Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:4471

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-10-2019
Datum publicatie
31-10-2019
Zaaknummer
LEE 19/3278
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verlenging begunstigingstermijn voor het afvoeren van bodemassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2019/481 met annotatie van Meijden, D. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht

locatie Groningen

zaaknummer: LEE 19/3278

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 oktober 2019 in de zaak tussen

Van Bentum Recycling Centrale B.V., gevestigd te Rotterdam, verzoekster sub 1.a.,

Van Bentum Recycling Centrale B.V. Heerenveen, gevestigd te Rotterdam, verzoekster

sub 1.b.,

hierna gezamenlijk te noemen: verzoeksters,

(gemachtigde: mr. R.G.J. Laan),

en

Gedeputeerde Staten van Fryslân, verweerder,

(gemachtigde: mr. ing. R.A. Dirksma, ing. R. Tieleman en J. Stoker ).

Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoeksters aangeschreven om uiterlijk op 30 november 2019 een binnen de inrichting aan de [straatnaam] te Heerenveen opgeslagen partij bodemassen van circa 400.000 ton, die langer dan één jaar ligt, af te voeren, bij gebreke waarvan verzoeksters een dwangsom van

€ 250.000,- verbeuren per week dat zij de partij bodemassen niet of niet geheel hebben afgevoerd, met een maximum van € 2.000.000,-.

Bij besluit van 27 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van verzoeksters ongegrond verklaard.

Tegen het bestreden besluit hebben verzoeksters beroep ingesteld. Tevens hebben verzoeksters de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2019. Namens verzoeksters is

[naam] verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. De voorzieningenrechter stelt vast dat de spoedeisendheid in deze gegeven is nu de begunstigingstermijn waar binnen verzoeksters aan de last moeten voldoen op 30 november 2019 eindigt.

3. Verzoeksters voeren aan dat de begunstigingstermijn te kort is om de resterende partij bodemassen af te voeren. Verzoeksters hebben inmiddels circa 170.000 ton afgevoerd. Ook de afvoer van een partij van 237.000 ton is contractueel vastgelegd. Voor afvoer van de resterende ongeveer 90.000 ton zijn verzoeksters evenwel afhankelijk van adequate medewerking van overheidswege om het materiaal niet slechts te kunnen weghalen maar zoals beoogd als IBC-bouwstof te kunnen toepassen. Deze IBC-toepassingen in grote infrastructurele werken staan momenteel onder druk vanwege de zogenoemde PAS-uitspraak van 29 mei 2019 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Ondanks de inspanningen van verzoeksters is derhalve niet duidelijk of aan de last kan worden voldaan. Verwezen wordt naar een brief van 24 juli 2019 waarin voorafgaand aan het bestreden besluit is toegelicht dat afvoer van de bodemassen onmogelijk lijkt te zijn op dat moment. In dat licht benadrukken verzoeksters dat het treffen van een voorlopige voorziening geen nadelige milieugevolgen zal hebben.

3.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoeksters in staat moeten worden geacht om de genoemde 237.000 ton voor het einde van de begunstigingstermijn af te voeren. Ten aanzien van de resterende 90.000 ton dienen verzoeksters volgens verweerder een verzoek op grond van artikel 5:34 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in te dienen. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat bij het primaire besluit op goede gronden een last is opgelegd. Dat nu sprake is van een onmogelijkheid om aan de last te voldoen, hetgeen tot opschorting van de begunstigingstermijn zou moeten leiden, hebben verzoeksters volgens verweerder onvoldoende onderbouwd. Daartoe hadden afwijzingen van afnemers overgelegd moeten worden. Eveneens hadden verzoeksters een termijn moeten aangeven waarbinnen wel aan de last zal kunnen worden voldaan omdat opschorting voor onbepaalde tijd niet bespreekbaar is.

3.2.

De voorzieningenrechter stelt vast dat hetgeen partijen met name verdeeld houdt de principiële vraag is of de bodemassen die in de inrichting van verzoeksters opgeslagen liggen al dan niet als afvalstof te kwalificeren zijn. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de beantwoording van deze vraag essentieel is in het kader van de beoordeling van de last en dan met name bij de beoordeling of sprake is van een overtreding. Zo lang deze vraag niet beantwoord is, kan niet vastgesteld worden of verweerder bevoegd was om over te gaan tot handhaving en meer concreet tot het opleggen van de voorliggende last.

3.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze procedure zich niet leent voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een afvalstof. Deze beoordeling dient, gelet op de aard van de zaak en de daarbij betrokken belangen, door een meervoudige kamer gedaan te worden. De voorzieningenrechter zal het verzoek van verzoeksters om het bestreden besluit te schorsen daarom aan de hand van een belangenafweging beoordelen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient het belang van verzoeksters bij het treffen van een voorlopige voorziening op dit moment zwaarder te wegen dan het belang van verweerder bij de onmiddellijke uitvoering van het bestreden besluit. Daartoe overweegt de voorzieningen-rechter als volgt.

3.3.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat niet vast is komen te staan dat de resterende partij bodemassen die binnen de inrichting ligt opgeslagen op dit moment tot ongunstige milieugevolgen leidt. Verweerder heeft toegelicht dat onduidelijkheid omtrent de milieu-risico's bestaat nu de certificering van de vloeistofdichte vloer van het op- en overslagterrein binnen de inrichting eind april 2018 is verlopen. Deze onduidelijkheid duurt voort nu keuring van de vloer eerst kan plaatsvinden als de opgeslagen bodemassen zijn afgevoerd. Verweerder heeft dit in het primaire besluit ook als zodanig benoemd. De voorzieningen-rechter stelt vast dat verweerder ter zitting niet heeft betoogd dat daadwerkelijk sprake is van ongunstige milieugevolgen indien de resterende partij bodemassen gedurende een beperkte periode na afloop van de begunstigingstermijn op het terrein opgeslagen zou blijven. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat verweerder in het primaire besluit verzoeksters in de gelegenheid heeft gesteld om de vloer voor 31 december 2019 te laten keuren. Dit betekent dat de situatie niet zodanig dringend lijkt te zijn dat direct handelen, in de zin van het afvoeren van deze partij, noodzakelijk is.

3.3.2.

Vervolgens overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeksters zich conform het doel van de last inspannen voor de afvoer van de gehele partij bodemassen. Inmiddels is circa 170.000 ton afgevoerd en is voor 237.000 ton contractueel vastgelegd dat deze partij op korte termijn afgevoerd kan worden. Ter zitting hebben verzoeksters toegelicht dat afvoer van de partij van 237.000 ton niet binnen de begunstigingstermijn gerealiseerd kan worden nu het aantal beschikbare vrachtwagens beperkt is vanwege de bietencampagne. Het betoog van verweerder dat met de inzet van twee extra vrachtwagens deze partij wel binnen de begunstigingstermijn afgevoerd kan worden, volgt de voorzieningenrechter niet zonder meer. Verzoeksters hebben duidelijk aangegeven waar de problemen bij de afvoer zich voordoen, waarbij het enerzijds gaat om de beschikbaarheid van vrachtwagens en anderzijds om de logistieke mogelijkheden op de locatie van levering. Verzoeksters verwachten de gehele partij van 237.000 ton in de maand januari 2020 te hebben afgevoerd.

3.3.3.

De afvoer van de resterende partij van circa 90.000 ton blijft vervolgens onzeker. Verzoeksters hebben toegelicht dat de afvoer van deze partij afhankelijk is van toestemming van overheden. De genoemde PAS-uitspraak heeft tot gevolg dat veel projecten stil zijn komen te liggen, waaronder het project [naam project] van [bedrijf] waar verzoeksters bodemassen voor zouden leveren. Verzoeksters hebben ter zitting aangegeven dat het wellicht mogelijk is deze partij af te voeren naar het Dak van Drenthe of naar Tiel. Voor afvoer naar beide locaties geldt evenwel dat geen zekerheid bestaat dat daadwerkelijk afgevoerd kan worden. Verzoeksters hebben getracht duidelijkheid te krijgen maar zijn daarvoor afhankelijk van derden of toestemming van de overheid. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit de toelichting van verzoeksters dat de inspanningen om de resterende partij af te voeren wel degelijk zijn gepleegd, maar vanwege de, ook als zodanig door verweerder benoemde, gewijzigde markt heeft dit nog niet tot een concreet resultaat geleid.

3.3.4.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeksters deze wijzigingen in de markt en de daarmee gepaard gaande onzekerheden ten aanzien van de afvoer van de resterende partij bodemassen in de brief van 24 juli 2019 al naar voren hebben gebracht. Verweerder heeft in reactie op deze brief aangegeven dat de commissie op het moment van ontvangst van de brief inmiddels een advies had uitgebracht, zodat de brief niet meer meegewogen kon worden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het op de weg van verweerder had gelegen om deze brief ofwel alsnog voor te leggen aan de commissie ofwel aan te merken als een verzoek als bedoeld in artikel 5:34 van de Awb. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeksters in deze brief zodanig concreet zijn geweest in het formuleren van de nieuwe omstandigheden die maken dat afvoer van de volledige partij bodemassen binnen de begunstigingstermijn op dat moment onwaarschijnlijk leek, dat verweerder hierin aanleiding had moeten zien om de begunstigingstermijn te heroverwegen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat verweerder erkent dat sprake is van nieuwe omstandigheden en feitelijk enkel van verzoeksters vraagt dat zij concrete afwijzingen van afnemers overleggen. Verzoeksters hebben ter zitting toegelicht dat ten aanzien van de projecten waarvan verweerder kennelijk afwijzingen wil zien op dit moment nog geen duidelijkheid bestaat. Of de resterende partij in het Dak van Drenthe, Tiel of in [naam project] kan worden toegepast, is thans niet duidelijk en hangt van verschillende factoren en partijen af. De voorzieningen-rechter stelt vast dat verweerder ter zitting geen inzicht heeft gegeven in de mogelijke uitkomst van een verzoek op grond van artikel 5:34 van de Awb. De voorzieningenrechter acht het onder deze omstandigheden begrijpelijk dat verzoeksters zich genoodzaakt hebben gezien om een verzoek om voorlopige voorziening in te dienen.

3.4.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat aanleiding bestaat om verzoeksters een nadere termijn te gunnen om de resterende partij van 90.000 ton af te voeren. Daarbij gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat de partij van 237.000 ton zoals toegelicht ter zitting in de loop van januari 2020 zal zijn afgevoerd.

4. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst voor zover dit ziet op de begunstigingstermijn waarbij wordt bepaald dat deze termijn wordt verlengd tot 1 juli 2020.

5. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeksters het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

6. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeksters gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,-).

Beslissing

De voorzieningenrechter :

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- schorst het bestreden besluit voor zover dit ziet op de begunstigingstermijn en bepaalt dat de begunstigingstermijn wordt verlengd tot 1 juli 2020;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,- aan verzoeksters te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeksters tot een bedrag van

€ 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

mr. E. Nolles als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2019.

de griffier de voorzieningenrechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op: