Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:4478

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
31-10-2019
Datum publicatie
31-10-2019
Zaaknummer
18/830088-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor poging tot inbraak in vereniging en vuurwapenbezit. Gevangenisstraf van 15 maanden met aftrek van voorarrest.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830088-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 31 oktober 2019 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te P.I. Flevoland, HvB Lelystad.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van

17 oktober 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.A.M. Kwakman, advocaat te Assen. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L.G. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 14 mei 2019, te Groningen, althans in de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een (aantal) garage('s)/pand(en) aan de [straatnaam] ( [nummer 1] en/of [nummer 2] en/of [nummer 3] ) weg te nemen, een hoeveelheid hennep en/of (andere) goederen, die van zijn/hun gading zouden blijken te zijn, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , althans/en/of aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die

weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, met dat oogmerk (met een of van zijn mededader(s) genoemd(e) garage)'s/pand(en) is/zijn binnengegaan en/of hebben/heeft doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 14 mei 2019, te Groningen, althans in de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging, met een ander of anderen, althans alleen, twee, althans een wapen van categorie III, onder 1, te weten een pistool, van het merk Walther, type P99, kaliber 9 mm, en/of een pistool, kaliber 9 mm, zijnde (beiden) een vuurwapen, voorhanden heeft gehad.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de feiten 1 en 2, met dien verstande dat ten aanzien van feit 1 sprake is geweest van een poging tot inbraak in een pand om hennep weg te nemen. Met betrekking tot feit 2 heeft de officier van justitie aangevoerd dat in het pand waar is ingebroken een vuurwapen is aangetroffen met daarop het DNA van medeverdachte [medeverdachte 1] . Op het vuurwapen dat buiten, in de nabijheid van dit pand is gevonden, is DNA van verdachte aangetroffen. Uit het dossier blijkt dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 2] naar het pand is gereden en medeverdachte [medeverdachte 3] samen met medeverdachte [medeverdachte 1] . In beide auto's moet dus een vuurwapen aanwezig zijn geweest. De beide wapens waren klaar voor gebruik en maakten onderdeel uit van de poging tot inbraak. Gelet op het voorgaande en gelet op de samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten bij de poging tot inbraak, is sprake van het in vereniging aanwezig hebben van de beide aangetroffen vuurwapens.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat feit 2 wettig en overtuigend bewezen kan worden met betrekking tot het vuurwapen van het merk Walther, maar niet met betrekking tot het andere vuurwapen. Verder heeft de raadsvrouw betoogd dat vrijspraak moet volgen voor feit 1. De raadsvrouw heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte was op 14 mei 2019 op weg naar zijn vriendin, nadat hij tijdens de ramadan 's avonds laat bij een vriend had gegeten en daar een deel van de nacht had doorgebracht. Onder een lantaarnpaal voor het pand waar is ingebroken in de [straatnaam] stond verdachte een sigaretje te roken. Verdachte had toen een tasje bij zich met een wapen erin, wat hij onder een busje heeft gelegd toen hij de politie aan zag komen. Dit wapen had verdachte bij zich, omdat de ex-partner van zijn vriendin hem en zijn vriendin belaagt. Gelet op het feit dat verdachte het wapen in een afgesloten tasje bij zich droeg, is duidelijk dat hij niet actief bezig was met het plegen van een poging tot inbraak. Niet is gebleken dat verdachte de vierde man was die in het pand aanwezig was. Verdachtes DNA is niet in het pand aangetroffen en de medeverdachten hebben niet verklaard dat verdachte aanwezig was in het pand.

Oordeel van de rechtbank

T.a.v. feit 1:

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring van feit 1 redengevende feiten en omstandigheden bevatten, zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 16 mei 2019, opgenomen op pagina 102 e.v. van het dossier met nummer 2019179462 d.d. 10 juli 2019, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

Ik ben eigenaar van de panden gevestigd aan de [straatnaam] [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] te Groningen. Deze panden zitten aan elkaar vast. Perceel [nummer 1] betreft een kantoor, perceel [nummer 2] een werkplaats en perceel [nummer 3] een stallingsruimte. Op 14 mei 2019 werd ik gebeld dat het raam aan de voorzijde van het kantoor was vernield.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van Politie Noord-Nederland d.d. 14 mei 2019, opgenomen op pagina 105 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige] :

Ik woon aan de [straatnaam] te Groningen, dit betreft de woning boven de garagebox waar is ingebroken. Op 14 mei 2019 omstreeks 02:30 uur hoorde ik een bonkend geluid en voelde ik trillingen in mijn woning. Het gebonk kwam onder mijn raam vandaan. Ik zag twee mannen lopen in de richting van de [straatnaam] . De mannen waren in het zwart gekleed. De mannen bleven om zich heen kijken, het was net alsof ze op de uitkijk stonden. Een half uur later zag ik weer een zwarte Volkswagen Golf door de straat rijden. Om 03:40 uur werd ik opnieuw wakker van gebonk, dit gebonk kwam duidelijk onder mijn raam vandaan. Toen ik uit het raam keek zag ik opnieuw een man staan op het hoekje met de [straatnaam] . Dit betrof een andere man dan de twee mannen die ik eerder had gezien. Deze man droeg een donkerblauwe jas met capuchon en hij had een mobiele telefoon in zijn handen. Ik kon goed horen dat er inmiddels personen beneden in de garagebox waren. Ongeveer twee minuten later zag ik de politie de straat in rijden. Ik zag toen dat de man, die onder de lantaarnpaal stond, langzaam wegliep in de richting van het spoor, de [straatnaam] . Ik zag dat de politie de man verderop in de straat staande hield. Daarop volgde een hoop gebonk en geschreeuw en ook hoorde ik glasgerinkel.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding van Politie Noord-Nederland d.d. 14 mei 2019, opgenomen op pagina 45 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten:

Op 14 mei 2019 om 03:30 uur kregen wij de opdracht om naar de [straatnaam] ter hoogte van perceelnummer [nummer 4] te gaan. Wij arriveerden daar om 03:36 uur. Ter plaatse zagen wij een man lopen die wij als verdachte staande hielden, hij legitimeerde zich als [verdachte] . Toen ik voor het pand bij perceelnummer [nummer 2] stond hoorde ik enorm glasgerinkel. Ik zag dat drie mannen, gekleed in donkere kleding, door een groot raam sprongen van perceelnummer [nummer 1] .

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 14 mei 2019, opgenomen op pagina 186 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten:

Op 14 mei 2019 omstreeks 07.00 uur kreeg ik, verbalisant [verbalisant], het verzoek van de Politiemeldkamer Noord Nederland te gaan naar de [straatnaam] te Groningen. Buiten op straat voor het pand perceel nummer negen stond een Volkswagen Transporter geparkeerd. Hieronder hadden collega's een grijs schoudertasje, merk Louis Vuitton, aangetroffen met daarin een vuurwapen. In deze schoudertas zat een doorgeladen pistool met een negen millimeter patroon in de kamer, zwartkleurig van het merk Walther type P99.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 14 mei 2019, opgenomen op pagina 161 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 3] :

V: Met wie was je afgelopen nacht?

A: Ik was met een paar jongens. Ik ken ze niet allemaal.

V: Wie ken je wel?

A: Mijn huisgenoot en een jongen uit Assen.

V: Wat zijn hun namen?

A: De jongen die bij mij thuis woont heet [medeverdachte 1] en de jongen uit Assen is [medeverdachte 2] . De vierde jongen ken ik niet.

V: Met hoeveel waren jullie?

A: Met z'n vieren.

V: Kun je ons in eigen woorden zeggen wat er allemaal gebeurd is?

A: Ik was thuis en samen met mijn huisgenoot was ik joints aan het roken. Ineens kwamen die andere jongens. Zij zeiden dat ze iets hadden en toen ben ik met ze meegegaan.

V: Wat bedoel je met "Dat ze iets hadden".

A: Gewoon dat ik wat geld kon verdienen.

V: Met andere woorden er komen deels onbekende mannen die je zeggen dat je geld kunt verdienen en je gaat gewoon mee?

A: Nee, er is mij wel verteld dat het om een inbraak zou gaan.

V: Waarom deze inbraak?

A: Omdat we daar geld mee konden verdienen.

V: Hoe zijn jullie daar naar toe gegaan?

A: Met 2 auto's.

V: Wie reed met wie mee?

A: Mijn huisgenoot zat bij mij in de auto en die andere twee jongens reden in een andere auto.

V: In welke auto reed jij?

A: In de auto van mijn vriendin. De zwarte Volkswagen Golf.

V: Wat was jou van te voren verteld over waar je heen moest?

A: Gewoon dat ik moest volgen. Ik had van te voren wel een beetje gehoord in welke wijk het was.

V: Wie zou wat doen bij de inbraak?

A: Op de plaats aangekomen ben ik uit de auto gestapt. Ik ben vervolgens naar de garage gelopen waar het om ging en heb deze opengetrokken. Hierna zijn we naar binnen gegaan. Vervolgens kwamen jullie collega's en zijn we door het raam gevallen of gesprongen.

V: Wat voor kleding had je aan tijdens de inbraak?

A: Een zwart vest en een zwarte broek.

V: Hoe waren de andere jongens gekleed?

A: Die waren ook in het zwart gekleed.

V: Hoe lang zijn jullie binnen geweest?

A: Vijf tot tien minuten.

V: Hoe wist je dan waar je precies moest zijn?

A: Dat hadden ze me al laten zien toen we daar heen gingen. We zijn er eerst met z'n vieren langs gelopen.

V: Hoe heb je de garagebox precies geopend?

A: Gewoon, ik heb er aan getrokken.

V: Was de deur wel op slot?

A: Ja.

V: Dus je hebt de deur opengebroken?

A: Nee, aan getrokken tot het slot het begaf.

V: Waar waren die anderen op dat moment?

A: Die waren bij mij in de buurt. We waren gewoon met z'n vieren.

V: Zijn er ook mensen op de uitkijk gaan staan?

A: Nee. Toen de deur open was, zijn we snel met z'n vieren naar binnen gegaan.

V: Wat zag je binnen?

A: Ik zag gewoon een lege garage.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 15 mei 2019, opgenomen op pagina 170 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 3] :

V: Kun je op voorhand al iets verklaren over hetgeen waarvan je wordt verdacht?

A: Ja een paar jongens hadden mij benaderd om mee te gaan naar een inbraak.

V: Wie hebben jou benaderd?

A: Een paar jongens die ik niet ken. Ze komen uit Assen.

V: Op welke manier hebben ze jou benaderd?

A: Ze kwamen langs, ze zeiden dat ik geld kon verdienen en dat ze me nodig hadden.

V: Wie is die jongen die het contact heeft gelegd?

A: Die jongen uit Assen.

V: Welke?

A: Zijn naam is [medeverdachte 2] . Hij kwam naar mij toe.

V: Oké en toen?

A: Zij kwamen bij mij. Ik heb tegen hen gezegd dat ik wel mee wilde en ben met hen meegegaan.

V: Wat hebben ze precies gezegd tegen jou?

A: Of ik geld wilde verdienen.

V: Hoe laat waren die jongens bij jou?

A: Het was in de nacht.

V: Waar kwamen ze vandaan?

A: Vanuit Assen.

V: Hoe zijn ze bij jou gekomen?

A: Met de auto.

V: Jouw huisgenoot was ook mee?

A: Ja, [medeverdachte 1] .

V: Waar zijn jullie vervolgens naar toe gegaan?

A: Naar de plek gegaan waar we zouden inbreken.

V: Hoe zijn jullie daar naar toe gegaan?

A: Met de auto.

V: Welke auto?

A: Mijn eigen auto. Ik moest achter hem aanrijden. Ik reed in een zwarte Volkswagen golf.

V: Hadden jullie van te voren besproken wat de rolverdeling zou zijn?

A: Nee, ja we zouden inbreken. We zouden met zijn allen naar binnen gaan.

V: Maar niet gesproken over dat er iemand op de uitkijk zou staan, iemand de deur zou openen, et cetera?

A: Niet echt. Ter plekke hebben we dat geregeld. Toen we vanaf de auto naar de plek liepen spraken we wat af.

V: Wie zat er met elkaar in de auto?

A: Ik zat met mijn huisgenoot [medeverdachte 1] . Die andere twee jongens zaten ook samen.

V: Wie droeg welke kleding gisteren?

A: Iedereen had donkere kleding aan.

V: Hoe is het daar gegaan, jullie zijn naar het pand gelopen. En toen?

A: We zijn naar binnen gegaan.

V: En toen?

A: We gingen kijken, maar er stond ineens politie voor de deur.

V: En wat is er toen gebeurd?

A: We zijn door het voorraam gevallen.

V: Gevallen of gerend?

A: Ik ben gevallen. Ik stond vlak bij het raam. We gingen met zijn vieren een beetje tegen het raam hangen maar toen barstte hij.

V: Je gaf net aan dat jullie binnen waren gaan kijken. Waar hebben jullie gekeken?

A: Overal. Vanaf de roldeur gezien in de loods die daarachter zit. Links heb je een soort schuifdeur aan het einde van de loods. Daar zijn we ook door gegaan en dan kwam je in een andere loods.

V: Wat heb je allemaal gezien?

A: Het was een lege loods. Met gereedschappen en geparkeerde auto's.

V: Hoe lang zijn jullie binnen geweest?

A: Ik denk hooguit tien tot vijftien minuten.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte is in de onmiddellijke nabijheid van de plaats delict, te weten in de [straatnaam] te Groningen, door de politie staande gehouden en vervolgens aangehouden. Het was toen omstreeks half vier in de nacht. Op dat moment werden tevens drie medeverdachten aangehouden, die de politie uit het pand door een raam zag springen. Uit het strafdossier blijkt dat verdachte en de drie medeverdachten allen donkere kleding droegen. Tevens stelt de rechtbank vast dat verdachte net als medeverdachte [medeverdachte 2] zijn woonadres in Assen heeft. Tot slot was verdachte tot vlak voor zijn aanhouding in het bezit van een doorgeladen vuurwapen.

Uit de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 1]1 en [medeverdachte 3] leidt de rechtbank af dat vier mannen in het pand zijn geweest, waarvan twee afkomstig waren uit Assen. Het dossier geeft geen enkel aanknopingspunt voor de veronderstelling dat een ander dan verdachte de vierde man zou zijn geweest (een van de mannen uit Assen) naast medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . De politie heeft de verdachten immers min of meer overlopen tijdens hun poging tot inbraak. Door de politie is niet nog een ander verdacht persoon in de nabijheid van het pand aangetroffen.

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat sprake is van sterke aanwijzingen voor het daderschap van verdachte.

De rechtbank constateert dat door verdachte pas ter terechtzitting een alternatief scenario is geschetst voor zijn aanwezigheid bij het pand aan de [straatnaam] met een doorgeladen vuurwapen. Verdachte zou de avond bij een vriend hebben gegeten, daar een deel van de nacht hebben doorgebracht en vervolgens door de politie zijn aangehouden, terwijl hij lopend onderweg was naar zijn vriendin, die in een ander deel van de stad woont. Onder de lantaarnpaal voor het pand, waar getuige [getuige] verdachte heeft zien staan, zou verdachte een sigaretje hebben gerookt. Het doorgeladen vuurwapen zou verdachte bij zich hebben gehad, omdat hij en zijn vriendin bedreigd zouden worden door haar ex-vriend.

De rechtbank is van oordeel dat, nu verdachte niet aan heeft willen geven bij welke vriend hij de avond heeft doorgebracht, zijn verklaring niet verifieerbaar is. Voor het geven van de naam bestond naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanleiding, nu verdachte als medeverdachte van deze poging tot inbraak wordt aangemerkt. Hij is immers aangetroffen onder een lantaarnpaal in de directe nabijheid van een pand, waar op dat moment een poging tot inbraak plaatshad en heeft, vlak voor de politie hem aantrof een tas met daarin een doorgeladen vuurwapen onder een vlak voor dat pand staande Volkswagen Transporter geplaatst. In zoverre heeft verdachte dan ook geen plausibele verklaring afgelegd die bovengenoemde sterke aanwijzingen ontkrachten.

Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld en het ontbreken van een plausibele, verifieerbare verklaring van verdachte, acht de rechtbank bewezen dat verdachte als vierde man deel uitmaakte van de groep die de poging tot inbraak pleegde. Derhalve is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 14 mei 2019 schuldig heeft gemaakt aan het in vereniging plegen van een poging tot inbraak. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet bewezen worden dat de poging tot inbraak plaatsvond om een hoeveelheid hennep weg te nemen, nu uit het dossier niet is gebleken dat verdachte en zijn medeverdachten wisten dat zich hennep in het pand bevond. De rechtbank zal verdachte daarom dat onderdeel van de tenlastelegging niet bewezen verklaren, zodat de bewezenverklaring slechts ziet op goederen van zijn gading.

T.a.v. feit 2:

De rechtbank acht feit 2 niet wettig en overtuigend bewezen waar het gaat om het vuurwapen dat in de garage in het pand aan de [straatnaam] is aangetroffen, nu uit het dossier niet blijkt dat verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van dat wapen en geen DNA van verdachte op dat wapen is aangetroffen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

De rechtbank acht feit 2 wel wettig en overtuigend bewezen met betrekking tot het vuurwapen, merk Walther, type P99, dat buiten het pand aan de [straatnaam] is aangetroffen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank acht het ten laste gelegde medeplegen niet bewezen, nu met betrekking tot het voorhanden hebben van voornoemd vuurwapen niet is gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en een of meer anderen.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 oktober 2019;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 14 mei 2019, opgenomen op pagina 186 e.v. van het dossier met nummer 2019179462 d.d. 10 juli 2019, inhoudende een relaas van verbalisant;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van Onderzoek vuurwapens van Politie Noord-Nederland d.d. 5 juli 2019, inclusief bijlagen, opgenomen op pagina 176 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende een relaas van verbalisant;

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van vooronderzoek lab van Politie Noord-Nederland d.d. 28 mei 2019, opgenomen op pagina 188 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende een relaas van verbalisant;

5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van identificatie n.a.v. DNA-sporen van Politie Noord-Nederland d.d. 5 juli 2019, inclusief bijlagen, opgenomen op pagina 194 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende een relaas van verbalisant.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 14 mei 2019, te Groningen, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit garages/panden aan de [straatnaam] weg te nemen, goederen, die van hun gading zouden blijken te zijn, toebehorende aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders, en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en die weg te nemen goederen onder hun bereik te brengen door middel van braak en met dat oogmerk met zijn mededaders genoemde garages/panden zijn binnengegaan en hebben doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 14 mei 2019, te Groningen, een wapen van categorie III, onder 1, te weten een pistool, van het merk Walther, type P99, kaliber 9 mm, zijnde een vuurwapen, voorhanden heeft gehad.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

2. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten 1 en 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Bij haar strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met het feit dat de poging tot inbraak heeft plaatsgevonden in een bedrijfspand midden in de stad, waar zich een hennepkwekerij in bevond met een aanzienlijke straatwaarde. Verdachte en zijn medeverdachten hebben niet geschroomd een geladen en een doorgeladen vuurwapen mee te nemen en deze vervolgens te dumpen. Er is sprake van een poging tot inbraak in het criminele circuit met de aanwezigheid van vuurwapens. Met hun handelwijze hebben verdachte en zijn medeverdachten bijgedragen aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Gelet op het voorgaande en gelet op het strafblad van verdachte, vordert de officier van justitie een hogere straf dan staat vermeld in de richtlijnen van het Openbaar Ministerie.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bij bewezenverklaring van beide feiten gepleit voor oplegging van een gevangenisstraf van 4 maanden. Mocht de rechtbank een hogere straf overwegen, dan verzoekt de raadsvrouw deze aan te vullen met een onvoorwaardelijke taakstraf, nu verdachte geen relevant en geen recent strafblad heeft. In aansluiting daarop heeft de raadsvrouw verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen en verdachte in vrijheid te stellen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 14 mei 2019 's nachts schuldig gemaakt aan een poging tot inbraak in een pand aan de [straatnaam] in Groningen met drie medeverdachten. Verdachte en zijn medeverdachten zijn planmatig te werk gegaan. Zij zijn in twee auto's naar het pand gereden en hebben samen overlegd hoe zij de inbraak zouden gaan plegen. Allen droegen tijdens de poging tot inbraak donkere kleding. Dat het niet tot een voltooide inbraak is gekomen, is enkel te danken aan een oplettende omwonende die alarm heeft geslagen. In het pand is na aanhouding van verdachte en de medeverdachten een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. Hoewel goed denkbaar is dat het doel van de geplande inbraak hiermee samenhangt, heeft de rechtbank het ten laste gelegde op dit punt niet bewezenverklaard en heeft het daardoor geen invloed op de hoogte van de op te leggen straf.

Verdachte was tijdens de inbraak in het bezit van een doorgeladen en schietklaar vuurwapen, welk vuurwapen hij kennelijk meegenomen had om te kunnen gebruiken bij een eventuele confrontatie. Het vuurwapen heeft verdachte onder een busje voor het pand gedumpt toen de politie ter plaatse kwam. De rechtbank tilt zwaar aan illegaal vuurwapenbezit vanwege het bijzonder gevaarzettende karakter ervan. De bewezenverklaarde feiten zijn ernstig en zeer hinderlijk. De feiten hebben niet alleen overlast en schade voor de gedupeerde veroorzaakt, maar hebben ook voor gevoelens van onrust in de samenleving gezorgd. De rechtbank rekent verdachte het voorgaande zwaar aan.

De rechtbank heeft in het nadeel van verdachte meegewogen dat verdachte geen enkele verantwoordelijkheid heeft willen nemen voor zijn aandeel in de poging tot inbraak.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf verder acht geslagen op de justitiële documentatie van verdachte, waaruit onder meer blijkt van recente veroordelingen voor het plegen van verschillende strafbare feiten.

Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden acht de rechtbank de uitgangspunten voor strafoplegging in de LOVS-oriëntatiepunten in deze zaak niet toereikend. Gezien de ernst van de feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Benadeelde partij

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 586,65 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig kan worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, toepassing van de hoofdelijkheidsclausule en toepassing van de wettelijke rente.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen met uitzondering van de gevorderde btw. Uit het dossier kan blijken dat de benadeelde partij bedrijfsmatig panden verhuurt, daarom is het aannemelijk dat de benadeelde partij de btw kan verrekenen.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De rechtbank overweegt dat uit de stukken niet is gebleken dat sprake is van het bedrijfsmatig verhuren van panden door de benadeelde partij, zoals door de verdediging is gesuggereerd. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat ook de gevorderde btw voor toewijzing in aanmerking komt. De rechtbank zal gelet op het voorgaande de vordering in zijn geheel toewijzen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 14 mei 2019.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachten deze al hebben betaald.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

In beslag genomen goederen

De rechtbank acht de twee in beslag genomen vuurwapens vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Nu het belang van strafvordering zich er niet tegen verzet, kan het in beslag genomen tasje van het merk Louis Vuitton aan verdachte worden teruggegeven.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36f, 45, 57, 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van 18/830088-19, feit 1:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 586,65 (zegge: vijfhonderdzesentachtig euro en vijfenzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 mei 2019.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Bepaalt dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachten deze al hebben betaald.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] te betalen een bedrag van € 586,65 (zegge: vijfhonderdzesentachtig euro en vijfenzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 mei 2019, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 11 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 586,65 aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Verklaart onttrokken aan het verkeer twee vuurwapens.

Gelast de teruggave van een tasje van het merk Louis Vuitton.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A. van Capelle, voorzitter, mr. L.W. Janssen en

mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door mr. C.A.C. Thiadens, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 oktober 2019.

Mrs. Van Capelle en Van Sloten zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Zie de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 20 juni 2019, opgenomen op pagina 149 e.v. van het dossier.