Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:5838

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-09-2019
Datum publicatie
09-10-2020
Zaaknummer
C/17/166246 / HA RK 19-47
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rekestprocedure
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wilg, Schoonebeek, ecologische verbindingszone, waterloop

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rekestnummer: C17/166246 / HA RK 19-33

Beschikking van 10 september 2019

in de zaak van

[A] ,

wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
in persoon verschenen,

tegen

de BESTUURSCOMMISSIE BARGERVEEN-SCHOONEBEEK,
zetelende te Assen,
verweerder,
gemachtigde: mr. E. Sportel,

met als belanghebbenden

1 [B] ,

wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,
verschenen in persoon,
2. de publiekrechtelijke rechtspersoon STAATSBOSBEHEER,
gevestigd te Driebergen-Rijsenburg,
belanghebbende,
gemachtigde: mr. H. van den Burg.


en als belanghebbenden, tevens zelfstandig reclamanten

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[C] VASTGOED B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

belanghebbende,

advocaat mr. A.A. Westers te Groningen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[D] HOLDING B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

belanghebbende,

advocaat mr. A.A. Westers te Groningen,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[E] HOLDING B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

belanghebbende,

advocaat mr. A.A. Westers te Groningen,

4. [F],

wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

advocaat mr. A.A. Westers te Groningen,

5. ERVEN [G],

wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

advocaat mr. A.A. Westers te Groningen,

6. [H],

wonende te Nieuw-Schoonebeek,

belanghebbende,

advocaat mr. A.A. Westers te Groningen.
7. maatschap 'T SCHOONE SCHOAP,

zetelend te Nieuw-Schoonebeek,

belanghebbende,

vertegenwoordigd door G.H. Sentker en H.H.Sentker,

8. [I],

wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

verschenen in persoon,

Partijen zullen hierna [A] , de commissie, Staatsbosbeheer, [B] en de overige belanghebbenden genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het ontwerpbesluit voor het ruilplan voor de herverkaveling Nieuw-Schoonebeek (hierna: het blok)
- de zienswijze van [A] van 21 juli 2018

- het besluit tot vaststelling van het ruilplan van 12 februari 2019
- het verzoekschrift van 31 maart 2019, ingekomen op 2 april 2019
- het verweerschrift van de commissie
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling gehouden op 27 mei 2019

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

In het inrichtingsplan Nieuw-Schoonebeek van 13 oktober 2009 is voorzien in de aanleg van een Ecologische Verbindingszone (EVZ) langs de weg Ellenbeek om het Oosteindsche Veen en het Bargerveen met elkaar te verbinden. In het inrichtingsplan is hierover het volgende vermeld, voor zover hier van belang:
"(…) Ter plaatse van de kruisingen met de Ellenbeek en Dordse Weg worden faunapassages aangelegd. Deze zone is geschikt voor plantensoorten van heischrale vegetaties, vogels, zoogdieren, kikkers, padden, salamanders, hagedissen en slangen.
In het kader van het Plan van toedeling worden eigenaren benaderd met het verzoek medewerking te verlenen om de benodigde gronden voor dit doel vrij te houden en in te richten. (…) De provincie Drenthe kiest ervoor de ecologische verbindingszone bij voorkeur te realiseren door middel van particulier natuurbeheer. Dat geldt eveneens voor de faunapassages. (…)".

2.2.

In het ruilplan heeft de commissie een alternatief tracé opgenomen waarbij de landbouwpercelen hun ontsluiting op de Ellenbeek behouden en waarbij een te realiseren fietspad zo wordt aangelegd dat niet op de Ellenbeek zelf hoeft te worden gefietst.

2.3.

[A] heeft in totaal 25.61.47 ha aan eigendom ingebracht in de verkaveling, waarvan 12.14.23 ha huiskavel. In het ruilplan is hem in totaal 24.68.49 ha toebedeeld en hiervan maakt de huiskavel 16.49.28 ha uit. Een gedeelte van de door [A] ingebrachte percelen (SNB00G 378G) is aan [B] toegedeeld. Eén van de door [A] ingebrachte kavels ligt aan de Ellenbeek. De noordkant van dit perceel is aan Staatsbosbeheer toegedeeld. De rest van deze inbreng is opnieuw aan [A] toegedeeld.

3
3. Het verzoek en het verweer

3.1.

[A] stelt in beroep (samengevat) dat hij zich niet kan verenigen met het besluit. [A] heeft er bezwaar tegen dat in het ruilplan zijn bedrijfskavel met 40% wordt verkleind terwijl hij er vanwege zijn intensieve veebedrijf over deze grond moet kunnen beschikken. Daarnaast heeft hij bezwaar tegen de geplande afwateringssloot door het perceel. [A] vindt dat dit in elk geval door middel van een brede dam moet worden opgelost. Verder heeft hij bezwaar tegen de op zijn ingebrachte kavel geplande EVZ. Hij stelt dat deze zone beter aan de noordzijde van de Ellenbeek kan worden aangelegd in plaats van op de goede landbouwgrond waar deze nu is gepland. Hij stelt verder dat hij, in tegenstelling tot wat in het inrichtingsplan staat, nooit benaderd over het plan om met eigenaren samen te werken.

3.2.

De hierboven genoemde belanghebbenden die tevens zelf in beroep komen tegen de EVZ, sluiten zich aan bij de bezwaren van [A] tegen de EVZ.

3.3.

De commissie concludeert tot niet-ontvankelijkheid, althans afwijzing van het verzoek, met uitzondering wat de verkleining van kavel SNB00G 0378 G 0000 betreft. Op dat punt verzoekt de commissie het verzoek gegrond te verklaren en het ruilplan in die zin te wijzigen. Zij voert daartoe aan (samengevat) dat ten onrechte een deel van de bedrijfskavel is verkleind en dat de kavel in ingebrachte toestand zou moeten worden toegedeeld.
De commissie voert verder aan dat in het inrichtingsplan de mogelijkheid is gecreëerd om een EVZ aan te leggen zonder dat in dit plan een traject is vastgelegd. De commissie meent op goede gronden te hebben besloten de EVZ het traject te geven zoals is opgenomen in het ruilplan. In dat verband licht de commissie toe dat in het geplande tracé de landbouwpercelen hun ontsluiting op de Ellenbeek behouden, dat in het tracé gebruik is gemaakt van landbouwkundig minder goede gronden en dat het mogelijke fietspad zo kan worden aangelegd dat niet op de Ellenbeek zelf hoeft te worden gefietst, waardoor recreatief gebruik wordt bevorderd. Volgens de commissie is het door [A] voorgestelde alternatief geen optie omdat hierdoor niet alleen een stuk fietspad verloren gaat maar ook omdat de begraafplaats te schaduwrijk is en daardoor niet geschikt voor op het hoogveen voorkomende fauna.

3.4.

Staatsbosbeheer heeft zich op het standpunt gesteld dat zij een groot belang heeft bij het aanleggen van de EVZ ten zuiden van de Ellenbeek. Met die EVZ kunnen bedreigde soorten zoals libellen, amfibieën, reptielen en vlinders, migreren naar het hoogveen om zich voort te planten. Met de EVZ worden hoogveen en laagveen verbonden. Staatsbosbeheer heeft bezwaar tegen het voorgestelde alternatief omdat het gebied ten noorden van de Ellenbeek te schaduwrijk en daardoor ongeschikt is. Dit gedeelte zou alleen geschikt gemaakt kunnen worden door een forse verbreding, maar dat rijmt niet met de hoeveelheid grond die Staatsbosbeheer inbrengt. Door de voorgestelde toedeling aan Staatsbosbeheer kan het beheer, anders dan bij beheersovereenkomsten met 60 eigenaren, in één hand gehouden worden.

3.5.

[B] heeft ter zitting verklaard dat hij geen bezwaar heeft tegen toedeling aan [A] van een aan [B] toebedeeld perceel.

4
4. De beoordeling
Toedeling inbreng
4.1. Ter zitting is gebleken dat de heer [B] geen bezwaar heeft tegen het voorstel van de commissie om kavel SNB00G 0378 G 0000 aan [A] toe te delen zoals ingebracht. In zoverre is dus aan [A] tegemoet gekomen. De rechtbank zal het beroep op dit onderdeel gegrond verklaren en het ruilplan wijzigen in die zin dat [A] wordt toegedeeld overeenkomst zijn inbreng ter plaatse.
Ecologische verbindingszone
4.2. Aanleiding tot toepassing van landinrichting in het gebied Nieuw-Schoonebeek is volgens het inrichtingsplan geweest het treffen van natuurmaatregelen omdat in de bestaande situatie natuurdoelstellingen niet werden gehaald, onder andere door verdroging van natuurreservaten als gevolg van te lage grondwaterstanden. Een andere aanleiding was de ruil van landbouwgronden.

4.3.

Artikel 17, tweede lid, sub b, Wilg vermeldt dat een inrichtingsplan een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding moet bevatten van de te treffen maatregelen en voorzieningen. Op grond van het derde lid van dit artikel worden op de kaarten behorende bij het inrichtingsplan zo nauwkeurig mogelijk aangegeven, voor zover hier van belang, de te ontwikkelen natuur- en bosgebieden.

4.4.

Het inrichtingsplan vormt daarmee de basis van het ruilplan en biedt de commissie de uitgangspunten en kaders voor het op te stellen ruilplan. Die uitgangspunten en kaders betekenen naar het oordeel van de rechtbank niet dat alles in het inrichtingsplan letterlijk vastligt. De commissie moet bij de invulling van de uitgangspunten enige ruimte gegund worden. Wat de EVZ betreft, is in het plan zelf het traject niet vastgelegd maar wel op een kaartje aangegeven. De commissie heeft er in redelijkheid voor kunnen kiezen een alternatief tracé op te nemen in het ruilplan. De commissie heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de ligging van de EVZ op de plaats van de aan Staatsbosbeheer toegedeelde gronden onontbeerlijk is voor de functie van de EVZ. De commissie heeft daarbij tevens belang mogen hechten aan het behoud van ontsluiting op de Ellenbeek van enkele landbouwpercelen, aan de veiligheid van een mogelijk aan te leggen fietspad en aan de omstandigheid dat op dit gebied landbouwkundig minder goede gronden zijn gelegen.

4.5.

Ook heeft de commissie kunnen besluiten de gronden aan Staatsbosbeheer toe te delen in plaats van aan particulieren onder de voorwaarde van het sluiten van een beheersovereenkomst. Weliswaar is volgens het inrichtingsplan uitgangspunt dat het de voorkeur verdient om de EVZ via particulier beheer te realiseren, maar dit betekent niet dat de commissie geen andere keuze heeft mogen maken. Het woord 'voorkeur' impliceert immers reeds dat de commissie een discretionaire bevoegdheid heeft. Ter zitting is uiteengezet dat wanneer met vele (meer dan 60) particuliere eigenaren beheersovereenkomsten gesloten moet worden, het twijfelachtig is of een EVZ wel uitvoerbaar is en wel daadwerkelijk functioneel zal worden. De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat de commissie er op goede gronden voor heeft gekozen de gronden aan Staatsbosbeheer toe te delen in plaats van aan particulieren.
4.6. [A] heeft een suggestie gedaan voor een alternatieve route van de EVZ, namelijk aan de noordzijde van de Ellenbeek. De commissie heeft echter voldoende aannemelijk gemaakt dat dit alternatieve traject, met een andere toedeling, niet tot hetzelfde resultaat leidt. Ter zitting is besproken dat de alternatieve route te schaduwrijk is voor de te beschermen fauna en dat die bezwaren weliswaar kunnen worden weggenomen door de EVZ aanzienlijk te verbreden, maar dat een dergelijk verbreding op teveel bezwaren stuit. De rechtbank achter verder van belang dat [A] het verlies van inbreng ter plaatse in zijn huiskavel ruimschoots gecompenseerd heeft gekregen.

4.7.

De conclusie is dat de commissie in redelijkheid heeft kunnen besluiten de EVZ het traject te geven zoals zij in het ruilplan heeft opgenomen. Het beroep van [A] is dan ook ongegrond.
Waterloop
4.8. In het onherroepelijk geworden inrichtingsplan zijn aan het waterschap percelen toegewezen voor het realiseren van een waterlossing met een onderhoudspad. De commissie is gebonden aan de beslissing in het inrichtingsplan om gronden toe te wijzen. De commissie is dus niet bevoegd om de toegewezen percelen in het kader van het ruilplan toe te delen en ook de rechtbank kan niet aan deze uitgangspunten tornen. Het beroep van [A] op dit punt is daarom ongegrond. De rechtbank overweegt ten overvloede dat ter zitting is gebleken dat het waterschap bereid is brede dammen aan te leggen zodat een goede overschrijdbaarheid ontstaat. Daardoor worden de nadelen van de aanleg van een waterlossing voor een groot deel teniet gedaan.

Conclusie
4.9. De conclusie is dat het beroep gedeeltelijk gegrond is, namelijk wat betreft de toedeling van de inbreng. Dat is aanleiding om de commissie te veroordelen in de proceskosten, aan de zijde van [A] tot op heden begroot op € 297,00 aan betaald griffierecht.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

verklaart het beroep gegrond wat betreft de toedeling van een gedeelte van de inbreng van [A] aan [B] en wijzigt het ruilplan in die zin dat het perceel met nummer SNBOOG 0378G 0000 in plaats van aan [B] aan [A] wordt toegedeeld zoals ingebracht;

5.2.

verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
5.3. veroordeelt de commissie in de proceskosten, aan de zijde van de [A] tot op heden begroot op € 297,00.

Deze beschikking is gewezen door mr. A. van der Meer en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2019.

type: CvdD

coll:

Rechtsmiddelverwijzing

Tegen deze beschikking staat voor de belanghebbenden, waaronder verzoeker, die voor de rechtbank zijn verschenen en voor de uitvoeringscommissie beroep in cassatie open bij de Hoge Raad te ’s-Gravenhage overeenkomstig de artikelen 426 tot en met 429 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het beroep in cassatie moet worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak. Het beroep wordt aangebracht bij een door een advocaat bij de Hoge Raad getekend verzoekschrift en ingediend bij de griffie van de Hoge Raad.