Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:4860

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
14-11-2019
Datum publicatie
26-11-2019
Zaaknummer
AWB - 16 _ 4789
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is of eiseres het tonnageregime mag toepassen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiseres in Nederland het volledige bemanningsbeheer en technische beheer heeft verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 26-11-2019
V-N Vandaag 2019/2676
FutD 2019-3114
NTFR 2020/147 met annotatie van mr.drs. B.J.E. Lodder
V-N 2020/8.2.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 16/4789

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 14 november 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde eiseres] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Groningen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de Minister voor Rechtsbescherming, de Minister.

Procesverloop

Verweerder heeft voor het jaar 2011 aan eiseres met dagtekening 24 oktober 2015 een aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 307.799.

Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 12.074 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Bij uitspraak op bezwaar van 28 oktober 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2019. Eiseres is daarbij vertegenwoordigd door haar gemachtigde, bijgestaan door [bijstand] .

Verweerder is daar eveneens vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, bijgestaan door [bijstand] .

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Eiseres is op [datum] 2010 opgericht. Enig aandeelhouder van eiseres is [aandeelhouder] , waarvan [X] en [Y] , wonende in het [buitenland] ,

ieder voor 50% de aandelen houden. [X] en [Y] zijn bestuurders van eiseres.

1.2.

Eiseres nam in 2011 deel in twee scheepvaart-CV’s en heeft dat later uitgebreid tot deelname in vijf scheepvaart-CV’s.

1.3.

Eiseres heeft met dagtekening 17 januari 2011 op haar verzoek een beschikking forfaitaire winstvaststelling zeescheepvaart ontvangen van verweerder, ingaande per 2010. In deze beschikking wordt verwezen naar het zogenoemde tonnageregime ex artikel 3.22 en verder van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB).

1.4.

Eiseres heeft in haar aangifte Vpb over het jaar 2011 een belastbare winst van € 16.502 aangegeven, op basis van het tonnageregime. Het aangegeven saldo fiscale winstberekening vóór de toepassing van het tonnageregime bedroeg € 303.674.

1.5.

Bij brief van 9 oktober 2015 heeft verweerder eiseres geïnformeerd dat het tonnageregime naar zijn mening niet op de gehele winst van toepassing is. Verweerder heeft het belastbaar bedrag vastgesteld op € 307.799 en dienovereenkomstig de onder het procesverloop opgenomen aanslag Vpb 2011 opgelegd.

1.6.

Tussen eiseres en de CV's zijn managementovereenkomsten gesloten. Daarin staat onder andere dat eiseres verantwoordelijk is en zorg draagt voor het gehele personeelsmanagement. Eiseres heeft namens de scheepseigenaren met [A] B.V. (hierna: [A] ) een contract afgesloten in verband met het bemanningsbeheer van de schepen van de onder 1.2. bedoelde CV's. Op grond van dit contract draagt [A] kandidaten voor, die werkzaamheden kunnen gaan verrichten op de schepen waarover eiseres het management voert. Eiseres beslist over deze voordrachten. De eindverantwoordelijkheid voor het bemanningsbeheer berust bij eiseres.

1.7.

Eiseres heeft bij de stukken die zij voorafgaand aan de zitting heeft overgelegd diverse e-mails tussen haar en [A] overgelegd. Daaronder is begrepen een e-mail van

[datum] 2011, waarin [K] aan eiseres, in de persoon van de onder 1.1. genoemde [X] , heeft geschreven:

“Please be informed that CAPT [L] signed off [schip] at [plaats] on [datum] .2011 and CAPT [M] [schip] at [plaats] on [datum] .2011.

Can you please advise if you want CAPT [L] and CAPT [M] back on one of your vessels.

Please to hear.”

[X] heeft hierop namens eiseres op dezelfde dag per e-mail als volgt gereageerd:

“hello again,

cpt. [L] is welcome back in our fleet.

cpt. [M] not workable.”

Tevens is onder de door eiseres overgelegde stukken begrepen een e-mail van [datum] 2011, waarin [N] van [A] aan eiseres, in de persoon van de onder 1.1. genoemde [X] , heeft geschreven:

“Moin [X] ,

Pls find attached fitter [O] as candidate for [schip] . Pls note that we cannot find fitters with cranedriving exp, but since we now have 2 on board with cranedriving exp (when accepted of course) I would like to propose this gent to you to join as well in [plaats] or next port after.

Could you pls adv your decision

Thks and krgds,”.

[X] heeft hierop namens eiseres op dezelfde dag per e-mail als volgt gereageerd:

“moin [N] ,

agree with both!”

Geschil en beoordeling

2.1.

In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder aan eiseres de aanslag Vpb 2011 tot het juiste bedrag heeft opgelegd. Partijen beantwoorden deze vraag beiden ontkennend. Eiseres bepleit een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van € 121.680 en verweerder bepleit een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van € 303.674.

2.2.

Kern van het geschil is het antwoord op de vraag of eiseres het tonnageregime mag toepassen op de scheepvaartwinst die zij heeft behaald. Daarbij spitst het geschil zich toe op voorwaarde van artikel 3.22, vijfde lid, onderdeel d, van de Wet IB: heeft eiseres in Nederland het volledige bemanningsbeheer en technische beheer verricht? Dat eiseres het volledige technische beheer heeft verricht, is niet in geschil; het gaat dus alleen om de vraag of eiseres het volledige bemanningsbeheer heeft verricht.

2.3.

Ter zitting heeft eiseres bevestigd dat het geschil zich beperkt tot deze vraag (zie 2.2.) en dat zij haar beroep op het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel heeft laten varen. Eiseres beantwoordt deze vraag bevestigend en heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat zij namens de scheepseigenaren een contract heeft gesloten met [A] (1.6.) ter uitvoering van werkzaamheden betreffende het bemanningsbeheer onder (eind)verantwoordelijkheid van eiseres.

2.4.

Verweerder beantwoordt deze vraag ontkennend en voert daartoe – kort gezegd – aan dat eiseres het bemanningsbeheer heeft uitbesteed en dat zij reeds daarom niet meer voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.22, vijfde lid, onderdeel d, van de Wet IB. Verweerder legt die voorwaarden in enge zin uit, aldus dat een belastingplichtige alle werkzaamheden ten aanzien van het bemanningsbeheer zelf moet verrichten en de feitelijke uitvoering van die werkzaamheden derhalve niet mag uitbesteden aan een derde.

2.5.

Partijen hebben ter zitting verklaard geen geschil te hebben over de cijfermatige uitkomst van hun standpunten, zodat de rechtbank uit kan gaan van de onder 2.1. vermelde bedragen.

3. De rechtbank overweegt dat artikel 3.22, vijfde lid, onderdeel d, van de Wet IB meebrengt dat het tonnageregime uitsluitend van toepassing is indien de belastingplichtige alle bemanningsbeheerswerkzaamheden verricht. De rechtsvraag die hier voorligt, is of onder 'verrichten' ook 'uitbesteden' mag worden begrepen, zo lang de uitbestede werkzaamheden maar onder (eind)verantwoordelijkheid van de belastingplichtige worden verricht.

4. In artikel 3.22, vierde lid, van de Wet IB is geregeld wat voor de toepassing van de tonnageregeling onder winst uit zeescheepvaart wordt verstaan. De kern is dat het daarbij moet gaan om de exploitatie van een schip. Daarbij is geen onderscheid gemaakt tussen een scheepseigenaar en scheepsmanager. Het gaat bij de in het vierde lid gedefinieerde winst die onder het tonnageregime valt, om 'de winst behaald met de exploitatie van een schip'. Wat onder die exploitatie wordt verstaan, is verder uitgewerkt in het vijfde lid. Voor een scheepseigenaar wordt in artikel 3.22, vijfde lid, onderdelen a, b en c van de Wet IB bepaald wanneer sprake is van exploitatie van een schip. Voor een scheepsmanager is dat gebeurd in onderdeel d. In de parlementaire stukken betreffende de totstandkoming van artikel 3.22, vijfde lid, onderdeel d, van de Wet IB is opgenomen (Kamerstukken II 2006/06, 30 306, nr. 3, p. 34):

“Vijfde lid

Deze wijziging houdt verband met de tijdens de 2e Ronde Tafel Conferentie

Maritiem Cluster gedane toezegging dat de tonnageregeling wordt

uitgebreid met scheepsmanagementactiviteiten en vloeit voort uit de

hiervoor genoemde richtsnoeren. Dit betekent dat scheepsmanagementbedrijven

in aanmerking komen voor de tonnageregeling met betrekking

tot schepen, waarvan zij het volledige bemannings- en technische beheer

onder hun hoede hebben. Voorts moeten scheepsmanagers alle door de

ISM-code1 opgelegde plichten en verantwoordelijkheden op zich nemen.”

Uit de wettekst en voormelde totstandkomingsgeschiedenis van artikel 3.22, vijfde lid, onderdeel d, van de Wet IB valt af te leiden dat scheepsmanagers op gelijke wijze als een scheepseigenaar behandeld dienen te worden, nu de achtergrond van het invoeren van artikel 3.22, vijfde lid, onderdeel d, van de Wet IB is gelegen in de gedachte dat scheepsmanagers die zowel het technische beheer als het personeelsbeheer verrichten, als klassieke 'reders' fungeren.

5. Die achtergrond spreekt ook uit de State Aid Guidelines 2004, Mededeling C (2004) 43, van de Europese Commissie, PbEU C 13/3, onder 3.1). Daarin is onder andere opgenomen:

Scheepsmanagementbedrijven kunnen alleen voor steun in aanmerking komen met betrekking tot schepen waarvan zij het volledige bemannings- en technisch beheer onder hun hoede hebben.

Voorts heeft de Europese Commissie op 11 juni 2009 nieuwe richtsnoeren gepubliceerd met betrekking tot staatssteun en scheepsmanagement (‘Communication from the Commission providing guidance on State aid to shipmanagement companies’, PbEU 2009/C 132/06, die zijn verwerkt in de Richtsnoeren betreffende staatsteun voor ondernemingen voor shipmanagement van 14 oktober 2009 (PbEU L/318/51). Daarin is onder artikel 3 opgenomen:

“3. Beoordeling van de subsidiabiliteit van ondernemingen voor shipmanagement

In tegenstelling tot andere maritieme diensten is shipmanagement een kernactiviteit die standaard deel uitmaakt van de activiteiten van zeevervoerders en normaal gesproken in eigen beheer wordt verricht. Shipmanagement is een van de meest kenmerkende activiteiten van scheepsexploitanten. Thans wordt het echter in sommige gevallen uitbesteed

aan derden-ondernemingen voor shipmanagement. Net door dit verband tussen shipmanagement en scheepsexploitatie zijn derden-ondernemingen voor shipmanagement exploitanten met dezelfde professionele achtergrond als scheepseigenaren die, hoewel zij gesegmenteerd zijn volgens specialisatie, binnen dezelfde zakelijke omgeving actief

zijn. Scheepseigenaren zijn de enige klanten van ondernemingen voor shipmanagement.

In het licht van het voorgaande is de Autoriteit van mening dat outsourcing van shipmanagement niet fiscaal bestraft mag worden ten opzichte van shipmanagement in eigen beheer, mits de ondernemingen voor shipmanagement aan dezelfde voorwaarden voldoen als scheepseigenaren en het toekennen van steun aan shipmanagers op dezelfde wijze bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het steunkader zeescheepvaart als de toekenning van steun aan scheepseigenaren.

Meer bepaald is de Autoriteit van mening dat ondernemingen voor shipmanagement, precies wegens hun specialisatie en de aard van hun kernactiviteiten, substantieel kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het steunkader zeescheepvaart en met name tot de totstandbrenging van een “efficiënt, veilig en milieuvriendelijk

zeevervoer” en van de “consolidatie van het in de EVA-staten gevestigde maritieme cluster.””

6. De rechtbank overweegt dat de bewoordingen van artikel 3.22, vijfde lid, onderdeel d, van de Wet IB (“verricht”), de totstandkomingsgeschiedenis van die bepaling, de bewoordingen van de State Aid Guidelines (“onder hun hoede hebben”) en het gestelde in artikel 3 van de Richtsnoeren L 318/51 erop wijzen dat het tonnageregime ruimer kan worden toegepast dan alleen in de situatie dat een scheepsmanager het bemannings- en technisch beheer daadwerkelijk helemaal zelf uitvoert. Tussen partijen is ook niet in geschil dat voor de toepassing van het tonnageregime het ten dele uitbesteden van het bemanningsbeheer in zijn algemeenheid geen belemmering hoeft te zijn. In geschil is of in dit geval de mate van het uitbesteden van het bemanningsbeheer door eiseres (de scheepsmanager) een belemmering vormt voor de toepassing van het tonnageregime. Omdat eiseres ook de kern van het bemanningsbeheer heeft uitbesteed (de selectie van bemanningsleden) en niet bijvoorbeeld alleen de loonadministratie, vindt verweerder dat eiseres geen recht heeft op het tonnageregime.

7. De rechtbank vindt geen steun voor de enge uitleg die verweerder geeft aan de voorwaarde van artikel 3.22, vijfde lid, onderdeel d van de Wet IB. Waar het naar het oordeel van de rechtbank om gaat, is dat de verantwoordelijkheid voor het bemanningsbeheer niet mag worden opgeknipt en verdeeld over meerdere entiteiten: als een scheepsmanager het tonnageregime wil toepassen, moet hij de volle verantwoordelijkheid voor het gehele bemanningsbeheer dragen. Dit sluit uitbesteden op onderdelen, zonder de verantwoordelijkheid daarvoor prijs te geven, niet uit.

8. Eiseres, op wie in deze de stelplicht en - bij betwisting - de bewijslast rust, heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat zij aan de voorwaarde van artikel 3:22, vijfde lid, onderdeel d, van de Wet IB heeft voldaan en dus het tonnageregime mocht toepassen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiseres binnen de contractsverhouding met [A] daadwerkelijk controle en bemoeienis heeft gehad ten aanzien van de selectie van de bemanningsleden. Zij verwijst daartoe naar de onder 1.7. vermelde e-mails. Daaruit komt inderdaad het beeld naar voren dat eiseres eindverantwoordelijk is, telkens geraadpleegd werd, inhoudelijk heeft gereageerd en bij gelegenheid ook voordrachten gemotiveerd heeft afgewezen. Duidelijk wordt verder dat [A] pas na goedkeuring van eiseres voor tewerkstelling op de schepen zorgde. Eiseres heeft verder verklaard dat zij niet slechts een tussenpersoon is geweest tussen de scheepseigenaar en [A] . Dat volgt ook uit de vaststaande feiten, en is bovendien in lijn met het bepaalde in de managementovereenkomsten met de CV's. Verweerder heeft geen concrete aanwijzingen aangedragen die op het tegendeel wijzen. Naar het oordeel van de rechtbank is de feitelijke gang van zaken dan ook in overeenstemming geweest met die managementovereenkomsten en met het contract met [A] . Die feitelijke gang van zaken komt erop neer, dat eiseres actieve bemoeienis heeft gehad met wie op welk schip ging werken, heeft ingegrepen als zij dat nodig vond en daadwerkelijk toezicht heeft uitgeoefend op de inzet van de bemanning. Eiseres heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank voldoende invulling gegeven aan de voorwaarde dat de belastingplichtige het bemanningsbeheer 'verricht' in de zin van artikel 3:22, vijfde lid, onderdeel d, van de Wet IB en dat zij dit bemanningsbeheer 'onder haar hoede' heeft in de zin van de State Aid Guidelines.

9. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het gelijk in deze zaak aan eiseres is. Nu er geen geschil is over de cijfermatige uitkomst van de standpunten van partijen, dient de aanslag Vpb 2011 overeenkomstig de uitwerking van eiseres (2.1.) te worden verlaagd.

heffingsrente

10. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Eiseres heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu de met de beschikking heffingsrente samenhangende aanslag zal worden verminderd, verstaat de rechtbank dat verweerder het bedrag van de heffingsrente dienovereenkomstig zal verminderen.

immateriële schadevergoeding

11. Eiseres heeft verzocht om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateert dat in deze zaak de redelijke termijn is overschreden. Het tijdsverloop tussen de ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder op 1 december 2015 en de uitspraak van de rechtbank bedraagt afgerond 4 jaar. Uitgaande van dit tijdsverloop is de redelijke termijn voor geschilbeslechting van twee jaar overschreden met 24 maanden, waarvan zoals ter zitting besproken 5 maanden aan verweerder worden toegerekend.

12. Ter zitting is besproken dat in totaal een immateriële schadevergoeding van € 2.000 zal worden toegekend, waarvan (afgerond) € 400 (5/24) ten laste van verweerder zal komen en (afgerond) € 1.600 (19/24) ten laste van de Minister. Omdat het bedrag van de schadevergoeding minder dan € 5.000 beloopt, behoeft de Minister niet in de gelegenheid te worden gesteld hierop verweer te voeren (zie Stcrt. 2014, nr. 20210 en Stcrt. 2017, nr. 62751).

griffierecht en proceskosten

13. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.532 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 254, en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1), met welk bedrag partijen ter zitting hebben ingestemd.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslag Vpb 2011 tot een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van € 121.680;

  • -

    vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 400;

  • -

    veroordeelt de Minister tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 1.600;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334 aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.532.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Tanghe, voorzitter, en mr. A. Heidekamp en mr. M. Pelinck, leden, in aanwezigheid van mr. H.J. Haanstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 november 2019.

w.g. griffier

w.g. voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.