Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:5226

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-12-2019
Datum publicatie
18-12-2019
Zaaknummer
LEE 19/913
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sluiting van een café voor drie maanden. Daarnaast intrekking van de Drank- en Horecavergunning en van de exploitatievergunning. Burgemeester heeft aannemelijk gemaakt dat in en bij het café gehandeld is in drugs. Geen situatie dat exploitanten geen enkel verwijt gemaakt kan worden. Zij hebben onvoldoende maatregelen ter voorkomen van drugshandel getroffen, nu zij eerder door de politie op de hoogte waren gesteld van vermeende drugshandel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 19/913

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , gevestigd te Sneek , eiseres

(gemachtigde: mr. M.P. van der Veen),

en

de burgemeester van de gemeente Súdwest-Fryslân, verweerder

(gemachtigden: F. de Groot en D.S. Verkade).

Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2018 (hierna ook: het sluitingsbesluit) heeft verweerder eiseres gelast het horecabedrijf [bedrijfsnaam] aan [locatie] (hierna: het café) met ingang van 27 juli 2018 om 17:00 te sluiten en voor drie maanden gesloten te houden met de mededeling dat verweerder op haar kosten over zal gaan tot sluiten indien zij niet aan deze last heeft voldaan.

Bij besluit van 24 september 2018 (hierna ook: de intrekkingsbesluiten) heeft verweerder de aan eiseres verleende Drank- en Horecavergunning en exploitatievergunning ten behoeve van het café ingetrokken.

Tegen deze besluiten heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Bij mondelinge uitspraak van 24 oktober 2018 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek van de vennoten van eiseres, [naam 1] en [naam 2] , om met betrekking tot het besluit van 24 september 2018 een voorlopige voorziening te treffen, afgewezen.

Bij besluit van 30 januari 2019 heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Op 3 april 2019 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. In de begeleidende brief heeft verweerder op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de bestuursrechter medegedeeld dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van een deel van de stukken. Bij beslissing van 11 april 2019 heeft de rechtbank besloten dat beperking van de kennisneming van de door verweerder met toepassing van artikel 8:29 van de Awb overgelegde bestuurlijke rapportage van 24 juli 2018 en de processen-verbaal van de politie van 11 april 2018, 12 april 2018 en 16 april 2018 gerechtvaardigd is. Daarnaast heeft de rechtbank besloten dat beperking van de kennisneming van de door verweerder met toepassing van artikel 8:29 van de Awb van de overgelegde beslissingen van 12 oktober 2018 en 22 oktober 2018 van deze rechtbank over geheimhouding niet gerechtvaardigd is en zijn die beslissingen aan verweerder teruggestuurd. Eiseres heeft bij brief van 16 april 2019 de rechtbank geen toestemming verleend kennis te nemen van de stukken waarvan beperking van kennisneming gerechtvaardigd is geacht, waarop die stukken teruggestuurd zijn aan verweerder. Hierop heeft verweerder de bestuurlijke rapportage, deels geanonimiseerd, opnieuw ingediend.

Bij brief van 13 augustus 2019 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2019. Van eiseres zijn haar vennoten [naam 1] en [naam 2] verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Inleiding

1.1

Naar aanleiding van informatie van derden dat in het café gehandeld wordt in drugs, onder meer door medewerker [X] , heeft de politie een onderzoek ingesteld naar drugshandel in het café. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een bestuurlijke rapportage van 24 juli 2018. Hierin is vermeld dat de politieagenten in burger eenmaal in april 2018, tweemaal in mei 2018, eenmaal in juni 2018 als ook eenmaal in juli 2018 observaties in en om het café hebben uitgevoerd en dat op basis daarvan op 22 juli 2018 omstreeks 03:35 uur een inval is gedaan in het café. Bij die inval zijn door de speurhondengeleider op meerdere plaatsen (reuk)sporen van drugs aangetroffen en is medewerker [X] aangehouden in bezit van twee envelopjes van 0,07 en 0,18 gram drugs (cocaïne). Op 22 juli 2018 zijn verder medewerker [X] en [Y] gehoord. [X] heeft daarbij verklaard dat hij niets stelt te weten van handel in drugs in het café, wel dat er in het café drugs wordt gebruikt. Hij handelt ook niet in drugs, wel kan het best zo zijn dat hij een ander als vriend drugs heeft gegeven. [Y] heeft verklaard dat het best zo kan zijn dat hij coke bij zich had en dat hij hiervan iets heeft gegeven aan degene die naast hem stond. Hij erkent verder dat hij weleens met iemand in het toilet staat om samen met hem te gebruiken. Hij betwist dat er in het café gehandeld wordt in drugs.

1.2

Verweerder heeft in de bevindingen van de politie neergelegd in de bestuurlijke rapportage aanleiding gezien om het sluitingsbesluit te nemen. Uit die bevindingen volgt volgens verweerder dat het café bij gebruikers bekend staat als verkooppunt van verboden middelen. In belang van de openbare orde en veiligheid acht verweerder het daarom noodzakelijk dat zowel de loop naar het café als de bekendheid van het café als pand waar drugs kan worden gekocht, wordt doorbroken. In het sluitingsbesluit heeft verweerder vervolgens reden gezien de intrekkingsbesluiten te nemen.

1.3

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het sluitingsbesluit en de intrekkingsbesluiten gehandhaafd.

1.4

Eiseres is het niet eens met het oordeel van verweerder. De rechtbank zal hierna ingaan op de door haar aangevoerde gronden.

Bevoegdheid tot handhavend optreden

2.1

Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

2.2

Eiseres kan zich niet vinden in het standpunt van verweerder dat in het café gehandeld wordt in drugs. In het café is geen drugs gevonden en evenmin is onomstotelijk gebleken dat in of bij het café gehandeld is in drugs.

2.3

Dit betoog treft geen doel. De rechtbank stelt voorop dat voor toepassing van de in artikel 13b van de Opiumwet neergelegde bevoegdheid niet is vereist, anders dan eiseres meent, dat onomstotelijk is bewezen dat een middel als bedoeld in die bepaling is verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Voldoende is dat verweerder dit aannemelijk heeft gemaakt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA3702). Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder hierin geslaagd.

2.4

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de waarnemingen van de politie voldoende concrete aanwijzingen bieden dat in en bij het café gehandeld werd in drugs. Allereerst is een politieman in burger in april 2018 aangesproken door een bezoeker met de mededeling dat hij hem wel wat "wit"' kon leveren om te snuiven tegen de vermoeidheid. Verder heeft de politie in de periode van mei 2018 tot en met juli 2018 gedrag van medewerker [X] en medewerker [Y] waargenomen dat naar algemene ervaringsregels de kenmerken heeft van het gedrag van een dealer. Geconstateerd is dat medewerker [X] op 20 mei 2018 veelal buiten het café stond en dat hij op een gegeven moment met een groepje mannen stond de praten en hen vroeg "moet je wat hebben", waarna hij iets uit zijn linker zak haalde en aan één van de mannen uit het groepje gaf, die het snel in zijn broekzak stak. Op 8 juli 2018 is geconstateerd dat medewerker [X] geregeld buiten stond, hij rookte en dronk bier en sprak mensen aan en liet ze binnen. Hij liep veel het café in en uit. Zeker tien maal is waargenomen dat medewerker [X] nadat hij met een persoon contact had gehad, direct naar de toiletruimte liep, gevolgd door die persoon. Het toiletbezoek beperkte zich daarbij tot twee minuten. Op 3 juni 1998 is voorts waargenomen dat de achter de bar aanwezige medewerker [Y] iets uit zijn broekzak haalde en aan een klant overhandigde. Verder liep deze medewerker in korte tijd meerdere malen de toiletruimte in en uit. Omstreeks 02:15 uur werd [Y] in de toiletruimte gezien waar hij een zogenaamde ponypack (envelopje waar doorgaans drugs in wordt bewaard) uit zijn broekzak haalde en met een sleutel enkele malen witpoeder opschepte en opsnoof. Op 8 juli 2018 is waargenomen dat het mannelijk personeel vaak met bezoekers naar de toiletruimte ging, dat medewerker [Y] werkzaam achter de bar iets kleins aan de klant overhandigde, waarna de klant direct naar de toiletruimte liep. Het dealkarakter van het gedrag van de medewerkers wordt naar het oordeel van de rechtbank versterkt door de omstandigheid dat door de politie is geconstateerd dat in het café door meer dan één bezoeker ook drugs werd gebruikt, als ook door de omstandigheid dat medewerker [X] ten tijde van de inval in bezit was van drugs.

2.5

Dat nimmer een handelshoeveelheid drugs in het café is aangetroffen, betekent, anders dan eiseres meent, niet zonder meer dat in het café niet is gehandeld in drugs. Die omstandigheid sluit niet uit dat uit andere omstandigheden afgeleid kan worden, zoals in het onderhavige geval, dat aannemelijk is dat gehandeld wordt in drugs. Om gelijke reden ziet de rechtbank in de omstandigheid dat de politie enkel heeft waargenomen dat medewerkers [X] en [Y] iets aan een persoon (hoogstwaarschijnlijk) hebben gegeven zonder dat zij konden zien wat het precies was geen reden om anders te oordelen. Daarbij wijst de rechtbank erop dat beide medewerkers hebben verklaard dat zij wel eens drugs aan een ander hebben gegeven en dat de politie meermaals gedrag van hen heeft waargenomen dat redelijkerwijs duidt op het gedrag van een dealer.

2.6

Gelet op het bovenstaande ziet de rechtbank in het beroep van eiseres geen grond voor het oordeel dat verweerder niet bevoegd was om handhavend op te treden. Dat eiseres, naar zij stelt, geen verwijt valt te maken, doet hieraan niet af nu de persoonlijke verwijtbaarheid van de exploitant niet relevant is voor het ontstaan van de in artikel 13b van de Opiumwet neergelegde bevoegdheid.

Evenredigheid last sluiting

3.1

Eiseres betoogt dat verweerder in hun situatie geen gebruik had mogen maken van zijn sluitingsbevoegdheid en had moeten volstaan met een waarschuwing.

Daartoe wijst eiseres erop dat verweerder haar niet deugdelijk heeft geïnformeerd over mogelijk drugsgebruik en dat zij daardoor niet tijdig maatregelen heeft kunnen treffen.

3.2

De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij het nemen van het besluit tot sluiting een nadere beoordeling moet maken. Daarbij dient hij alle omstandigheden van het geval te betrekken en te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden er toe kunnen leiden dat het handelen overeenkomstig zijn beleidsregel, in het onderhavige geval een sluiting voor de duur van drie maanden, gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. Dit betekent dat verweerder in de mate waarin het handelen in drugs in en bij het café eiseres verweten kan worden onder omstandigheden aanleiding had moeten zien om een sluiting van kortere duur te gelasten of zich had moeten beperken tot een waarschuwing voor zover in elk geval de openbare orde en veiligheid zich niet tegen zo'n maatregel verzetten. Die situatie doet zich naar het oordeel van de rechtbank in dit geval reeds niet voor gezien de mate waarin eiseres een verwijt gemaakt kan worden van het handelen in drugs in en bij het café. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

3.3.1

Op een exploitant rust een eigen verantwoordelijkheid om drugshandel in zijn inrichting te voorkomen. Hij is in beginsel verantwoordelijk voor wat zich daar afspeelt. Dit betekent dat van een exploitant onder omstandigheden verwacht mag worden uit eigen beweging maatregelen te treffen ter voorkoming van drugshandel. In dit geval behoorde eiseres te weten dat er een reëel risico was dat in of bij het café gehandeld zou worden in drugs. Blijkens de bestuurlijke rapportage heeft de politie vennoot [naam 1] eind 2017 en in april 2018 op de hoogte gesteld van vermeende handel in drugs.

3.3.2

Eiseres stelt dat zij naar aanleiding van de eerste mededeling eind 2017 maatregelen heeft getroffen. Bezoekers zijn uit het café gezet wegens drugsgebruik, de politie is zo nodig gewaarschuwd, drugs is in beslag genomen en er zijn gesprekken gevoerd. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat die maatregelen onvoldoende effect hebben gehad. Naar het oordeel van de rechtbank kon en behoorde eiseres ook te weten dat de getroffen maatregelen niet afdoende waren, nu de drugshandelsactiviteiten op zichtbare plekken in en bij het café plaatsvonden en niet (enkel) in afgeschermde en/of privé vertrekken. Dat volgens eiseres het niet goed mogelijk is dat vennoot [naam 1] tijdens zijn werkzaamheden altijd goed zicht heeft op bezoekers en zijn medewerkers, waarbij medewerker [X] zich in zijn functie van gastheer ook vaak buiten het café bevindt, is een omstandigheid die voor risico van eiseres komt, te meer nu op haar in dit geval een zwaardere controleplicht rustte, nu zij door de politie was gewaarschuwd over drugshandel in en bij het café.

Ook uit de tweede mededeling van de politie had eiseres naar het oordeel van de rechtbank kunnen weten dat de getroffen maatregelen onvoldoende effect hadden. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat die mededeling haar niet tegengeworpen kan worden, nog daargelaten dat die mededeling niet afdoet aan haar eigen verantwoordelijkheid. Vennoot [naam 1] heeft ter zitting erkend dat hij in april 2018 door de politie in zijn café is aangesproken over handel in drugs waarbij hem ook is meegedeeld dat medewerker [X] het dealen in drugs in het café toestaat. Naar de mening van eiseres kan die mededeling niet als een serieuze kennisgeving en/of waarschuwing worden beschouwd omdat deze om drie uur s' nachts in het voorbijgaan aan vennoot [naam 1] is gedaan. De rechtbank kan eiseres niet in dit standpunt volgen. Voor zover de strekking en/of inhoud van de mededeling door de omstandigheden waarin deze is gedaan voor vennoot [naam 1] niet duidelijk was, had het gelet op de eerdere meldding van de politie over handel in drugs en gelet op de eigen verantwoordelijkheid van eiseres, op haar weg gelegen om nadere informatie in te winnen bij de politie.

3.3.3

Eiseres wijst erop dat vennoot [naam 1] deelneemt aan het tweemaandelijkse overleg met een wethouder en een vertegenwoordiger van de politie, waarin actuele zaken worden besproken. De politie levert daarbij, aldus eiseres, gegevens aan over incidenten die gerelateerd zijn aan de horeca, zodat vennoot [naam 1] in dat overleg op de hoogte had moeten worden gebracht over de situatie van het café. Dat vennoot [naam 1] in dat overleg niet is geïnformeerd over drugshandel in het café betekent niet dat eiseres hiervan geen weet kon en behoorde te hebben. Daartoe verwijst de rechtbank naar hetgeen zij in rechtsoverweging 3.3.2 heeft overwogen. Om die reden ziet de rechtbank in dit betoog reeds geen aanleiding voor het oordeel dat eiseres als gevolg van verminderde verwijtbaarheid onevenredig door de sluiting wordt getroffen. Overigens merkt de rechtbank op dat verweerder ter zitting onweersproken heeft verklaard dat in het overleg geen persoonlijke kwesties van ondernemers worden besproken, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank uit oogpunt van privacy ook niet in de rede ligt. In dat licht had het dan ook op de weg van vennoot [naam 1] gelegen om buiten het overleg om bij de vertegenwoordiger van de politie eventueel te informeren over de actuele situatie in het café.

3.4

Ook in de omstandigheid dat eiseres, naar zij stelt, zich in algemene zin heeft ingezet voor een drugsvrije horeca, zij stelt onder meer grondlegger geweest te zijn van het systeem "Kwalitatief Veilig Uitgaan", ziet de rechtbank geen aanleiding om een verminderde verwijtbaarheid aan te nemen. Hoe waardevol die inbreng ook is, ter beoordeling ligt de inbreng van eiseres in het voorkomen van drugshandel in en bij het café.

3.5

Eiseres betoogt voorts dat zij door de sluiting onevenredig wordt getroffen omdat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen die de sluiting heeft voor de aan haar verleende Drank- en Horecawetvergunning en exploitatievergunning.

Dit betoog slaagt niet. Die gevolgen zijn niet het rechtstreekse gevolg van het sluitingsbesluit. Zij zijn eerst ontstaan door de intrekkingsbesluiten, waartegen eiseres een zelfstandige rechtsmiddel heeft kunnen aanwenden, zoals zij ook heeft gedaan en waarop de rechtbank in de hierna volgende rechtsoverwegingen in zal gaan.

3.6

Gelet op het bovenstaande ziet de rechtbank in het beroep van eiseres geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid overeenkomstig haar beleid eiseres heeft kunnen gelasten het café voor de duur van drie maanden te sluiten.

Drank- en Horecavergunning

4.1

Op grond van artikel 31, eerste lid 1 aanhef en onder b, van de Drank- en Horecawet moet een burgemeester een vergunning intrekken indien niet langer wordt voldaan aan de bij of krachtens artikelen 8 en 10 geldende eisen.

4.2

Verweerder heeft de Drank- en Horecawetvergunning ingetrokken omdat eiseres niet heeft voldoen aan de eis dat een leidinggevende binnen de laatste vijf jaar geen leidinggevende is geweest van een inrichting (…) die voor ten minste een maand is gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet (…), tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft (artikel 8, tweede lid, van de Drank- en Horecawet in samenhang gelezen met artikel 5 van het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet).

4.3

Eiseres stelt dat haar ten aanzien van de sluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet geen verwijt gemaakt kan worden. Zij was niet betrokken bij de drugshandel en heeft maatregelen genomen ter voorkoming van drugshandel voor zover dat in haar mogelijkheden lag.

De rechtbank kan eiseres niet in dit betoog volgen. Dat eiseres niet zelf drugs heeft verhandeld, laat onverlet dat zij onvoldoende acties heeft ondernomen tegen gedragingen van bezoekers en in het bijzonder tegen haar medewerkers in en bij het café die redelijkerwijs duidden op handelen in drugs en van welke gedragingen zij op de hoogte kon en behoorde te zijn. Om die reden heeft verweerder terecht geoordeeld dat eiseres een verwijt gemaakt kan worden en was hij verplicht om de Drank- en Horecawetvergunning in te trekken.

Exploitatievergunning

5.1

In de Algemene plaatselijke verordening (Apv) is bepaald dat de vergunning kan worden ingetrokken indien de voorschriften niet worden nagekomen.

5.2

Verweerder heeft de exploitatievergunning ingetrokken omdat eiseres twee voorschriften niet heeft nagekomen en wel voorschrift 6 waarin is bepaald dat de vergunninghouder en beheerder verantwoordelijk zijn voor de goede gang van zaken in het horecabedrijf en in de directe omgeving daarvan, en het voorschrift 8 waarin is bepaald dat handelen in strijd met de bepalingen van de Opiumwet leidt tot intrekking van de vergunning.

5.3

Eiseres betoogt dat voorschriften 6 en 8 onduidelijk zijn. Daarnaast is zij van mening dat intrekking van de exploitatievergunning niet redelijk is. Zij heeft gedaan wat zij kon.

Dit betoog treft geen doel. Anders dan eiseres meent is voorschrift 6 voldoende bepaald en volgt daaruit dat eiseres verantwoordelijk is voor hetgeen in en bij het café gebeurt. Nu handel in drugs in en bij het café is waargenomen waarvan eiseres een verwijt gemaakt kan worden, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank reeds in redelijkheid met toepassing van artikel 1.6 van de Apv de exploitatievergunning kunnen intrekken.

Conclusie

6.1

Het beroep is ongegrond.

6.2

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M. van der Doef. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 12 december 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.