Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:4718

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-10-2019
Datum publicatie
08-11-2019
Zaaknummer
18/720129-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft op 22 oktober 2019 een man veroordeeld voor het plegen van twee winkeldiefstallen en het overtreden van een winkelverbod in een supermarkt in Leeuwarden.

Aan de veroordeelde is de ISD-maatregel (Instelling Stelselmatige Daders) opgelegd. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat de man veelvuldig in aanraking is gekomen met politie en justitie en kampt met verslavingsproblematiek.

Daarnaast is de man eerder veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 138
Wetboek van Strafrecht 310
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/720129-19

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/252066-18

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 22 oktober 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in P.I. Leeuwarden, Holstmeerweg 7 in Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 oktober 2019.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A. Scholtmeijer, advocaat te Heerenveen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Janssens.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 7 juni 2019 te Leeuwarden met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee, althans een aantal, blikken bier, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het winkelbedrijf [benadeelde partij] (vestiging [straatnaam]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2.

hij op of omstreeks 16 maart 2019 te Leeuwarden met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee, althans een aantal, blikken bier, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het winkelbedrijf [benadeelde partij] (vestiging [straatnaam]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

3.

hij op of omstreeks 7 juni 2019 te Leeuwarden in het besloten lokaal winkelpand [benadeelde partij], [straatnaam], bij het winkelbedrijf [benadeelde partij], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 10 december 2018 schriftelijk de toegang tot die [benadeelde partij] ontzegd voor de duur van 1 jaar.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor feiten 1, 2 en 3 gevorderd. Hij heeft daartoe verwezen naar de aangiften in het strafdossier en de bekennende verklaringen van verdachte.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen bewijsverweren gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 oktober 2019;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 12 juni 2019, opgenomen op pagina 15 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019164070 van 26 juni 2019, inhoudend de verklaring van [naam 1];

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 22 maart 2019, opgenomen op pagina 29 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [naam 2];

4. een geschrift d.d. 10 december 2018, opgenomen op pagina 20 van voornoemd dossier, inhoudend het aanzeggen van een collectief winkelverbod.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 7 juni 2019 te Leeuwarden met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee blikken bier, toebehorende aan het winkelbedrijf [benadeelde partij], vestiging [straatnaam];

2.

hij op 16 maart 2019 te Leeuwarden met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee blikken bier, toebehorende aan het winkelbedrijf [benadeelde partij], vestiging [straatnaam];

3.

hij op 7 juni 2019 te Leeuwarden in het besloten lokaal winkelpand [benadeelde partij], [straatnaam], bij het winkelbedrijf [benadeelde partij] in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 10 december 2018 schriftelijk de toegang tot die [benadeelde partij] ontzegd voor de duur van 1 jaar.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Diefstal.

2. Diefstal.

3. In het besloten lokaal, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot oplegging van de ISD-maatregel moet worden afgewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er geen diagnostiek heeft plaatsgevonden en een behandelplan ontbreekt, zodat niet uitgesloten is dat een minder vergaande maatregel ook passend is. De raadsman heeft verzocht een straf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsrapport van 4 oktober 2019, het uittreksel uit de justitiƫle documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstallen en heeft een winkelverbod overtreden. Dit zijn kwalijke feiten die veel overlast veroorzaken, bij de gedupeerde winkeliers in het bijzonder. De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte blijkens zijn strafblad eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Uit het reclasseringsadvies blijkt dat verdachte veelvuldig in aanraking is gekomen met politie en justitie. Verder kampt verdachte met verslavingsproblematiek, waarbij alcohol de laatste jaren het hoofdmiddel is. Diverse ambulante en klinische interventies hebben niet tot een delictvrij bestaan geleid. Verdachte heeft op vrijwel alle levensgebieden problemen en het lukt hem niet om een stabiel leven op te bouwen. De reeds ingezette hulpverlening heeft ook het delictpatroon niet kunnen doorbreken. Verdachte begint vaak gemotiveerd aan hulpverleningstrajecten, maar zijn motivatie verdwijnt al snel waarbij hij de adviezen van hulpverleners niet meer opvolgt. Gezien het feit dat verdachte geen enkel hulpverleningstraject positief heeft afgerond en strafbare feiten blijft plegen, wordt door de betrokken hulpverlening en reclassering geadviseerd om verdachte in een klinische en gestructureerde setting te behandelen. Binnen de ISD-instelling dient de persoonlijkheid en het functioneren van verdachte nader onderzocht te worden. Op basis hiervan dient een plan van aanpak opgesteld te worden, dat verdachte gelegenheid biedt om vaardigheden te ontwikkelen voor een delictvrij bestaan.

De rechtbank stelt vast dat aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Verdachte heeft misdrijven begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Verder blijkt uit de justitiƫle documentatie dat verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan deze misdrijven ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan, omdat hij telkens recidiveert. Verder vereist de veiligheid van personen en goederen het opleggen van de ISD-maatregel.

Uit het reclasseringsadvies leidt de rechtbank af dat verdachte diverse kansen heeft gehad om zijn leven een positieve wending te geven. Ondanks de inzet van hulpverlening blijft verdachte vervallen in delictgedrag. Anders dan de verdediging ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor een alternatief voor de ISD-maatregel. Een dergelijk alternatief, dat dan zal moeten bestaan uit een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzonder voorwaarden, zal naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende kunnen bijdragen aan vermindering van het recidiverisico. Dat er nog nieuwe of aanvullende diagnostiek moet plaatsvinden, zodat een behandelplan kan worden opgesteld, staat aan oplegging van deze maatregel niet in de weg. Gelet op de hardnekkige problematiek van verdachte zal de rechtbank de ISD-maatregel opleggen voor een termijn van twee jaren.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk vonnis van 17 december 2018 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Leeuwarden, is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 weken, waarvan 4 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De proeftijd is ingegaan op 1 januari 2019. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

De officier van justitie heeft bij vordering van 24 september 2019 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.

Standpunt van de officier van justitie

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie afwijzing van de vordering gevorderd.

Standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting heeft de raadsman betoogd dat de vordering dient te worden afgewezen.

Oordeel van de rechtbank

Gelet op het feit dat aan verdachte de ISD-maatregel zal worden opgelegd, en de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf de uitvoering van deze maatregel doorkruist, zal de rechtbank de vordering van de officier van justitie afwijzen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38m, 38n, 57, 138, 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank:

Verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 17 december 2018.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en mr. J.Y.B. Jansen, rechters, bijgestaan door mr. M. Postma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 oktober 2019.

Mr. Wijnands en mr. Postma zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.