Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:4359

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
16-10-2019
Datum publicatie
28-11-2019
Zaaknummer
LEE 18/1613
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet hergebruik van overheidsinformatie. Verweerder is geen openbaar lichaam in de zin van de richtlijn 2003/98/EG en dus evenmin een met een publieke taak belaste instelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 18/1613

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 september 2019 in de zaak tussen

[naam], te [plaats], eiser,

en

Vektis, verweerder

(gemachtigden: mr. N.J.E.G. Cremers en drs. T. van Gork).

Procesverloop

Bij brief van 22 maart 2018 heeft verweerder het verzoek om informatie te verstrekken op grond van de Wet hergebruik van overheidsinformatie (Who) afgewezen.

Bij brief van 17 april 2018 heeft verweerder het verzoek om informatie opnieuw afgewezen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft een nadere reactie ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2019. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij brief van 27 februari 2018 heeft eiser verweerder verzocht informatie te verstrekken op grond van Who. Deze informatie betreft verzekerden jonger dan 18 jaar, waarvan in de periode 2011 tot en met 2015 door de zorgverzekeraar geen mondzorgdeclaratie is ontvangen. Eiser heeft verweerder verzocht deze informatie per verzekeraar in te delen.

1.2.

Bij e-mailbericht van 22 maart 2018 heeft verweerder aan eiser over het jaar 2016 informatie verstrekt over het percentage kinderen onder de 18 jaar dat niet naar de tandarts gaat. Verweerder heeft eiser meegedeeld geen informatie te mogen verstrekken per verzekeraar.

1.3.

Bij e-mailbericht van 30 maart 2018 heeft eiser verzocht deze informatie nader onder te verdelen per unieke zorgverzekeraarsidentificatiecode.

1.4.

Bij brief van 13 april 2018 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld.

2. Bij e-mailbericht van 17 april 2018 heeft verweerder meegedeeld niet akkoord te gaan met de ingebrekestelling en het informatieverzoek. Volgens verweerder is de Who niet van toepassing omdat verweerder geen publiekrechtelijke taak verricht. Het verzoek ziet op medische gegevens. Deze gegevens mogen niet worden verstrekt.

3. Eiser voert aan dat verweerder een met een publieke taak belaste instelling is en de Who dus van toepassing is op de door haar verzamelde data. Verweerder is een commanditaire vennootschap waarin de zorgverzekeraars zich verenigd hebben om gezamenlijk uitvoering te geven aan hun dataverwerking. De zorgverzekeraars geven op basis van de Zorgverzekeringswet, daar waar het de basisverzekering betreft, uitvoering aan een publieke taak. De zorgverzekeraars maken terzake de uitvoering van de basiszorg gebruik van verweerder. Alle basiszorgdeclaraties moeten via verweerder ingediend worden om verwerkt te kunnen worden door de zorgverzekeraars. Verweerder is daarmee betrokken bij de uitvoering van de Zorgverzekeringswet en valt daarmee onder de Who.

4. De rechtbank ziet zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag of zij bevoegd is kennis te nemen van het door eiser ingestelde beroep.

Voor de beantwoording van die vraag is in de eerste plaats van belang of verweerder kan worden aangemerkt als een met een publieke taak belaste instelling.

4.1.

Op grond van artikel 1, aanhef en onder c, van de Who is een met een publieke taak belaste instelling een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de richtlijn 2003/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake het hergebruik van overheidsinformatie (richtlijn).

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de richtlijn wordt onder openbaar lichaam verstaan: de staat, zijn territoriale lichamen, publiekrechtelijke instellingen, en verenigingen gevormd door een of meer van deze lichamen of een of meer van deze publiekrechtelijke instellingen.

Ingevolge het tweede lid van artikel 2 van de richtlijn is een publiekrechtelijke instelling – voor zover van belang – iedere instelling die rechtspersoonlijkheid heeft.

4.2.1.

Niet in geschil is dat verweerder niet behoort tot de staat, zijn territoriale lichamen of een vereniging gevormd door een of meer van deze lichamen of publiekrechtelijke instellingen en in zoverre geen openbaar lichaam is in de zin van de richtlijn.

4.2.2.

Voorts is niet in geschil dat verweerder als commanditaire vennootschap geen rechtspersoonlijkheid heeft. De rechtbank overweegt dat verweerder daarmee niet voldoet aan een van de criteria van artikel 2, tweede lid, van de richtlijn en verweerder reeds daarom geen publiekrechtelijke instelling is. Omdat sprake is van cumulatieve voorwaarden komt de rechtbank niet toe aan de toetsing van de overige in voornoemde bepaling genoemde criteria. Het vorenstaande betekent dat verweerder geen openbaar lichaam is in de zin van de richtlijn en dus evenmin een met een publieke taak belaste instelling. Het betoog van eiser faalt dan ook.

5. De rechtbank overweegt dat verweerder evenmin kan worden aangemerkt als bestuursorgaan.

5.1.

Aangezien verweerder geen rechtspersoonlijkheid bezit is verweerder naar het oordeel van de rechtbank reeds daarom geen a-orgaan als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

5.2.

De rechtbank overweegt dat verweerder evenmin een b-orgaan is als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. Voor het antwoord op de vraag of verweerder met enig openbaar gezag is bekleed, als bedoeld in die bepaling, is bepalend of aan haar een publiekrechtelijke bevoegdheid tot het bepalen van een rechtspositie van andere rechtssubjecten is toegekend. De door eiser verzochte informatie ziet op door verweerder verwerkte informatie ten aanzien van mondzorgdeclaraties. Niet gebleken is dat aan verweerder voor het verwerken van deze informatie een publiekrechtelijke bevoegdheid is toegekend.

6. Nu verweerder gelet op het vorenstaande geen bestuursorgaan is en evenmin – op grond van artikel 2, tweede lid, van de Who, gelijkgesteld wordt met een bestuursorgaan, zijn de brieven van verweerder van 22 maart en 17 april 2018 geen besluiten waartegen bezwaar en beroep openstaat. De rechtbank is dan ook niet bevoegd kennis te nemen van het door eiser ingestelde beroep.

7. Aan de beantwoording van de vraag of verweerder onder verantwoordelijkheid van een met een publieke taak belaste instelling werkzaam is, komt de rechtbank niet toe omdat de wetgever dergelijke instellingen in de Who niet gelijkstelt met bestuursorganen zodat hetgeen onder 6 is overwogen geldt.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd van het beroep kennis te nemen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, voorzitter, mr. E.M. Visser en mr. M.S. van den Berg, leden, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 september 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.