Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:520

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-02-2019
Datum publicatie
14-02-2019
Zaaknummer
18/740034-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft op 7 februari 2019 twee verdachten veroordeeld voor het medeplegen van een poging tot afpersing. De verdachten hadden geprobeerd een restaurant te overvallen. Daarbij was een medewerkster bedreigd met een mes.

De meerderjarige verdachte kreeg een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren opgelegd. Aan de voorwaardelijke straf werden diverse bijzondere voorwaarden gekoppeld, waaronder een toezicht door Verslavingszorg Noord Nederland.

Aan de minderjarige verdachte werd een jeugddetentie van 365 dagen, waarvan 140 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, opgelegd. Ook aan die voorwaardelijk straf werden diverse bijzondere voorwaarden gekoppeld, waaronder toezicht door het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid. Verder dient deze verdachte nog een eerder voorwaardelijk opgelegde taakstraf van 50 uren uit te voeren omdat hij opnieuw een strafbaar feit had gepleegd.

Een derde verdachte werd veroordeeld voor medeplichtigheid aan het medeplegen van een poging tot afpersing. Zij kreeg een taakstraf van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren opgelegd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 77a
Wetboek van Strafrecht 77g
Wetboek van Strafrecht 77x
Wetboek van Strafrecht 77y
Wetboek van Strafrecht 77z
Wetboek van Strafrecht 77aa
Wetboek van Strafrecht 77gg
Wetboek van Strafrecht 317
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/740034-18

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/002817-18

Verkort vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 7 februari 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats],

thans gedetineerd in Juvaid locatie Veenhuizen te Veenhuizen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 januari 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. K.E. Wielenga, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.A. van der Vliet.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 1 juli 2018 te Heerenveen, (althans) in de gemeente Heerenveen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (de eigenaar van) [benadeelde partij] (gevestigd op of aan de [straatnaam], aldaar), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), zich in vereniging met zijn mededader(s), te weten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2], in een auto naar [benadeelde partij] heeft begeven,

-waar zijn mededader [medeverdachte 1] is uitgestapt en [benadeelde partij] is binnengegaan en daar te kennen heeft gegeven een reservering te willen maken, (terwijl hij ondertussen via de telefoon in verbinding stond met zijn mededader [verdachte]) om die [verdachte] van informatie te kunnen voorzien over de situatie ter plaatse en/of

-(waarna) verdachte en/of zijn mededader [medeverdachte 2] die auto in de buurt van [benadeelde partij] heeft/hebben geparkeerd en/of

-waarna hij, verdachte, naar [benadeelde partij] is gelopen en [benadeelde partij] is binnengegaan en/of (vervolgens) (terwijl zijn gezicht grotendeels was bedekt) met een mes in zijn hand op die [slachtoffer] is toegelopen, welke [slachtoffer] zich dicht nabij de kassa bevond, en/of (vervolgens) op korte afstand van die [slachtoffer] met het mes zwaaiende bewegingen heeft gemaakt en/of prikkende bewegingen in de richting van die kassa en/of (daarbij/vervolgens) tegen die [slachtoffer] heeft gezegd "maak de kassa open en geef het geld" en/of (vervolgens) het mes tegen de keel van die [slachtoffer] heeft geduwd/gedrukt en/of

(daarbij/vervolgens) heeft gezegd "open de kassa" en/of -(terwijl) zijn mededader [medeverdachte 2] (intussen) in de buurt van [benadeelde partij] in de auto (met draaiende motor) is blijven wachten tot hij, verdachte, weer was ingestapt en/of (vervolgens) met hem, verdachte, is weggereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, alleen tengevolge van de van zijn wil onafhankelijke omstandigheid dat die [slachtoffer] naar de keuken wist te vluchten, in elk geval alleen tengevolge van een van zijn wil onafhankelijke omstandigheid;

subsidiair

hij op of omstreeks 1 juli 2018 te Heerenveen, (althans) in de gemeente Heerenveen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen geld, geheel of ten dele toebehorende aan (de eigenaar van) het [benadeelde partij] (gevestigd op of aan de [straatnaam], aldaar), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of

aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, zich in vereniging met zijn mededader(s), te weten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2], in een auto naar [benadeelde partij] heeft begeven,

-waar zijn mededader [medeverdachte 1] is uitgestapt en [benadeelde partij] is binnengegaan en daar te kennen heeft gegeven een reservering te willen maken, (terwijl hij ondertussen via de telefoon in verbinding stond met zijn mededader [verdachte]) om die [verdachte] van informatie te kunnen voorzien over de situatie ter plaatse en/of

-(waarna) verdachte en/of zijn mededader [medeverdachte 2] die auto in de buurt van [benadeelde partij] heeft/hebben geparkeerd en/of

-waarna hij, verdachte, naar [benadeelde partij] is gelopen en [benadeelde partij] is binnengegaan en/of (vervolgens) (terwijl zijn gezicht grotendeels was bedekt) met een mes in zijn hand op die [slachtoffer] is toegelopen, welke [slachtoffer] zich dicht nabij de kassa bevond, en/of (vervolgens) op korte afstand van die [slachtoffer] met het mes zwaaiende bewegingen heeft gemaakt en/of prikkende bewegingen in de richting van die kassa en/of (daarbij/vervolgens) tegen die [slachtoffer] heeft gezegd "maak de kassa open en geef het geld" en/of (vervolgens) het mes tegen de keel van die [slachtoffer] heeft geduwd/gedrukt en/of

(daarbij/vervolgens) heeft gezegd "open de kassa" en/of

-(terwijl) zijn mededader [medeverdachte 2] (intussen) in de buurt van [benadeelde partij] in de auto (met draaiende motor) is blijven wachten tot hij, verdachte, weer was ingestapt en/of (vervolgens) met hem, verdachte, is weggereden,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid, alleen tengevolge van de van zijn wil onafhankelijke omstandigheid dat die [slachtoffer] naar de keuken wist te vluchten, in elk geval alleen tengevolge van een van zijn wil onafhankelijke omstandigheid.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het primair ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het primair ten laste gelegde feit bewezen kan worden verklaard, met dien verstande dat verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] samen de overval hebben gepleegd.

[medeverdachte 2] is, aldus de raadsman, niet betrokken geweest bij de overval. Voorts heeft de raadsman betoogd dat gelet op de verklaringen van verdachte en [medeverdachte 1], er geen bewijs is dat verdachte aangeefster met een mes tegen de keel heeft gedrukt. Die delen van de tenlastelegging dienen te worden uitgestreept, aldus de raadsman.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zulks gelet op de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte.

Ten aanzien van het verweer van de raadsman overweegt de rechtbank het volgende.

Gelet op de aangifte en de verklaring van de echtgenoot van aangeefster, die direct na de poging tot de overval zijn gehoord, is de rechtbank van oordeel dat er wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte aangeefster een mes op de keel heeft gedrukt. Ten aanzien van de betrokkenheid van [medeverdachte 2] overweegt de rechtbank dat gelet op de verklaring van [medeverdachte 2] dat zij de auto heeft bestuurd, de verklaring van [medeverdachte 1] over haar betrokkenheid, haar wisselende verklaringen en de telefoontaps, er wettig en overtuigend bewijs is dat [medeverdachte 2] medeplichtig is aan het medeplegen van de poging tot de overval. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

primair

hij op 1 juli 2018 te Heerenveen, in de gemeente Heerenveen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van geld, toebehorende aan de eigenaar van [benadeelde partij], gevestigd aan de [straatnaam], aldaar, zich in vereniging met zijn mededader, te weten [medeverdachte 1], en [medeverdachte 2], in een auto naar [benadeelde partij] heeft begeven,

-waar zijn mededader [medeverdachte 1] is uitgestapt en [benadeelde partij] is binnengegaan en daar te kennen heeft gegeven een reservering te willen maken, terwijl hij ondertussen via de telefoon in verbinding stond met verdachte om verdachte van informatie te kunnen voorzien over de situatie ter plaatse -waarna verdachte en [medeverdachte 2] die auto in de buurt van [benadeelde partij] hebben geparkeerd en

-waarna hij, verdachte, naar [benadeelde partij] is gelopen en [benadeelde partij] is binnengegaan en vervolgens terwijl zijn gezicht grotendeels was bedekt met een mes in zijn hand op die [slachtoffer] is toegelopen, en vervolgens op korte afstand van die [slachtoffer] met het mes zwaaiende bewegingen heeft gemaakt en prikkende bewegingen in de richting van die kassa en daarbij vervolgens tegen die [slachtoffer] heeft gezegd "maak de kassa open en geef het geld" en vervolgens het mes tegen de keel van die [slachtoffer] heeft gedrukt en daarbij heeft gezegd "open de kassa"

-terwijl [medeverdachte 2] intussen in de buurt van [benadeelde partij] in de auto met draaiende motor is blijven wachten tot hij, verdachte, weer was ingestapt en vervolgens met hem, verdachte, is weggereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, alleen ten gevolge van de van zijn wil onafhankelijke omstandigheid dat die [slachtoffer] naar de keuken wist te vluchten.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

primair Medeplegen van een poging tot afpersing.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 365 dagen, waarvan 140 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Bij de voorwaardelijk op te leggen jeugddetentie vordert de officier van justitie oplegging van de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid, het meewerken aan scholing/dagbesteding, het meewerken aan een ambulante behandeling bij de Forensische Polikliniek, een verbod op het gebruik van alcohol en drugs en het meewerken aan urinecontroles ter controle op dat verbod. Voorts vordert de officier van justitie dat verdachte zich gedurende zes maanden onder elektronisch toezicht zal stellen bij het verlaten van de jeugdinrichting en dat hij gedurende de eerste zes maanden van de proeftijd zijn medewerking verleent aan Intensieve Trajectbegeleiding Harde Kern (ITB Harde Kern).

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur zoals door de officier van justitie is gevorderd, passend is, evenals de gevorderde bijzondere voorwaarden. Echter, gelet op de LOVS-oriëntatiepunten is oplegging van een jeugddetentie voor de duur van zeven maanden de maximaal op te leggen straf. Verdachtes justitiële documentatie bevat geen strafverzwarende omstandigheden. Er blijft, aldus de raadsman, weinig ruimte over om dan ook nog een voorwaardelijke straf op te leggen. De raadsman verzoekt daarom de voorwaardelijk op te leggen jeugddetentie op maximaal één maand te bepalen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met zijn medeverdachte gepoogd een restaurant te overvallen. Daarbij heeft hij een medewerkster bedreigd met een mes. Verdachte, een bijna 18-jarige jongeman, was één van de initiatiefnemers voor de overval en heeft de grootste rol gespeeld tijdens de overval. Verdachte en zijn medeverdachte hebben zich bij deze overval laten leiden door financieel gewin en op geen enkele wijze rekening gehouden met de gevolgen die een slachtoffer van een dergelijke overval ondervindt. Ook nemen als gevolg van een dergelijk geweldsdelict de gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij in het algemeen toe.

De ernst van het feit rechtvaardigt, mede gelet op de door de rechtbank gehanteerde LOVS-oriëntatiepunten, het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor diefstal door twee of meer verenigde personen. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte weliswaar minderjarig, maar op een half jaar na 18 jaar oud was.

Uit de psychologische rapportage van drs. K.T.E. Zázlós van 15 december 2018 blijkt dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een oppositioneel opstandige gedragsstoornis en een normoverschrijdende gedragsstoornis, beginnend in de adolescentie (ernstig). Tevens is sprake van een ouder-kind relatieproblematiek en een leer- of onderwijsprobleem. Al met al hebben factoren passend bij zijn gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens een rol gespeeld bij zijn gedragskeuzes, maar hij is niet belemmerd in zijn mogelijkheden om vanuit een intact normbesef af te zien van zijn delictgedrag. De deskundige ziet geen aanleiding om de feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank neemt die conclusie over en beschouwt verdachte als een geheel toerekeningsvatbare dader.

De kans op recidive van soortgelijke of andersoortige delicten wordt door de deskundige als hoog ingeschat. Om de kans op recidive te beperken, adviseert de deskundige een intensief begeleidings- en behandelingstraject. Een ITB-HKA traject vanuit de Jeugdreclassering is noodzakelijk om meer toezicht en grip te krijgen op het functioneren van verdachte op uiteenlopende levensgebieden zoals thuis, op school en in zijn vrije tijd. Daarnaast is een ambulant begeleidingstraject bij een forensische polikliniek noodzakelijk. Belangrijke aandachtspunten zijn dan de emotie- en agressieregulatieproblemen en hiermee samenhangende krenkbaarheid, verdachtes gedragsschommelingen, zijn zelfbepalende houding, moeite met regels en gezag, zijn gebrekkige gewetensontwikkeling en hiermee samenhangend egocentrisme en beperkte empathische vermogens. De scheefgroei in zijn persoonlijkheidsontwikkeling (anti-sociaal en narcistisch) behoeft aandacht.

Het opleggen van een onvoorwaardelijk strafdeel biedt mogelijkheden om een begeleiding/behandeltraject in de gevangenis op te starten, hetgeen na zijn vrijlating bij een forensische polikliniek zou kunnen worden voortgezet.

Het hierboven omschreven behandeltraject zou, naast jeugdreclasseringbegeleiding (eventueel ITB) kunnen worden opgelegd als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijk detentiestraf.

Uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 15 januari 2019 blijkt dat verdachte aanvankelijk nergens aan mee wilde werken en geen openheid van zaken wilde geven. Binnen de JJI heeft verdachte zich grensoverschrijdend gedragen, waarbij hij zijn eigen handelen bagatelliseerde. Thuis hield verdachte zich niet aan de regels van zijn moeder en leek er weinig tot geen ouderlijk toezicht te zijn.

Tevens was het gedrag van verdachte op school dusdanig dat hij hier niet terug kan komen.

Sinds begin januari 2019 laat verdachte een verandering in houding en gedrag zien. Hij geeft bij diverse betrokken hulpverleners aan dat hij bereid is om mee te werken aan begeleiding van de jeugdreclassering in het kader van ITB. Daarnaast wil verdachte graag zijn MBO niveau 1 diploma halen en heeft hij ideeën voor een vervolgopleiding. Er lijkt sprake van een positieve ontwikkeling, die pril is, maar die naar de mening van de Raad wel een basis vormt voor een ITB traject. Verdachte beschikt over mogelijkheden en positieve capaciteiten en eigenschappen (normale intelligentie, initiatief nemen, zorgzaamheid). In de JJI volgt verdachte MBO niveau 1 en hij wil zijn diploma halen. Als hij zich zo blijft in zetten, is het halen van het diploma binnen de JJI reëel. Binnen de JJI zal verdachte op korte termijn beginnen met de Dutch Cell Dogs training. Ook zal verdachte beginnen met een agressie regulatietraining. Verdachte is er bij gebaat om genoemde trajecten te volgen om naar zijn eigen handelen te kijken, wat de kans op recidive kan verminderen. Aangezien de omslag heel pril is en verdachte wel eens van mening wil veranderen, is het van belang om de komende tijd de motivatie voor externe ambulante begeleiding binnen de JJI te verstevigen. De ambulante begeleiding dient verder te worden ingevuld door de jeugdreclassering, waarbij overwogen dient te worden om psychomotorische therapie en systeemtherapie / MDFT in te zetten.

Omdat verdachte binnen de JJI trainingen volgt en zijn diploma wil halen, is de Raad van mening dit vorm te geven in een onvoorwaardelijke jeugddetentie. Daarnaast is naar mening van de Raad de begeleiding van de Jeugdreclassering in de vorm van ITB Harde Kern (het intensieve toezicht, strakke structuur en duidelijkheid) en de in te zetten ambulante behandeling/interventies voor verdachte noodzakelijk om op een juiste manier te kunnen functioneren binnen de maatschappij, waarbij de kans op recidive wordt verminderd. Hiervoor zal een stok achter de deur in de vorm van voorwaardelijk jeugddetentie als motivatie dienen.

De Raad voor de Kinderbescherming adviseert oplegging van een jeugddetentie, waarvan een gedeelte voorwaardelijk onder de algemene voorwaarden en de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij de jeugdreclassering, het meewerken aan scholing en/of dagbesteding, het meewerken aan een behandeling, een verbod op het gebruik van alcohol en drugs en het ter controle daarop meewerken aan de urinecontroles, het zich onder elektronisch toezicht stellen bij het verlaten van de JJI gedurende een periode van zes maanden en het meewerken aan Intensieve Trajectbegeleiding Harde Kern voor een periode van zes maanden.

Alles overziend vindt de rechtbank oplegging van een jeugddetentie van forse duur, zoals gevorderd door de officier van justitie passend. Een deel daarvan zal voorwaardelijk worden opgelegd waaraan de door de Raad en de psycholoog geadviseerde voorwaarden zullen worden verbonden. De rechtbank overweegt hierbij dat het zeer positief is dat verdachte, ook ter terechtzitting, heeft verklaard dat hij inziet dat hij hulp nodig heeft om zijn leven op orde te krijgen. Om verdachte te motiveren zich te blijven houden aan de bijzondere voorwaarden zal de rechtbank als stok achter de deur een voorwaardelijke jeugddetentie van substantiële duur opleggen.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 27 februari 2018, gewezen door de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland te Leeuwarden, is verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een taakstraf voor de duur van 80 uren, waarvan 50 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 14 maart 2018.

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 19 december 2018 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

Het hiervoor bewezen verklaarde feit is door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.

Nu veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van de hem bij voornoemd vonnis van 27 februari 2018 voorwaardelijk opgelegde taakstraf.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 45,47, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 365 dagen.

Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 140 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat veroordeelde zich binnen 14 dagen na het onherroepelijk worden van de uitspraak meldt bij het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid aan de Tesselschadestraat 2, 8913 HB Leeuwarden en dat hij zich daarna zal blijven melden zo lang en zo frequent als deze instelling dat noodzakelijk acht;

2. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder ambulante behandeling zal stellen van de Forensische Polikliniek, dan wel een soortgelijke instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn problematiek en dat hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem door deze zorginstelling worden gegeven;

3. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd onderwijs volgt dan wel een dagbesteding heeft;

4. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van alcohol en drugs en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan urineonderzoek;

5. dat veroordeelde zich gedurende de eerste zes maanden van de proeftijd onder elektronisch toezicht zal stellen;

6. dat de veroordeelde gedurende de eerste zes maanden van de proeftijd in het kader van het jeugdreclasseringstoezicht zal meewerken aan de maatregel Intensieve Trajectbegeleiding (ITB Harde Kern), waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die de veroordeelde in het kader van die maatregel door die instelling zullen worden gegeven.

Draagt de gecertificeerde instelling, te weten Regiecentrum Bescherming en Veiligheid, op toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden, waarvan de eerste zes maanden in het kader van Intensieve Trajectbegeleiding Harde Kern.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/002817-18:

Gelast de tenuitvoerlegging van de taakstraf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kinderrechter in de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden d.d. 27 februari 2018, te weten: een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen vervangende jeugddetentie.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Dijkstra, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. N.A. Vlietstra en mr H.G. Punt, rechters, bijgestaan door D.P. Postma-Westerhof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 februari 2019.

Mr. Punt is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.