Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:4390

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-10-2019
Datum publicatie
24-10-2019
Zaaknummer
18/730222-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich -al dan niet tezamen met een ander of anderen- heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van de in de loods aangetroffen hoeveelheid hasjiesj en spreekt verdachte vrij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730222-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 23 oktober 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van

9 oktober 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.J.P.M. Grijmans, advocaat te Bolsward. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Lübbers.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 13 juli 2017, te Drachten, gemeente Smallingerland, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid van ongeveer 498 kilogram, in elk geval een grote hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

(een) N.N. verdachte(n), op of omstreeks 13 juli 2017 te Drachten, gemeente Smallingerland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door hem/hen of zijn/hun medeverdachte(n) voorgenomen misdrijf om opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland te brengen en/of te vervoeren een grote hoeveelheid van ongeveer 498 kilogram, in elk geval een grote hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj)

waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, met voormeld oogmerk een loods heeft/hebben geregeld en/of een trailer en/of die grote hoeveelheid hasjiesj in die loods heeft hebben gebracht en/of een trailer (deels) heeft/hebben beladen met die grote hoeveelheid hasjiesj, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid, bij en/of tot welk voorgenomen misdrijf verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest door mee te helpen die hasjiesj (in pakketten) te verbergen in kokers onder die trailer en/of mee te helpen die trailer te prepareren om drugs te

vervoeren en/of de loods beschikbaar te stellen (waarvan hij verdachte beschikte over de sleutel) waarin die oplegger stond;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor het primair en subsidiair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat, op basis van het dossier, onvoldoende wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte wetenschap had dat de drugs in de trailer lagen. Hoewel zij de verklaringen van verdachte voor zijn aanwezigheid in de loods en dat hij niets te maken heeft met de aangetroffen drugs ongeloofwaardig vindt, kunnen deze verklaringen niet op voorhand als onaannemelijk terzijde worden geschoven. Evenmin kunnen de verklaringen van verdachte met tegenbewijs worden weerlegd. Voorts heeft de officier van justitie aangevoerd dat er op het moment van aanhouding van verdachte en zijn medeverdachten wel sprake was van een redelijk vermoeden van schuld.


Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe in eerste plaats aangevoerd dat er ten tijde van de aanhouding van verdachte geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld, zodat de aanhouding van verdachte onrechtmatig was. De omstandigheden dat een anonieme tipgever heeft verklaard dat er buitenlandse trailers in en uit de loods rijden, dat er geluiden van een slijptol te horen zijn en het feit dat verbalisanten hebben geconstateerd dat er twee lange stalen balken tussen de chassis waren geplaatst, leveren onvoldoende grond op voor een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit. Indien de rechtbank van mening is dat verdachte wel rechtmatig is aangehouden merkt de raadsman op dat verdachte pas bij zijn aanhouding de cautie is gegeven. De verbalisanten hebben dan ook opsporingsbevoegdheden uitgeoefend, terwijl er geen sprake was van een verdenking. Het bewijs dat daar door het zoekend rondkijken en na de aanhouding is vergaard, mag niet worden gebruikt om een bewezenverklaring te ondersteunen.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte wetenschap zou hebben dat er hasjiesj aanwezig waren in de loods. Uit het dossier kan enkel worden opgemaakt dat verdachte een sleutel van de loods had en de aanwezige personen binnen heeft gelaten. Ter zitting heeft verdachte aangegeven wat hij heeft gedaan. Deze verklaring van verdachte kan niet worden weerlegd door andere verklaringen in het dossier. Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om te komen tot een bewezenverklaring van het primair en subsidiair ten laste gelegde.

Oordeel van de rechtbank

(On)rechtmatige aanhouding

Ten aanzien van het verweer van de raadsman dat de aanhouding van verdachte onrechtmatig was, overweegt de rechtbank als volgt. De politie heeft diverse meldingen ontvangen dat er trailers met een buitenlands kenteken de loods in Drachten werden ingereden, waarna er

flex- en slijptolgeluiden werden gehoord. Een dag later werden de trailers dan vervolgens weer opgehaald. Op 13 juli 2017 kreeg de politie de melding dat er op 12 juli 2017 opnieuw een trailer met buitenlands kenteken de loods was ingereden. Ter plaatse hoorden de verbalisanten geluiden als schroeven en boren en het klappend geluid van zware metalen. Na het betreden van de loods werden verdachte en de medeverdachten door de verbalisanten in de nabijheid van de trailer aangetroffen. De laadbak van de trailer stond op bokken en de bouten waren verwijderd en lagen in de nabijheid van de constructie. In de lengterichting lagen twee staalkleurige balken op het chassis. In de bodem van de laadbak was een uitsparing gemaakt ter hoogte van de balken die op het chassis waren geplaatst, waarna -als de laadbak op dat chassis was geplaatst- die balken volledig aan het zicht waren onttrokken. Het was verbalisanten ambtshalve bekend dat in verborgen ruimten of compartimenten van voertuigen verdovende middelen, geld of andere illegale goederen vervoerd worden. Op grond van deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er ten tijde van de aanhouding van verdachte sprake was van een redelijk vermoeden van schuld van een strafbaar feit. Aldus is de rechtbank van oordeel dat de aanhouding van verdachte rechtmatig was. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

(Medeplegen van) opzettelijk aanwezig hebben van de hoeveelheid hasjiesj

Voor de beantwoording van de vraag of verdachte en zijn medeverdachten de aangetroffen hoeveelheid hasjiesj (al dan niet in voorwaardelijke zin) opzettelijk aanwezig hebben gehad, moet allereerst worden bezien of verdachte en zijn medeverdachten op de hoogte waren van de aanwezigheid van de hasjiesj in of op de trailer.

Verdachte heeft betoogd dat hij de mannen toegang tot de loods verschaft om reparatiewerkzaamheden aan een trailer uit te voeren en in de kantine aan het wachten was tot de mannen klaar waren en op geen enkele wijze heeft kunnen weten dat er hasjiesj in de trailer zaten, omdat dit voor hem op geen enkele wijze waarneembaar is geweest of had moeten zijn.

De rechtbank stelt vast dat door de verbalisanten bij binnenkomst in de loods niet is waargenomen dat er zich in de loods verdovende middelen bevonden. Pas na onderzoek met een speurhond is de hoeveelheid hasjiesj aangetroffen, die verborgen was in de kokers tussen de balken die zich in de aangebrachte uitsparing van de bodem van de laadbak bevonden. De rechtbank concludeert op basis van deze bevindingen van de politie dat het niet reeds op het eerste gezicht duidelijk was dat er zich in of op de trailer hasjiesj bevonden.

Op één van de in de kokers aangetroffen pakketten hasjiesj is DNA aangetroffen dat blijkens onderzoek van het NFI afkomstig kan zijn van medeverdachte [medeverdachte 1]. Vanwege de onvolledigheid van dit DNA-profiel kon de matchkans niet worden berekend. Door het NFI is gerelateerd dat met aanvullend onderzoek getracht zou kunnen worden om van het aangetroffen DNA een informatiever DNA-profiel te verkrijgen om de bewijskracht van de gevonden overeenkomsten met het DNA-profiel van medeverdachte [medeverdachte 1] te bepalen. De rechtbank constateert dat het Openbaar Ministerie voor een dergelijk onderzoek geen opdracht heeft gegeven. Aldus is de bewijskracht van het aangetroffen DNA niet gebleken en kan er om die reden aan het aantreffen van het (vermeende) DNA van medeverdachte [medeverdachte 1] geen doorslaggevende betekenis worden toegekend.

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft in zijn eerste verhoor bij de politie, welk verhoor in de middag van de dag van de aanhouding heeft plaatsgevonden, verklaard dat zowel door hem als zijn medeverdachten aan de verlichting van de trailer werd gewerkt.

De rechtbank stelt vast dat verbalisanten hebben gerelateerd dat de bewuste trailer een nagenoeg nieuwe trailer was. Uit het dossier blijkt echter niet dat ten tijde van de inbeslagneming de verlichting van de trailer al dan niet functioneerde. Uit het dossier blijkt evenmin dat er na het eerste verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] onderzoek is gedaan naar de werking van de verlichting van de trailer. De rechtbank is van oordeel dat er weliswaar vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de verklaring van verdachte en de medeverdachten over het verrichten van werkzaamheden aan de trailer, maar dat vanwege het ontbreken van objectief bewijs, hun verklaringen over hun aanwezigheid in de loods niet zonder meer als ongeloofwaardig ter zijde kunnen worden geschoven nu er geen nader technisch onderzoek heeft plaatsgevonden aan (het onderstel van de) trailer.

Het bovenstaande leidt ertoe dat de rechtbank van oordeel is dat onvoldoende wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich -al dan niet tezamen met een ander of anderen- heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van de in de loods aangetroffen hoeveelheid hasjiesj. Verdachte zal dan ook van het primair en subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

inbeslaggenomen goederen

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om het in beslag genomen geld terug te geven aan verdachte.

Het standpunt van de verdediging en verdachte

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot het in beslag genomen geldbedrag. Verdachte heeft ter zitting aangegeven dat het in de kantine aangetroffen geldbedrag niet van hem is.

Het oordeel van de rechtbank

Nu verdachte heeft aangegeven dat het geldbedrag niet van hem is, zal de rechtbank gelasten dat de geldbedragen terug zullen worden gegeven aan de rechtmatige eigenaar.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Gelast de teruggave van de inbeslaggenomen en nog teruggegeven geldbedragen van

68 biljetten van vijftig euro en 27 biljetten van vijftig euro aan de rechtmatige eigenaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A. van Capelle, voorzitter, mr. M. Brinksma en

mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door C. Vellinga-Terpstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 oktober 2019.

Mr. Van Capelle is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.