Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:5169

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-12-2019
Datum publicatie
17-12-2019
Zaaknummer
C18/190912 HA RK 19-19
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rekestprocedure
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verzoeker heeft verwijdering verzocht van zoekresultaten die verschijnen bij een zoekopdracht op zijn naam in Google Search en die verwijzen naar het door verzoeker gepleegde strafbare feit. Verzoeker is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 11 jaar en zeven maanden met oplegging van tbs. Verzoeker heeft zijn straf uitgezeten en bevindt zich thans in het forensisch kader van de tbs-maatregel. Belangenafweging tussen enerzijds het recht van verzoeker op eerbiediging van het privéleven en het recht op bescherming van bijzondere persoonsgegevens en anderzijds - kort samengevat - het recht op toegang tot informatie van het publiek en de vrijheid van meningsuiting van degene van wie die informatie afkomstig is. Deze belangenafweging valt in nadeel van verzoeker uit. Het verwijderingsverzoek tegen Google in verband met de verwerking van bijzondere persoonsgegevens wordt afgewezen. Zwaarwegend publiek belang, mede in het licht van het feit dat het door verzoeker af te leggen resocialisatietraject en de door hem te volgen behandeling in het kader van de tbs-maatregel nog niet zijn afgerond. Stelplicht.

Artikel 6 lid 1 aanhef en sub f AVG, artikel 10 AVG, artikel 17 AVG en artikel 21 AVG.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

zaak-/rekestnummer: C/18/190912 / HA RK 19-19

beschikking van 12 december 2019

in de zaak van

[naam 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat: mr. E.P.J. Appelman te Alkmaar,

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

GOOGLE LLC,

gevestigd te Mountain View, Californië, Verenigde Staten van Amerika,

verweerster,

advocaten: mr. D. Verhulst en mr. R.D. Chavannes te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en Google worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met producties;

  • -

    het verweerschrift met producties;

  • -

    de nadere producties 3 t/m 8 van [verzoeker] ;

  • -

    de mondelinge behandeling van 9 oktober 2019;

  • -

    de pleitaantekeningen van [verzoeker] ;

  • -

    de pleitaantekeningen van Google.

1.2.

Hierna is uitspraak nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Google is exploitant van de internetzoekmachine Google Search. Deze zoekmachine helpt gebruikers om informatie op het internet te vinden. Gebruikers kunnen één of meer zoektermen opgeven, waarna de zoekmachine zoekresultaten weergeeft. De zoekresultaten bevatten verwijzingen (de zogeheten hyperlinks) naar internetadressen van webpagina’s, oftewel naar Uniform Resource Locators (kort aangeduid als: URL's). De selectie en ordening van zoekresultaten en de vertoning daarvan aan de gebruiker zijn het dynamische product van een geautomatiseerd, algoritmisch proces. Het algoritme selecteert en ordent zoekresultaten aan de hand van meer dan 200 factoren, zoals het internetadres en de titel, de inhoud en hiërarchische structuur van de desbetreffende pagina, de vraag of en, zo ja, hoe vaak één of meer van de opgegeven zoektermen daarop voorkomt, de publicatiedatum van de pagina en de kwaliteit en populariteit van de website waarop die staat alsmede het aantal en de herkomst van de hyperlinks naar die pagina. Google Search wordt wereldwijd aangeboden via de website www.google.com. In verschillende landen bestaan lokale versies die aan de nationale taal zijn aangepast, zoals in Nederland www.google.nl.

2.2.

Op 1 december 2006 is [verzoeker] gearresteerd op verdenking van het doden van de 8-jarige scholier [slachtoffer] . [slachtoffer] was enkele uren eerder op zijn basisschool in Hoogerheide met meerdere messteken om het leven gebracht.

2.3.

De rechtbank Breda heeft [verzoeker] bij uitspraak van 6 september 2007 wegens doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaar en daarnaast de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna ook wel: “tbs”) met dwangverpleging aan [verzoeker] opgelegd. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat zij bij [verzoeker] aanwijzingen voor een psychische stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens aanwezig achtte, hoewel [verzoeker] niet had meegewerkt aan een onderzoek daarnaar in het Pieter Baan Centrum. Ook tijdens het verdere verloop van zijn strafzaak heeft [verzoeker] geweigerd om aan een dergelijk onderzoek mee te werken.

2.4.

De media hebben uitgebreid bericht over het door [verzoeker] begane misdrijf, de daaropvolgende strafzaak tegen [verzoeker] en zijn veroordeling in eerste aanleg. Media hebben in hun berichtgeving de naam " [A] " vermeld, maar ook wel zijn meer volledige naam " [B] " weergegeven.

2.5.

De strafzaak tegen [verzoeker] heeft vervolgens in hoger beroep bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch gediend. Het gerechtshof heeft bij arrest van 26 februari 2008, anders dan de rechtbank in eerste aanleg, geoordeeld dat niet is gebleken dat [verzoeker] ten tijde van het door hem begane misdrijf aan een geestelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens leed. Het gerechtshof heeft [verzoeker] wegens moord tot een levenslange gevangenisstraf veroordeeld (zonder oplegging van tbs). In dit hoger beroep wilde [verzoeker] niet door een raadsman worden bijgestaan en heeft hij zijn eigen verdediging gevoerd.

2.6.

Over de strafzaak in hoger beroep en de uitspraak van het gerechtshof is in de media uitgebreid bericht.

2.7.

[verzoeker] heeft vervolgens bij de Hoge Raad cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof. In cassatie heeft [verzoeker] onder meer geklaagd over het feit dat het gerechtshof niet had mogen aannemen dat hij afstand had gedaan van zijn recht op rechtsbijstand. De Hoge Raad heeft bij arrest van 17 november 2009 het arrest van het gerechtshof vernietigd omdat het gerechtshof onvoldoende overwegingen had gewijd aan de door [verzoeker] gedane afstand van het recht op rechtsbijstand. De Hoge Raad heeft de strafzaak van [verzoeker] vervolgens verwezen naar het gerechtshof Arnhem, om opnieuw in hoger beroep te worden behandeld.

2.8.

Over de strafzaak in cassatie en de uitspraak van de Hoge Raad is eveneens in de media bericht.

2.9.

Na verwijzing door de Hoge Raad heeft het gerechtshof Arnhem [verzoeker] bij arrest van 18 mei 2011 wegens doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaar en is tevens de maatregel van tbs met dwangverpleging aan [verzoeker] opgelegd. Het gerechtshof achtte het voldoende aannemelijk dat bij [verzoeker] tijdens het begaan van het strafbare feit een geestelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens bestond.

2.10.

[verzoeker] heeft vervolgens bij de Hoge Raad cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof. De Hoge Raad heeft bij arrest van 22 mei 2012 het arrest van het gerechtshof vernietigd voor zover het de lengte van de opgelegde gevangenisstraf betrof, wegens de overschrijding van de redelijke termijn in de eerste cassatiefase. De Hoge Raad heeft de zaak vervolgens zelf afgedaan en de duur van de aan [verzoeker] opgelegde gevangenisstraf verminderd naar elf jaar en zeven maanden.

2.11.

De media hebben ook over de strafzaak tegen [verzoeker] in hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem en de daaropvolgende procedure bij de Hoge Raad bericht.

2.12.

[verzoeker] heeft Nederland nadien voor het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) gedaagd, met de klacht dat de hem door het gerechtshof Arnhem opgelegde maatregel van tbs in strijd is met zijn recht op vrijheid en veiligheid. [verzoeker] heeft daartoe aangevoerd dat de maatregel van tbs aan hem was opgelegd zonder objectieve medische gegevens die een dergelijke maatregel ondersteunden. Het EHRM heeft bij uitspraak van 3 maart 2015 de klacht van [verzoeker] verworpen, waartoe het EHRM heeft overwogen dat het gerechtshof Arnhem, onder verwijzing naar verschillende rapporten van psychologen en psychiaters, kon concluderen dat [verzoeker] aan een geestelijke stoornis leed die het opleggen van tbs met dwangverpleging rechtvaardigde.

2.13.

Ook over de procedure van [verzoeker] bij het EHRM is in de media bericht.

2.14.

De tbs van [verzoeker] is op 24 mei 2015 aangevangen. Bij uitspraak van 2 juni 2017 heeft de rechtbank Zeeland-West Brabant de termijn van de tbs van [verzoeker] met twee jaar verlengd. Bij uitspraak van 29 mei 2019 heeft de rechtbank Zeeland-West Brabant de termijn van de tbs van [verzoeker] wederom met twee jaar verlengd. In laatstgenoemde uitspraak heeft de rechtbank onder meer op grond van rapportages overwogen dat de komende jaren, met professionele forensische ondersteuning, een stapsgewijze langzame uitbouw van vrijheden en eigen verantwoordelijkheid zal worden opgebouwd waardoor gepast kan worden ondersteund en begeleid bij de resocialisatie en bij opbouw van spanningen tijdig kan worden ingegrepen. Omdat de toename van vrijheden voor spanningsopbouw zorgt, hetgeen zich uit in problemen met betrekking tot de agressieregulatie, overweegt de rechtbank dat het belangrijk is dat de stappen niet te groot zijn en dat wordt gewerkt aan vroegsignalering en preventie. De rechtbank heeft verder overwogen dat bij elke stap in het resocialisatieproces zal moeten worden gekeken of [verzoeker] de zelfstandigheid en verantwoordelijkheid die van hem wordt gevergd ook aankan.

2.15.

Over de verlengingen van de termijn van de tbs van [verzoeker] is in de media bericht.

2.16.

In het kader van zijn tbs verblijft [verzoeker] in het Forensisch Psychiatrisch Centrum [naam 2] te [plaats] . [verzoeker] heeft daar inmiddels begeleid en onbegeleid verlof.

2.17.

Wanneer de naam " [B] " als zoekterm in Google Search wordt opgegeven, worden zoekresultaten zichtbaar die verwijzingen bevatten naar publicaties op web- of ook wel bronpagina’s betreffende het door [verzoeker] begane misdrijf en de daaropvolgende strafrechtelijke procedures.

2.18.

Google heeft een online formulier in het leven geroepen voor het doen van een verzoek tot verwijdering van URL's in de zoekresultaten van Google Search. Via dit formulier kan een gebruiker een of meerdere URL's opgeven waarvan hij wil dat die niet meer als zoekresultaat worden getoond als op zijn eigen naam wordt gezocht. Het verzoek moet op het formulier per URL worden toegelicht. Google beoordeelt elk verzoek tot verwijdering en elke in dat verband genoemde URL handmatig. De verzoeker ontvangt vervolgens een reactie van Google met ofwel een verzoek om meer informatie ofwel een (summier) gemotiveerde beslissing op het verzoek tot verwijdering.

2.19.

De advocaat van [verzoeker] heeft zich op 24 januari 2019 via het hiervoor bedoelde online formulier tot Google gewend met het verzoek om zoekresultaten die in Google Search verschijnen bij het opgeven van de naam van [verzoeker] te verwijderen en verwijderd te houden. In het verzoek wordt daartoe de verwijdering van in totaal 182 URL's verzocht. Als reden voor verwijdering wordt in het verzoek vermeld:

"1) De URL's zoals die hierboven zijn weergegeven hebben betrekking op cliënt namelijk dat hij met naam en toenaam in verband wordt gebracht met een delict dat zich in 2006 heeft afgespeeld, namelijk moord. 2) Cliënt zit momenteel een gevangenisstraf uit. Daarbij ondergaat hij tevens tbs-behandelingen. Op korte termijn komt cliënt vrij maar ondervindt thans problemen bij sollicitaties i.v.m. de zoekresultaten die naar voren komen bij een zoekopdracht op zijn naam. Cliënt kan voor de banen waarnaar hij solliciteert een VOG aanvragen, omdat die banen niets te maken hebben, althans geen risico opleveren. De zoekresultaten zijn disproportioneel gelet op art. 8 EVRM omdat hij ook na zijn bestraffing thans nog hinder ondervindt van het delict uit 2006. Hij is daarvoor al bestraft zodat hij thans het recht heeft om een nieuw leven op te bouwen zonder daarmee voor de rest van zijn leven geconfronteerd te worden met dit delict."

2.20.

Google heeft gereageerd bij e-mail van 1 februari 2019 aan de advocaat van [verzoeker] . In reactie op het verzoek heeft Google 100 URL's vrijwillig verwijderd, omdat op de betreffende webpagina's de (volledige) naam van [verzoeker] niet voorkwam. Google stelt daartoe in de e-mail:

"We did not locate your client's name on this page. We have taken manual steps to prevent this page from ranking in response to queries for your name on European versions of Google's search results. These pages will also be blocked for queries relating to your client's name to users located in your country."

Ten aanzien van de resterende 82 URL's heeft Google in haar e-mail het verwijderverzoek van [verzoeker] afgewezen omdat het, aldus Google, niet voldeed aan artikel 17 en 21 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: “de AVG”) en haar interne beleidsregels. Van de niet-verwijderde URL’s zijn, aldus Google in haar e-mail, alleen die URL’s relevant die nog verschijnen bij een zoekopdracht op de naam van [verzoeker] en op hem betrekking hebben. Google schrijft in haar e-mail betreffende deze dan nog resterende URL’s:

"It is Google's understanding that the information about your client on these URL's - with regard to all the circumstances of the case we are aware of - is still relevant in relation to the purposes of data processing, and therefore the reference to this document in our search results is justified by the public interest."

2.21.

De advocaat van [verzoeker] heeft vervolgens op 11 februari 2019 een aanvullend verzoek tot verwijdering van 6 URL's bij Google gedaan, waarop Google bij e-mail van 15 februari 2019 heeft gereageerd.

2.22.

[verzoeker] volgt met ingang van 26 augustus 2019 een opleiding tot Junior Software Tester. Deze opleiding duurt twaalf maanden.

3 Het verzoek

3.1.

[verzoeker] verzoekt - na vermeerdering van het verzoek ter zitting - dat de rechtbank, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:

primair: Google beveelt om binnen 24 uur na deze beschikking, althans een door de rechtbank te bepalen termijn, de verwijzingen naar de weblinks die voortkomen uit de zoekopdracht naar de naam van [verzoeker] , te weten “ [B] ” én “ [A] ”, uit de zoekresultaten te verwijderen, een en ander op straffe van verbeurte van een aan [verzoeker] te betalen dwangsom van € 500,00 per dag, dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag, voor iedere dag dat Google daarmee in gebreke blijft, te vermeerderen met de wettelijke rente;

subsidiair: een voorziening treft die recht doet aan het belang van [verzoeker] om te worden 'vergeten' op internet via Google;

primair en subsidiair: Google veroordeelt in de proceskosten.

3.2.

Google concludeert tot afwijzing van het verzoek, met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten.

4 Het standpunt van [verzoeker]

4.1.

legt aan zijn bovenvermelde verzoek - samengevat - het volgende ten grondslag.

4.2.

Bij het opgeven van de naam van [verzoeker] als zoekterm in Google Search, het betreft de zoekterm " [B] " en de zoekterm " [A] ", worden zoekresultaten weergegeven die verwijzen naar de strafrechtelijke veroordeling van [verzoeker] op

26 februari 2008. Ook verschijnen hierbij zoekresultaten die verband houden met de achterliggende omstandigheden van het delict.

4.3.

Op grond van artikel 10 AVG mogen strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten of daarmee verband houdende veiligheidsmaatregelen krachtens artikel 6 lid 1 AVG alleen worden verwerkt onder toezicht van de overheid. Registers van strafrechtelijke veroordelingen, waarmee de hyperlinks uit de door [verzoeker] gewraakte zoekresultaten volgens hem gelijk kunnen worden gesteld, mogen alleen worden bijgehouden onder toezicht van de overheid. Een andere mogelijkheid is wanneer verwerking is toegestaan bij unierechtelijke of nationaalrechtelijke bepalingen. In dat geval is vereist dat in die situatie passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen worden geboden, maar die zijn er in dit geval niet voor [verzoeker] . De verwerking van de persoonsgegevens van [verzoeker] door Google is ingevolge de hiervoor genoemde bepalingen dan ook verboden. Ook op grond van artikel 32 en 33 AVG is er volgens [verzoeker] geen grond aanwezig waarop deze verwerking van de persoonsgegevens van [verzoeker] door Google mag plaatsvinden.

4.4.

Uit het Costeja-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU

13 mei 2014, zaak C-131/12, ECLI:EU:C:2014:317, hierna ook wel: “het Costeja-arrest”), het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017 (HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:316, hierna ook wel: “het X/Google-arrest”) alsmede artikel 17 AVG dat het recht op vergetelheid regelt, volgt dat in de situatie waarin de AVG niet voorziet een belangenafweging dient plaats te vinden overeenkomstig de in het Costeja-arrest geformuleerde uitgangspunten.

4.5.

Uit deze jurisprudentie blijkt dat bij de beoordeling van een verwijderingsverzoek het privacybelang van de betrokkene in de regel zwaarder weegt dan het economisch belang van de exploitant van de zoekmachine. Slechts wanneer sprake is van bijzondere redenen die een inbreuk op het recht op privacy rechtvaardigen kan hierop een uitzondering worden gemaakt. Hiervoor dient te worden nagegaan of het publiek er belang bij heeft dat de desbetreffende zoekresultaten worden getoond als op de naam van de betrokkene wordt gezocht.

4.6.

In het onderhavige geval dient, aldus [verzoeker] , de afweging tussen zijn privacybelang enerzijds en het economisch belang van Google (en het recht van het publiek om kennis te nemen van de zoekresultaten) anderzijds, in zijn voordeel uit te vallen. Daartoe stelt [verzoeker] het volgende. Geen of slechts een gering publiek belang bestaat nog bij de koppelingen die verschijnen bij zoekopdrachten op zijn naam omdat de informatie over [verzoeker] niet actueel meer is nu het gaat om een delict dat zich ruim twaalf jaar geleden heeft afgespeeld. In Nederland wordt nog slechts 110 keer per maand gezocht op de zoekterm " [B] ". [verzoeker] wijst er verder op dat hij zijn gevangenisstraf heeft uitgezeten inclusief tbs en dat hij gedurende de afgelopen twaalf jaar niet in de maatschappij heeft kunnen participeren. Hem moet de mogelijkheid op een volwaardige terugkeer in de maatschappij worden geboden. Dit wordt onmogelijk gemaakt door het zichtbaar blijven van de onderhavige zoekresultaten, die als het ware een straf vormen bovenop de aan [verzoeker] opgelegde strafrechtelijke veroordeling. Voor zover het publiek nog enig belang zou hebben, weegt het recht van [verzoeker] om weer te kunnen deelnemen aan de maatschappij zwaarder. Daar komt bij dat hij geen public figure is. Ook als hij wel als een public figure zou moeten worden aangemerkt, heeft het publiek geen belang (meer) bij deze specifieke informatie over [verzoeker] . Er is niet langer sprake van een publiek debat over de strafrechtelijke veroordeling van [verzoeker] .

De onderhavige zoekresultaten belemmeren [verzoeker] ernstig in zijn mogelijkheden om een baan te vinden. [verzoeker] ondervindt substantiële hinder van deze zoekresultaten, omdat hij bij sollicitatieprocedures met de informatie uit zijn verleden wordt geconfronteerd. Potentiële werkgevers zoeken via Google naar de achtergrondgeschiedenis van een sollicitant en wijzen de sollicitaties van [verzoeker] vanwege de gevonden informatie via Google Search af. Hierdoor wordt [verzoeker] aangetast in zijn grondrecht op vrije arbeidskeuze en wordt de terugkeer van [verzoeker] in de samenleving onmogelijk gemaakt. [verzoeker] is een leerwerkplek kwijtgeraakt nadat collega's via Google Search zijn achtergrond hadden achterhaald. Anders dan Google heeft aangevoerd, is het verwijderingsverzoek van [verzoeker] niet prematuur. De recente berichtgeving over [verzoeker] ziet enkel op het feit dat de termijn van de tbs van [verzoeker] dit jaar is verlengd. De omstandigheid dat recentelijk weer een publiek debat over de maatregel tbs gaande is naar aanleiding van recente, ernstige incidenten en gepleegde misdrijven door tbs-ers tijdens hun onbegeleid verlof, mag niet ten nadele van [verzoeker] uitvallen. [verzoeker] mag niet het slachtoffer worden van media-ophef daar waar [verzoeker] al het nodige betracht (heeft) om te kunnen resocialiseren.

4.7.

De in productie 1 en 2 van het verzoekschrift specifiek genoemde URL's dienen door Google te worden verwijderd. Productie 1 betreft het verwijderingsverzoek van de advocaat van [verzoeker] aan Google van 24 januari 2019 en productie 2 betreft de reactie van Google op dit verzoek van 1 februari 2019 alsmede het aanvullend verzoek van 11 februari 2019 en de reactie van Google daarop. Indien het daartoe strekkende verzoek van [verzoeker] wordt toegewezen, dan heeft dat volgens [verzoeker] logischerwijs ook tot gevolg dat toekomstige URL's met verwijzingen naar het door hem begane delict door Google dienen te worden verwijderd. [verzoeker] veronderstelt dat Google in dat geval haar medewerking zal verlenen om ook die (toekomstige) URL's te verwijderen. Voor zover Google meent dat het verzoek beperkt moet worden tot 13 URL’s omdat de overige URL’s niet als zoekresultaat op de naam van [verzoeker] verschijnen, is dit verweer onvoldoende onderbouwd omdat Google een productie met 50 URL’s in het geding heeft gebracht.

5 Het standpunt van Google

5.1.

Google maakt bezwaar tegen de vermeerdering van het verzoek ter zitting waarmee [verzoeker] zijn verzoek niet meer beperkt tot verwijdering van zoekresultaten die verschijnen op de zoekterm “ [B] ” maar ook betrekt op verwijdering van zoekresultaten die verschijnen op de zoekterm “ [A] ”. Volgens Google staat niet zonder meer vast dat in alle gevallen “ [A] ” [verzoeker] is en is voorts niet duidelijk over welke zoekresultaten en URL's het hier precies gaat nu [verzoeker] heeft nagelaten deze zoekresultaten te stellen.

Voor het overige komt het verweer van Google - kort samengevat – op het volgende neer.

5.2.

[verzoeker] specificeert in zijn verzoekschrift niet, door middel van het noemen van URL's of anderszins, op welke URL's zijn verzoek ziet. Het petitum van het verzoekschrift verwijst naar alle zoekresultaten die verschijnen bij een zoekopdracht op zijn naam en die verwijzen naar het door hem gepleegde misdrijf, zijn veroordeling en de omstandigheden van de strafzaak. Voor zover [verzoeker] hiermee méér verzoekt dan onderdrukking van de in zijn productie 1 en 2 bij het verzoekschrift genoemde URL's in zoekresultaten bij een zoekopdracht op zijn naam, is dat volgens Google te vaag, technisch onuitvoerbaar en zonder rechtsgrond. Bovendien kan Google op basis van artikel 17 en 21 AVG alleen verplicht worden tot onderdrukking van specifiek omschreven URL's in zoekresultaten bij zoekopdrachten naar " [B] ". Per individuele URL moet immers steeds een afweging worden gemaakt tussen de verschillende conflicterende fundamentele rechten en belangen, aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. Google vat het verwijderingsverzoek in deze procedure zo op dat het betrekking heeft op de in productie 1 bij het verzoekschrift genoemde URL's waarvoor Google verwijdering heeft geweigerd, die daadwerkelijk nog verschijnen bij een zoekopdracht op de zoekterm " [B] " en op hem betrekking hebben. Alsdan ziet het verzoek op een dertiental URL's, genoemd onder randnummer 103 van het verweerschrift. [verzoeker] heeft niet onderbouwd dat naast genoemde 13 URL's ook nog andere URL's waarvan hij verwijdering heeft verzocht, verschijnen bij een zoekopdracht op zijn naam, zodat de beoordeling van het verzoek tot verwijdering zich tot deze 13 URL's dient te beperken. Voor zover [verzoeker] wil dat ook andere URL's niet meer gevonden worden bij een zoekopdracht op zijn naam, is dat te laat en in strijd met de eisen van een goede procesorde. Het is voor Google onmogelijk om zich daartegen te verweren, aangezien zij deze URL's en de bijbehorende bronpagina's niet heeft kunnen beoordelen. Google heeft verwezen naar een lijst die door haar als productie 8 in de procedure is ingebracht, met daarop 50 URL’s als zoekresultaten van “ [B] ”. Dat in deze productie 50 URL’s worden weergegeven, waaronder de meergenoemde 13 URL’s is, aldus Google, het gevolg van het feit dat nadat [verzoeker] zijn verzoek heeft ingediend, nieuwe en andere URL’s zijn verschenen. Met betrekking tot deze nieuwe en niet in productie 1 of 2 van het verzoekschrift opgenomen URL’s zal Google zich, bij haar beslissing op eventuele toekomstige verwijderverzoeken evenwel laten leiden door de beschikking naar aanleiding van het onderhavige verzoek.

5.3.

Van een recht op verwijdering van zoekresultaten is alleen sprake indien voldaan is aan de toepassingsvoorwaarden van de artikelen 17 en/of 21 AVG. In het onderhavige geval is niet aan deze voorwaarden voldaan.

5.4.

[verzoeker] stelt zich, onder verwijzing naar artikel 10 AVG, ten onrechte op het standpunt dat de zoekresultaten waarvan hij verwijdering verzoekt strafrechtelijke persoonsgegevens zijn waarvan de verwerking door Google verboden zou zijn. Toepassing van artikel 10 AVG op zoekmachines op de door [verzoeker] bepleite wijze zou het onbedoelde en maatschappelijk ongewenste gevolg hebben dat zoekpagina's voortaan in het geheel niet mogen verwijzen naar webpagina's waarop gegevens staan die in relatie tot één of meer individuen gelden als bijzondere persoonsgegevens. Een dergelijke verstrekkende uitkomst heeft de wetgever niet beoogd. In zijn arrest van 24 september 2019 (HvJ EU 24 september 2019, zaak C-136/17 GC, AF, BH, ED/Commission nationale l'informatique et des libertés, hierna: “het GC e.a./CNIL-arrest”) heeft het Europese Hof van Justitie eveneens aangegeven dat van een dergelijk categorisch verbod geen sprake is en dat ook bij bijzondere persoonsgegevens altijd een belangenafweging moet worden gemaakt tussen enerzijds het recht op privacy en anderzijds het recht op toegang tot informatie van het publiek en de vrijheid van meningsuiting van degene van wie de informatie afkomstig is. Het verbod op verwerking van persoonsgegevens moet volgens het Hof van Justitie worden geïnterpreteerd en toegepast met oog voor de unieke positie van een zoekmachine-exploitant. Artikel 17 lid 3 sub a AVG bevat een uitzondering op (alle gronden voor) het recht op verwijdering indien dat gerechtvaardigd wordt door de uitoefening van de uitings- en informatievrijheid, zelfs als het bijzondere of strafrechtelijke persoonsgegevens betreft. Aldus is steeds sprake van een grondrechtelijk gekaderde belangenafweging. Bij verwijderverzoeken die zien op zoekresultaten die verwijzen naar webpagina's met bijzondere persoonsgegevens dient de zoekmachine-exploitant zijn beoordeling volgens het Hof van Justitie te baseren op alle relevante omstandigheden van het geval. De belangenafweging die Google heeft gemaakt naar aanleiding van het verwijderverzoek van [verzoeker] , valt in ieder geval betreffende de resterende 13 URL’s in het nadeel van [verzoeker] uit en dient ook thans in zijn nadeel uit te vallen.

5.5.

De zoekresultaten waarover [verzoeker] klaagt, verwijzen naar nieuwsberichten, blogberichten, rechterlijke uitspraken, informatiepagina's, discussies op fora en een presentatie waarvan de juistheid niet door [verzoeker] is betwist. Al deze zoekresultaten zijn juist en relevant met een gegeven zoekopdracht op naam van [verzoeker] en in zoverre in relatie tot het doel van de verwerking door Google, het zo goed, volledig en ongecensureerd mogelijk vindbaar maken van informatie op internet. Nu de bronpagina's over [verzoeker] gaan, is het tonen van de desbetreffende URL's als zoekresultaat bij een zoekopdracht op naam van [verzoeker] een juiste en nauwkeurige verwerking van zijn persoonsgegevens door Google. De zoekresultaten zijn ook niet bovenmatig of onnodig grievend. Gezien de ernst van het misdrijf waarvoor [verzoeker] is veroordeeld, de mate waarin dit misdrijf de maatschappij heeft geschokt, de omstandigheid dat zijn strafproces in meerdere instanties onderwerp van publiek debat is geweest en het feit dat door vele media over de strafzaak is bericht, is het logisch en evenwichtig dat een groot deel van de zoekresultaten het door [verzoeker] gepleegde misdrijf betreffen. De verwijzing naar de URL's in de zoekresultaten is daarom actueel en relevant voor een zoekopdracht op naam van [verzoeker] . Voor zover de inhoud van de bronpagina's als gezichtspunt zou worden betrokken bij de beoordeling van de zoekresultaten, geldt dat er niet vanuit kan worden gegaan dat de daarop gepubliceerde informatie onjuist is, hetgeen [verzoeker] overigens ook niet heeft gesteld.

5.6.

Een publiek belang bestaat bij de vindbaarheid van de informatie over het door [verzoeker] gepleegde misdrijf. De ernst en heftigheid van het door [verzoeker] gepleegde misdrijf, alsmede de daaropvolgende onderzoeken, aanklachten en veroordelingen hebben ertoe geleid dat nagenoeg alle Nederlandse media en ook sommige buitenlandse media over hem hebben bericht. De moord op [slachtoffer] is een daad van de geschiedenis geworden. Tegenover “recht op vergetelheid” staat evenzeer een “recht op herinnering”. [verzoeker] is een publieke figuur. Zijn bekendheid is een rechtstreeks en onvermijdelijk gevolg van zijn eigen handelen. [verzoeker] stelt ten onrechte dat het publiek geen belang meer heeft bij de gewraakte informatie omdat geen publiek debat meer zou bestaan over zijn veroordeling en omdat het misdrijf 12 jaar geleden heeft plaatsgevonden. Het publiek heeft evenwel belang bij informatie over lopende en recente strafzaken, maar ook belang bij informatie over bekende strafzaken die verder in het verleden liggen. Daar komt bij dat in 2017 en 2019 nog vele nieuwsberichten zijn verschenen over de verlenging van de termijn van de tbs van [verzoeker] . [verzoeker] bevindt zich nog in een forensisch kader. In 2021 zal opnieuw worden beoordeeld of de termijn van de tbs van [verzoeker] nogmaals wordt verlengd of dat [verzoeker] vrij zal komen. De ontwikkelingen in de strafzaak van [verzoeker] zijn derhalve op dit moment nog relevant en actueel. Bij de huidige stand van zaken valt moeilijk in te zien dat [verzoeker] bij een onbegeleid verlof of een sollicitatiepoging gevrijwaard zou moeten worden van iedere associatie op internet met het door hem gepleegde strafbare feit. Het verzoek van [verzoeker] de zoekresultaten op zijn naam te laten verwijderen, is tegen deze achtergrond prematuur.

6 De beoordeling van het verzoek

Vermeerdering van het verzoek tot verwijdering van zoekresultaten

6.1.

De rechtbank stelt vast dat [verzoeker] ter zitting zijn verzoek heeft vermeerderd, in die zin dat hij naast de aanvankelijk verzochte verwijdering van zoekresultaten (URL’s) op de naam van “ [B] ” ook verwijdering van zoekresultaten op de zoekterm

“ [A] ” heeft verzocht. Google heeft tegen deze vermeerdering van het verzoek bezwaar gemaakt.

6.2.

De rechtbank zal de vermeerdering van het verzoek buiten beschouwing laten. De vermeerdering van het verzoek is naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de goede procesorde. Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] de vermeerdering van zijn verzoek niet in een eerder stadium van de procedure had kunnen doen, zodat Google hierop behoorlijk verweer had kunnen voeren. Onder de gegeven omstandigheden, waarbij het verzoekschrift reeds op 4 april 2019 is ingediend, gaat het niet aan om pas ter gelegenheid van de zitting van 9 oktober 2019 het verzoek tot verwijdering te vermeerderen met zoekresultaten die verschijnen wanneer de zoekterm “ [A] ” wordt gebruikt. Daar komt bij dat het verzoek tot verwijdering van zoekresultaten op de zoekterm “ [A] ” slechts in algemene bewoordingen is gedaan, zodat het onduidelijk is op welke URL’s de vermeerdering van het verzoek betrekking heeft. [verzoeker] had, indien hij verwijdering van zodanige zoekresultaten verlangt, duidelijk dienen te stellen welke specifieke zoekresultaten dienen te worden verwijderd, door tenminste de desbetreffende URL’s te benoemen. Dat heeft hij evenwel nagelaten.

6.3.

Gelet op het voorgaande beperkt de rechtbank zich bij de beoordeling van het verzoek tot zoekresultaten die verschijnen bij een zoekopdracht op de naam

“ [B] ”.

De omvang van het verzoek tot verwijdering

6.4.

[verzoeker] heeft in het petitum van zijn inleidende verzoekschrift verzocht om de zoekresultaten die voortkomen uit een zoekopdracht op zijn naam uit de zoekresultaten van Google Search te verwijderen, naar de rechtbank begrijpt voor zover deze zoekresultaten verwijzen naar het door [verzoeker] begane misdrijf, zijn veroordeling en de achterliggende omstandigheden van zijn strafzaak. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek zoals dat voorligt te onbepaald en te algemeen is om te kunnen worden toegewezen.

6.5.

De rechtbank zal in het navolgende wel ingaan op de 13 door Google onder randnummer 103 van haar verweerschrift weergegeven URL’s nu door [verzoeker] niet althans onvoldoende is betwist dat deze 13 URL’s de zoekresultaten vormen die daadwerkelijk nog verschijnen bij een zoekopdracht op de naam “ [B] ”, deze URL’s zijn opgenomen in de lijst die als productie 1 bij het verzoekschrift is overgelegd en ten aanzien waarvan Google verwijdering heeft geweigerd, deze URL’s op [verzoeker] betrekking hebben en verwijzen naar bronpagina’s waarop de naam “ [B] ” voorkomt. [verzoeker] heeft niet gemotiveerd gesteld, door bijvoorbeeld overlegging van een schermafbeelding van de resultatenlijst na een zoekopdracht op zijn naam, dat naast de door Google aangevoerde 13 URL’s, ook nog andere URL’s waarvan hij de verwijdering heeft verzocht, verschijnen bij een zoekopdracht op zijn naam. Dit had, mede gezien het verweer van Google, in de rede gelegen.

Onder verwijzing naar productie 8 van Google waar 50 URL’s worden weergegeven als resultaat van een zoekopdracht op de naam “ [B] ”, overweegt de rechtbank nog dat nieuwe URL’s die thans verschijnen na een zoekopdracht op de naam “ [B] ”, geen deel uitmaken van deze procedure. Het betreft hier nieuwe en dus andere URL’s dan de URL’s waar het buitengerechtelijk verzoek van [verzoeker] , blijkens de door hem overgelegde producties 1 en 2, betrekking op had en die hij ook niet in deze procedure in het verzoekschrift concreet heeft gesteld. In beginsel houdt de rechtbank Google aan haar toezegging om zich ten aanzien van deze nieuwe URL’s, bij haar beslissing op eventuele toekomstige verwijderverzoeken te zullen laten leiden door de beschikking naar aanleiding van het onderhavige verzoek. Aldus worden bij de verdere beoordeling van het onderhavige verzoek tot verwijdering de volgende 13 URL's in aanmerking genomen.

[URL's]

Wettelijk kader

6.6.

De AVG is per 25 mei 2018 rechtstreeks en onverkort van toepassing in de Europese Unie en heeft de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) en de Privacyrichtlijn vervangen. Het onderhavige verzoek is na 25 mei 2018 ingediend, zodat de zaak beoordeeld dient te worden op basis van de AVG.

6.7.

Niet in geschil is dat Google bij het aanbieden van haar zoekmachinedienst persoonsgegevens in de zin van artikel 4 sub 1 AVG verwerkt. Google is voor die verwerking van persoonsgegevens de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4 sub 7 AVG. De wijze waarop Google persoonsgegevens verwerkt, vindt haar grondslag in artikel 6 lid 1 aanhef en sub f AVG, dat - voor zover van belang - bepaalt dat de verwerking van persoonsgegevens alleen rechtmatig is indien de verwerking noodzakelijk is voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van derden, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen. Google’s verwerking van persoonsgegevens is in beginsel gerechtvaardigd op basis van artikel 6 lid 1 sub f AVG (vergelijk Costeja-arrest, rechtsoverweging 73 en verder).

6.8.

Bij de beoordeling van het verwijderverzoek gaat het om de gevonden zoekresultaten van de zoekmachine en niet primair om de inhoud van de webpagina's waarnaar een koppeling in de zoekresultaten verwijst. Zoals uit het Costeja-arrest blijkt, moet worden benadrukt dat de door een zoekmachine verrichte verwerking van persoonsgegevens verschilt van de door een web-redacteur verrichte verwerking van persoonsgegevens. Die laatste verwerking bestaat er immers uit om gegevens op een webpagina te plaatsen. De verwerking door een zoekmachine komt daar bovenop. Voor zover de verwerking van persoonsgegevens door de zoekmachine verschilt van de door web-redacteurs verrichte verwerking van persoonsgegevens, daar bovenop komt en bijkomend de grondrechten van een betrokkene aantast, komt aan Google als exploitant van een zoekmachine een eigen verantwoordelijkheid toe binnen het kader van de AVG (vergelijk ook het Hof van Justitie, rechtsoverweging 34 en verder GC e.a./CNIL-arrest). Daarbij kan, hoewel het ten aanzien van Google om gevonden zoekresultaten in de zoekmachine gaat, in de belangenafweging in beginsel niet geheel voorbij worden gegaan aan de inhoud van de door [verzoeker] gewraakte webpagina's, waarnaar in de zoekresultaten wordt verwezen.

6.9.

Artikel 10 AVG bepaalt dat persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten of daarmee verband houdende veiligheidsmaatregelen op grond van artikel 6 lid 1 AVG in beginsel alleen mogen worden verwerkt onder toezicht van de overheid. Voorts mogen omvattende registers van strafrechtelijke veroordelingen op grond van voornoemde bepaling alleen worden bijgehouden onder toezicht van de overheid.

6.10.

Op grond van artikel 17 lid 1 AVG heeft een betrokkene het recht wissing van zijn persoonsgegevens te verkrijgen als de gegevensverwerking onverenigbaar is met de AVG. Als een betrokkene geen toestemming heeft gegeven voor gegevensverwerking en evenmin een beroep heeft gedaan op enige overige wettelijke verplichting op grond waarvan Google gehouden is tot verwijdering van zoekresultaten over te gaan, brengt dat met zich dat Google verplicht is persoonsgegevens op basis van artikel 17 AVG zonder onredelijke vertraging te wissen wanneer één van de volgende bepalingen van artikel 17 lid 1 AVG van toepassing is:

a. a) de persoonsgegevens zijn niet langer nodig voor de doeleinden waarvoor zij zijn verzameld of anderszins verwerkt; (…)

c) de betrokkene maakt overeenkomstig artikel 21 lid 1 AVG bezwaar tegen de verwerking, en er zijn geen prevalerende dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking (…);

d) de persoonsgegevens zijn onrechtmatig verwerkt; (…).

Artikel 17 lid 3 AVG bepaalt, voor zover van belang, dat de leden 1 en 2 niet van toepassing zijn voor zover verwerking nodig is:

a. a) voor het uitoefenen van het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie;

b) voor het nakomen van een in het Unierecht of het lidstatelijke recht neergelegde wettelijke verwerkingsverplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust, of voor het vervullen van een taak van algemeen belang of het uitoefenen van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend; (…)

d) met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden overeenkomstig artikel 89 lid 1 AVG voor zover het in lid 1 bedoelde recht de verwezenlijking van de doeleinden van die verwerking onmogelijk dreigt te maken of ernstig in het gedrang dreigt te brengen; (…).

6.11.

Artikel 21 lid 1 AVG bepaalt dat de betrokkene te allen tijde het recht heeft om vanwege met zijn specifieke situatie verband houdende redenen bezwaar te maken tegen de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens op basis van onder meer artikel 6 lid 1 aanhef en sub f AVG. De verwerkingsverantwoordelijke staakt de verwerking van de persoonsgegevens tenzij hij dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking aanvoert die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van de betrokkene of die verband houden met de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering.

6.12.

Bij de uitleg van artikel 6 aanhef en sub f juncto artikel 17 en 21 AVG en de op basis van deze bepalingen in voorkomende gevallen te maken afweging van belangen, is relevant dat door het Hof van Justitie in het Costeja-arrest en de Hoge Raad in het X/Google-arrest is geoordeeld dat de grondrechten van een natuurlijk persoon als bedoeld in de artikelen 7 en 8 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna kortheidshalve: “het Handvest”) - het betreft in de artikelen 7 en 8 het recht op eerbiediging van het privéleven respectievelijk het recht op bescherming van persoonsgegevens - in de regel zwaarder wegen dan, en dus voorrang hebben op, het economisch belang van de exploitant van de zoekmachine (vergelijk de vrijheid van ondernemerschap van Google, artikel 16 Handvest) en het gerechtvaardigde belang van de internetgebruikers die mogelijk toegang kunnen krijgen tot de desbetreffende zoekresultaten (zie het recht op vrijheid van meningsuiting en informatievrijheid voor het publiek, met eerbiediging van de vrijheid van de media zoals dat is neergelegd in artikel 11 van het Handvest; vergelijk voorts artikel 10 EVRM, artikel 7 Grondwet en artikel 17 lid 3 sub a AVG). Dat kan in bijzondere gevallen anders zijn, afhankelijk van de aard van de betrokken informatie en de gevoeligheid ervan voor het privéleven van de betrokkene en van het belang dat het publiek erbij heeft om over deze informatie te beschikken, wat met name wordt bepaald door de rol die deze persoon in het openbare leven speelt (vergelijk Hof van Justitie, rechtsoverweging 81 van het Costeja-arrest en Hoge Raad, rechtsoverweging 3.5.5. X/Google-arrest). De rechtmatigheid van een publicatie op bronpagina’s kan niet verhinderen, indien aan de voorwaarden daartoe is voldaan, dat een zoekmachine-exploitant gehouden is zoekresultaten te verwijderen (Hof van Justitie, rechtsoverweging 88 van het Costeja-arrest).

Uit de jurisprudentie volgt verder dat binnen de belangenafweging richtinggevende (maar dus niet zelfstandige) overwegingen kunnen zijn het feit dat de zoekresultaten feitelijk onjuist zijn of, gelet op het geheel van de omstandigheden van het geval, voor het doel van de verwerking onvolledig, niet ter zake dienend of bovenmatig zijn. Bij een te maken belangenafweging kan voorts ook een rol spelen het in artikel 17 lid 3 sub d AVG genoemde belang van archivering voor algemeen nut of voor wetenschappelijk of historisch onderzoek en dergelijke.

6.13.

Relevant voor de beoordeling van het onderhavige verzoek is voorts hetgeen het Hof van Justitie in het GC e.a./CNIL-arrest heeft overwogen. In dit arrest stelt het Hof van Justitie vast dat het verbod op de verwerking van bijzondere persoonsgegevens, zoals strafrechtelijke persoonsgegevens als bedoeld in artikel 10 AVG, enkel de eigen verwerking van bijzondere persoonsgegevens door de zoekmachine-exploitant betreft, met name het weergeven van een verwijzing naar een bronpagina met bijzondere persoonsgegevens in de lijst met zoekresultaten bij een zoekopdracht op naam van de betrokkene. De exploitant is niet verantwoordelijk voor het feit dat bijzondere, strafrechtelijke persoonsgegevens op die bronpagina’s staan (vergelijk Hof van Justitie, rechtsoverweging 46 en 47 van het GC e.a./CNIL-arrest). Uit het arrest volgt dat het recht op bescherming van deze persoonsgegevens geen absoluut recht is. Het Hof van Justitie heeft verwezen naar de eerder door hem gegeven, hiervoor in rechtsoverweging 6.12. weergegeven, overweging uit het Costeja-arrest (Hof van Justitie, rechtsoverweging 66 van het GC e.a./CNIL-arrest). Ook ten aanzien van een verwijderingsverzoek in verband met zoekresultaten die verwijzen naar webpagina’s met daarop strafrechtelijke persoonsgegevens in de zin van artikel 10 AVG, waarbij de inbreuk op de grondrechten van de betrokkene bijzonder ernstig kan zijn vanwege de gevoeligheid van deze gegevens (vergelijk Hof van Justitie, rechtsoverweging 67 van het GC e.a./CNIL-arrest), moet steeds een belangenafweging worden gemaakt tussen enerzijds het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op bescherming van (bijzondere) persoonsgegevens van die betrokkene en anderzijds het recht op toegang tot informatie van het publiek en de vrijheid van meningsuiting van degene van wie die informatie afkomstig is (als bedoeld in onder meer artikel 11 van het Handvest). Afgezien van de uitzonderingen op het verbod die in artikel 10 AVG zelf worden gegeven, is overigens de verwerking van bijzondere persoonsgegevens door de zoekmachine-exploitant als gevolg van het feit dat deze gegevens staan vermeld op een bronpagina waarnaar in de zoekresultatenlijst verwezen wordt, dus niet zonder meer verboden op grond van voornoemde bepaling.

6.14.

Uit het GC e.a./CNIL-arrest volgt dat de exploitant van een zoekmachine, na ontvangst van een verzoek tot verwijdering van een zoekresultaat met daarin een verwijzing naar een bronpagina waarop gevoelige gegevens zijn gepubliceerd, dient na te gaan op basis van alle relevante omstandigheden van het geval en gelet op de ernst van de inbreuk op de meergenoemde grondrechten van de betrokkene, of de opname van deze link in de resultatenlijst die wordt weergegeven na een zoekopdracht op de naam van deze persoon strikt noodzakelijk blijkt ter bescherming van de vrijheid van informatie van de internetgebruikers die mogelijk geïnteresseerd zijn in toegang tot de betreffende webpagina via een dergelijke zoekopdracht. Daarbij maakt de bijzondere gevoeligheid van bijzondere persoonsgegevens dat aan de zijde van het publiek sprake moet zijn van een zwaarwegend publiek belang bij toegang tot de informatie (Hof van Justitie, rechtsoverweging 68 van het GC e.a./CNIL-arrest). Ten aanzien van door media op internet beschikbaar gestelde (oude) berichtgeving over strafrechtelijke procedures heeft het Hof van Justitie, onder verwijzing naar de rechtspraak van het EHRM, overwogen dat steeds moet worden gezocht naar een evenwicht tussen de verschillende conflicterende grondrechten. Het Hof heeft aangegeven dat bij het zoeken naar het juiste evenwicht rekening moet worden gehouden met de essentiële rol van de pers in een democratische samenleving, die mede inhoudt dat verslag wordt gedaan van en commentaar wordt gegeven op gerechtelijke procedures. Daarenboven gaat de functie van de media om dergelijke informatie en ideeën mede te delen samen met het recht van het publiek om deze te ontvangen. Het EHRM heeft in deze context erkend dat het publiek niet alleen een belang heeft om te worden geïnformeerd over een actuele gebeurtenis, maar ook om onderzoek te kunnen doen naar gebeurtenissen uit het verleden, met dien verstande dat de omvang van het belang van het publiek bij strafprocedures evenwel variabel is en met name afhankelijk van de omstandigheden van de zaak kan evolueren (Hof van Justitie, rechtsoverweging 76 van het GC e.a./CNIL-arrest).

6.15.

In het GC e.a./CNIL-arrest heeft het Hof van Justitie voorts nog nader overwogen dat in het kader van het verzoek tot verwijdering van links naar webpagina’s waarop informatie is gepubliceerd over een strafrechtelijke procedure die tegen iemand in het bijzonder is gevoerd, die betrekking heeft op een voorgaande fase van deze procedure en niet langer overeenkomen met de huidige situatie, het aan de exploitant van de zoekmachine is om te toetsen of deze persoon er recht op heeft dat de desbetreffende informatie in het huidige stadium niet langer wordt verbonden aan zijn naam op een resultatenlijst die wordt weergegeven na een op zijn naam verrichte zoekopdracht. Bij deze beoordeling moet de exploitant van de zoekmachine rekening houden met alle omstandigheden van de zaak, zoals onder meer de aard en de ernst van het betreffende strafbare feit, het verloop en de afloop van de strafrechtelijke procedure, de tijd die is verstreken, de rol die deze persoon in het openbare leven speelt en zijn gedrag in het verleden, het belang van het publiek ten tijde van het verzoek, de inhoud en de vorm van de publicatie en de repercussies ervan voor die persoon. Indien de exploitant niet tot verwijdering over gaat dient hij tenminste de zoekresultatenlijst zodanig te ordenen dat het algehele beeld dat hiermee voor de internetgebruiker wordt geschetst een afspiegeling vormt van de actuele gerechtelijke situatie (vergelijk Hof van Justitie, rechtsoverweging 77, 78 en 79 van het GC e.a./CNIL-arrest).

Toetsing aan het wettelijk kader in deze zaak

6.16.

Overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is het aan [verzoeker] om feiten en omstandigheden te stellen en, bij gemotiveerde betwisting, te bewijzen waaruit volgt dat ten aanzien van een bepaald zoekresultaat waarvan hij verwijdering verzoekt, voldaan is aan de voorwaarden van artikel 6 aanhef en sub f juncto artikel 17 en/of 21 AVG. [verzoeker] heeft slechts in het algemeen gesteld dat de zoekresultaten die verschijnen bij het opgeven van zijn naam dienen te worden verwijderd omdat aan de desbetreffende voorwaarden van de AVG is voldaan. Op verschillende stellingen die [verzoeker] daartoe in het algemeen heeft betrokken, zal de rechtbank bij de beoordeling van het verzoek, tegen de achtergrond van hetgeen in rechtsoverweging 6.6 tot en met 6.15 is overwogen, in het navolgende ingaan.

6.17.

De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat [verzoeker] op 1 december 2006 een ernstig misdrijf heeft gepleegd. De dood van de 8-jarige [slachtoffer] , in het bijzonder de omstandigheden waaronder hij in zijn eigen school door [verzoeker] van het leven is beroofd, heeft de Nederlandse samenleving diep geschokt. Anders dan [verzoeker] zelf meent, is deze gebeurtenis waaraan zijn naam blijvend is verbonden, onderdeel geworden van onze collectieve herinnering en verleden. Over de ernst en heftigheid van het door hem gepleegde strafbare feit alsmede de daaropvolgende onderzoeken, strafrechtelijke procedures en veroordelingen in 2007, 2008, 2009, 2010, 2011, 2012 en 2015 is door de Nederlandse media uitvoerig bericht. Dat laatste geldt ook voor de meer recente uitspraken uit 2017 en 2019 aangaande de verlengingen van de termijn van zijn tbs. De publiciteit waardoor [verzoeker] niet anoniem is gebleven en waarbij media zijn volledige naam hebben genoemd, is eerst en vooral een gevolg van het handelen van [verzoeker] zelf.

6.18.

[verzoeker] ondervindt, zo begrijpt de rechtbank zijn stellingen, ernstige hinder van de zoekresultaten die verschijnen bij een zoekopdracht op zijn naam die verwijzen naar het door hem gepleegde misdrijf, de achterliggende omstandigheden en de daarop gevolgde strafrechtelijke procedures en veroordelingen. Het betreft gevoelige informatie voor zijn privéleven. [verzoeker] heeft gesteld dat het hem onmogelijk wordt gemaakt door het zichtbaar blijven van de zoekresultaten, een baan te vinden, te resocialiseren en weer volwaardig deel te nemen aan de maatschappij.

De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] , gezien het verweer van Google, ten aanzien van de ernstige hinder in zijn stelplicht is tekort geschoten. De rechtbank stelt vast dat [verzoeker] nog in het tbs-traject zit en niet heeft toegelicht dat en onder welke voorwaarden hij tijdens zijn tbs mag werken en solliciteren. Uit het verlofplan dat als productie 7 door hem is overgelegd, volgt een en ander niet. [verzoeker] heeft evenmin door overlegging van schriftelijke stukken, verklaringen of anderszins onderbouwd dat hij op dit moment ernstig in zijn mogelijkheden wordt belemmerd een baan te vinden omdat werkgevers in sollicitatieprocedures [verzoeker] afwijzen vanwege de informatie die zij van internet halen. Of en zo ja, in hoeverre [verzoeker] concreet belemmeringen ondervindt bij het zoeken naar een baan, blijft derhalve gissen. Meer concreet heeft [verzoeker] gesteld dat hij een leerwerkplek is kwijtgeraakt nadat collega’s via Google Search zijn achtergrond hadden achterhaald. Ook die stelling heeft hij niet door schriftelijke stukken onderbouwd. Het is de rechtbank uit het door hem als productie 8 overgelegde “Stage&baancontract” duidelijk geworden dat [verzoeker] met ingang van 26 augustus 2019 deelneemt aan een omscholingstraject en in dat kader ook stage zal moeten lopen. Wanneer die stage begint, heeft hij evenwel niet aangegeven. De rechtbank acht het niet onaannemelijk, gezien de gevoeligheid van de gegevens, dat [verzoeker] belemmeringen zal ondervinden van de zoekresultaten die verschijnen bij een zoekopdracht op zijn naam bij het zoeken en behouden van een leerwerkplek, een stage of een eventuele toekomstige baan en, in het algemeen, bij zijn terugkeer in het maatschappelijk leven. De exacte ernst, aard en omvang van de gestelde hinder en daarmee de aard en omvang van zijn belang, heeft hij evenwel onvoldoende onderbouwd.

6.19.

In de regel hebben bij de belangenafweging in het kader van artikel 6 sub f AVG en artikel 17 respectievelijk 21 AVG het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens voorrang op het recht van vrijheid van informatie en vrije meningsuiting, maar de rechtbank is van oordeel dat in dit geval, tegen de achtergrond van de door [verzoeker] gestelde ernstige hinder en het gebrek aan onderbouwing daarvan, een rechtvaardiging bestaat voor een inbreuk op voornoemde rechten van [verzoeker] . Deze rechtvaardiging bestaat ook voor zover het zoekresultaten betreft die verwijzen naar bronpagina’s met daarop gevoelige, namelijk strafrechtelijke persoonsgegevens en het de verwerking betreft van deze bijzondere persoonsgegevens. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

6.20.

Voor wat betreft de aard van de informatie stelt de rechtbank vast dat [verzoeker] geen concrete toelichting heeft gegeven op URL’s noch op de te onderscheiden bronpagina’s waarnaar de betreffende URL’s verwijzen. Hij heeft slechts in het algemeen gesteld dat zoekresultaten worden weergegeven die verwijzen naar zijn strafrechtelijke veroordeling en de achterliggende omstandigheden van het delict.

De rechtbank verwijst voor wat betreft de ernst van het strafbare feit, de strafrechtelijke veroordelingen en de achterliggende omstandigheden naar rechtsoverweging 2.2. tot en met 2.16. alsmede naar rechtsoverweging 6.17. Uit het verweer van Google leidt de rechtbank af dat de zoekresultaten verwijzen naar nieuwsberichten, blogberichten, rechterlijke uitspraken, informatiepagina’s, discussies op fora en een presentatie die betrekking hebben op het door [verzoeker] gepleegde strafbare feit en de strafrechtelijke procedures die naar aanleiding daarvan hebben plaatsgevonden. Onbetwist heeft Google aangevoerd dat de zoekresultaten in relatie staan tot het doel van de verwerking door Google, te weten het zo goed, volledig en ongecensureerd vindbaar maken van informatie op internet. [verzoeker] heeft voorts niet gesteld dat het tonen van de zoekresultaten bij een zoekopdracht op naam van [verzoeker] , een onjuiste verwerking van zijn persoonsgegevens is of dat de zoekresultaten onvolledig, irrelevant, onnodig grievend of bovenmatig zijn. Evenmin heeft hij gesteld dat de zoekresultatenlijst zodanig is geordend dat het algehele beeld dat hiermee voor de internetgebruiker wordt geschetst geen afspiegeling vormt van de actuele gerechtelijke situatie of dat de inhoud van de informatie van de bronpagina’s onjuist is. De rechtbank gaat bij haar beoordeling er dan ook vanuit dat het tonen van de zoekresultaten bij een zoekopdracht op naam van [verzoeker] , een juiste verwerking van zijn persoonsgegevens vormt en dat de zoekresultaten volledig, relevant, niet onnodig grievend en niet bovenmatig zijn voor een zoekopdracht op de naam van [verzoeker] , dat de resultatenlijst zodanig geordend is dat die een afspiegeling vormt van de actuele gerechtelijke situatie en dat de informatie van de bronpagina’s juist is. Weliswaar heeft [verzoeker] gesteld dat de betreffende informatie waarnaar de URL’s verwijzen, zo begrijpt althans de rechtbank zijn stellingen, niet actueel is omdat die betrekking heeft op een delict uit 2006 waarvoor hij zijn gevangenisstraf inclusief de maatregel van tbs, heeft uitgezeten, maar daaraan gaat de rechtbank voorbij omdat de tbs niet is beëindigd en in 2021 opnieuw over verlenging van de termijn van de tbs zal worden geoordeeld. [verzoeker] bevindt zich dus, met andere woorden, nog in een forensisch traject. Voor het overige verwijst de rechtbank voor de beoordeling van de voornoemde stelling, naar het navolgende.

6.21.

[verzoeker] heeft gesteld dat geen of slechts nog een gering publiek belang bestaat bij de URL’s die verschijnen bij zoekopdrachten op zijn naam nu niet langer sprake is van een publiek debat over zijn veroordeling en hij zijn straf heeft uitgezeten. In Nederland wordt nog slechts 110 keer per maand gezocht op de zoekterm " [B] ", aldus [verzoeker] . De rechtbank deelt zijn stelling niet.

Naar haar oordeel bestaat op dit moment, in dit geval nog een significant publiek belang bij informatie over het strafbare feit, de strafrechtelijke veroordelingen van [verzoeker] en de achterliggende omstandigheden, zoals die wordt verkregen als zoekresultaat op de naam “ [B] ”. Google heeft onweersproken aangevoerd, onder verwijzing naar een selectie van verschillende nieuwsberichten, dat recentelijk nog door kwaliteitskranten is bericht over het door [verzoeker] gepleegde misdrijf, de aan hem opgelegde maatregel van tbs en zijn mogelijkheden voor begeleid en onbegeleid verlof. De gewraakte 13 URL’s met de verwijzingen naar de verschillende bronpagina’s maken aldus deel uit van een actueel publiek debat over het opleggen van tbs aan verdachten, waaronder zij die weigeren zich psychologisch te laten onderzoeken, de mate waarin (onbegeleid) verlof van mensen met tbs verantwoord is en het opleggen van levenslange gevangenisstraffen. Tegen die achtergrond bestaat op dit moment nog een zwaarwegend belang van het publiek om de betreffende informatie over [verzoeker] te kunnen blijven vinden zowel voor zover het de recente ontwikkelingen betreft als ook voor zover het informatie betreft die verder in het verleden ligt. Dit klemt te meer nu het door [verzoeker] af te leggen resocialisatietraject en de door hem te volgen behandeling nog niet zijn afgerond en in 2021 opnieuw zal worden beoordeeld of de termijn van de tbs-maatregel nogmaals moet worden verlengd of niet. De eerdere procedurele ontwikkelingen in de strafzaak van [verzoeker] ter zake van het strafbare feit dat door hem is gepleegd in 2006, zijn bij die stand van zaken nog relevant voor het publiek, ook al heeft [verzoeker] inmiddels zijn gevangenisstraf uitgezeten en is het strafbare feit in 2006 gepleegd. De sinds 2006 verstreken tijd is, gezien het huidige, nog bestaande forensische kader, de ernst van het strafbare feit en de impact die het op de samenleving heeft gehad, relatief gezien nog maar beperkt. Onder dit publieke belang moet ook worden begrepen het eveneens zwaarwegend belang van auteurs van de betreffende informatie, dat hun informatie kan worden gevonden hetgeen meer in het bijzonder geldt voor de pers die verslag heeft gedaan en doet alsmede commentaar heeft gegeven en geeft op de gerechtelijke procedures en de uitkomsten daarvan naar aanleiding van het door [verzoeker] gepleegde ernstige strafbare feit.

6.22.

Uit de in het geding gebrachte stukken alsmede ter zitting is gebleken dat [verzoeker] hard werkt aan een terugkeer in de samenleving. Dat neemt niet weg dat blijkens de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West Brabant ter zake de verlenging van de tbs van [verzoeker] in 2019 de rechtbank een volledige terugkeer van [verzoeker] in de samenleving op dit moment niet geraden acht omdat de kans op recidive nog aanwezig is en met professionele ondersteuning gewerkt moet worden aan een stapsgewijze langzame uitbouw van vrijheden en verantwoordelijkheden, waarbij de stappen niet te groot zijn. Bij deze stand van zaken valt, gezien het feit dat iedere onderbouwing daartoe van de zijde van [verzoeker] verder ontbreekt, ook niet in te zien dat het publiek, werkgevers en/of anderen die rechtstreeks met hem te maken krijgen, geen zwaarwegend belang meer zouden hebben bij informatie over het door hem gepleegde strafbare feit en het forensisch kader waarin [verzoeker] als gevolg daarvan, nog steeds verkeert.

6.23.

De rechtbank sluit niet uit dat het voornoemde publieke belang in de toekomst minder zwaarwegend zal worden, zodat toewijzing van een verzoek tot verwijdering van de gewraakte URL’s meer in de rede zal komen te liggen. Op dit moment echter zijn, gezien de aard van de informatie, het belang van het publiek om te kunnen blijven beschikken over de informatie als waarnaar wordt verwezen in de zoekresultaten die [verzoeker] verwijderd wil zien en de belangen van auteurs en de pers dat die informatie nog gevonden kan worden, zo groot en zwaarwegend, dat die een rechtvaardiging vormen voor een inmenging in het privéleven van [verzoeker] ook al betreft het hier de verwerking van bijzondere, strafrechtelijke persoonsgegevens van hem. Dat “slechts nog 110 keer per maand” op de zoekterm " [B] ” wordt gezocht, zoals [verzoeker] heeft gesteld, maakt, wat daar overigens ook verder van zij, het voorgaande niet anders. De vraag of [verzoeker] al dan niet als “public figure” een rol speelt in het openbare leven, laat de rechtbank onbeantwoord. Ook als [verzoeker] niet als zodanig kwalificeert, acht de rechtbank, gezien het door hem gestelde belang afgewogen tegen de overige betrokken belangen en de omstandigheden van dit geval, voldoende gronden aanwezig om aan te nemen dat hier sprake is van bijzondere redenen die de inmenging in het recht op bescherming van het privéleven rechtvaardigen.

6.24.

De rechtbank ziet voorts onvoldoende aanleiding om een voorziening te treffen zoals door [verzoeker] subsidiair is verzocht. Zij verwijst daarvoor naar hetgeen reeds is overwogen. [verzoeker] heeft daartoe ook onvoldoende gesteld.

6.25.

De rechtbank zal het verzoek in het licht van het voorgaande afwijzen omdat het niet voldoet aan de eisen van artikel 17 lid 1 AVG. De opname van de betreffende URL’s in de resultatenlijst die wordt weergegeven na een zoekopdracht op de naam van [verzoeker] , is

- nu redengevende feiten of omstandigheden die een andere conclusie rechtvaardigen door [verzoeker] niet zijn gesteld - strikt noodzakelijk ter bescherming van de vrijheid van informatie zoals neergelegd in artikel 11 Handvest. Aldus is sprake van een situatie omschreven in artikel 17 lid 3 sub a AVG waarbij het verwijderingsrecht niet van toepassing is omdat de verwerking door Google nodig is voor het uitoefenen van het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie.

Proceskosten

6.26.

[verzoeker] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld, aan de zijde van Google vastgesteld als volgt:

- griffierecht € 639,00

- salaris advocaat € 1.086,00 (2 punten x € 543,00, tarief II).

-------------

€ 1.725,00

BESLISSING

De rechtbank:

1. wijst het verzoek van [verzoeker] af;

2. veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, aan de zijde van Google vastgesteld op

€ 1.725,00.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.E. Wichers en in het openbaar uitgesproken op

12 december 2019.

mp/614