Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:4454

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-10-2019
Datum publicatie
30-10-2019
Zaaknummer
18/730496-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van mensensmokkel. Ontvankelijkheidsverweren verworpen; geen sprake van hetzelfde feit in de zin van artikel 68 Sr., bij vervolging ter zake van artikel 197a Sr, na bestuurlijke boete op grond van artikel 2 van de Wet arbeid vreemdelingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/730496-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 24 oktober 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 16 oktober 2018 en 10 oktober 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.W. Koevoets, advocaat te Rotterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.E. Eijzenga.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 1 november 2015 tot en met 1 april 2016 te

Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân, althans in Nederland, een ander of anderen, te weten [slachtoffer] , uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland of haar daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft,

-door die [slachtoffer] te laten verblijven in haar massagesalon [naam massagesalon] te Sneek en/of

-door die [slachtoffer] daar massages te laten verrichten en/of

-door leefgeld aan die [slachtoffer] te geven, althans die [slachtoffer] te betalen en/of door goederen voor die [slachtoffer] te kopen terwijl zij, verdachte, wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat

verblijf wederrechtelijk was.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De politie heeft kennelijk bewust onjuist dan wel in grove mate onzorgvuldig processen-verbaal van verhoor opgemaakt.

Het beluisteren van auditief geregistreerde verhoren heeft uitgewezen dat de woordelijke uitwerking van de verhoren van getuige [getuige] en verdachte onjuistheden bevatten en op essentiële onderdelen onvolledig zijn.

Daar waar getuige [getuige] in werkelijkheid heeft verklaard dat hij niet wist of [slachtoffer] (verder: [slachtoffer] ) al langer in de massagesalon van verdachte werkte, staat in het proces-verbaal als [getuige] verklaring opgenomen dat hij al eerder door 'haar' is geholpen. Verder blijkt uit de auditieve opname van het verhoor van verdachte dat zij tijdens dit verhoor heeft weersproken te hebben gezegd dat klanten haar (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] ) [naam] noemen, hetgeen niet in het proces-verbaal is opgenomen.

Verder is het verhoor van [slachtoffer] om onduidelijke redenen niet auditief opgenomen en is zij bij het intakegesprek zonder tolk in haar eigen taal gehoord.

Verder is sprake van schending van het 'ne bis in idem beginsel' en handelen in strijd de 'una via-leer'.

Verdachte wordt vervolgd ter zake van een feit, waarvoor haar op 6 december 2017 door de minister van Sociale zaken en Werkgelegenheid al een boete van € 3.000,00 is opgelegd. Het instellen van een strafvervolging voor hetzelfde feit als waarvoor eerder een bestuurlijke boete is opgelegd, is in strijd is met het wettelijk stelsel, in het bijzonder het ne bis in idem-beginsel, het una via-beginsel en artikel 243, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv).

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de verweren van de raadsman die strekken tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie moeten worden verworpen. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat er in de processen-verbaal hooguit sprake is van ongelukkige formuleringen, maar dat er geen reden is te twijfelen aan de juistheid van de inhoud ervan. Verder is niet gehandeld in strijd met de 'una via leer', nu er geen sprake is van hetzelfde feit in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr). Artikel 2 van de Wet arbeid vreemdelingen (verder: Wav) en artikel 197b Sr beschermen verschillende rechtsbelangen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank verstaat het verweer van de raadsman betreffende de vermeende onjuiste en onvolledige schriftelijke weergave van de verhoren als een verweer als bedoeld in artikel 359a Sv. Deze bepaling heeft betrekking op vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek die niet meer kunnen worden hersteld en waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken.

Beoordeeld dient derhalve te worden of er in dit verband sprake is van onherstelbare vormverzuimen.

De rechtbank is van oordeel dat, voor zover er sprake is van vormverzuimen inzake de verhoren van verdachte en getuige [getuige] , en het intakegesprek met [slachtoffer] , deze adequaat zijn hersteld. De verhoren van verdachte en van [getuige] zijn immers woordelijk uitgewerkt op basis van de auditieve opname. Die uitwerking is in een proces-verbaal vastgelegd en toegevoegd aan het dossier. [slachtoffer] is met behulp van een tolk op verzoek van de verdediging bij de rechter-commissaris gehoord.

Dit betekent dat het ontvankelijkheidsverweer van de raadsman op dit punt wordt verworpen.

Verder overweegt de rechtbank dat het bij artikel 197a Sr blijkens de wetsgeschiedenis gaat om vergrijpen die het beleid om illegaal verblijf in Nederland tegen te gaan, frustreren en een acute gevaarzetting opleveren voor de publieke kas. Artikel 2 Wav daarentegen strekt, blijkens de wetsgeschiedenis, tot het tegengaan van verdringing van legaal arbeidsaanbod, overtreding van normen op het gebied van arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden en concurrentievervalsing. In deze zaak is zowel het verschil in de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheiden regelingen strekken als het verschil in de maximale straf respectievelijk boete die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, dermate groot dat geen sprake is van “hetzelfde feit” in de zin van artikel 68 Sr en artikel 243 lid 2 Sv in verbinding met artikel 255 lid 1 Sv.1

Het ontvankelijkheidsverweer van de raadsman zal gelet hierop ook op dit punt worden verworpen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het feit te bewijzen op grond van (onder meer) de MMA-melding, het proces-verbaal van de arbeidsinspecteur en de verhoren die [getuige] , [slachtoffer] en verdachte bij de politie hebben afgelegd. Verder is uit de vastgelegde telefooncontacten gebleken dat er sinds juli 2015 sprake is van drukke werkzaamheden in de salon.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte van het feit moet worden vrijgesproken en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Gelet op de gebreken die kleven aan de processen-verbaal van de politie dienen slechts de verklaringen die door [getuige] , Wang en [slachtoffer] zijn afgelegd bij de rechter-commissaris voor het bewijs te worden gebruikt. Op grond van die verklaringen kan niet worden bewezen dat verdachte zich aan het ten laste gelegde heeft schuldig gemaakt.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt allereerst vast dat er op 4 april 2016 een informatief gesprek heeft plaatsgevonden met [slachtoffer] , waarin zij heeft verklaard dat zij in november 2015 in de massagesalon van verdachte is gaan werken en dat zij daar 'massage en cupping' deed. Uit het proces-verbaal van dit gesprek blijkt dat daar weliswaar een tolk bij aanwezig is geweest, maar niet dat dit een tolk in haar eigen taal (Chinees, Mandarijn) is geweest en ook niet of die tolk vanaf de aanvang van het gesprek aanwezig is geweest. [slachtoffer] heeft op 21 februari 2019 bij de rechter-commissaris verklaard dat zij (ook) in het Engels is gehoord. De rechtbank kan niet vaststellen dat [slachtoffer] over voldoende kennis van de Engelse taal beschikte om daarin op behoorlijke wijze te kunnen worden gehoord. In ieder geval leidt de rechtbank uit de verklaring van [getuige] af dat [slachtoffer] gebrekkig Nederlands sprak en dat het met behulp van wat Engelse woorden lukte om een kort gesprek met haar te voeren.

Nu onvoldoende duidelijk is hoe het informatieve gesprek heeft plaatsgevonden, zal de rechtbank de inhoud ervan bij de beoordeling van het bewijs buiten beschouwing laten.

Vastgesteld kan worden dat het verblijf in Nederland voor [slachtoffer] ten tijde van het feit wederrechtelijk was, nu zij niet over geldige verblijfsdocumenten beschikte.

Verder kan worden vastgesteld dat [slachtoffer] op 1 april 2016 bij een fysieke controle door de arbeidsinspecteur in de massagesalon van verdachte in Sneek is aangetroffen, terwijl zij aan het werk was als masseuse. Getuige [getuige] bevond zich daar op dat moment als haar klant, zo blijkt uit het ter zake door de arbeidsinspecteur opgemaakte proces-verbaal.

De rechtbank overweegt dat verdachte ter terechtzitting heeft ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank is van oordeel dat verdachte weliswaar geweten moet hebben dat [slachtoffer] zich illegaal in Nederland bevond, maar acht niet bewezen dat zij [slachtoffer] uit winstbejag behulpzaam is geweest.

Uit het proces-verbaal van de arbeidsinspecteur blijkt weliswaar dat [slachtoffer] tijdens de controle heeft verklaard dat zij al langer in de salon werkte, maar dit gesprek heeft plaatsgevonden middels een tolk in de Engelse taal. De rechtbank neemt daarom, onder verwijzing naar hetgeen zij hiervoor met betrekking tot het intakegesprek met [slachtoffer] heeft overwogen, dit deel van het proces-verbaal van de arbeidsinspecteur niet mee als bewijsmiddel.

Bij de rechter-commissaris heeft [slachtoffer] ten aanzien van haar verblijf in de salon verklaard dat verdachte haar onderdak in haar salon had verleend, nadat [slachtoffer] door de man bij wie zij tot dan toe in Nederland had verbleven op straat was gezet. [slachtoffer] heeft daarbij echter ontkend dat zij eerder -dan voor 1 april 2016- in de salon had gewerkt en dat verdachte van haar werkzaamheden op 1 april 2016 op de hoogte was. De omstandigheid verder dat uit vastgelegde telefooncontacten is gebleken dat er sinds juli 2015 sprake is van drukke werkzaamheden in de salon, zoals aangevoerd door de officier van justitie, leidt de rechtbank niet tot de conclusie dat [slachtoffer] op enigerlei wijze bij die werkzaamheden betrokken is geweest.

Getuige [getuige] heeft volgens het proces-verbaal van verhoor bij de politie weliswaar verklaard dat hij eerder door [slachtoffer] in deze salon is geholpen, maar, blijkens de uitwerking van de auditieve opname van het betreffende verhoor heeft hij verklaard dat hij niet wist of [slachtoffer] daar al langer werkte. Ook tegenover de arbeidsinspecteur heeft hij verklaard dat het op 1 april 2016 de eerste keer was dat was dat hij door [slachtoffer] werd gemasseerd. Bij de rechter-commissaris heeft [getuige] verklaard dat hij niet meer wist of hij vaker door [slachtoffer] was gemasseerd en of hij haar eerder in de massagesalon had gezien. De rechtbank acht gelet hierop de verklaringen van [getuige] niet redengevend voor het bewijs.

Voorts is de rechtbank, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat een MMA-melding niet tot het bewijs gebezigd kan worden.

Het ten laste gelegde is gelet op het voorgaande niet wettig en overtuigend te bewijzen, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. J.V. Nolta en mr. A. Jongsma, rechters, bijgestaan door W. Brandsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 oktober 2019.

Mr. Dölle en mr. Nolta zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 HR 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:222.