Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:4418

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
29-10-2019
Datum publicatie
30-10-2019
Zaaknummer
6951610 CV EXPL 18-3025
Rechtsgebieden
Civiel recht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurrecht bedrijfsruimte; art. 7:213 BW; art. 7:203 BW

De winkelruimte is nog in opbouw. De meldkamer van de politie krijgt op een avond een ‘melding verdachte situatie’ binnen en gaat kijken. Huurder blijkt in het gehuurde met enkele andere personen alcohol en drugs te gebruiken. De politie kent enkele van deze personen uit het drugs- en overlastcircuit. Verhuurder verwisselt daags daarna de sloten en ontzegt huurder de toegang. De kantonrechter wijst het verzoek tot ontbinding af. De enkele aanwezigheid of het gebruik van drugs betekent nog niet dat sprake is van slecht huurderschap. Er moet sprake zijn van bijkomende omstandigheden zoals het veroorzaken van gevaarlijke situaties of overlast. Het enkel voorhanden hebben van gebruikershoeveelheden drugs - en dus geen handel in - levert immers in beginsel geen nadeel op voor verhuurder of voor omwonenden. Daarbij is het aanwezig hebben van drugs in het gehuurde niet verboden in de huurovereenkomst of de Algemene Bepalingen bij de huurovereenkomst. In reconventie wordt de verhuurder veroordeeld de huurder weer toegang te verlenen tot het gehuurde. Voor de schadevergoeding wordt de zaak naar de schadestaatprocedure verwezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Assen

zaak-/rolnummer: 6951610 \ CV EXPL 18-3025

vonnis van de kantonrechter van 29 oktober 2019

in de zaak van

  1. [eisers] , wonende te [plaats 1],

  2. [eisers] , wonende te [plaats 1],

hierna te noemen: [eisers] (mannelijk, enkelvoud)

eisers in conventie, verweerders in reconventie,

gemachtigde: mr. M.J.J.M. van Roosmalen,

tegen

[gedaagde], h.o.d.n. Installatiehulp [plaats 1],

hierna te noemen: [gedaagde],

wonende en zaakdoende te [postcode] [plaats 2], [adres 1]

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

gemachtigde: M. Zuidema.

De verdere procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 5 februari 2019;

- de akte in reconventie van 5 maart 2019 van de zijde van [gedaagde];

- de antwoordakte van 19 maart 2919 van de zijde van [eisers];

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 10 mei 2019;

- de conclusie na enquête van 25 juni 2919 van de zijde van [eisers];

- de conclusie na enquête van 20 augustus 2919 van de zijde van [gedaagde].

1.2

Vervolgens is bepaald dat de kantonrechter vonnis zal wijzen.

De verdere beoordeling

in conventie

2.1

In het tussenvonnis is [eisers] toegelaten tot het bewijs van feiten of omstandigheden, waaruit kan worden afgeleid dat [gedaagde] zich niet als een goed huurder heeft gedragen. [eisers] heeft twee getuigen laten horen. [gedaagde] heeft afgezien van het laten horen van tegengetuigen. [eisers] heeft vervolgens geconcludeerd dat hij in het bewijs is geslaagd. [gedaagde] heeft geconcludeerd dat [eisers] niet in het bewijs is geslaagd. De kantonrechter overweegt het volgende.

2.2

De politiebeambte [naam 1] heeft verklaard, voor zover hier van belang:

"(…) Ik trof daar veel troep aan, rommel en met name wat opviel waren veel lege blikjes bier en zogenaamde wikkels. Dat zijn vetvrije papiertjes die op een bepaalde manier worden opgevouwen tot envelopjes en waar in het algemeen drugs als cocaïne of speed worden bewaard. Ook heb ik zogenaamde gripzakjes aangetroffen, maar ik weet niet meer hoeveel of wat er in zat en ik kan me ook niet goed herinneren of deze zakjes een bepaalde inhoud hadden. (…) De gemoederen waren enigszins opgelopen, de reden daarvoor kan ik mij niet meer herinneren. De setting van de aanwezige personen, de aanwezigheid van de politie en het vermoeden van gebruik van alcohol en drugs zal de aanleiding zijn geweest. Aan de reactie van een aantal aanwezige personen kon ik afleiden dat zij vaker met de politie in aanraking zijn geweest. (…) U houdt mij voor dat in de processtukken wordt genoemd dat door de politie is

gezegd dat dit een overlastpand zou kunnen worden. Ik kan mij dat niet herinneren, ik kan

ook niet herinneren dat ik dat heb gezegd of mijn collega’s. (…) Op uw uitdrukkelijke vraag of ik heb vastgesteld dat er die avond drugs in het pand aanwezig waren, moet ik u het antwoord schuldig blijven; ik weet het niet meer. (…)".

De politiebeambte [naam 2] heeft verklaard, voor zover hier van belang:

"(…) De aanleiding was een melding verdachte situatie. Het zou gaan om personen die aanwezig zijn in een pand maar die daar niet horen. De melding kwam van de meldkamer en voor zover ik mij kan herinneren betrof het de dochter van de heer [eisers], hier aanwezig. (…) Hoe het precies ging weet ik niet meer, maar ik belandde in een kleine kamer waar meerdere personen aanwezig waren, ik zag bierflesjes en op een tafel zag ik drugs. Naar aanleiding van uw vraag antwoord ik dat ik op basis van mijn ervaring als politieagent vaststelde dat het om drugs ging. Het betrof zogenaamde gripzakjes; in een deel daarvan zat een witte substantie en een ander deel groene stof. Het laatste duidt op hennep. Om hoeveel zakjes het ging kan ik mij niet meer herinneren. Wat betreft de flesjes ging het om bruine flesjes die her en der verspreid door de kamer stonden en op tafel. In de kamer was het nogal rommelig, hier en daar lag verspreid shag en er lag as en alles bij elkaar gaf mij dat de indruk dat het daar niet klopte. (…) Deze persoon is op het politiebureau gefouilleerd en daarbij is een gripzakje met witte substantie aangetroffen. Ik heb gevraagd aan deze persoon wat de inhoud was en hij antwoordde: “speed”. Het kan ook zijn dat deze persoon al in het pand is gefouilleerd, dat kan ik niet met zekerheid zeggen, maar ik weet zeker dat hij op het bureau is gefouilleerd. Het aangetroffen zakje was van hetzelfde soort als ik op tafel had zien liggen. De substantie is door mij niet meer getest. (…) Eén vrouwelijk persoon herkende ik uit [plaats 3], vanuit het circuit van drugs en overlast. Zij herkende mij ook toen ik binnenkwam. De andere personen kende ik niet vanuit mijn werk als agent, maar vanuit mijn onderbuik voelde dit niet goed. Ik weet dat op enig moment de heer [eisers] is verschenen en de huurder was ook aanwezig. Ik was druk bezig met de aanhouding van de bewuste persoon, maar ik kon wel vernemen dat de heer [eisers] niet blij was met deze situatie en dat de huurder zich er een beetje uit probeerde te praten. Met dit laatste bedoel ik dat de huurder probeerde aannemelijk te maken dat er niks aan de hand was, dat het een paar vrienden waren en dat ze gezellig een biertje zaten te drinken. De door mij aangehouden persoon is later door collega’s op het politiebureau herkend als een persoon die bekend is in verband met overlast in het algemeen, overlast met drugs en overlast met alcohol. Deze persoon heeft afstand gedaan van de aangetroffen drugs en heeft een boete gekregen op grond van de Wet ID. Verdere vervolging heeft niet plaatsgevonden. U houdt mij voor dat in uw dossier staat dat door de politie zou zijn gezegd dat dit pand een overlastpand zou kunnen worden. Ik kan mij dat niet herinneren, en ik kan mij ook niet herinneren dat ik dat zou hebben gezegd. Ik heb in die tijd voor zover ik weet geen contact gehad met de heer [eisers]. (…) Op een vraag van mr. Zuidema antwoord ik dat de drugs die op tafel werden gezien op mij overkwamen als gebruikershoeveelheden. Het waren in ieder geval niet grote hoeveelheden. ".

2.3

Anders dan [gedaagde] aanvoert, acht de kantonrechter bewezen dat sprake is geweest van de aanwezigheid en het gebruik van alcohol en drugs in het gehuurde. De getuigen zijn professionele opsporingsambtenaren zodat aan hun verklaringen op dit punt meer gewicht kan worden toegekend dan aan de blote weerspreking van [gedaagde]. De getuigen verklaren over wikkels, witte en groene stof en een aangehouden persoon waarop drugs zijn aangetroffen en die heeft verklaard dat dat 'speed' is. Op basis van hun ervaring verklaren de getuigen dat sprake is geweest van drugs en de kantonrechter neemt dit over. Dat [gedaagde] deze gripzakjes gebruikte om kleinmateriaal in te pakken, is ongeloofwaardig en hij heeft dat ook op geen enkele wijze onderbouwd. Dat een en ander niet in het mutatiesysteem is geregistreerd, doet hieraan wat de kantonrechter betreft niet af. Van belang is nog wel dat is verklaard dat de aangetroffen drugs gebruikershoeveelheden betrof. De kantonrechter concludeert daaruit dat het kennelijk geen handelsvoorraad was. Er is geen verdere vervolging ingesteld.

2.4

Voor het overige acht de kantonrechter [eisers] niet in het bewijs geslaagd. In punt 5.1 van het tussenvonnis van 5 februari 2019 heeft de kantonrechter al overwogen dat het kwijtraken van een sleutelbos en het ingooien van een ruit door derden onvoldoende zijn om aan te nemen dat [gedaagde] zich niet heeft gedragen als een goed huurder. Aldus blijven over de gebeurtenissen van 14 oktober 2017. Uit de getuigenverklaringen blijkt dat het een 'melding verdachte situatie' betrof (door de dochter van [eisers]). Daarmee is niet gebleken van overlast of het veroorzaken van schade aan het gehuurde. Ook blijkt niet dat die avond of naderhand zou zijn verklaard door politieambtenaren dat het gehuurde een overlastpand dreigde te worden. De kantonrechter is verder van oordeel dat het enkele handelen in strijd met de Opiumwet (de aanwezigheid van drugs) nog niet betekent dat sprake is van slecht huurderschap. Er moet sprake zijn van bijkomende omstandigheden zoals het veroorzaken van gevaarlijke situaties of overlast. Het enkel voorhanden hebben van gebruikers-hoeveelheden drugs - en dus geen handel in - levert immers in beginsel geen nadeel op voor [eisers] of voor omwonenden. Daarbij is het aanwezig hebben van drugs niet verboden in de huurovereenkomst of de Algemene Bepalingen bij de huurovereenkomst, zodat [gedaagde] niet in strijd met de huurovereenkomst handelt. [gedaagde] was zelf die avond aanwezig zodat ervan moet worden uitgegaan dat de aanwezigen er met zijn toestemming waren.

2.5

De kantonrechter kan begrijpen dat [eisers] het een onwenselijke of zelfs verdachte situatie vond en dat hij ongerust was, mede omdat een andere huurster boven het gehuurde woonde (of woont). De feiten zijn evenwel onvoldoende om aan te nemen dat [gedaagde] zich niet als een goed huurder heeft gedragen dusdanig dat dit tot ontbinding van de huurovereenkomst moet leiden. De slotsom is dat de kantonrechter de vordering van [eisers] zal afwijzen.

2.6

[eisers] krijgt ongelijk. De kantonrechter zal [eisers] veroordelen in de kosten van de procedure. De kantonrechter rekent € 250,00 per punt en 3½ punt conform het liquidatietarief kanton.

in reconventie

2.7

[gedaagde] vordert - kort weergegeven - [eisers] te veroordelen om hem toegang tot het pand aan de [adres 2] te verlenen op straffe van een dwangsom, en voor recht te verklaren dat [eisers] tekortgeschoten is in zijn verplichtingen en mitsdien schadeplichtig is voor de door [gedaagde] geleden schade, nader op te maken bij staat. [gedaagde] heeft bij Akte in reconventie zijn schade nader toegelicht, maar gesteld dat nader deskundigenonderzoek nodig is om de schade vast te stellen. De kantonrechter overweegt het volgende.

2.8

[eisers] heeft op 16 of 17 oktober 2019 de sloten van het gehuurde veranderd en daarmee [gedaagde] de toegang tot het gehuurde onmogelijk gemaakt. Bij brief van 20 oktober 2017 heeft de gemachtigde van [gedaagde] [eisers] gesommeerd om [gedaagde] toegang tot het gehuurde te verlenen (r.n. 5 conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie). [eisers] heeft daaraan geen gevolg gegeven en is daarmee in verzuim geraakt. Uit wat in conventie is overwogen en beslist, blijkt dat [eisers] in strijd met art. 7:203 BW het gehuurde niet ter beschikking heeft gesteld aan [gedaagde]. Dit leidt tot toewijzing van vordering om [gedaagde] toegang tot het gehuurde te geven. De kantonrechter ziet aanleiding de dwangsommen te maximeren tot een lager bedrag. [eisers] is voorts toerekenbaar tekortgeschoten jegens [gedaagde] en in beginsel gehouden tot schadevergoeding. In de toelichting bij Akte in reconventie is voldoende aannemelijk gemaakt dat [gedaagde] schade heeft geleden die nu nog niet kan worden vastgesteld. De kantonrechter zal de zaak dan ook verwijzen naar de schadestaatprocedure.

2.9

[eisers] krijgt ongelijk. De kantonrechter zal [eisers] veroordelen in de kosten van de procedure. De kantonrechter rekent geen apart punt voor de comparitie na antwoord nu deze in de conventie is meegerekend.

De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

wijst de vorderingen van [eisers] af;

veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de kosten van de procedure aan de zijde van [gedaagde] gevallen, welke kosten tot op heden worden begroot op € 875,00 voor het salaris gemachtigde;

in reconventie

veroordeelt [eisers] om [gedaagde] binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de toegang tot het pand aan de [adres 2] te verlenen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat [eisers] daarmee in gebreke blijft, met een met een maximum van

€ 60.000,00;

verklaart voor recht dat [eisers] tekortgeschoten is in zijn verplichtingen voortvloeiende uit de tussen partijen gesloten huurovereenkomst van 3 augustus 2017 voor de onroerende zaak staande en gelegen te [plaats 1] aan de [adres 2] en mitsdien schadeplichtig is voor de door [gedaagde] geleden schade, nader op te maken bij staat;

veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de kosten van de procedure aan de zijde van [gedaagde] gevallen, welke kosten tot op heden worden begroot op € 250,00 voor het salaris van de gemachtigde van [gedaagde];

in conventie en in reconventie

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst - voor zoveel nodig - het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. G.J.J. Smits en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2019.

typ/conc: 552 / GJJS

coll: