Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:450

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-02-2019
Datum publicatie
08-02-2019
Zaaknummer
18/830444-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord Nederland heeft een 33-jarige man veroordeeld tot 10 maanden gevangenisstraf met aftrek van het voorarrest. Veroordeelde heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een verboden wapen en munitie. Verder heeft hij zich samen met anderen gedurende een half jaar schuldig gemaakt aan het opzetten en in werking hebben van een hennepkwekerij in zijn woning. Ten aanzien van de poging tot doodslag is de rechtbank van oordeel dat het beroep op noodweer slaagt. Hij wordt ten aanzien van dat feit ontslagen van alle rechtsvervolging.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830444-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 7 februari 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 januari 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. K. Karakaya, advocaat te Apeldoorn. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T. Klooster.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1. primair

hij op of omstreeks 4 november 2016 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een (onbekend gebleven) persoon van het leven te beroven, met dat opzet, met een (getrokken en/of doorgeladen) pistool/vuurwapen zijn, verdachtes, woning is binnengegaan, en/of (vervolgens) een of meermalen op, althans in de richting van, die (onbekend gebleven) persoon heeft geschoten, in elk geval heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 04 november 2016 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een (onbekend gebleven) persoon opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een (getrokken en/of doorgeladen) pistool/vuurwapen zijn, verdachtes, woning is binnengegaan, en/of (vervolgens) een of meermalen op, althans in de richting van, die (onbekend gebleven) persoon heeft geschoten, in elk geval heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 tot en met 15 november 2016 te Groningen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te weten pistool/vuurwapen, en/of munitie van categorie III, te weten en of meer patronen, voorhanden heeft gehad;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2016 tot en met 4 november 2016 te Groningen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal ,(telkens) opzettelijk, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, heeft geteeld en/of

bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, (in een pand aan [straatnaam] ) een groot aantal, ongeveer 250, hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2016 tot en met 4 november 2016 te Groningen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in woning aan [straatnaam] ) heeft weggenomen hoeveelheden en/of een hoeveelheid stroom, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s).

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht feit 1 primair wettig en overtuigend te bewijzen. Door in het wilde weg in de richting van de voordeur en daarmee de badkamer te schieten, waar de onbekend gebleven persoon stond, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer dodelijk geraakt kon worden. Ook de feiten 2, 3 en 4 acht zij wettig en overtuigend te bewijzen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 primair. Verdachte heeft geschoten uit zelfverdediging en ontkent dat hij opzet heeft gehad om de persoon te raken, laat staan te doden. Verdachte heeft verklaard dat hij schoot zonder te kijken in de richting van de voordeur. Van gericht schieten is geen sprake geweest. Ook staat niet vast waar de onbekend gebleven persoon zich precies bevond en welke beweging hij maakte tijdens de schoten. Het is niet vast te stellen dat verdachte überhaupt op hem heeft gericht en van welke afstand hij heeft geschoten, zodat objectief niet kan worden vastgesteld dat verdachte de onbekend gebleven persoon in de vitale delen had kunnen raken dan wel op andere wijze dodelijk had kunnen verwonden. Gelet op het ontbreken van enig objectief toetsbaar materiaal kan niet worden gesproken van een aanmerkelijke kans op de dood en ook niet van het willens en wetens aanvaarden van die aanmerkelijke kans.

Voor wat betreft de feiten 2, 3 en 4 refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

feit 1 primair

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 15 november 2016, opgenomen op pagina 175 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2016314718 d.d. 30 januari 2017, inhoudende de verklaring van verdachte, (destijds wonende aan de [straatnaam] te Groningen), zakelijk weergegeven:

Op 4 november 2017 komen [naam 1] en ik boven bij mijn woning. Ik heb mijn pistool uit mijn jas gehaald. (…) Ik stond voor de voordeur en zag dat de deur van de badkamer openging. Ik zag dat er een jongen stond en zag dat hij met iets op mij richtte. Daarna hoorde ik een schot. Ik had mijn pistool langs mijn lichaam. Ik had mijn pistool in mijn rechterhand. Ik heb toen gelijk teruggeschoten. Ik schoot zonder te kijken. In de richting van de voordeur.

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 16 november 2016, opgenomen op pagina 186 e.v. van het voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

V: Je zegt dat je in het bezit bent van een vuurwapen. Wat is het merk en type?

A: Ik weet dat het een 9mm is. Dat staat op het wapen zelf.
(…) Ik laad het wapen door. De deur was nog open. Ik stond buiten de deur, de voordeur stond nog open en ik stond met mijn gezicht richting de badkamer.

V: De badkamer deur gaat dan open verklaarde jij.

A: Ja, daar stond een man met een bivakmuts en die schiet meteen.

(…) Het zou kunnen dat ik twee keer geschoten heb. Ik weet dat niet 100% zeker. Als je je vinger op de trekker hebt, dan voel je dat niet goed.

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 4 november 2016, opgenomen op pagina 109 e.v. van het voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 1] :

Vrijdag 4 november, omstreeks 15.50 uur was ik in mijn woning aan de [straatnaam] in Groningen. Ik zat in mijn woonkamer en hoorde plotseling een heftig lawaai in het trappenhuis. Ook hoorde ik geluid wat leek op knallen. Ik ben naar de deur gelopen en toen ik deze opende zag ik een man door het trappenhuis naar beneden lopen. Hij was net mijn voordeur voorbij en rende de trap op om naar de begane grond te gaan. Ik zag dat deze man helemaal in het zwart was gekleed en een bivakmuts droeg. Dit was een bivakmuts met twee ooggaten.

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal sporenonderzoek, d.d. 4 december 2016, opgenomen op pagina 272 e.v. van het voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisant:

Onder de pylon op de traptrede zag ik een huls liggen. Deze huls werd door mij veiliggesteld voor mogelijk DNA en vergelijkend munitie onderzoek en voorzien van het

SIN: AAJS0994NL. De huls had het kaliber: 7.65 mm.

Onder de pylon op het bordes zag ik een huls liggen. Deze huls lag op de deurmat van

perceel [nummer] . De huls had het kaliber: 9 mm. Ik zag bij de drempel van de voordeur van perceel [nummer] een pylon staan. Onder de pylon bij de drempel zag ik een huls liggen. De huls had het kaliber: 9 mm. Ik zag naast het rechterkozijn een beschadiging in de stenen muur. Naast deze beschadiging zag ik ook een beschadiging in het deurkozijn. In deze beschadiging zag ik metaal fragmenten, waarschijnlijk fragmenten van een projectiel. Gelet op de beschadigingen had een projectiel tegen de muur gericocheerd en terechtgekomen in het kozijn.

Ik zag rechts bovenin de toegangsdeur een doorschot beschadiging. Ik zag dat de doorschot beschadiging een opgaande lijn had. Gelet op de positie van de inschot en uitschot beschadiging was het waarschijnlijk dat de schietrichting, komende uit de richting van de trapopgang was en gaande in de richting van de woning en dat de voordeur geopend was.

Ik zag links boven in het metalen en holle deurkozijn van de badkamerdeur een inschot

beschadiging. Ik zag aan de binnenzijde van het deurkozijn van de badkamer een beschadiging, een uitstulping. Gelet op de positie van deze beschadiging was deze waarschijnlijk ontstaan omdat een projectiel tegen de binnenzijde van het holle kozijn was afgeketst. Gelet op de positie van de inschot beschadiging en de beschadiging aan de binnenzijde van het kozijn was het waarschijnlijk dat de schietrichting, komende uit de richting van de trapopgang was en gaande in de richting van de woning.

Tevens was het mogelijk, gelet op de hoogte, lijn en schietrichting, dat de beschadigingen in de voordeur en het kozijn van de badkamer zijn veroorzaakt door één projectiel.

Uit visueel onderzoek bleek mij dat, wanneer bovengenoemde schotbeschadigingen zijn

ontstaan door één projectiel, de schutter heeft gestaan op de trapopgang.

Op 16 november 2016 werd door collega [naam 2] op verzoek van het onderzoeksteam onderzoek gedaan in het portiek/trappenhuis van de [straatnaam] . In de badkamer werden twee beschadigingen in de rechtermuur en achtermuur door [naam 2] waargenomen en gefotografeerd. Gelet op de positie en hoogte, ongeveer 2.5 meter, van de beschadigingen in de badkamermuren was het mogelijk dat een projectiel tegen de muur was gericocheerd en tegen de andere muur was afgeketst.

5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen schouw [straatnaam] te Groningen op 26 oktober 2017, d.d. 2 november 2017, inhoudende als relatering van verbalisant:

Naast het rechterkozijn van de voordeur aan de buitenzijde van de woning zat een beschadiging van een projectiel in de stenen muur, welke daar afgeketst zou moeten zijn en terechtgekomen in het rechterkozijn zelf. De lengte vanaf de grond tot aan het hart van deze inslag gemeten betreft 88 centimeter.

In de voordeur was een schotbeschadiging in opgaande lijn te zien, waarbij het projectiel vermoedelijk de voordeur is ingegaan, aan de kopse kant de deur heeft verlaten en in het kozijn van de douche is terechtgekomen. De lengte gemeten vanaf de grond tot aan het hart van het inschot in opgaande lijn in de voordeur bleek 174 centimeter te zijn.

Van de gang van de woning zijn de breedte en de lengte in centimeters gemeten van kozijn tot kozijn, zie tekening. Blijkens de bij dit proces-verbaal gevoegde tekening is de afstand van de voordeur tot de muur waar de badkamerdeur in zit 142 centimeter.

6. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal FO-relaas d.d. 12 augustus 2018, opgenomen op pagina 2 van het dossier Schietincident [straatnaam] 4 november 2016 FO-relaas 2016314717 d.d. 12 augustus 2018, inhoudende als relatering van verbalisant:
Gelet op de positie en hoogte van de beschadigingen (rb: in de badkamer, geconstateerd op 16 november 2016) is de schotbaan geweest van buiten de badkamer in de richting van de badkamer. Gelet op de positie en hoogte van de beschadiging in het deurkozijn van de toegangsdeur en de muur naast de toegangsduur is het mogelijk dat de schotbaan is geweest van buiten de woning in de richting van de woning. Het is niet duidelijk of de kogel is afgeketst tegen de muur of tegen het deurkozijn.
Bijlage (pagina 10) betreft een plattegrond van de woning aan de [straatnaam] , met daarop een door de forensische opsporing gemaakte schets van de vermoedelijke schotbanen, waarop is te zien dat de badkamerdeur schuin rechts tegenover de voordeur is gelegen (waarbij het rechterkozijn van de voordeur op ongeveer dezelfde hoogte ligt als het linkerkozijn van de badkamer, gezien vanuit het trappenhuis), dat de voordeur links naar binnen opent en de badkamerdeur links naar buiten opent.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft verklaard dat hij bij thuiskomst in zijn woning zag dat er een man met bivakmuts uit zijn badkamer kwam, die vervolgens op hem schoot, waarna hij heeft teruggeschoten.

Uit het dossier blijkt dat getuigen hebben gezien dat, nadat verdachte zijn woning is uitgerend, een tweede manspersoon de woning van verdachte heeft verlaten. Deze onbekend gebleven persoon had een bivakmuts op en had net als verdachte een pistool bij zich.1 Uit forensisch onderzoek blijkt dat de aangetroffen hulzen afkomstig zijn van patronen van twee verschillende kalibers en dat met minimaal twee verschillende wapens is geschoten.2 Verder kan uit de aangetroffen schotbeschadigingen worden afgeleid dat er van buiten naar binnen is geschoten. Hoewel er geen schotbeschadigingen in de portiek zijn aangetroffen die daarop duiden, kan niet worden uitgesloten dat er eveneens van binnen naar buiten is geschoten. De rechtbank constateert -kort gezegd- dat de verklaring van verdachte niet door de bewijsmiddelen in het dossier kan worden weerlegd en gaat daarom uit van zijn verklaring.

Uit de plattegrond van de woning aan de [straatnaam] volgt dat de voordeur en de badkamerdeur schuin tegenover elkaar liggen en openen in tegengestelde richting. Gelet op de aangetroffen schotbeschadigingen stonden beide deuren op het moment van schieten (in ieder geval deels) open. Gelet op de indeling van de woning is er bij een geopende voordeur en geopende badkamerdeur volledig zicht vanuit de voordeuropening op de badkamerdeuropening en vice versa. De afstand die de politie heeft gemeten van de wand van de voordeur naar de wand van de badkamer bedraagt 142 centimeter. Uitgaande van de verklaring van verdachte, was de afstand tussen verdachte en de onbekend gebleven persoon dus zeer beperkt op het moment dat er is geschoten. Verdachte heeft verklaard te hebben geschoten, direct nadat de man met de bivakmuts vanuit de opening van de badkamerdeur in zijn richting had geschoten. Vastgesteld kan worden dat de routes naar de woonkamer en de slaapkamer (gedeeltelijk) geblokkeerd waren door de openstaande deuren. Niet gebleken is dan ook dat de man met de bivakmuts tijd en mogelijkheid had om -voordat in zijn richting werd geschoten- de deuropening van de badkamer te verlaten naar een andere plek. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de man met de bivakmuts zich nog in de deuropening van de badkamer bevond op het moment dat verdachte schoot en dat verdachte vrij zicht op hem had.


Een schotbeschadiging in de voordeur is gemeten op een hoogte van 174 centimeter. Uit forensisch onderzoek is gebleken dat deze schotbeschadiging veroorzaakt is door een projectiel van buiten de woning, vanuit het trappenhuis, die in opgaande lijn door de voordeur is gegaan, er aan de kopse kant van de deur is uitgegaan en is geëindigd in het metalen kozijn van de douche. Verder zijn in het kozijn van de voordeur en de daarnaast gelegen muur schotbeschadigingen geconstateerd, gemeten op een hoogte van 88 centimeter, en zijn er op een hoogte van 250 centimeter beschadigingen aangetroffen aan de badkamermuren door mogelijk een projectiel die tegen de muur was gericocheerd en tegen de andere muur was afgeketst. Ook met betrekking tot deze beschadigingen heeft de forensische opsporing geconcludeerd dat het mogelijk is dat de schotbaan is geweest van buiten de woning in de richting van de woning respectievelijk dat er is geschoten van buiten de badkamer in de richting van de badkamer. Op grond van deze bevindingen en uitgaande van de verklaring van verdachte, stelt de rechtbank vast dat alle schotbeschadigingen die zijn geconstateerd zijn veroorzaakt door schoten die verdachte van buiten de woning in de richting van de badkamer heeft gelost. Gelet op de verschillende hoogtes van de aangetroffen schotbeschadigingen kan geconcludeerd worden dat verdachte niet bij alle schoten op hetzelfde punt heeft gericht. De plaatsen van de aangetroffen schotbeschadigingen en de door de forensische opsporing op grond daarvan geschetste (mogelijke) schotbanen wijzen er echter wel op dat de door verdachte geloste schoten alle op de opening van de badkamerdeur gericht zijn geweest, waar de onbekend gebleven man stond. Naar het oordeel van de rechtbank kan met name gelet op de hoogte van de schoten die de schotbeschadigingen aan het kozijn en de voordeur hebben veroorzaakt, niet worden geoordeeld dat op zodanige wijze is geschoten dat daarbij geen vitale delen zouden kunnen worden geraakt. Deze schoten hadden wat betreft hoogte de bovenbenen, de romp of het hoofd van een in de deuropening van de badkamer staand persoon van gemiddelde lengte kunnen raken.

Al met al is de rechtbank van oordeel dat verdachte, door meermalen te schieten in een kleine ruimte in de richting van een op korte afstand in een deuropening staand persoon, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij die persoon zodanig zou verwonden dat deze was komen te overlijden. Naar het oordeel van de rechtbank kan de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend worden bewezen.

feiten 2 en 3

De rechtbank acht feiten 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

feit 2

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 januari 2019;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal sporenonderzoek, opgenomen op pagina 272 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2016314718 d.d. 30 januari 2017, inhoudende de relatering van verbalisant.

feit 3

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 januari 2019;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 18 januari 2017, opgenomen op pagina 203 e.v. van het voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 5];

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal bestuurlijke rapportage aantreffen hennepkwekerij d.d. 20 december 2016 opgenomen op pagina 352 e.v. van het voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisant en als bijlage de ruimlijst.

feit 4

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 24 januari 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

De hennepkwekerij is in mijn woning aan de [straatnaam] te Groningen aangelegd. Dat is ongeveer een half jaar voor november 2016 gebeurd. Anderen hebben de elektriciteit aangelegd. Ik heb wel kabels zien lopen. Ik had een overeenkomst met [benadeelde partij] voor de stroom.

2. een schriftelijk bescheid, te weten de aangifte opgesteld door [benadeelde partij] d.d. 23 november 2016, opgenomen op pagina 323 e.v. van het voornoemd dossier, voor zover inhoudend:

De monteur constateerde op 4 november 2016 verboden handelingen aan de elektriciteitsinstallatie en trof het volgende aan: Het deksel van de aansluitkast is open geweest. Er was sprake van een illegale aansluiting op de onderzijde van de zekeringhouders. De hoofdbeveiliging ten behoeve van de elektrische installatie was verzwaard. Er was sprake van een handelwijze waarbij niet is voldaan aan de norm NEN 1010. Door de manipulatie werd afgenomen elektriciteit ten behoeve van de hennepplantage niet correct via de elektriciteitsmeter geregistreerd.

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 18 januari 2017, opgenomen op pagina 203 e.v. van het voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 5]:

V: Wie heeft de stroomvoorziening/elektrische installatie aangelegd?

A: Die blanke jongen van de twee. Hij was met draden bezig, maar ik zou niet weten hoe. Een soort extra meterkast in de woonkamer aan de muur. Ik zag een grote kabel en een tweede groepenkast.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feiten 1 primair, 2, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. primair

hij op 4 november 2016 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een onbekend gebleven persoon van het leven te beroven, met dat opzet, met een doorgeladen pistool zijn, verdachtes, woning is binnengegaan, en vervolgens meermalen in de richting van die onbekend gebleven persoon heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2

hij in de periode van 1 tot en met 15 november 2016 te Groningen een wapen van categorie III, te weten pistool, en munitie van categorie III, te weten en of meer patronen, voorhanden heeft gehad;

3.

hij in de periode van 1 mei 2016 tot en met 4 november 2016 te Groningen tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, opzettelijk, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt, in een pand aan de [straatnaam] , een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

4.

hij in de periode van 1 mei 2016 tot en met 4 november 2016 te Groningen tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in woning aan de [straatnaam] heeft weggenomen een hoeveelheid stroom, toebehorende aan [benadeelde partij] .

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. primair Poging tot doodslag

2. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen en munitie van de categorie III

3. Medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder

B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

4. Medeplegen van diefstal

Standpunt van de verdediging

Verdachte heeft met betrekking tot feit 1 primair een beroep op noodweer gedaan. De raadsman heeft ten aanzien hiervan aangevoerd dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, daaruit bestaande dat een man de badkamerdeur opende, een pistool op verdachte richtte en schoot. Verdachte heeft teruggeschoten. Er was sprake van een aanval op zijn leven. Het gebeurde in een kleine ruimte en verdachte moest snel beslissen. Aan de subsidiariteitseis is voldaan. Ook aan de proportionaliteitseis is voldaan. Het was onder de gegeven omstandigheden voor verdachte gerechtvaardigd om zich te verdedigen met een vuurwapen. Er is geen sprake geweest van een situatie van eigen schuld bij verdachte die in de weg zou kunnen staan aan een beroep op noodweer. De raadsman verzoekt de rechtbank om verdachte daarom te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer slaagt. Er was sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van lijf en goed. Door de man met de bivakmuts is minimaal eenmaal geschoten op verdachte. In de visie van het openbaar ministerie was er ook geen reële en redelijke mogelijkheid voor verdachte om zich te onttrekken aan de situatie. Er werd op hem geschoten en de enige weg om te ontsnappen aan de man was via de portiektrap. Het was bovendien niet ondenkbaar dat er nogmaals geschoten zou worden. Het schieten door verdachte was in de gegeven omstandigheden proportioneel. Hij werd zelf beschoten en had op dat moment alleen een vuurwapen voorhanden. Verdachte heeft nadat het gevaar geweken was geen geweld meer uitgeoefend op de man en heeft zo snel mogelijk de flat verlaten. Ook is er geen sprake van culpa in causa. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor feit 1 te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat -zoals eerder overwogen- wat betreft zijn confrontatie met de man met de bivakmuts uit van de verklaring van verdachte. De feitelijke toedracht die verdachte aan het beroep op noodweer ten grondslag heeft gelegd, en die de rechtbank aannemelijk acht, houdt het volgende in.
Toen verdachte merkte dat het slot van zijn voordeur anders op slot was gedraaid dan dat hij had gedaan, pakte hij een pistool uit zijn jaszak en betrad zijn woning. In de slaapkamer laadde hij zijn pistool. Hij wilde juist de woning weer verlaten via de voordeur toen de badkamerdeur openging. Hij zag een man met een bivakmuts die een pistool op hem richtte en schoot. Verdachte schoot direct terug in de richting van de badkamer en rende weg.

De rechtbank stelt vast dat op het moment dat de man met de bivakmuts op verdachte schoot, er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Nu het in de gegeven omstandigheden niet ondenkbaar was dat de man met de bivakmuts nogmaals zou schieten, de afstand van de plaats waar de man zich bevond naar de voordeur klein was en verdachte zich enkel een uitweg kon vinden door via het trappenhuis meerdere trappen naar beneden te rennen, was er redelijkerwijs geen reële mogelijkheid voor verdachte om zich veilig aan deze wederrechtelijke aanranding te onttrekken. Naar het oordeel van de rechtbank bestond er derhalve een noodzaak tot verdediging. Het middel dat verdachte gebruikt heeft om zich te verdedigen was naar het oordeel van de rechtbank ook geboden. Zijn vuurwapen was het enige verdedigingsmiddel dat hij op dat moment direct voorhanden had en de wijze waarop hij het pistool heeft gebruikt staat in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding. De onbekende man gebruikte eveneens een vuurwapen tegen verdachte.

Dat verdachte zijn woning is binnengegaan met een vuurwapen en dat heeft doorgeladen voordat hij de man met de masker had gezien, staat naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet in de weg aan een geslaagd beroep op noodweer. Op het moment dat verdachte zijn eigen woning is ingegaan toen hij het niet vertrouwde, waren er nog geen concrete aanwijzingen dat er daadwerkelijk iemand in zijn woning was. Een eerste korte inspectie van zijn eigen woning, zoals verdachte heeft gedaan, is dan een logische benadering. Vervolgens heeft hij zijn wapen doorgeladen en de woning verlaten. Hij heeft niet de confrontatie opgezocht en heeft geen gewelddadige reactie uitgelokt.

Het beroep op noodweer slaagt derhalve. Dit is een rechtvaardigingsgrond waardoor de wederrechtelijkheid wordt weggenomen en er geen sprake meer is van strafbaarheid van het feit. De rechtbank zal verdachte ten aanzien van feit 1 ontslaan van alle rechtsvervolging.

De feiten 2, 3 en 4 zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 2, 3 en 4 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 354 dagen met aftrek van het voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor een gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest. Een voorwaardelijk strafdeel is niet nodig.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een verboden wapen en munitie. Er moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegde bezit van een vuurwapen, omdat dit -zoals in het onderhavig geval- kan leiden tot het gebruik ervan, waarbij ook slachtoffers kunnen vallen.

Verder heeft verdachte zich samen met anderen gedurende een half jaar schuldig gemaakt aan het opzetten en in werking hebben van een hennepkwekerij in zijn woning. Ten behoeve van deze kwekerij is elektriciteit buiten de meter om afgenomen en daarmee heeft verdachte zich met zijn medeverdachte(n) schuldig gemaakt aan de diefstal daarvan. Door zijn handelen heeft verdachte eraan bijgedragen dat de verslavingsproblematiek, met de daarmee vaak gepaard gaande vormen van criminaliteit, in stand wordt gehouden. Verdachte heeft hierbij kennelijk uit louter financieel gewin gehandeld. Toen bleek dat de hennepkwekerij was geript, heeft hij de harde realiteit van de criminaliteit die vaak achter dergelijke activiteiten zit aan den lijve ondervonden.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor opiumdelicten.

De reclassering heeft in haar voortgangsrapportage opgemerkt dat verdachte tijdens de schorsing van het voorarrest zijn afspraken goed is nagekomen. Soms kan verdachte ondoordacht en impulsief handelen, maar hij voert steeds beter overleg over zijn overwegingen en maakt dan verstandiger keuzes. Verdachtes handelen kan wellicht worden bezien in het licht van onder meer zijn functioneren op laag verstandelijk niveau, zijn beïnvloedbaarheid en het niet goed kunnen overzien van de mogelijke gevolgen van zijn handelen. De reclassering is positief over verdachte en ter terechtzitting is gebleken dat de hulpverlening in een vrijwillig kader kan worden voortgezet.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS. Voor het verboden wapenbezit wordt daarin een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden als uitgangspunt gegeven. De rechtbank ziet aanleiding om van dit uitgangspunt in het nadeel van verdachte af te wijken, nu verdachte meerdere dagen met het pistool over straat heeft gelopen en dit uiteindelijk ook daadwerkelijk heeft gebruikt. Voor de hennepkwekerij en de diefstal van stroom acht de rechtbank, gelet op zijn strafblad, in afwijking van de oriëntatiepunten ook een gevangenisstraf aangewezen.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden met aftrek van de dagen dat verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Gelet op de door de reclassering verstrekte informatie ziet de rechtbank geen aanleiding daarnaast nog een voorwaardelijke straf met voorwaarden op te leggen.

Benadeelde partij

[benadeelde partij] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.378,59 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om de vordering benadeelde partij hoofdelijk toe te wijzen met daarbij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangegeven dat de kostenposten die worden omschreven in de vordering van de benadeelde partij elkaar lijken te overlappen, zodat hij de rechtbank verzoekt deze te matigen. Voor het overige refereert hij zich aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 4 bewezen verklaarde. De rechtbank is niet gebleken van het tweemaal opvoeren van dezelfde posten. De vordering, waarvan de hoogte onvoldoende is betwist, zal daarom hoofdelijk worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 4 november 2016.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachten deze al hebben betaald, en andersom.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 287 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen als voormeld maar verklaart dit feit niet strafbaar.

Ontslaat verdachte ter zake van alle rechtsvervolging.

Verklaart het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Ten aanzien van feit 4:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.378,59 (zegge: duizenddriehonderdachtenzeventig euro en negenenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 november 2016, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij] , te betalen een bedrag van € 1.378,59 (zegge: duizenddriehonderdachtenzeventig euro en negenenvijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 november 2016, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 23 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Haisma, voorzitter, mr. P.H.M. Smeets en mr. P.H.M. Tapper-Wessels, rechters, bijgestaan door mr. L.S. Gosselaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 februari 2019.

1 Zie naast het onder de bewijsmiddelen opgenomen proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , ook het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] , pagina 111 e.v. van voornoemd dossier, het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3] , pagina 116 e.v. van voornoemd dossier en het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 4] , pagina 261 e.v. van voornoemd dossier.

2 Het proces-verbaal FO-relaas, op pagina 2 van het dossier Schietincident [straatnaam] 4 november 2016 d.d. 12 augustus 2018.