Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:502

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-02-2019
Datum publicatie
13-02-2019
Zaaknummer
C/19/125381 / JE RK 19-5
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Raad van de Kinderbescherming verzoekt een ondertoezichtstelling. Daarbij ziet de Raad voor de jeugdbeschermer vooral een taak bij het organiseren van mogelijk contactherstel en een mogelijke contactregeling, een proces waarbij volgens de Raad een team van professionals nodig zal zijn voor het voorbereiden, organiseren, begeleiden en nabespreken van de contactmomenten. Vader heeft geen gezag en is op grond van de omstandigheden van dit geval niet aangemerkt als belanghebbende. Moeder is tegen wat zij ziet als een overbodige omgangs-ots.

De ondertoezichtstelling is wel uitgesproken.

Daarbij is benoemd wat de ouders wel en vooral niet van de jeugdbeschermer kunnen verwachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Assen

zaakgegevens : C/19/125381 / JE RK 19-5

datum uitspraak: 12 februari 2019

beschikking ondertoezichtstelling


in de zaak van

Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad,

gevestigd te Den Haag.

betreffende

Zoon, geboren op …2011 te .., hierna te noemen Zoon

De kinderrechter merkt voorts als belanghebbende aan:

Moeder, hierna te noemen de moeder.

1 Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoek met bijlagen van de Raad van 31 december 2018, ingekomen bij de griffie op 2 januari 2019.

- faxen van mr. C. (advocaat van vader) van 10 januari 2019 en 7 februari 2019.

- het bij fax van 8 februari 2019 toegezonden verweerschrift met bijlagen van de moeder.

Een in die bijlagen weggevallen passage is ter zitting nog overgelegd.

Op 12 februari 2019 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder en haar advocaat ,

- een vertegenwoordiger van de Raad,

- een vertegenwoordiger van de Jeugdbescherming Overijssel, hierna de GI

2 De feiten

Het ouderlijk gezag over Zoon wordt uitgeoefend door de moeder.

Vader heeft het gezag over Zoon nooit gehad.

Bij beschikking van 23 september 2015 heeft de rechtbank Noord-Nederland vaders verzoek om samen met moeder het gezag te krijgen afgewezen.

Bij eindbeschikking van 10 januari 2019 heeft het Hof Arnhem-Leeuwarden de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

Zoon woont bij de moeder.

Vader en zoon zagen elkaar voor het laatst in 2014.

3 Het verzoek


De Raad heeft de ondertoezichtstelling van Zoon verzocht voor de duur van 12 maanden.

4 Het standpunt van belanghebbenden

De Raad heeft in zijn rapport van 28 december 2018 verzocht om Zoon onder toezicht te stellen van de gecertificeerde instelling te weten, Stichting Jeugdbescherming Overijssel, voor de periode van een jaar. De Raad heeft geconcludeerd dat een omgangsregeling in de vorm van begeleide omgangsmomenten tussen de vader en Zoon het meest tegemoet komt aan de belangen van Zoon. De Raad acht verplichte hulpverlening noodzakelijk om te komen tot een opbouw van het contact/omgang tussen Zoon en de vader. Met verplichte hulpverlening bedoelt de Raad een jeugdbeschermer. De jeugdbeschermer heeft dan als taak de begeleide omgangscontacten tussen Zoon en de vader, in samenspraak met de reclassering en De Waag, te initiëren, voor- en na te bespreken, te begeleiden en met name voor de belangen van Zoon op te komen.

Moeder is tegen een ondertoezichtstelling en splitst haar argumenten in drieën uit.

Zij meent dat vader terwijl hij niet het gezag heeft druk op haar kan uitoefenen.

Er wordt verzocht om een omgangs-ots terwijl aan de verzwaarde criteria die dan gelden niet wordt voldaan.

Aan de criteria voor een ots is niet voldaan.

Ter zitting is nog benadrukt dat moeder met name vreest dat vader een ingang zal krijgen om opnieuw druk op haar uit te oefenen. Dat kan hij niet via het gezag, want dat heeft hij niet gekregen. Moeder voorziet dat vader zal proberen om de jeugdbeschermer als ingang te gebruiken om moeder onder druk te zetten.

Zij meent dat een ondertoezichtstelling bij haar zwaarder zal ingrijpen dan bij vader, omdat de gezagsbeperkende maatregel alleen haar treft, terwijl die maatregel niet nodig is.

5 De beoordeling

5.1.

Om misverstanden te voorkomen merkt de kinderrechter het volgende op.

In de procedure bij het Hof is in opdracht van het Hof onderzoek gedaan door de Raad. In dat kader is ook persoonlijkheidsonderzoek gedaan door het NIFP. Het Hof verwijst in de beschikking naar het rapport van de Raad van 3 december 2018. Bij dat rapport waren de rapporten van het NIFP gevoegd. Dat rapport en de bijlagen bij dat rapport maken geen deel uit van het dossier van de kinderrechter.

Het rapport van de Raad van 28 december 2018 dat wèl deel uitmaakt van de stukken verwijst wel naar het onderzoek door het NIFP en citeert uit de opgemaakte rapporten. Dit rapport is opgemaakt in opdracht van de rechtbank in de procedure met nummer 19/110302/FA RK 15-1179. In die procedure moet nog nader worden beslist over het verzoek van vader om een contactregeling tussen hem en Zoon vast te stellen.

Dit rapport vervangt een eerder rapport van de Raad uit 2016. Naar aanleiding van de overweging onder 5.8 van de eindbeschikking van het Hof is ook in het dossier van de rechtbank in die nog lopende procedure dat rapport en de daarop betrekking hebbende correspondentie die ingaat op de inhoud van dat rapport in een afgesloten enveloppe gedaan om te voorkomen dat van de inhoud onbedoeld kennis wordt genomen door de behandelend rechter.

Het is dit rapport van 28 december 2018 waarin de Raad ook motiveert waarom een ondertoezichtstelling nodig wordt geacht.

Beide ouders hebben door hun advocaten schriftelijk op beide onderdelen van het rapport en het advies laten reageren. Vaders standpunt was de kinderrechter al ambtshalve bekend uit de brief van 30 januari 2019 van zijn advocaat mr. C. Dat standpunt is samen te vatten als dat hij het eens is met verzoek van de Raad. Een ondertoezichtstelling acht vader noodzakelijk. Die brief is door de advocaat van moeder nogmaals ingebracht in deze procedure en maakt deel uit van de stukken in deze procedure.

5.2.

Anders dan de Raad merkt de kinderrechter vader niet aan als belanghebbende.

De kinderrechter is niet gebonden aan de visie van de Raad, maar oordeelt daarover zelfstandig.

Bij fax van 10 januari 2019 heeft mr. C. zich namens vader gesteld en zij schrijft "mocht vader als belanghebbende worden aangemerkt wenst hij zich als procespartij te voegen in de procedure en (schriftelijk) verweer te voeren." Die formulering wekt de indruk dat niet als vanzelfsprekend werd aangenomen dat vader als belanghebbende zou worden aangemerkt. De advocaat van vader is op 25 januari 2019 voor de duidelijkheid medegedeeld dat vader niet als belanghebbende wordt aangemerkt. Op 7 februari 2019 heeft mr. C. de kinderrechter verzocht vader als belanghebbende te betrekken in de procedure ondertoezichtstelling. Zij verwijst daarbij naar een bijgevoegde beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 6 maart 2018. Aan de advocaat van vader is door de griffie telefonisch bericht dat de kinderrechter in die fax geen aanleiding ziet om terug te komen op de eerder genomen en bekend gemaakte beslissing. Degene die bij mr. C. de telefoon beantwoordde heeft laten weten die boodschap aan te kunnen nemen. Een dag later belde mr. C. om te vragen of die beslissing nog schriftelijk bevestigd zou worden. Haar is medegedeeld dat de kinderrechter daartoe geen aanleiding zag. Maandag 11 februari 2019 is vader zelf de griffie gaan bellen om zijn ongenoegen over het één en ander uit te spreken.

5.3.

Artikel 798 Rv bepaalt dat onder een belanghebbende wordt verstaan degene op wiens rechten en plichten de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Een ondertoezichtstelling is een gezagsbeperkende maatregel. Vader heeft geen gezag en wordt niet in zijn gezag beperkt. Een ondertoezichtstelling van Zoon heeft niet rechtstreeks betrekking op zijn rechten en plichten. Dat vader verwacht baat te hebben bij een ondertoezichtstelling omdat hij verwacht dat de GI de door vader vurig gewenste contactregeling van de grond zal krijgen maakt dat niet anders. Namens vader wordt vervolgens opgemerkt dat zijn positie in deze meebrengt dat internationale verplichtingen ertoe leiden dat de niet gezaghebbende ouder als belanghebbende kan worden aangemerkt. Dat kan ook, maar is geen vanzelfsprekende automatische consequentie.

In de omstandigheden van dit geval, die naar het oordeel van de kinderrechter significant afwijken van de omstandigheden in het door de advocaat aangedragen geval, ziet de kinderrechter geen aanleiding om vader in deze procedure als belanghebbende aan te merken. Van een verplichting daartoe is geen sprake.

De kinderrechter hecht daarbij belang aan onder meer de volgende omstandigheden: Moeder stelt angst te hebben voor vader. Vader blijft erbij dat moeder dat speelt. In 2013 is vader veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaar. Daarbij is vader niet veroordeeld wegens een jegens moeder gepleegd feit, toch is aan zijn VI in 2018 een locatieverbod verbonden voor de woonplaats van moeder en een contactverbod met moeder en haar familie.

5.4.

De Raad heeft ter zitting het verzoek nader toegelicht en door en namens moeder is verwezen naar het verweerschrift, waarbij bepaalde aspecten zijn benadrukt en toegelicht.

5.5.

De kinderrechter wijst het verzoek tot ondertoezichtstelling van Zoon toe.

Niet om vaders belangen veilig te stellen, mocht vader de indruk hebben dat de ondertoezichtstelling dat doel zou dienen. Niet om moeder dwars te zitten op welk wijze dan ook.

De kinderrechter kijkt nadrukkelijk naar de belangen van Zoon.

Zoon wordt dit jaar acht jaar. Hij heeft zijn vader sinds 2014 niet meer gezien. De kans is groot dat hij zich over de contacten met zijn vader weinig kan herinneren en als hij zich vader herinnert, dan zal dat zijn in de context van de bezoeken aan vader in de PI. Zoon was op het moment dat vader gedetineerd werd zo jong dat niet mogelijk is dat hij zich uit die periode iets kan herinneren.

Voor Zoon begint de tijd te dringen. Er moet nu zo snel mogelijk een begin worden gemaakt met een traject waarin kan worden bezien hoe contactherstel tussen vader en zoon tot stand gebracht kan worden. Als dat contactherstel er is, dan zal moeten worden bezien of en hoe het mogelijk is dat contact gaande te houden met een contactregeling.

Dat zal tijd kosten. De Raad adviseert om een team van professionals de taak te geven om te bedenken hoe dit alles feitelijk moet worden opgezet en om de contacten voor te bereiden, te begeleiden en na te spreken. Dat team moet zich vormen, dan moet het de zaak onderling bespreken een plan maken en de taken verdelen. Bij dit alles zullen beide ouders betrokken moeten worden, waarbij het enorme onderlinge wantrouwen tussen die ouders, de verwijten die ze elkaar maken en de verschillende verwachtingen die ze hebben over de uiteindelijke regeling in die samenwerking een factor zullen zijn. Daar speelt als praktische complicerende factor doorheen dat er voor vader een contactverbod met moeder en haar familie geldt.

Moeder benadrukt dat zij de noodzaak van contact tussen vader en zoon ziet en dat zij dat contact zal gaan organiseren, met de hulp van hulpverlening in een vrijwillig kader. De kinderrechter is niet helderziend, maar als de kinderrechter tracht een inschatting te maken van de kans van slagen van een traject in dat vrijwillig kader, dan schat de kinderrechter die kans op grond van het voorgaande klein in. Wel zo klein, dat de kinderrechter geen aanleiding ziet om dit verzoek aan te houden om te bezien of het in het vrijwillig kader alsnog gaat lukken.

Momenteel gaat het goed met Zoon. Over de opvoedingssituatie bij moeder thuis bestaan geen zorgen. Dat maakt niet dat dus een ondertoezichtstelling niet mogelijk is.

Voor de ontwikkeling van Zoon is nodig dat het contact met zijn vader voor zover mogelijk hersteld wordt, binnen een voor Zoon zo onbelast mogelijk kader. Voor Zoon is het nodig dat hij zijn vader leert kennen en dat helder wordt wat de mogelijkheden voor een contactregeling zijn, bij voorkeur voor hij gaat puberen. Dat lijkt nog ver weg, maar de kinderrechter acht zeer wel mogelijk dat dit een traject van lange adem en lange duur gaat worden.

Dit gaat dan ook verder dan een pure omgangs-ots.

5.6.

Moeder blijft benadrukken dat zij vreest dat de jeugdbeschermer door vader zal worden gebruikt om haar onder druk te zetten. Daarmee diskwalificeert moeder bij voorbaat iedere jeugdbeschermer die nog moet aantreden. Zoals er zitting werd bevestigd heeft de GI de mogelijkheid om - mocht blijken dat men daartoe aanleiding ziet - een team in te zetten dat met meer afstand en daarmee meer veiligheid ten opzichte van de ouders kan opereren. Die afweging zal de GI zelf kunnen maken. De aan te stellen jeugdbeschermer is een professional, met eigen verantwoordelijkheden die zich heus bewust zal zijn van mogelijke pogingen om hem/haar voor welk karretje dan ook te spannen.

De voorbeelden die moeder aanhaalt om te onderbouwen waarom zij er zo van overtuigd is dat een jeugdbeschermer zal verworden tot een door vader tegen haar in te zetten drukmiddel zijn ook niet allemaal even sterk. Zo heeft het feit dat de procedures over/tussen deze ouders sinds 2015 in Assen worden behandeld niets van doen met "op eieren lopen" door welke rechtbank dan ook. Moeder weet heel goed dat de zaak in Assen loopt door eerdere perikelen. De beschikking van de rechtbank Overijssel van 22 mei 2015 verwijst ook naar artikel 46b van de Wet op de Rechterlijke Organisatie. De kinderrechter houdt het daar maar bij.

5.7.

Voor de duidelijkheid van beide ouders merkt de kinderrechter nog het volgende op.

De jeugdbeschermer heeft een eigen verantwoordelijkheid.

De jeugdbeschermer is niet iemand aan wie de ouders opdrachten kunnen geven.

De jeugdbeschermer is niet iemand die aan de ouders verantwoording hoeft af te leggen van alles dat de jeugdbeschermer doet.

De jeugdbeschermer is niet iemand die verplicht is ouders telefonisch of anderszins te woord te staan, iedere keer dat een ouder dat wenst op het moment dat de ouder dat wenst.

De jeugdbeschermer is niet iemand van wie een ouder mag verwachten dat die op aangeven van een ouder boodschappen van de één aan de ander gaat doorgeven.

De jeugdbeschermer is er niet om voor de belangen van een ouder op te komen, die jeugdbeschermer is er voor de belangen van Zoon.

Als een ouder niet met de jeugdbescherming samenwerkt op een wijze die constructief is, dan kan de jeugdbeschermer daar consequenties aan verbinden. Dat geldt niet alleen ten opzichte van de ouder met gezag. In dit concrete geval moet vader niet verwachten dat de jeugdbeschermer zich blijft inspannen om een contactregeling tot stand te brengen, als de samenwerking met vader niet van de grond komt. Een formele aanwijzing kan de jeugdbeschermer niet aan vader geven, maar voor vaders gedrag ten opzichte van de jeugdbeschermer moet het niet uitmaken dat hij geen gezag heeft over Zoon.

5.8.

Resumerend komt de kinderrechter tot de conclusie dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Op dit moment zijn de bedreigingen in de ontwikkeling van Zoon waaraan in ieder geval gewerkt moet worden:

- het niet kennen van zijn vader;

- het niet hebben van contact met zijn vader;

- het effect van het diepe wantrouwen tussen zijn ouders op de verdere ontwikkeling van Zoon

De kinderrechter zal daarom Zoon onder toezicht stellen voor de duur van 12 maanden.

De beslissing


De kinderrechter:

stelt Zoon onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Overijssel, Postbus 586, 8000 AN Zwolle, met ingang van 12 februari 2019 tot 12 februari 2020;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. T.M.L. Veen, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2019.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden