoekschrift van 25 maart 2019, ingekomen op 26 maart 2019
- het verweerschrift van de commissie

- de e-mails van 19 en 21 juni 2019 met een voorstel van de commissie aan [A]
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling gehouden op 24 juni 2019

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

[A] heeft 22 ha akkerbouwgrond ingebracht. In het ruilplan heeft de commissie hem 21 ha toegedeeld. Van het door [A] ingebrachte perceel is een deel niet meer toegedeeld omdat er een sloot is gepland. Verder heeft [A] ten zuiden van de Ellenbeek percelen toegedeeld gekregen.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[A] stelt in beroep dat hij zich niet kan verenigen met het besluit. Hij stelt daartoe (samengevat) dat hij niet akkoord is met de toedeling van de nieuwe percelen (op de bijgevoegde kaart genummerd met 2,8,3, 6,7 en 5) als de zeer hoge kosten voor de betreffende kavelaanvaardingswerken niet worden vergoed. Volgens [A] zijn de gronden namelijk van zeer slechte kwaliteit en zijn ze aangemerkt als klasse 4 en 5. Verder stelt [A] dat hij in het achterste gedeelte van zijn inbreng een gedeelte van het perceel kwijt raakt omdat dit als waterschapsloot geschikt zal worden gemaakt. [A] beroept zich erop dat de commissie heeft toegezegd dat een ontsluiting met een dam en een laadplaats zal worden aangelegd.

3.2.

De commissie concludeert tot niet-ontvankelijkheid, althans afwijzing van het verzoek. Zij voert aan (samengevat) dat het is toegestaan gronden met een afwijking van twee ruilklassen tegen elkaar te ruilen en dat als inbreng en toedeling met elkaar worden vergeleken, er geen rechtens te honoreren toedelingsbezwaar is. Wel is geprobeerd overeenstemming te bereiken over vergoeding van de kavelaanvaardingswerken.

4 De beoordeling
4.1. De rechtbank stelt vast dat [A] in zijn beroepschrift geen bezwaren heeft geuit over de toedeling an sich. Hij gaat immers alleen dan niet akkoord met de toedeling als de betreffende kavelaanvaardingswerken niet worden vergoed. De commissie heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat dit geen te honoreren bezwaar tegen het ruilplan betreft maar dat dit via kavelaanvaarding dan wel via de lijst geldelijke regelingen moet worden opgelost. Bovendien is over de kavelaanvaardingswerken overeenstemming bereikt tussen de commissie met [A] en met zijn zoon [C] (van wie het beroep is geregistreerd onder nummer 166118). De conclusie is dan ook, mede gelet op de totale toedeling ten opzichte van de totale inbreng, dat het beroep tegen het ruilplan ongegrond is.

4.2.

Ook in wat [A] heeft aangevoerd over perceel 4, is geen bezwaar tegen het ruilplan te lezen. Zoals [A] in zijn beroepschrift heeft verklaard, is toegezegd dat in het kader van de kavelaanvaarding een ontsluiting met een dam en een laadplaats kunnen worden aangelegd.

4.3.

Het beroep is ongegrond. De rechtbank ziet in de aard van de zaak aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

verklaart het beroep ongegrond,
5.2. compenseert de proceskosten in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gewezen door mr. A. van der Meer en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2019.

type: CvdD

coll:

Rechtsmiddelverwijzing

Tegen deze beschikking staat voor de belanghebbenden, waaronder verzoeker, die voor de rechtbank zijn verschenen en voor de uitvoeringscommissie beroep in cassatie open bij de Hoge Raad te ’s-Gravenhage overeenkomstig de artikelen 426 tot en met 429 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het beroep in cassatie moet worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak. Het beroep wordt aangebracht bij een door een advocaat bij de Hoge Raad getekend verzoekschrift en ingediend bij de griffie van de Hoge Raad.