Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:4501

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
31-10-2019
Datum publicatie
02-11-2019
Zaaknummer
LEE 18/3436
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft in redelijkheid een omgevingsvergunning kunnen verlenen voor het oprichten van een windmolenpark aan de locatie Pottendijk, te Emmen.

In hetgeen eisers hebben aangevoerd wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat verweerder de alternatieven van de projectlocatie niet zorgvuldig heeft onderzocht of dat de ruimtelijke gevolgen van de voorziene locatie niet zorgvuldig in kaart zijn gebracht of niet zorgvuldig in de belangenafweging zijn betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2020/3 met annotatie van Soer, J.H.K.C.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 18/3436

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 oktober 2019 in de zaak tussen

[VOF] , te Nieuw-Weerdinge, en haar vennoten:

[vennoot 1]

[vennoot 2]

[vennoot 3]

[vennoot 4] , gezamenlijk te noemen eisers,

(mr. H.C. Post)

en

het college van burgemeester en wethouders van Emmen, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Energiepark Pottendijk bv, te

Nieuw-Dordrecht (gemachtigde: mr. A.A. de Groot).

Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan Energiepark Pottendijk bv (vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend voor een windpark aan de Woldweg (locatie Pottendijk) ten noorden van de Veenakkers, ten oosten van Weerdinger Erfscheidenveen, ten zuiden van de N391 en ten westen van het Nieuwe Schuttingskanaal Oostzijde.

Eisers hebben hiertegen op 13 november 2018 beroep ingediend.

Verweerder heeft op 20 februari 2019 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2019. Eisers [vennoot 1]

en [vennoot 2] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] , [naam 2] en mr. M. Groenewegen. Namens vergunninghouder zijn verschenen [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] , bijgestaan door de gemachtigde bovengenoemd.

Overwegingen

1. Bij de beoordeling van het onderhavige beroep neemt de rechtbank de volgende feiten als vaststaand aan.

1.1.

Eisers drijven een kartcircuit aan de [straatnaam] te Nieuw Weerdinge.

1.2.

Vergunninghouder heeft op 20 april 2018 een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend. De aanvraag betreft een omgevingsvergunning voor 16 jaar voor:

  • -

    het bouwen van een bouwwerk zijnde een windpark bestaande uit 14 nieuw te bouwen windturbines, bijbehorende kraanopstelplaatsen, een hekwerk en een inkoopstation;

  • -

    het oprichten en in werking hebben van een inrichting, te weten een windpark, bestaande uit 14 windturbines;

  • -

    het afwijken van het bestemmingsplan;

  • -

    het uitvoeren van een werk in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan is bepaald.

1.3.

Bij besluit van 27 september 2018 heeft de Raad van de gemeente Emmen een verklaring van geen bedenkingen verleend.

1.4.

Bij besluit van 4 oktober 2018 heeft verweerder de vergunning verleend.

2.1.

Ingevolge artikel 1.1., eerste lid, aanhef en onder a, van de Crisis- en herstelwet (Chw) is afdeling 2 van deze wet onder meer van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten.

Ingevolge artikel 1.2 van bijlage I, voor zover van belang, is de Chw van toepassing op de aanleg of uitbreiding van productie-installaties voor de opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie als bedoeld in artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998.

Artikel 9e, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 bevat een bepaling ten aanzien van een productie-installatie voor opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie met een capaciteit van ten minste 5, maar niet meer dan 100 MW, met inbegrip van de aansluiting van die installatie op een net.

2.2.

Het project voorziet in het oprichten van maximaal 14 windturbines met ieder een capaciteit van ongeveer drie of vier MW, in totaal 50 MW. De locatie van het windpark ligt aan de Woldweg (locatie Pottendijk) ten noorden van de Veenakkers, ten oosten van Weerdinger Erfscheidenveen, ten zuiden van de N391 en ten westen van het Nieuwe Schuttingskanaal Oostzijde.

2.3.

Uit de capaciteit van de voorziene windturbines, die tezamen een productie-installatie als vorenbedoeld vormen, volgt dat de omgevingsvergunning een project betreft als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, aanhef en ander a, van de Chw, gezien in samenhang met bijlage I bij de Chw en artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998. Dat betekent dat de Chw van toepassing is.

Bevoegdheid

3.1.

Ingevolge artikel 9e, eerste lid van de Elektriciteitswet 1998 zijn Provinciale staten bevoegd voor de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie voor opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie met een capaciteit van ten minste 5 maar niet meer dan 100 MW.

Ingevolge artikel 9f, eerste en tweede lid van de Elektriciteitswet coördineren Gedeputeerde staten (GS) in het onderhavige geval de besluitvorming en nemen zij de besluiten.

Op grond van het zesde lid van artikel 9f kunnen GS bepalen dat het eerste of tweede lid niet van toepassing is op een productie-installatie als bedoeld in artikel 9e, eerste lid.

3.2.

Bij brief van 8 september 2016 hebben GS bericht dat zij hebben besloten de bevoegdheid tot het coördineren en verlenen van de omgevingsvergunning voor de bouw van windparken aan verweerder over te hevelen. Verweerder was derhalve bevoegd op deze aanvraag te beslissen.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid.

4.1.

Ingevolge artikel 1.6, tweede lid, van de Chw is in afwijking van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep niet-ontvankelijk indien het beroepschrift niet de gronden van het beroep bevat zoals bepaald in artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van die wet.

Ingevolge artikel 1.6a kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.

Ingevolge artikel 11, tweede lid, van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet wordt indien beroep openstaat tegen een besluit waarop afdeling 2, van hoofdstuk 1 van de wet van toepassing is, bij het besluit en bij de bekendmaking van het besluit vermeld dat:

a. de beroepsgronden in het beroepschrift worden opgenomen, en b. deze na afloop van de beroepstermijn niet meer kunnen worden aangevuld.

4.2.

Vergunninghouder heeft betoogd dat het beroep van eisers niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Eisers hebben op 13 november 2018 een zogenaamd "pro -forma" beroepschrift ingediend en artikel 1.6a van de Chw staat er aan in de weg dat na afloop van de beroepstermijn nog gronden worden ingediend.

4.3.

De rechtbank stelt vast dat eisers in het beroepschrift hebben aangevoerd dat verweerder de vergunning niet heeft kunnen verlenen omdat volledig voorbij is gegaan aan de bezwaren die eisers naar voren hebben gebracht, waaronder het potentiële gevaar dat door slagschaduw afkomstig van windturbines kan worden veroorzaakt. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers hiermee -tijdig- gronden geformuleerd en is het beroep ontvankelijk.

Inhoudelijk

5.1.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

b. (…)

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

d. (…)

e. het oprichten, het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben

van een inrichting of mijnbouwwerk.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.

Ingevolge het tweede lid wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo kan, indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;

Ingevolge artikel 2.14, derde lid van de Wabo kan een omgevingsvergunning voor het oprichten, het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben

van een inrichting of mijnbouwer slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd.

5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2011". Verweerder heeft onder gebruikmaking van

artikel 2.12, eerste lid onder 3 van de Wabo geoordeeld dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, er sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing, er tevens vanuit het milieu- en hygiënisch toetsingskader geen redenen zijn om de vergunning te weigeren, en heeft de vergunning verleend.

6.1.

Eisers zijn van mening dat verweerder de bezwaren, waaronder het potentiële gevaar dat door slagschaduw afkomstig van windturbines wordt veroorzaakt, niet zorgvuldig heeft behandeld noch nader heeft onderzocht. Volgens eisers levert dit strijd op met

artikel 3:2 Awb.

6.2.

Verweerder merkt op dat het kartcircuit geen "gevoelig object" is in de zin van de wet, daarom is de kartbaan niet meegenomen in de beoordeling van slagschaduw in het MER-rapport. Er is ook geen aanleiding om het circuit met een "gevoelig object" gelijk te stellen, zodat de bepalingen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing zijn. Het gebied is een geluidsportcentrum met het bijbehorende planologisch regime, vergelijkbaar met dat van bijvoorbeeld een bedrijventerrein. Er is een schietbaan, motorsportbaan, test-track gevestigd en vergelijkbare ontwikkelingen en evenementen zijn op deze locatie mogelijk. In een dergelijke omgeving moet met enige verstoring rekening worden gehouden. De mogelijkheid van slagschaduw heeft verweerder wel onderzocht. Enige mate van hinder kan niet worden uitgesloten maar het functioneren van de kartbaan wordt door deze hinder niet onevenredig aangetast.

6.3.1.Op grond het Activiteitenbesluit milieubeheer mag een "gevoelige object", zoals gedefinieerd in de Wet geluidshinder, aan maximaal zes uren slagschaduw per jaar worden blootgesteld. Behalve "gevoelige gebouwen" betreft dit ook woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen bestemd voor woonschepen. Voor een kartcentrum, zoals eisers drijven, geldt geen wettelijke norm waaraan verweerder moet voldoen. In dit geval moet verweerder beoordelen of er geen sprake is van een situatie die strijdig is met een goede ruimtelijke ordening.

6.3.2.De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat enige mate van hinder door slagschaduw niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank is van oordeel dat eisers, met hetgeen zij in het beroepschrift en ter zitting hebben gesteld, niet aannemelijk hebben gemaakt dat de slagschaduw een negatief effect heeft op de bedrijfsmatige mogelijkheden van het kartcentrum. De door eisers overgelegde verklaringen van de Nederlandse Autosport Bond, Knac Nationale Autosport Federatie en de Koninklijke Nederlandse Motorrijders Vereniging bieden daarvoor onvoldoende aanleiding aangezien in deze verklaringen weliswaar wordt aangegeven dat een windturbine in de nabijheid als onwenselijk wordt gezien, maar niet dat daarmee zonder meer vaststaat dat geen licentie meer kan worden verkregen. Evenmin blijkt uit de verklaringen dat ten gevolge van de voorziene windmolens, de veiligheid op het circuit zodanig in geding is dat verweerder hieraan een ander, zwaarder, gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. De rechtbank neemt daarbij ook nog het deskundigenbericht van [bedrijf] van 24 januari 2019 in ogenschouw. Door de deskundige [naam 5] is hierin gesteld dat in de buitenlucht het optreden van slagschaduw niet een hinderlijk effect heeft voor rijdende personen. Doordat in de buitenlucht altijd veel indirect licht aanwezig is, zorgt het draaien van de wieken niet voor een zodanig groot verschil zoals dat in een gebouw wel kan optreden.

7. Gelet op bovenstaande overwegingen is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.L. Vucsán, voorzitter, en mr. J.W. Keuning en

mr. V. van Dorst, rechters, in aanwezigheid van mr. A.M. Veenstra, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2019.


griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: