Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:5432

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-12-2019
Datum publicatie
02-01-2020
Zaaknummer
LEE 19/1181
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij brief van 24 juni 2018 heeft verweerder aan eiser een ontwerpbeschikking gestuurd over het Badpaviljoen Hindeloopen. Het ontwerp is opgesteld naar aanleiding van de aanvraag van eiser van 7 juli 2017 om omgevingsvergunning voor:

het bouwen van een bouwwerk;

het verrichten van handelingen met gevolgen voor een beschermd rijksmonument.

Bij besluit van 19 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd.

De rechtbank komt tot de slotsom dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat door de uitgevoerde werkzaamheden alsnog te vergunnen het rijksmonument zou worden aangetast en onherstelbare schade zou worden toegebracht aan de monumentale en cultuurhistorische waarden van het rijksmonument. Evenzeer heeft hij in redelijkheid kunnen besluiten dat het algemeen belang dat is gediend bij het behoud van de monumentale en cultuurhistorische waarden van het rijksbeschermde monument dient te prevaleren boven het (financiële) belang van de aanvrager en dat, mede gelet op de ernstige aantasting van het rijksmonument, de monumentale waarden die daarbij verloren zijn gegaan zoals blijkt uit de bouwhistorische verkenning en de zeer negatieve adviezen van beide deskundige instanties, het legaliseren van de werkzaamheden, zoals aangevraagd, niet mogelijk is.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Besluit omgevingsrecht
Algemene wet bestuursrecht
Erfgoedwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 19/1181

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 december 2019 in de zaak tussen

[voorletters eiser] [achternaam eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.J. Lucassen)

en

het college van burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân, verweerder

(gemachtigden: F. de Groot, mr. N. Veenstra en mr. I. van der Meer).

Procesverloop

Bij brief van 24 juni 2018 heeft verweerder aan eiser een ontwerpbeschikking gestuurd over het Badpaviljoen Hindeloopen. Het ontwerp is opgesteld naar aanleiding van de aanvraag van eiser van 7 juli 2017 om omgevingsvergunning voor:

 het bouwen van een bouwwerk;

 het verrichten van handelingen met gevolgen voor een beschermd rijksmonument.

Eiser heeft een zienswijze naar voren gebracht.

Bij besluit van 19 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Het onderzoek is ter zitting geschorst.

De rechtbank heeft schriftelijke vragen gesteld aan partijen. Partijen hebben daarop gereageerd.

De rechtbank heeft partijen bericht dat een nadere zitting achterwege zal worden gelaten, tenzij een van de partijen aangeeft dat zij mondeling op een zitting wil worden gehoord.

Eiser en verweerder hebben te kennen gegeven dat zij van mening zijn dat een tweede zitting niet nodig is. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van het volgende.

1.1.

Eiser is bestuurder van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Badpaviljoen Hindeloopen B.V. (BHBV).

1.2.

Bij besluit van 15 juni 1999 is het Badpaviljoen Hindeloopen op het perceel plaatselijk bekend Westerdijk 2, te Hindeloopen, aangewezen als beschermd monument (monumentnummer 513627), op grond van de Monumentenwet 1988.

1.3.

Eiser heeft het badpaviljoen in 2001 verworven.

1.4.

Op 7 juli 2017 heeft eiser een aanvraag ingediend. De projectomschrijving luidt als volgt:

"Onderhoud en instandhouding Badpaviljoen"

1.5.

Op 19 maart 2018 heeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een advies uitgebracht over het Badpaviljoen (CIK-2018-188).

1.6.

Op 18 mei 2018 heeft de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit van Hûs en Hiem welstandsadvisering en monumentenzorg een advies uitgebracht (M1SWF092-2).

1.7.

Verweerder heeft op 19 juni 2018 een brief aan eiser gestuurd. Medegedeeld is, onder meer:

"[…] De welstandscommissie Hûs en Hiem heeft op 18 mei 2018 advies uitgebracht over uw bouwplan. En ook de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) heeft een advies gegeven over uw bouwplan. […]

Gezien het advies van bovenstaande commissie vernemen wij graag op welke punten u bereid bent het plan aan te passen. Wij verzoeken u dit kenbaar aan ons te maken middels gewijzigde tekeningen/motivatie binnen vier weken na verzending van deze brief in te dienen. […]"

1.8.

Verweerder heeft op 10 juli 2018 een brief aan eiser gestuurd. Daarin is, onder meer, per onderdeel van het bouwplan een samenvatting gegeven van de adviezen van de welstandscommissie en RCE. In de brief zijn tevens de conclusies opgenomen die de verweerder daaraan verbindt.

1.9.

Eiser heeft op 16 juli 2018 een brief aan verweerder gestuurd. Daarin reageert hij op het verzoek van verweerder om het bouwplan aan te passen.

1.10.

Op 28 september 2018 is het Badpaviljoen bezocht . Eiser, zijn advocaat, en zijn architect waren daar aanwezig. Verweerder, Hûs en Hiem en de RCE hebben zich laten vertegenwoordigen.

1.11.

Op 7 november 2018 heeft de RCE een vervolgadvies uitgebracht over het Badpaviljoen (CIK-2018-939).

1.12.

Verweerder heeft op 20 december 2018 een brief aan eiser gestuurd. Medegedeeld is, onder meer, dat naar aanleiding van de zienswijze op 28 augustus 2018 door de vertegenwoordigers van de adviserende instanties Hûs en Hiem en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed alsnog een bezoek is gebracht aan het Badpaviljoen. Voorts is er een bouwhistorische verkenning verricht om de bouwhistorische waarde van het pand in kaart te brengen. R. Mekenkamp heeft op 12 december 2018 een onderzoeksrapport uitgebracht, dat aan de adviserende instanties is gestuurd. Medegedeeld is dat de adviserende instanties een definitief advies zullen uitbrengen.

Naar aanleiding van de zienswijze is verweerder ingegaan op het aanbod van eiser om alsnog een deskundigenrapport aan te leveren over het toegepaste verfsysteem.

1.13.

Op 11 januari 2019 heeft RCE gereageerd op de bouwhistorische verkenning (AWT-2019-7). Op dezelfde datum heeft de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit van Hûs en Hiem welstandsadvisering en monumentenzorg een aanvullend advies uitgebracht (M18SWF092‑3).

1.14.

Op 23 januari 2019 heeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een vervolgadvies uitgebracht over het Badpaviljoen (CIK-2019-49).

1.15.

Op 25 januari en 13 februari 2019 heeft de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit van Hûs en Hiem welstandsadvisering en monumentenzorg een aanvullend advies uitgebracht (onderscheidenlijk M18SWF092-4 en M18SWF092-5).

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd. Aan dat besluit zijn de volgende citaten ontleend.

"Bouwplan

Er is een aanvraag ingediend voor de volgende uitgevoerde werkzaamheden:

 de vensters in het bovenvolume van het badpaviljoen zijn vervangen;

 de deur en kozijn van de hoofdentree zijn vervangen;

 de gevel is geverfd;

 er zijn nieuwe kappen op de schoorstenen geplaatst;

 het oude blikken plafond is verwijderd en vervangen door een ander plafond.

[…]

Overwegingen

[…]

Wij hebben besloten de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van onderhoud en instandhouding van het badpaviljoen te weigeren. Hierbij is in overweging genomen dat voldoende aannemelijk is geworden dat door de uitgevoerde werkzaamheden aan het pand monumentale waarden verloren zijn gegaan. Hiervoor heeft het college een bouwhistorische verkenning laten verrichten, waarin wordt ingegaan op de monumentale en cultuurhistorische waarden voor aanvang van de recentelijk uitgevoerde werkzaamheden in 2016/2017. De bouwhistorische verkenning is een onafhankelijk onderzoek dat naast de adviezen een belangrijke rol heeft gespeeld bij onderhavig besluit. Uit de bouwhistorische verkenning is gebleken dat de aanwezige onderdelen in- en aan het pand voor aanvang van de recentelijk uitgevoerde werkzaamheden in 2016/2017 een hoge monumentwaarde hadden. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden is niet alleen onvoldoende rekening gehouden met de monumentale belangen, maar zijn ook belangrijke monumentale en cultuurhistorische waarden verloren gegaan.

Plafond

Allereerst heeft de aanvrager bij het uitvoeren van de illegale werkzaamheden het originele blikken plafond verwijderd en vervangen voor een nieuw plafond, waardoor een uiterst zeldzaam plafond met hoge monumentwaarde verloren is gegaan. De monumentencommissie en RCE hebben een negatief advies uitgebracht. Het college is van oordeel dat het nieuwe plafond qua afmetingen en patroon wezenlijk afwijkt van het oorspronkelijke plafond. Hierdoor is het rijksmonument aangetast en onherstelbare schade toegebracht aan de hoge monumentale en cultuurhistorische waarde van dat deel van het rijksmonument, dat daarin reden is gelegen de omgevingsvergunning voor dit aangevraagde onderdeel te weigeren.

Kozijnen en entreedeur

Ook de vensters in het bovenvolume, die als positieve monumentwaarde zijn gekwalificeerd, zijn verwijderd en vervangen door nieuwe houten kozijnen met dubbele beglazing. In het bouwhistorisch rapport staat dat deze vensters mogelijk niet meer origineel zijn, maar dat de posities van stijlen, boven- en onderdorpels nog wel informatie geven over hoe de oorspronkelijke situatie was en deze daarom een positieve monumentwaarde hebben. Op de foto’s behorende bij het restauratieplan uit 2007 (welke toegevoegd zijn in de reactienota) is duidelijk te zien dat de kozijnen van hout nog origineel waren met profilering en slanke detaillering. In het raamhout zijn nog duidelijk de inkepingen te zien waar de oorspronkelijke raamroedes hebben gezeten.

Ook de welstands-/ monumentencommissie en RCE stellen zich op het standpunt dat sprake is van originele kozijnen en ramen voor de recentelijk uitgevoerde werkzaamheden en hebben een negatief advies uitgebracht. Het college komt tot de conclusie dat de nu illegaal geplaatste vensters zorgen voor een sterk gewijzigd gevelbeeld in vergelijking tot het oorspronkelijke gevelbeeld van het badpaviljoen. De nieuwe vensters zijn veel grover uitgevoerd dan de oorspronkelijke vensters en ook is er geen historische detaillering toegepast. Hierdoor ontstaat een zeer vlak gevelbeeld dat onvoldoende recht doet aan de kenmerkende architectuur van het badpaviljoen. De uitstraling van de vensters zijn beeldbepalend voor het monument als geheel. Daarom is de omgevingsvergunning voor dit aangevraagde onderdeel geweigerd.

Verder zijn de entreedeur met het deurkozijn vervangen. De bestaande deur was al vervangen voor een kunststof exemplaar en uit het bouwhistorische rapport volgt ook dat deze deur geen monumentale waarde had. De RCE heeft aangegeven dat het vervangen van deze kunststof deur met kozijn voor een houten exemplaar niet bezwaarlijk is. De welstands-/ monumentencommissie heeft een negatief advies uitgebracht. De uitvoering van de voordeur en die van het deurkozijn stuit zowel welstandshalve als ook uit het oogpunt van monumentenzorg volgens de wetstands-/monumentencommissie op overwegende bezwaren.

De deur en het deurkozijn zijn nogal grof uitgevoerd. Het deurkozijn ligt te vlak in de gevel en mist daardoor een duidelijke negge. De deur en het deurkozijn zijn onvoldoende op elkaar en op de totale gevel afgestemd. Daardoor ontstaat een zeer vlak gevelbeeld dat onvoldoende recht doet aan de kenmerkende architectuur van het badpaviljoen. De vensters en deuren, zoals genoemde voordeur, zijn van belang als onderdeel van de algehele architectonische expressie van het badpaviljoen. Het feit dat in de (bestaande) toestand van 2007 al deels sprake was van nieuwe deuren en vensters, die zelf ook onvoldoende waren afgestemd op de kenmerkende architectuur van het badpaviljoen, doet volgens de welstands-/ monumentencommissie niets af aan eerder genoemde bezwaren.

Het college legt het advies van de RCE van 23 januari 2019 gemotiveerd naast zich neer, omdat zij in deze de adviezen van de welstands-/ monumentencommissie laat prevaleren. Hierbij acht het college van belang dat de uitstraling van de entreedeur beeldbepalend is voor het monument als geheel. Anders gezegd, de entreedeur is van belang als onderdeel van de algehele architectonische expressie van het badpaviljoen. Door de aangevraagde entreedeur te vergunnen ontstaat een onevenwichtig totaalbeeld van het badpaviljoen, dat bovendien afwijkt van het oorspronkelijke architectuurbeeld van het badpaviljoen, dat daarin de reden is gelegen de omgevingsvergunning voor dit aangevraagde onderdeel te weigeren.

Schoorsteenkappen

Verder zijn de originele hoektorentjes verwijderd. Ook deze hoektorentjes hadden een hoge monumentwaarde. De welstands-/ monumentencommissie en RCE hebben een negatief advies uitgebracht. De nieuw toegepaste hoektorentjes detoneren door hun afwijkende kapvorm, het afwijkende materiaalgebruik en door de gewijzigde uitvoering met de hoofdvorm van het badpaviljoen. Hierdoor is het rijksmonument aangetast en schade toegebracht aan de hoge monumentale waarde van dat deel van het rijksmonument, dat daarin reden is gelegen de omgevingsvergunning voor dit aangevraagde onderdeel te weigeren.

Schilderwerk

Tot slot heeft de gehele betonconstructie een hoge tot positieve monumentwaarde. Een deel van de gevel is geschilderd. Het college heeft gesommeerd een deskundigenrapport aan te leveren voor het toegepaste verfsysteem. Op 14 januari 2019 zijn productbladen van de toegepaste verf ontvangen. Naar aanleiding van de ingediende productbladen hebben de adviserende instanties negatief geoordeeld op de toegepaste verf. Uit de productbladen volgt niet welke verf waar is toegepast en of deze geschikt is voor de ondergrond van de gevel. In het productblad van Globaxane Mat staat expliciet dat dit middel niet op gewapend beton mag worden toegepast, terwijl het badpaviljoen voor een groot deel is opgetrokken uit gewapend beton. Bovendien is geen analyse gemaakt van de huidige staat van de gevel. Er kan niet worden beoordeeld of de toegepaste verf geschikt is voor de ondergrond van de gevel. Van een deskundigenrapport is geen sprake. Het college weigert de omgevingsvergunning voor dit aangevraagde onderdeel.

Conclusie

Door de uitgevoerde werkzaamheden alsnog te vergunnen wordt het rijksmonument aangetast en onherstelbare schade toegebracht aan de monumentale en cultuurhistorische waarden van dat deel van het rijksmonument. Gelet hierop is bij besluitvorming een groot gewicht toegekend aan de in geding zijnde monumentale waarden, zoals dit naar voren komt in de deskundige adviezen van de welstands-/ monumentencommissie en RCE. Dit geheel overziend heeft het college besloten dat het algemeen belang dat is gediend bij het behoud van de monumentale en cultuurhistorische waarden van het rijksbeschermde monument dient te prevaleren boven het (financiële) belang van de aanvrager. Mede gelet op de ernstige aantasting van het rijksmonument, de monumentale waarden die daarbij verloren zijn gegaan zoals blijkt uit de bouwhistorische verkenning en de zeer negatieve adviezen van beide deskundige instanties is legaliseren van de werkzaamheden, zoals aangevraagd, niet mogelijk.

3. Het wettelijk kader is hierna weergegeven in de rechtsoverwegingen 3.1. en 3.2.

3.1.

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onderdeel a., van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onderdeel f., is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een rijksmonument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een rijksmonument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

Op grond van artikel 2.1, derde lid kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten als bedoeld in het eerste lid in daarbij aangegeven categorieën gevallen, het in dat lid gestelde verbod niet geldt.

Op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onderdeel d., wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a., de omgevingsvergunning geweigerd indien: het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft […] zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend.

Op grond van artikel 2.15 kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing op de aanvraag houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument.

3.2.

De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 2.1, derde lid, van de Wabo, is het Besluit omgevingsrecht (Bor).

Op grond van artikel 2.5a van het Bor is, in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wabo, geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën gevallen in artikel 3a van bijlage II.

Op grond van artikel 2, onderdeel 1, van bijlage II, behorend bij het Bor is een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op gewoon onderhoud van een bouwwerk, voor zover detaillering, profilering en vormgeving van dat bouwwerk niet wijzigen.

Op grond van artikel 3a van bijlage II, behorend bij het Bor is een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de wet niet vereist, indien deze activiteit betrekking heeft op:

1. gewoon onderhoud als bedoeld in artikel 2, onderdeel 1, voor zover ook materiaalsoort en kleur niet wijzigen […], of

2. een activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft.

4. De rechtbank overweegt dat volgens het aanwijzingsbesluit van 15 juni 1999 de monumentale waarde van het Badpaviljoen ten tijde van de aanwijzing als volgt werd omschreven:

"Inleiding

[…]

Het interieur van het paviljoen is als gevolg van ingrijpende moderniseringen (alleen het balkenplafond en twee deuren in de hal zijn nog origineel) voor de bescherming van rijkswege van ondergeschikt belang.

[…]

Het exterieur heeft in de loop der tijd verschillende verbouwingen ondergaan. Een van de meest ingrijpende is het dichtzetten van de oorspronkelijke veranda door een betonnen ommuring en vensters met kunststofkozijnen.

[…]

Waardering

Het badpaviljoen, gebouwd in 1913-1914 en gelegen op de kruin van de Westerdijk, ten zuiden van Hindeloopen, is van algemeen cultuurhistorisch belang:

 als bijzondere uitdrukking van een culturele en sociaaleconomische ontwikkeling;

 als bijzondere uitdrukking van een typologische ontwikkeling;

 vanwege de, ondanks de moderniseringen en verbouwingen, nog goed herkenbare hoofdvorm van het ontwerp;

 vanwege het bijzondere materiaalgebruik, i.c. beton;

 vanwege de uitzonderlijke situering op het dijklichaam, verbonden met de ontwikkeling van de streek als gebied met een recreatieve functie;

 vanwege de, ondanks de moderniseringen en verbouwingen, nog steeds in redelijke mate aanwezige architectonische kwaliteiten van het exterieur;

 in relatie tot de visuele gaafheid van de landschappelijke omgeving;

 vanwege de typologische en functionele zeldzaamheid, zijnde het laatst overgebleven strandpaviljoen in Fryslân – in dit geval uit het eerste kwart van de 20ste eeuw. […]"

Plafond

5. Eiser stelt dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om de werkzaamheden aan het plafond in de bovenbouw te vergunnen. Hij voert aan dat zonder probleem alsnog een omgevingsvergunning had kunnen en moeten worden verleend, in aanmerking genomen de aantoonbare verbetering die daarmee is bewerkstelligd, de zorgvuldigheid waarmee die vervanging is geschied en de kwaliteit van het eindresultaat.

5.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij omgevingsvergunning voor vervanging van het plafond in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Hij verwijst naar pagina's 6 en 7 van het verweerschrift ingediend in de zaak bekend onder LEE 19/1196. Daaruit zijn de volgende citaten afkomstig:

"BHBV stelt in het huidige plafond meer dan € 30.000,– te hebben geïnvesteerd, zij deed dit volledig op eigen risico. Gezien de inhoud van de monumentenvergunning 2008 wist zij dat er een groot belang werd gehecht aan het behoud van het bestaande plafond en de eventuele aanvulling/het herstel daarvan. Op het moment dat zij besloot dit kostbare plafond te verwijderen en te (laten) vernietigen, wist zij zonder twijfel welk risico zij nam. Het gegeven dat opnieuw een investering in die orde van grootte, of wellicht groter, dient te worden gedaan, komt dan ook geheel voor haar rekening en risico.

Daar waar BHBV de ingreep in het plafond ‘zorgvuldig’ noemt, is B&W van oordeel dat sprake is van minachting van monumentale waarden. Dat wellicht met de nodige zorgvuldigheid een ander plafond is uitgezocht, doet daar niet aan af. Het verwijderen en (laten) vernietigen van het originele, uiterst zeldzame plafond getuigt allesbehalve van zorgvuldigheid. Evenmin is aangetoond dat sprake was van een dermate verregaande aantasting van dat plafond, dat het niet (deels) te redden was. Ten tijde van het verlenen van een monumentenvergunning in 2008, was volgens de opgave van BHBV nog het plafond grotendeels intact en diende het hooguit voor 30% te worden aangevuld. Veruit het grootste deel kon aldus volledig worden behouden. Indien daarvan in 2016 weinig meer over was, zoals BHBV beweert, lag het op haar weg om met een nieuwe aanvraag omgevingsvergunning inzichtelijk te maken dat het handhaven van het originele plafond, althans een deel daarvan, bij nader inzien niet langer mogelijk is. Dat heeft zij niet gedaan, waardoor de door BHBV gestelde onduidelijkheid over de staat van het plafond ten tijde van het slopen ervan, voor haar rekening en risico dient te komen. Dat geldt ook voor het feit dat BHBV kennelijk vanaf 2001 tot 2016 niets heeft ondernomen om het originele plafond zoveel als mogelijk in stand te houden.

Los van het voorgaande tonen de foto’s die zijn overgelegd bij het verzoek om voorlopige voorziening geenszins aan dat de originele blikken plafondplaten nagenoeg geheel zijn weggerot. In tegendeel; het betreffen slechts detailopnamen die heel goed kunnen zijn gemaakt van de randen van het plafond. Uit het onderzoeksrapport uit 2007 blijkt dat destijds sprake was van een gaaf blikken plafond en slechts sprake van geringe roestvorming.

Het staat vast dat het originele plafond nu niet meer te redden is, aangezien het gesloopt en vernietigd is. Daarom kiest B&W voor de oplossing die het meeste recht doet aan de monumentale waarden, het afdwingen van de plaatsing van een soortgelijk plafond. Volgens BHBV is een dergelijke last in strijd met de wettelijke plicht tot instandhouding. Een plicht waaraan volgens BHBV al invulling is gegeven door de plaatsing van een nieuw, andersoortig plafond. Die standpunten zijn niet met elkaar te rijmen, van instandhouding door BHBV is in het geheel geen sprake."

5.2.

De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond faalt. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang van de monumentenzorg zich verzet tegen verlening van omgevingsvergunning voor vervanging van het plafond.

Op grond van artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het aan eiser, als aanvrager van omgevingsvergunning, om gegevens en bescheiden te verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Dat de aanwezigheid van het bijzondere blikken plafond ten tijde van het aanwijzen van het Badpaviljoen Hindeloopen als beschermd monument niet bekend was, maakt dit niet anders. Nu eiser de gegevens en bescheiden diende te verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn, rust op eiser ook het bewijsrisico. Dat betekent dat, als eiser de benodigde gegevens en bewijzen niet (meer) kan verschaffen – als gevolg van vernietiging van het originele plafond – deze bewijsnood verweerder niet kan worden tegengeworpen. De foto's die door eiser in het geding zijn gebracht doen aan het voorgaande niet af. Onduidelijk is gebleven wanneer en door wie de foto's zijn gemaakt en welke werkwijze daarbij is gehanteerd. Evenmin is daarom aannemelijk geworden dat de foto's representatief zijn voor de staat van het gehele plafond ten tijde van de vervangingswerkzaamheden. Voorts is van belang dat niet bestreden is dat de blikken plafondtegels ook nu nog gemaakt kunnen worden.

Kozijnen

6. Eiser stelt dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om de werkzaamheden aan de kozijnen te vergunnen. Daartoe voert hij meerdere beroepsgronden aan.

Ten eerste stelt eiser dat hij ruimschoots aan zijn instandhoudingsplicht heeft voldaan door onderstaande maatregelen uit te voeren:

 vervangen van de houten kozijnen in de bovenruimte door hardhouten kozijnen;

 aanbrengen van hoogwaardig isolerend glas.

Volgens eiser komt de instandhoudingsplicht er in de kern op neer dat het monument wind- en waterdicht wordt gehouden. In dit verband wijst hij er op dat de kozijnen zich in mei 2016 in slechte bouwkundige staat bevonden. Daartoe is een brief van 12 maart 2019, afkomstig van SHP Bouwbedrijven (productie 17) overgelegd.

Ten tweede stelt eiser dat de misverstanden die bij de gemeente bestaan voor een belangrijk deel zijn terug te voeren tot de gebreken in de adviezen van welstandscommissie, de RCE en de Bouwhistorische Verkenning. Eiser bestrijdt met klem dat hij monumentale onderdelen zou hebben gesloopt. Daarnaast houdt de welstandsnota volgens hem geen rekening met de situatie waarbij de oorspronkelijke architectuur niet meer aanwezig is ten tijde van de toetsing van de bouwaanvraag.

6.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij omgevingsvergunning voor de werkzaamheden aan de kozijnen in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Hij verwijst naar pagina's 9 en 10 van het verweerschrift ingediend in de zaak bekend onder LEE 19/1196. Daaruit is het volgende citaat afkomstig:

"Kozijnen en entreedeur

De kozijnen zoals die in 2001 aanwezig waren in de bovenbouw, betroffen de originele kozijnen, zonder roeden. Omdat BHBV het verwijderen van de roeden niet verweten kan worden, behoeft zij alleen de kozijnen in dezelfde staat terug te brengen. Het gaat hierbij om het terugbrengen van de originele slanke detaillering van de kozijnen, waar nu sprake is van dikke kozijnen die geen recht doen aan het originele ontwerp. Indien BHBV die kozijnen wil voorzien van dubbel glas, staat haar dat vrij, mits dat dubbel glas geschikt is voor monumenten en geen gevolgen heeft voor de vereiste profilering en detaillering. De aanwezigheid van dubbel glas is dan niet van een zodanige invloed op de uitstraling van het pand."

In aanvulling daarop stelt verweerder zich – voor zover hier van belang – op het standpunt dat eiser verweerder verwijt uit te gaan van onjuiste feiten. Ook in deze situatie is het eiser die zonder voorafgaand onderzoek, het aanvragen van een omgevingsvergunning en de daarbij behorende monumentale toetsing door deskundigen, is overgegaan tot het slopen van de kozijnen. Ook hier geldt dat hij nu beweert dat de kozijnen zich in slechte bouwkundige staat bevonden en daarom niet te redden waren. Een door hem overgelegde verklaring van het bouwbedrijf dat de klus heeft gekregen, overtuigt niet. Ook hier geldt dat eiser het bewijsmateriaal heeft verwijderd en laten vernietigen zodat de exacte staat niet langer is na te gaan. Daarom mag worden afgegaan op bronnen, waarmee aannemelijk wordt gemaakt hoe de staat en vorm van de kozijnen was.

Voor zover eiser zich daarnaast beroept op zijn instandhoudingsplicht, betekent dat niet dat hij vrij is het monument te verbouwen naar eigen inzicht. Het feit dat hij goed moet zorgen voor het monument, betekent niet dat hij monumentale waarden mag aantasten, vernietigen en/of niet zo veel als mogelijk behoeft terug te brengen.

Meer specifiek merkt verweerder op dat de raampartijen in de bovenbouw niet meer volledig origineel waren, omdat de roeden ontbreken. De kozijnen die om de ramen heen liepen, waren dat echter nog wel. Dat valt op te maken uit het feit dat daarin nog zichtbaar is waar de roeden waren geplaatst. Het gaat verweerder vervolgens om het feit dat de aangevraagde vervangende kozijnen een geheel andere uitstraling hebben dan de originele delen die door eiser gesloopt zijn. De breedte van de kozijnen en tussenstijlen tasten het oorspronkelijke fijnzinnige aangezicht van het monument aan. Indien eiser had gehandeld zoals hij behoort te handelen, te weten door een aanvraag te doen tot de sloop en vervanging van die kozijnen, had hij nimmer vergunning verkregen voor de kozijnen zoals die nu zijn geplaatst, nog los van het feit of van hem niet de inspanning had mogen worden verwacht om de bestaande kozijnen zoveel als mogelijk te conserveren.

6.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij de omgevingsvergunning voor de werkzaamheden aan de kozijnen heeft kunnen weigeren. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

6.2.1.

De rechtbank verstaat hetgeen is aangevoerd in rechtsoverweging 6.1, onder "ten eerste" aldus dat eiser betoogt dat verweerder omgevingsvergunning voor de vervanging van de kozijnen niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren omdat de instandhoudingsverplichting noopte tot het uitvoeren van de werkzaamheden. Deze beroepsgrond faalt. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

De wettelijke instandhoudingsplicht is neergelegd in artikel 11, eerste lid van de Monumentenwet. Dat artikel is op grond van het overgangsrecht neergelegd in (artikel 9.1 van) de Omgevingswet onverminderd van toepassing ten aanzien van het Badpaviljoen.

Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet is het verboden een beschermd monument te beschadigen of te vernielen.

In de onderhavige zaak is niet de handhaving van de norm neergelegd in dit artikel aan de orde. Veeleer gaat het om het antwoord op de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen weigeren om de vergunning bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onderdeel f., van de Wabo te verlenen, terwijl artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet een ander beoordelingskader bevat.

De brief van SHP Bouwbedrijven is gedateerd 12 maart 2019. Het bestreden besluit is vóór die datum genomen. Daarom heeft verweerder met deze brief geen rekening kunnen houden en kan de inhoud daarvan niet afdoen aan de inhoud van het bestreden besluit, daargelaten het antwoord op de vraag of, en zo ja, welke betekenis daaraan kan toekomen in rechte, gelet op het tijdsverloop tussen de daarin beschreven constateringen en de datum van het opstellen ervan.

6.2.2.

De rechtbank verstaat hetgeen is aangevoerd in rechtsoverweging 6.1, onder "ten tweede" aldus dat eiser betoogt dat verweerder de weigering van omgevingsvergunning niet heeft mogen baseren op de welstandadviezen, gelet op de gebreken daarin, hetgeen zou moeten leiden tot het oordeel dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de vergewisplicht (artikel 3:9, van de Awb). Deze beroepsgrond faalt. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij het opstellen van de welstandadviezen, voor wat betreft de kozijnen in de bovenruimte, is uitgaan van een onjuiste vooronderstelling ten aanzien van de aanwezigheid van originele elementen. Zoals hiervoor is overwogen onder rechtsoverweging 5.2 ligt dat wel op zijn weg. Eiser heeft in dit verband (in beroep) enkel stellingen geponeerd. Hetgeen in de zienswijze naar voren is gebracht brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Weliswaar zijn er bij de zienswijze foto's gevoegd, maar anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat de foto's van een dermate grote afstand zijn genomen, dat aan hetgeen daarop te zien is redelijkerwijs geen conclusie kan worden verbonden over de toestand van de kozijnen in 2016. Bovendien is nádat de zienswijze naar voren is gebracht door de adviserende instanties een bezoek aan het pand gebracht. Voor zover daarover wordt geklaagd in de zienswijze is dat gebrek hersteld.

De verwijzing van eiser naar de welstandsnota kan hem niet baten. Die verwijzing miskent dat op dezelfde pagina de volgende tekst is vermeld:

"Is er sprake van een bijzondere situatie (bijvoorbeeld een beschermd monument of een beschermd stads- of dorpsgezicht) of bestaat gerede twijfel aan de toepasselijkheid van de criteria dan wordt de vergunningsaanvraag voor advies aan de aangewezen welstandscommissie voorgelegd. De commissie toetst in die gevallen aan de gebiedsgerichte criteria van hoofdstuk 7 van deze nota."

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat het Badpaviljoen een beschermd monument is. Ook stelt de rechtbank vast dat eiser geen beroepsgronden heeft gericht tegen de toepassing van de gebiedsgerichte criteria uit de welstandsnota.

De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn betoog dat verweerder op dit punt het bestreden besluit heeft genomen in strijd met de vergewisplicht door de welstandsadviezen aan het bestreden besluit ten grondslag te leggen.

6.2.3.

Uit artikel 2.1, aanhef en onderdeel a., gelezen in samenhang met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onderdeel d., van de Wabo volgt dat deze weigeringsgrond de besluitvorming over de kozijnen zelfstandig kan dragen. De overige beroepsgronden over de kozijnen behoeven daarom geen bespreking.

Hoofdentree

7. Tussen partijen is niet langer in geschil dat omgevingsvergunning is aangevraagd voor vervanging van de deur van de hoofdentree.

8. Eiser stelt dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om de werkzaamheden aan de hoofdentree te vergunnen. Daartoe voert hij drie beroepsgronden aan.

Ten eerste stelt eiser dat het voor hem onbegrijpelijk is dat verweerder weigert om de deur-/ kozijnvervanging te legaliseren. Die weigering is in elk geval niet in overeenstemming met het advies van RCE. Die merkt in haar advies van 23 januari 2019 hierover op dat een kunststoffen deurpartij geen monumentale waarde vertegenwoordigt en dat het daarom niet bezwaarlijk is dat het kozijn en de deur nu zijn vervangen door een houten exemplaar dat na het kunststof zelfs als verbetering kan worden gezien. Voorts merkt de RCE op:

“Het houten exemplaar volgt in hoofdlijnen de historische hoofdvorm met zijlichten en bovenlicht.”

Volgens eiser heeft verweerder een niet-deugdelijke motivering gebezigd bij de keuze om het advies van de RCE naast zich neer te leggen, ten faveure van het advies van de welstands-/monumentencommissie.

Ten tweede stelt eiser dat de monumentencommissie alleen bereid is een wijziging van een bestaand onderdeel van het monument te accepteren, indien daardoor die originele status wordt teruggebracht of althans zo dicht mogelijk wordt benaderd. Dit blijkt heel evident uit de volgende zin:

“Het feit dat in de bestaande toestand (in 2007) sprake was van kunststof deuren en vensters, die ook onvoldoende waren afgestemd op de architectuur, doet volgens ons niets af aan eerder genoemde bezwaren.”

Die opvatting negeert de – beperkte – aard van de wettelijke instandhoudingsplicht, aldus eiser.

Ten derde stelt eiser dat hij in het kader van de vervanging niets aan het profiel heeft gewijzigd in vergelijking tot de toestand vóór die ingreep. Daarmee heeft eiser voldaan aan het in de welstandsnota geformuleerde criterium, en valt hem niets te verwijten. Volgens eiser is het de welstands/ monumentencommissie aan te rekenen dat zij dit aspect niet heeft onderkend, en het valt het College te verwijten dat zij het advies van deze commissie zonder meer heeft overgenomen.

8.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij omgevingsvergunning voor de werkzaamheden aan de hoofdentree in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Hij verwijst naar pagina's 9 en 10 van het verweerschrift ingediend in de zaak bekend onder LEE 19/1196. Daaruit zijn de volgende citaten afkomstig:

"Kozijnen en entreedeur

[…]

Datzelfde geldt voor het deurkozijn, waarvan het in 2001 aanwezige kunststof geheel meer recht doet aan het originele ontwerp dan de huidige dikke omlijsting, zonder de originele indeling met bovenlicht en zijlichten. Vanzelfsprekend heeft het de voorkeur dat dit te plaatsen deurkozijn in hout wordt uitgevoerd, echter vanwege het feit dat het in kunststof was uitgevoerd in 2001, acht B&W het te ver gaan om een andere uitvoering te eisen, dan die welke BHBV bij aankoop aantrof en waarvan de plaatsing haar niet verweten kan worden.

In beide gevallen geldt dat de in de last omschreven aanpassingen het meeste recht doen aan de originele uitstraling en detaillering van de kozijnen van het gebouw, welke door BHBV zonder vergunning zijn verwijderd en vervangen. Daarbij heeft B&W rekening gehouden met de situatie zoals BHBV die aantrof in bij aankoop in 2001 en welke situatie qua uitstraling en detaillering redelijk aansloot bij het originele ontwerp (voor wat betreft het deurkozijn) en origineel was (voor wat betreft de raamkozijnen). Dit dus met uitzondering van de ontbrekende roeden en het materiaal waarin het deurkozijn was uitgevoerd. Die gebreken, welke niet door BHBV zijn veroorzaakt, worden haar dan ook niet aangerekend.

Dit leidt geenszins tot een absurde uitkomst, zoals BHBV stelt, maar tot een totaalplaatje dat de originele uitstraling van het Badpaviljoen zo dicht als juridisch mogelijk benadert. De teloorgang van die uitstraling, zoals door BHBV zonder vergunning veroorzaakt met te dikke kozijnen, wordt daarmee ongedaan gemaakt. De huidige toestand is daarbij in ieder geval uitgesloten vanwege de onvergunbaarheid ervan, hetgeen hoe dan ook tot verwijdering moet leiden.

Daarbij biedt B&W BHBV tevens de gelegenheid de door haarzelf in 2007 aangevraagde oplossing uit te voeren. Die blijkt BHBV echter te duur te vinden, hetgeen ook verklaart waarom zij zonder vergunning een geheel andere keuze heeft gemaakt en uitgevoerd. […]"

In aanvulling daarop stelt verweerder zich – voor zover hier van belang – op het standpunt dat, hier toetsing aan de Welstandsnota een belangrijke rol speelt. Indien geen sprake was van een Rijksmonument, had de invulling van de hoofdentree immers eveneens moeten voldoen aan welstandseisen. De door eiser gekozen oplossing is uit welstandsoogpunt onacceptabel. Dat verklaart ook het verschil in opvatting dat de Welstandscommissie en de RCE in deze hebben. De RCE kijkt slechts door de bril van het behoud van monumentale waarden en meent daarom geen juridisch aangrijpingspunt te hebben om een andersoortige hoofdentree af te dwingen.

8.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat door het alsnog vergunnen van de aangevraagde entreedeur een onevenwichtig totaalbeeld van het badpaviljoen zou ontstaan, dat bovendien afwijkt van het oorspronkelijke architectuurbeeld van het badpaviljoen en dat daarin reden is gelegen omgevingsvergunning te weigeren. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

8.2.1.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder een niet-deugdelijke motivering heeft gebezigd bij de keuze om het advies van de RCE naast zich neer te leggen, ten faveure van het advies van de welstands-/monumentencommissie. De motivering van verweerder is terug te voeren op het welstandsadvies van 13 februari 2019. Eiser heeft geen tegenadvies overgelegd. Niet aannemelijk is gemaakt dat dat advies het op relevante punten afwijkt van de welstandsnota. Verweerder heeft daaraan doorslaggevende betekenis mogen toekennen. Hij kon voorts het advies aan zijn oordeel over de welstand ten grondslag leggen. De eerste beroepsgrond faalt.

8.2.2.

De rechtbank ziet geen grond om tot een ander oordeel te komen over de wettelijke instandhoudingsplicht te komen dan hiervoor is gegeven ten aanzien van de kozijnen. De tweede beroepsgrond faalt.

8.2.3.

Dat eiser, volgens hem, niets aan het profiel heeft gewijzigd in vergelijking tot de toestand vóór die ingreep, is niet aannemelijk gemaakt. Op grond van artikel 4:2, tweede lid, van de Awb is het aan eiser, als aanvrager van omgevingsvergunning, om gegevens en bescheiden te verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Daaruit volgt dat ook het bewijsrisico op eiser rust. Dat betekent dat, als eiser de benodigde gegevens en bewijzen niet (meer) kan verschaffen – als gevolg van verwijdering van bouwmaterialen ter uitvoering van werkzaamheden – eventuele bewijsnood verweerder niet kan worden tegengeworpen. De derde beroepsgrond faalt.

Schoorsteenkappen

9. Eiser stelt dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om de werkzaamheden aan de schoorsteenkappen te vergunnen. Hij stelt dat er twee redenen waren om de betonnen kappen van de hoektorentjes te verwijderden. Ten eerste hadden de betonnen kappen en torentjes een behoorlijk gewicht dat drukte op de zwakke draagmuren en ten tweede verkeerde het beton in slechte staat. De kappen lieten volgens eiser hemelwater door. Daarnaast wijst eiser er op dat de Bouwhistorische Verkenning volgens hem een zeer storende fout bevat. Op pagina 48, laatste zin, wordt gesteld dat drie van de vier betonnen tentdakjes op de hoektorentjes nog origineel zijn en een hoge monumentwaarde vertegenwoordigen. Dit is pertinent onjuist: alle vier betonnen tentdakjes (de "kappen") zijn door eiser vervangen door de huidige metalen kappen.

9.1.

Verweerder verwijst naar de pagina's 4 tot en met 6 van het verweerschrift dat is ingediend in de voorlopige voorziening procedure. Daaruit zijn de volgende citaten afkomstig:

"BHBV stelt dat in de Bouwhistorische verkenning een fout staat, te weten dat drie van de vier betonnen tentdakjes op de hoektorentjes nog origineel zijn en een hoge monumentwaarde vertegenwoordigen. Uit de bouwhistorische verkenning valt op te maken dat drie van de vier tentdakjes nog origineel waren. Zie daartoe ook pagina 48 van de Bouwhistorische verkenning. Daar staat letterlijk vermeld dat de waardestelling betrekking heeft op de toestand voor aanvang van de recente restauratie- en renovatiewerkzaamheden. Uit het besluit blijkt zonder twijfel dat alle vier de tentdakjes/schoorsteenkappen door BHBV zijn vervangen door metalen kappen. Over deze feiten bestaat geen misverstand. De reden waarom BHBV dit heeft gedaan, doet niet ter zake.

Vanzelfsprekend bestaat altijd de mogelijkheid om in overleg te treden over het treffen van andersoortige voorzieningen, die het functioneel gebruik ten goede komen. Daartoe kan een aanvraag worden gedaan. BHBV bewandelt echter de omgekeerde weg, zij voert eerst de wijzigingen door zonder omgevingsvergunning en betoogt vervolgens dat andere oplossingen niet uitvoerbaar zijn uit praktisch oogpunt. Met het verwijt dat B&W niet nadenkt over de praktische kant van de zaak, draait BHBV de zaken om. Zij heeft doelbewust niet willen nadenken over de monumentale en juridische kant van de zaak. Daardoor ontstaan nu (althans volgens BHBV) praktische problemen. Dat had zij zich eerder moeten realiseren.

[…]

B&W begrijpt de wens van [achternaam eiser] om de hoektorentjes met schoorsteenkappen op te knappen. Ook hierin heeft hij echter weer eigenstandig keuzes gemaakt, door de oorspronkelijke schoorsteenkappen te slopen en zonder overleg en zonder vergunning nieuwe kappen te plaatsen. Het standpunt dat de bouwkundige staat slecht was, betekent niet dat zonder vergunning tot sloop en vervanging mocht worden overgegaan. Ook is het niet aan [achternaam eiser] om zelf tot het oordeel te komen dat met zijn oplossing recht wordt gedaan aan het Rijksmonument, omdat de uniformiteit weer wordt teruggebracht.

De oplossing die [achternaam eiser] heeft gekozen, doet geen recht aan de monumentale waarden en is niet-vergunbaar. De adviezen van de deskundigen zijn daarin duidelijk. De argumenten van [achternaam eiser] , die vooral van praktische aard zijn, doen daar niet aan af. Evenmin heeft [achternaam eiser] een deskundig tegenadvies ingediend, waaruit volgt dat zijn oplossing wel degelijk recht doet aan het Rijksmonument en de welstandseisen.

Conform de rode draad in deze kwestie, heeft [achternaam eiser] ook hier willens en wetens op eigen risico gehandeld, hetgeen betekent dat de gevolgen ook voor zijn rekening komen.

9.2.

De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond faalt. Daartoe overweegt zij als volgt.

9.2.1.

Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat de opmerking van eiser over pagina 48 van de Bouwhistorische Verkenning geen doel treft. De rechtbank onderschrijft verweerders motivering van zijn standpunt.

9.2.2.

Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang van de monumentenzorg zich verzet tegen verlening van omgevingsvergunning voor de vervanging van de schoorsteenkappen. Hij stelt zich terecht op het standpunt dat Hûs en Hiem (van 18 mei 2018 en 11 januari 2019) en het advies van de RCE (van 19 maart 2018 en 11 januari 2019) daarin duidelijk zijn. Verweerder heeft deze adviezen in redelijkheid bij zijn besluitvorming over de schoorsteenkappen kunnen betrekken. Eiser heeft geen deskundig tegenadvies overgelegd. Evenmin heeft eiser betoogd dat verweerder – voor zover het de schoorsteenkappen betreft – in strijd heeft gehandeld met zijn vergewisplicht door die adviezen aan de besluitvorming ten grondslag te leggen.

Schilderwerk

10. Eiser stelt primair dat voor het schilderwerk geen omgevingsvergunning benodigd is. Hij wijst in dit verband op artikel 2, aanhef en onderdeel 1, gelezen in samenhang met artikel 3a, aanhef en onderdeel 1 van Bijlage II, behorend bij het Bor. Daartoe voert hij aan dat, daar waar ook delen van de originele betonnen gevelgedeelten in 2016-2017 zijn geschilderd, over de toen bestaande verflaag en daarmee dus ook over de bestaande pleisterlaag is heen geschilderd. De pleisterlaag zelf is niet gerepareerd of (deels) verwijderd. Daaraan verbindt eiser de conclusie dat van aantasting van de pleisterlaag geen sprake is. De schilderbeurt had louter een cosmetisch doel.

Subsidiair stelt eiser dat verweerder de weigering van die omgevingsvergunning niet had mogen baseren op de adviezen van de RCE en de monumentencommissie. Deze adviezen zijn volgens eiser gebrekkig. Het is volgens hem andermaal tekenend voor de onzorgvuldige wijze van advisering door de RCE, dat zij zich bij haar advisering over de schilderbeurt in de onderhavige zaak niet heeft gerealiseerd dat zij in 2008 nog niet zo zwaar tilde aan die historische verflagen. Hij verwijst in dit verband naar productie 27 en betoogt dat de RCE er in 2007/2008 zonder meer mee akkoord ging dat de bestaande (en dus ook de eventueel nog aanwezige historische) verflagen met een hogedrukreiniger geheel of gedeeltelijk zouden worden verwijderd. Die eventueel nog aanwezige historische verlagen zouden ruim tien jaar later plotseling een barrière vormen voor het enkel aanbrengen van een (zoveelste) verflaag.

10.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het schilderwerk omgevingsvergunningplichtig is. Het belang van de gebruikte verfsoort ligt in het effect dat deze heeft op het gewapend beton, het materiaal waarvan het Badpaviljoen grotendeels is gemaakt. Beide deskundigen die door verweerder zijn geraadpleegd concluderen dat de toegepaste verfsoorten CO2-doorlatend zijn en niet carbonatatieremmend. Dat maakt de verfsoorten in beginsel ongeschikt voor dit type bouwwerk. Ze beschermen het bouwwerk onvoldoende, hetgeen de instandhouding in gevaar brengt.

Volgens verweerder heeft eiser niet aangetoond dat er oude verflagen op het beton zitten, die het beton afdoende beschermen. Volgens verweerder kan dat eerst duidelijk worden nadat een deskundige daar onderzoek naar heeft gedaan. Daarnaast acht verweerder de verwijzing naar de monumentenvergunning uit 2008 onjuist. De schoonmaak-werkzaamheden betroffen slechts "de later aangebrachte sierpleisterlaag", die dus kennelijk niet als monumentaal aangemerkt werd. Voorafgaand aan eventueel schilderwerk diende verder ook eerst kleuronderzoek naar de oorspronkelijke kleuren te worden uitgevoerd, aldus de toenmalige RACM (nu RCE). Onder die twee voorwaarden was een schilderbeurt volgens hem acceptabel.

10.2.

De rechtbank is van oordeel dat het primair aangevoerde faalt. Daartoe overweegt zij dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat voor het schilderwerk geen omgevingsvergunning benodigd was. Hij beroept zich immers op een uitzondering op de hoofdregel (die inhoudt dat een omgevingsvergunning verplicht is). Hij heeft enkel gesteld dat sprake is van gewoon onderhoud. Omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de kleur niet is gewijzigd, is evenmin aannemelijk gemaakt dat het hier gaat om gewoon onderhoud in de zin van het Bor.

De rechtbank verstaat het subsidiair aangevoerde aldus dat verweerder, volgens eiser, heeft gehandeld in strijd met de op hem rustende vergewisplicht. De rechtbank is van oordeel dat het subsidiair aangevoerde faalt. Daartoe overweegt zij als volgt.

Eiser heeft productie 27 ingebracht. Dat betreft pagina 33 uit het "Bestek en voorwaarden restauratie/ verbouw badpaviljoen Hindeloopen, behorend bij het besluit van burgemeester en wethouders van Nijefurd van 16 juni 2008 (nr. MV 2007009)". Van die pagina is het volgende citaat afkomstig:

"Art. B. 13. STUKADOORSWERK

1. Buiten Stukwerk

Schoonmaken

Alle stukadoorwerk d.m.v. warmwater met zand (Olivinezand), onder hoge druk schoon te stralen. Eén en ander zodanig dat alle losse verflagen, algen aanslag en vuil worden verwijderd.

In ieder geval de later aangebrachte sierpleisterlaag eraf stralen. […]"

Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang van de monumentenzorg zich verzet tegen verlening van omgevingsvergunning voor het schilderwerk. Weliswaar plaatst eiser een kanttekening bij de advisering door (de rechtsvoorganger van de) RCE, maar die heeft de rechtbank er niet van kunnen overtuigen dat verweerder zijn vergewisplicht geschonden heeft. Daartoe is van belang dat de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten in zijn brief van 11 februari 2008 (RN/2008/102) als volgt heeft geadviseerd:

"Omschrijving van het plan:

Het plan betreft de restauratie van het casco en deels van het interieur en het aanbrengen van enkele voorzieningen ten bate van de bestaande horeca-functie. Tevens worden de oorspronkelijke buitentrap, de balustrade rondom en de indeling van de ramen teruggebracht.

Bouwkundige aspecten:

Daar waar de bestaande constructie door betonaantastingen zwak is geworden, voorziet het plan in het bijzetten van een nevenconstructie. Het bestaande betonwerk wordt slechts heel terughoudend geconserveerd.

[…]

Motivering:

Het is zeer positief dat de oorspronkelijke architectuur en uitstraling van het pand in ere worden hersteld! De terughoudende wijze van herstel en consolidatie vormen daarbij een respectvolle aanpak van het gehele plan. Voor wat betreft de kleurstelling van het ex- en het interieur adviseer ik kleuronderzoek te laten uitvoeren, omdat het pand uit 1913 oorspronkelijk expressieve kleuren kan hebben gehad. Ook adviseer ik de bouwgeschiedenis in beeld te brengen en na te gaan of de schuine daken waren voorzien van een zinken bekleding zoals het plan aangeeft, of dat deze wellicht van koper of lood is geweest. Met de uitvoering van het plan gaan geen overwegende monumentale waarden verloren.

[…]

Advies:

Gelet op het bovenstaande bestaan er van uit het oogpunt van monumentenzorg geen bezwaren tegen de uitvoering van het hierboven beoordeelde plan en adviseer ik u derhalve positief, mits bovenstaande in acht wordt genomen."

De rechtbank stelt vast dat feitelijke grondslag ontbreekt voor de stelling van eiser dat RCE [de rechtbank leest: RCAM] er in 2007/2008 zonder meer mee akkoord ging dat de bestaande verflagen met een hogedrukreiniger geheel of gedeeltelijk zouden worden verwijderd. Veeleer blijkt uit het hierboven aangehaalde dat RCAM hechtte aan het herstellen van de oorspronkelijke architectuur en uitstraling van het pand en dat hij daartoe kleuronderzoek aangewezen acht, nog daargelaten dat het niet uitgesloten is dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg na tien jaar tot andere inzichten kan worden gekomen door een adviseur.

Conclusie

11. De rechtbank komt tot de slotsom dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat door de uitgevoerde werkzaamheden alsnog te vergunnen het rijksmonument zou worden aangetast en onherstelbare schade zou worden toegebracht aan de monumentale en cultuurhistorische waarden van het rijksmonument. Evenzeer heeft hij in redelijkheid kunnen besluiten dat het algemeen belang dat is gediend bij het behoud van de monumentale en cultuurhistorische waarden van het rijksbeschermde monument dient te prevaleren boven het (financiële) belang van de aanvrager en dat, mede gelet op de ernstige aantasting van het rijksmonument, de monumentale waarden die daarbij verloren zijn gegaan zoals blijkt uit de bouwhistorische verkenning en de zeer negatieve adviezen van beide deskundige instanties, het legaliseren van de werkzaamheden, zoals aangevraagd, niet mogelijk is.

12. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, rechter, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 december 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.