Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:561

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
21-05-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3651
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bouwleges: De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een afwijking van het bouwplan als bedoeld in 5.2.5 van de tarieventabel van de Verordening ten tijde van de eerste bouwaanvraag. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 22-05-2019
FutD 2019-1447
NTFR 2019/1750 met annotatie van A. Oosters
Belastingblad 2019/254
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 17/3651

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 19 februari 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van het Noordelijk belastingkantoor, verweerder

(gemachtigden: [gemachtigde 1] , [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] ).

Procesverloop

Verweerder heeft bij nota gedagtekend 24 april 2017 van eiser leges ten bedrage van

€ 9.913,75 geheven.

Bij uitspraak op bezwaar van 3 oktober 2017 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft voor de zitting nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2018. Eiser is verschenen, vergezeld door zijn echtgenote [echtgenote eiser] . Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] . De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen nadere stukken te overleggen. Verweerder heeft de gevraagde stukken overgelegd, waarop eiser heeft gereageerd. In de inhoud van de nadere stukken heeft de rechtbank aanleiding gezien om (1) verweerder te verzoeken om aanvullende stukken toe te zenden, aan welk verzoek verweerder heeft voldaan, en (2) een nadere zitting te houden. Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 23 januari 2019. Eiser is, wederom vergezeld door zijn echtgenote, verschenen. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde 3] .

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Eiser heeft op 27 juni 2008 een omgevingsvergunning (hierna ook: bouwvergunning) aangevraagd voor de realisatie van 4 appartementen aan [adres a] . Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Groningen (het College) heeft deze vergunning verleend op 3 juli 2009.

1.2.

Naar aanleiding van het verlenen van de voornoemde bouwvergunning heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Groningen, op grond van de Legesverordening van de gemeente Groningen met nummer 8.144.HVD, die in werking is getreden op 7 mei 2009 (hierna: de Verordening van 7 mei 2009), leges van eiser geheven.

1.3.

In de Verordening van 7 mei 2009 is in artikel 1 bepaald dat onder de naam leges rechten worden geheven ter zake van het door of vanwege de gemeente verlenen van diensten, genoemd in de verordening en de daarbij behorende tarieventabel. Artikel 3 van de Verordening van 7 mei 2009 verwijst voor de tarieven integraal naar de tarieventabel.

1.4.

In de bij de Verordening van 7 mei 2009 behorende tarieventabel is - voor zover hier van belang - het volgende vermeld:

“5. Ruimtelijke ordening en volkshuisvesting

(..)

5.2

Bouwvergunning:

5.2.2

voor het verlenen van een reguliere bouwvergunning als bedoeld in artikel 44 van de Woningwet, een bedrag in verhouding tot de bouwkosten en wel indien de bouwkosten bedragen:

5.2.2.1 € 455.000,00 of minder voor elk geheel bedrag van € 1.000,00 van de bouwkosten € 34,05

(..)

5.2.5

voor het verlenen van een bouwvergunning tot afwijking van het bouwplan, waarvoor reeds vergunning is verleend € 102,90

vermeerderd of verminderd met het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van het bepaalde onder 5.2 tot en met 5.2.4.2 op het bedrag dat de bouwkosten hoger respectievelijk lager is geworden ten opzichte van de bouwkosten voor het bouwplan, waarvoor de oorspronkelijke vergunning is verleend”

1.5.

Overeenkomstig onderdeel 5.2.2.1 van de hiervoor geciteerde tarieventabel heeft verweerder ter zake van de op 3 juli 2009 verleende bouwvergunning leges van eiser geheven ten bedrage van € 10.249 (opgegeven bouwkosten: € 301.883, afgerond € 301.000, op basis van € 34,05 per € 1.000).

1.6.

Eiser heeft op 14 december 2016 wederom een bouwvergunning aangevraagd voor de realisatie van de 4 appartementen aan [adres a] , waarbij eiser heeft aangegeven dat het gaat om een wijziging ten opzichte van de eerder verleende bouwvergunning (als bedoeld onder 1.1). Deze aanvraag is in behandeling genomen door het College, hetgeen heeft geleid tot het verlenen van de gevraagde bouwvergunning op 24 april 2017. Ter zake van het in behandeling nemen van de aanvraag heeft verweerder van eiser een bedrag van € 9.913,75 aan leges geheven. Dat is gebeurd op grond van de Legesverordening 2016, die in werking is getreden op 7 oktober 2016 (hierna: de Verordening van 7 oktober 2016). In de Verordening van 7 oktober 2016 is in artikel 2 bepaald dat onder de naam leges rechten worden geheven voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. In artikel 5 van de Verordening van 7 oktober 2016 is het volgende vermeld:

Artikel 5 Maatstaven van heffing en tarieven

1. De leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

2. Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het nemen van een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet bedraagt het tarief de som van de bedragen die op grond van deze verordening verschuldigd zouden zijn voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning, ontheffing, vrijstelling of enig ander besluit in het kader van de ontwikkeling en verwezenlijking van het project, voor zover het projectuitvoeringsbesluit strekt ter vervanging van deze besluiten, zoals bedoeld in artikel 2.10, derde lid, van de Crisis- en herstelwet.

3. Voor de berekening van de leges wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt.”

1.7.

In de tarieventabel behorende bij de Verordening van 7 oktober 2016 is in Titel 2 (Omgevingsvergunning) - voor zover hier van belang - het volgende vermeld:

"2.2.1

Bouwactiviteiten

2.2.1.1

Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, bedraagt het tarief:

2.2.1.1.1

indien de bouwkosten € 455.000,-- of minder bedragen:

€36,05

voor elk geheel bedrag van € 1.000,-- van de bouwkosten met een minimum van

€107,--

2.2.1.1.2

indien de bouwkosten meer dan € 455.000,-- bedragen:

€16.402,75

vermeerderd met

voor elk geheel bedrag van € 1.000,-- van de bouwkosten boven € 455.000,--

€29,60

2.2.1.2

Indien de vergunninghouder binnen achttien maanden na verlening van de vergunning als bedoeld in onderdeel 2.2.1.1 een nieuwe aanvraag indient die strekt tot het bouwen van opties, worden de voor deze aanvraag verschuldigde leges gebaseerd op de bouwkosten van de opties, met dien verstande dat de verschuldigde leges in ieder geval € 107,-- bedragen. Indien de leges overeenkomstig dit onderdeel zijn bepaald , kan geen beroep worden gedaan op Hoofdstuk 3 van Titel 2.

2.2.1.3

Indien de vergunninghouder binnen achttien maanden na verlening van de vergunning als bedoeld in onderdeel 2.2.1.1 een nieuwe aanvraag indient die strekt tot een -naar de omstandigheden beoordeeld -geringe wijziging van het reeds vergunde bouwplan, worden de voor deze aanvraag verschuldigde leges gebaseerd op de bouwkosten van de geringe wijziging, met dien verstande dat de verschuldigde leges in ieder geval € 107,-- bedragen. Indien de leges overeenkomstig dit onderdeel zijn bepaald, kan geen beroep worden gedaan op Hoofdstuk 3 van Titel 2.

2.2.1.4

Indien de vergunninghouder binnen achttien maanden na verlening van de vergunning als bedoeld in onderdeel 2.2.1.1 een nieuwe aanvraag in dient die strekt tot het bouwen in afwijking van de reeds verleende vergunning op hetzelfde perceel bedragen de leges 50% van de op grond van de onderdelen 2.2.1.1.1 en 2.2.1.1.2 verschuldigde leges. Dit onderdeel vindt uitsluitend toepassing bij vergunningaanvragen met bouwkosten hoger dan € 455.000,-- Indien de leges overeenkomstig dit onderdeel zijn bepaald, kan geen beroep worden gedaan op Hoofdstuk 3 van Titel 2.

2.2.1.5

In afwijking van het bepaalde in de onderdelen artikel 2.2.1.1 tot en met 2.2.1.1.2 worden voor een aanvraag voor het plaatsen van zonnepanelen geen leges geheven. Indien zonnepanelen onderdeel uitmaken van een aanvraag om een omgevingsvergunning, bestaande uit meer onderdelen dan uitsluitend die zonnepanelen, dan worden voor de vaststelling van het legesbedrag de bouwkosten van de zonnepanelen buiten beschouwing gelaten."

1.8

Op basis van door eiser bij zijn aanvraag opgegeven bouwkosten van € 275.000 heeft verweerder, in overeenstemming met onderdeel 2.2.1.1.1 van de tarieventabel behorende bij de Verordening van 7 oktober 2016, van eiser een bedrag van € 9.913,75 aan leges geheven.

Geschil en beoordeling

2.1.

In geschil is of de tweede aanvraag (de aanvraag van 14 december 2016) door verweerder terecht in behandeling is genomen (en is verleend) onder de vigeur van de Verordening van 7 oktober 2016. Eiser meent van niet en vindt dat met de verlening van de bouwvergunning van 24 april 2017 sprake is geweest van het verlenen van een bouwvergunning in afwijking van het bouwplan waarvoor reeds een vergunning was verleend, zoals bedoeld in 5.2.5 van de Verordening van 7 mei 2009 (zie 1.3. en 1.4.)

2.2

Ter zitting is nader toegelicht wat in de tweede aanvraag precies de wijzigingen zijn geweest ten opzichte van het oorspronkelijke bouwplan, op basis waarvan de eerste vergunning was afgegeven. Dit betreft:

- 1 balkon is komen te vervallen;

- de dakopbouw op grond van een nieuw Bouwbesluit is 1 meter hoger;

- er zal aardbevingsbestendig worden gebouwd;

- de exacte indeling van de slaapkamers en van de trappen is anders.

2.3.

Voor de beantwoording van de kernvraag in dit geschil is doorslaggevend of in hoeverre de bepalingen van de Verordening van 7 mei 2009 waren ingetrokken of vervallen ten tijde van het verlenen van de tweede bouwvergunning op 24 april 2017. Verweerder heeft in zijn brief van 8 januari 2019 hierover onder meer het volgende gemeld:

“4. Op 19 oktober 1994 heeft de gemeenteraad een Legesverordening vastgesteld. De Legesverordening 1979 werd daarmee ingetrokken. Daarna heeft de raad tot en met 2010 steeds Verordeningen tot wijzigingen van deze Legesverordening van 19 oktober 1994 vastgesteld. De opeenvolgende wijzigingsverordeningen zijn steeds verwerkt in de Legesverordening die op 19 oktober 1994 is vastgesteld. Oftewel: na elke wijziging van de Legesverordening is er een geconsolideerde versie van de Legesverordening van 19 oktober 1994 opgemaakt. Het is dus niet zo dat iedere keer de Legesverordening 1979 werd ingetrokken. Het is derhalve ook niet zo dat de ingang van de heffing elke keer 1 januari 1995 is, nu er sprake is van een geconsolideerde verordening. De bij mijn brief van 18 september 2018 meegestuurde verordeningen zijn ook geconsolideerde versies van de Legesverordening van 19 oktober 1994.

Een overzicht van de wijzigingen vanaf 19 oktober 1994 zijn opgenomen in de diverse geconsolideerde Legesverordeningen.

De 3 Legesverordeningen welke op 18 september 2018 aan uw rechtbank zijn verzonden zijn inderdaad gelijkluidend met een wijziging in de tarieventabel.

5. De Legesverordening die op 19 oktober 1994 is vastgesteld, is op 30 juni 2010 door de gemeenteraad ingetrokken. Op dat moment is de nieuwe Legesverordening vastgesteld. In artikel 12 van deze Legesverordening is overgangsrecht opgenomen. Dit overgangsrecht heeft betrekking op belastbare feiten die zich voor 1 juli 2010 hebben voorgedaan en waarvoor nog geen legesaanslag was vastgesteld (lid 1). (…)“

2.4.

De rechtbank stelt vast dat er na de Verordening van 7 mei 2009 nog twee maal een Legesverordening is herzien volgens het oude systeem, zoals verweerder dat in zijn brief van 8 januari 2019 heeft beschreven. Volgens dat oude systeem werd alleen de tarieventabel vervangen. Dat is gebeurd bij de wijzigingen van de verordening die in werking zijn getreden op 1 januari 2010 en op 1 maart 2010. Aan het slot van de aldus gewijzigde verordening stond in alle drie gevallen (dus ook in de Verordening van 7 mei 2009) telkens:

“Inwerkingtreding, overgangsbepaling en citeertitel

Artikel 10

1. De ‘Legesverordening 1979’ van 27 november 1978, nr. 30, goedgekeurd bij besluit van 31 januari 1979, nr. 16, wordt ingetrokken met ingang van de in het vierde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zicht voor die datum hebben voorgedaan.

2. De verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking.

3. In afwijking in zoverre van het in de voorgaande leden bepaalde, blijft, indien de datum van inwerkingtreding van deze verordening ligt na de in het vierde lid genoemde datum van ingang van de heffing, de ingetrokken verordening gelden voor de in de tussenliggende periode plaatsvindende belastbare feiten voorzover terzake daarvan de heffing van de leges in die periode plaatsvindt.

4. De datum van de ingang van de heffing is 1 januari 1995.

5. Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Legesverordening’.

Vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 19 oktober 1994, nr. 12.

Goedgekeurd bij KB van 18 november 1994, nr. 94.009214.

Datum bekendmaking: 30 november 1994..

Datum inwerkingtreding: 1 december 1994.”

De laatste (gewijzigde) verordening waarin deze bepaling is opgenomen, is de verordening die in werking is getreden op 1 maart 2010.

2.5.

Aan het slot van de (gewijzigde) tarieventabel, behorende bij de wijziging van de verordening die in werking is getreden op 1 januari 2010, stond het volgende vermeld:

"1. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2010, met dien verstande dat de bepalingen die op grond van deze verordening worden gewijzigd van kracht blijven voor de tijdvakken waarvoor zij hebben gegolden.

2. De datum van ingang van heffing is 1 januari 2010."

Bij deze wijziging van de verordening is de tarieventabel vervangen. Voor wat betreft de bepaling onder 5.2.5 van de tarieventabel is de wijziging overigens hoofdzakelijk redactioneel van aard geweest.

2.6

Aan het slot van de (gewijzigde) tarieventabel, behorende bij de wijziging van de verordening die in werking is getreden op 1 maart 2010, stond het volgende vermeld:

"1. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 maart 2010, met dien verstande dat de bepalingen die op grond van deze verordening worden gewijzigd van kracht blijven voor de tijdvakken waarvoor zij hebben gegolden.

2. De datum van ingang van heffing is 1 maart 2010."

Bij deze wijziging van de verordening zijn de onderdelen 3.3.2 tot en met 3.3.4 van de tarieventabel vervangen.

2.7.

Daarna heeft een integrale herziening van de Legesverordening plaatsgevonden, in verband met de inwerkingtreding van de van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De eerste verordening onder dit nieuwe stelsel is in werking getreden op 9 juli 2010 (de Verordening van 9 juli 2010). In deze verordening is onder meer het volgende bepaald:

“Overgangsrecht

Artikel 12

1. De artikelen en tarieventabel van de Legesverordening van 19 oktober 1994, nr. 12, laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 27 januari 2010, nr. 9b, vervallen op 1 juli 2010, met dien verstande dat zij van toepassing blijven op de belastbare feiten die zich daarvoor hebben voorgedaan.

(…)

Inwerkingtreding

Artikel 13

1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.

2. De datum van ingang van de heffing is 1 juli 2010.

(…)”

2.8.

De rechtbank stelt vast dat het verlenen van de (eerste) omgevingsvergunning op 3 juli 2009 het belastbare feit was dat zich onder de werking van de Verordening van 7 mei 2009 heeft voorgedaan (zie 1.4.). Volgens het aan het slot van de (gewijzigde) tarieventabel, behorende bij de wijziging van de verordening die in werking is getreden op 1 januari 2010 (zie 2.5), zijn de bepalingen zoals die waren opgenomen in de (tarieventabel behorende bij de) Verordening van 7 mei 2009 van kracht gebleven voor de tijdvakken waarvoor die bepalingen hebben gegolden. Volgens artikel 12 van de Verordening van 9 juli 2010 (zie 2.7.) is de (tarieventabel van de) Verordening van 7 mei 2009 van toepassing gebleven op het belastbare feit dat zich onder de werking van de Verordening van 7 mei 2009 heeft voorgedaan (dat belastbare feit heeft zich immers voor 1 juli 2010 voorgedaan).

2.9.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze overgangsbepalingen, tezamen en in onderling verband beschouwd, dat de bepalingen zoals die waren opgenomen in de tarieventabel behorende bij de Verordening van 7 mei 2009, bij wijze van overgangsrecht, zijn blijven gelden.

2.10.

De concrete vraag is nu of eiser ook jaren later nog een beroep kan doen op de bijzondere regeling van onderdeel 5.2.5 van de oude tarieventabel, behorende bij de Verordening van 7 mei 2009. Enerzijds staat buiten kijf dat het belastbare feit waar het allemaal mee begon (de verlening van 3 juli 2009) zich onder de werking van de Verordening van 7 mei 2009 heeft voorgedaan. Anderzijds is ook duidelijk dat de verlening van de tweede vergunning (op 24 april 2017) heeft plaatsgevonden na 1 juli 2010. Het geschil dat partijen verdeeld houdt, komt in wezen neer op vraag of de omstandigheid dat de eerste vergunning verleend is onder de Verordening van 7 mei 2009, met zich brengt dat onderdeel 5.2.5 van de toenmalige tarieventabel is blijven gelden.

2.11.

De rechtbank merkt op dat in de Legesverordeningen die zijn vastgesteld na de Verordening van 9 juli 2010, geen (andere) overgangsbepaling is opgenomen die ziet op de hiervoor (zie 2.8.) beschreven eerbiedigende werking van de Verordening van 7 mei 2009. Met andere woorden: nadien is er nooit een beperking in de tijd aangebracht, bijvoorbeeld door te bepalen dat afwijkingen van bouwplannen, waarvoor ooit een vergunning is verleend, vanaf enig moment niet meer zullen worden afgewikkeld onder de oude legesverordeningen. Dat betekent dat de vraag of de bepalingen van de Verordening van 7 mei 2009 van toepassing zijn op de tweede aanvraag en/of verlening, uitsluitend aan de hand van het overgangsrecht zoals dat is opgenomen onderaan de tarieventabel van de Verordening van 1 januari 2010 en artikel 12 van de Verordening van 9 juli 2010 kan worden beantwoord.

2.12.

Anders dan verweerder ter zitting heeft betoogd, volgt uit dat overgangsrecht niet dat met de inwerkingtreding van de nieuwe Verordening van 9 juli 2010, de oude integraal is ingetrokken. Integendeel: voor belastbare feiten onder de werking van de oude Verordening, is de oude Verordening blijven gelden (zie 2.8. en 2.9.).

2.13.

Dan gaat het dus alleen nog over de vraag of, naast de oude tarieven van 5.2.2, ook de bijzondere regeling van onderdeel 5.2.5 van de tarieventabel van toepassing is gebleven voor belastbare feiten die zich destijds hebben voorgedaan. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen goede reden om die vraag ontkennend te beantwoorden. Volgens de bewoordingen van onderdeel 5.2.5 gaat het om een geval waarin er reeds een vergunning is verleend en er later opnieuw een aanvraag tot het verlenen van een bouwvergunning wordt gedaan die strekt tot afwijking van het bouwplan dat ten grondslag heeft gelegen aan de eerder verleende vergunning.

2.14.

Burgers moeten, nu verweerder voor de maatstaf van de heffing integraal verwijst naar de tarieventabel, uit kunnen gaan van de bewoordingen van onderdeel 5.2.5 van de tarieventabel. De termen 'afwijking' en 'oorspronkelijke vergunning' zijn verder niet gedefinieerd. Dat betekent dat een uitleg volgens het normale spraakgebruik voor de hand ligt. Eisers situatie voldoet vanuit dat perspectief geheel aan de omschrijving van onderdeel 5.2.5 van de tarieventabel. Het is hetzelfde project, er is eerder een vergunning verleend, er is opnieuw een aanvraag gedaan, in die nieuwe aanvraag zijn afwijkingen opgenomen. Verder overweegt de rechtbank dat de bepaling van onderdeel 5.2.5 (anders dan de onderdelen 2.2.1.2 tot en met 2.2.1.5 van de tarieventabel behorende bij de Verordening van 7 oktober 2016, zie 1.7.) geen beperking in de tijd bevat. Eiser kan daarom een beroep doen op de regeling van onderdeel 5.2.5 van de tarieventabel.

2.15.

Gelet op de aard en omvang van de afwijkingen ten opzichte van het oorspronkelijke bouwplan en op het feit dat dat het nog steeds om dezelfde vier appartementen op dezelfde locatie gaat, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een afwijking van het bouwplan als bedoeld in 5.2.5 van de tarieventabel. Dat verweerder, bezien vanuit de Wabo-regels die inmiddels van toepassing waren, genoopt was om een geheel nieuwe toetsing uit te voeren, doet hier niet aan af. Het gaat in dit geschil immers niet om de toepassing van het oude versus het nieuwe omgevingsrecht, maar om de uitleg van de lokale belastingwetgeving. Als de gemeentelijke wetgever in enig jaar na 2009 zou hebben bepaald dat een beroep op 5.2.5 van de tarieventabel bijvoorbeeld nog maximaal 1 jaar zou kunnen worden gedaan, of dat er een hoger tarief zou worden geheven in verband met de inwerkingtreding van de Wabo, was de uitkomst wellicht anders geweest. Dat is in dit geval echter niet gebeurd.

2.16.

Een andere lezing zou wat de rechtbank betreft overigens ook onlogisch zijn. Die andere lezing houdt in dat ook het verlenen van een (tweede) vergunning, naar aanleiding van een gewijzigde aanvraag, zich als afzonderlijk belastbaar feit moet hebben voorgedaan onder de vigeur van de Verordening van 7 mei 2009. Dat zou betekenen dat een burger die een eerste aanvraag had gedaan en een vergunning had gekregen, alleen van de hem op dat moment bekende regeling van 5.2.5 van de tarieventabel zou hebben kunnen profiteren als ook de tweede vergunning nog vóór 1 januari 2010 zou zijn verleend. Dat strookt niet met de gerechtvaardigde verwachtingen die iemand mag ontlenen aan de verordening, op het moment dat hij een vergunning aanvraagt. Kijkend naar de op dat moment geldende verordening, weet hij immers dat eventuele wijzigingen op een eenmaal verleende vergunning tegen een relatief gering tarief zullen worden (bij)geheven. Dat zal een aanvrager betrekken bij zijn overwegingen ten aanzien van het indienen van de aanvraag.

2.17.

De rechtbank stelt vast dat eisers situatie geheel voldoet aan de bewoordingen van 5.2.5 van de tarieventabel, behorende bij de Verordening van 7 mei 2009, welke bepaling is blijven gelden omdat het oorspronkelijke belastbare feit zich onder de vigeur van die verordening heeft voorgedaan. Voor dat geval, partijen hebben dit ter zitting eenparig verklaard, is niet in geschil dat de geheven leges moeten worden verminderd met € 7.000.

3. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar en vermindert de leges tot een bedrag van € 2.913,75.

4. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

5. Eiser heeft verzocht om een proceskostenvergoeding vanwege verletkosten:

- voor het bijwonen van de zitting van 30 augustus 2018 (3 uur maal € 60);

- voor het bijwonen van de zitting van 23 januari 2019 (2 uur maal € 60);

- voor de voorbereiding van de zittingen (10 uur maal € 60).

De rechtbank overweegt dat, gelet op het bepaalde in artikel 1, onderdeel d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de totstandskomingsgeschiedenis daarvan, alleen voor vergoeding in aanmerking komen de kosten voor tijdverzuim voor het bijwonen van de zittingen. Het tarief en het aantal uren is tussen partijen niet in geschil. Dat betekent dat de rechtbank verweerder zal veroordelen om aan eiser 5 uur maal € 60 = € 300 aan verletkosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de leges tot een bedrag van € 2.913,75.

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 300;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Heidekamp, rechter, in aanwezigheid van R.H. Wolfslag, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2019.

w.g.griffier

w.g. rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.