Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:4340

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-10-2019
Datum publicatie
22-10-2019
Zaaknummer
18/730097-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie: Veroordeling voor woninginbraak, diefstal auto en schuldheling. De rechtbank schuift de verklaringen van verdachte met betrekking tot de inbraak en de diefstal als volstrekt onaannemelijk terzijde. Verdachte heeft ten aanzien van de schuldheling niet voldaan aan de onderzoeksplicht. Oplegging ISD-maatregel met aftrek van voorarrest. Herroeping VI.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 311
Wetboek van Strafrecht 417bis
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730097-19

vordering tot herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling zaaknummer 99/000304-34

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 17 oktober 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in PI Leeuwarden te Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 oktober 2019.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.J.P.M. Grijmans, advocaat te Bolsward.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks het tijdvak van 18 mei 2019 tot en met 19 mei 2019, te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een koptelefoon en/of een rieten mand en/of zonnebrillen en/of horloges en/of

een kluis (inhoudende onder meer een wapen) en/of medische instrumenten en/of een decoder/opnameapparatuur voor het opnemen van beelden van een (bewakings) camerasysteem en/of andere goederen, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s)zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

2.

hij op of omstreeks 21 maart 2019, te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een personenauto, merk/type VW Golf, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

3.

hij in of omstreeks het tijdvak van januari t/m mei 2019 te Leeuwarden, een (hoeveelheid) goed(eren) te weten onder meer:

- een hoeveelheid gereedschap (genoemd in aangiftes van [slachtoffer 3] , genummerd 2019018415, pagina 448 en 2019049516, pagina 351) en/of

- een hoeveelheid huishoudelijke goederen (genoemd in aangifte van [slachtoffer 4] , genummerd 2019128685, pagina 383)

heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks het tijdvak van januari t/m mei 2019, te Leeuwarden, althans in Nederland, (een) voorwerp(en), te weten onder meer

- een hoeveelheid gereedschap (genoemd in aangiftes van [slachtoffer 3] , genummerd

2019018415, pagina 448 en 2019049516, pagina 351) en/of

- een hoeveelheid huishoudelijke goederen (genoemd in aangifte van [slachtoffer 4] , genummerd 2019128685, pagina 383),

heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van (een) voorwerp(en), te weten bovengenoemd(e) gereedschap en/of huishoudelijke goederen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat/die

voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1., 2. en 3. primair ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat sprake is van medeplegen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat verdachte, uitgaande van de door hem ter terechtzitting van 3 oktober 2019 afgelegde verklaring, wist dat de auto gestolen was en dat ook gedragingen na afloop van het strafbare feit kunnen bijdragen aan de conclusie dat sprake is van medeplegen. Ten aanzien van het onder 3. primair ten laste gelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat sprake is van opzetheling. Volgens de officier van justitie kan wel worden bewezen dat sprake is van schuldheling, omdat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het om door misdrijf verkregen goederen ging.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1. ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte in de woning van aangever [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) is geweest, noch dat hij de inbraak tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd.

De zoon van verdachte, medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), heeft verklaard dat hij rond 3.00 uur 's nachts alleen in de woning van [slachtoffer 1] is geweest en dat hij daar gewond is geraakt. Uit de camerabeelden blijkt dat verdachte rond 5.30 uur bij die woning is geweest. Uit die beelden blijkt niet dat verdachte in de woning is geweest en in de woning zijn ook geen sporen van verdachte aangetroffen. Verdachte heeft erkend dat hij bij de woning is geweest, maar hij heeft verklaard dat hij niet binnen is geweest. Ter terechtzitting heeft verdachte hiervoor een plausibele verklaring gegeven. Hij heeft verklaard dat hij eerst naar zijn ouders is gegaan om werkkleren en schoonmaakmiddelen te halen, dat hij deze goederen in een oranje tas heeft gedaan en dat hij vervolgens naar de woning is gegaan om de bloedsporen van [medeverdachte 1] uit te wissen. Verdachte is niet naar binnen gegaan, omdat hij licht zag branden en stemmen hoorde. Verdachte heeft dit niet eerder verklaard, omdat hij zijn zoon niet wilde belasten. Anders dan de politie opmerkt, is op de schermafdrukken op de pagina's 261 (bovenste foto) en 263 (onderste foto) van het dossier niet te zien dat de oranje tas voller was toen verdachte bij de woning wegliep dan toen hij erheen liep. In die tas kunnen in ieder geval niet de uit de woning weggenomen kluis en mand hebben gezeten.

Op de camerabeelden zijn geen andere personen te zien dan verdachte, zodat uit die beelden niet kan worden afgeleid dat verdachte de inbraak tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd. Alleen [medeverdachte 1] heeft verklaard dat verdachte het idee heeft geopperd om de woning binnen te gaan, omdat er misschien contant geld lag. Deze verklaring vindt geen steun in andere bewijsmiddelen. [medeverdachte 1] heeft zichzelf weliswaar ook belast, maar hij kon ook niet anders. [medeverdachte 1] heeft deze verklaring namelijk pas afgelegd op het moment dat de politie al bloedsporen had aangetroffen die naar hem wezen. Mogelijk heeft [medeverdachte 1] belastend over verdachte verklaard, omdat hij boos op verdachte was omdat hij dacht dat verdachte hem had belazerd en het geld uit de woning in zijn eigen zak had gestoken. Verdachte betwist dat hij tegen [getuige 1] heeft gezegd dat de spullen van [slachtoffer 1] in een aanhangwagen zaten en dat hij wilde dat zij deze eruit ging halen.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ook moet worden vrijgesproken van het onder 2. ten laste gelegde medeplegen van de diefstal van een auto. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 2] bij hem is gekomen, hem heeft verteld dat hij de auto heeft weggeduwd en hem heeft gevraagd te helpen de auto verder mee te nemen. Verdachte was bereid [medeverdachte 2] te helpen. Daarom is hij naar de auto gegaan en heeft hij het sleepoog in de auto gedraaid. Dit verklaart waarom er huidschilfers van verdachte op het sleepoog zijn aangetroffen. Vervolgens wilden verdachte en [medeverdachte 2] de auto wegslepen. Deze verklaring wijkt af van wat verdachte eerder heeft verklaard, maar het sluit daar wel bij aan. Verdachte heeft dit niet eerder verklaard, omdat hij [medeverdachte 2] niet wilde belasten. Uitgaande van deze verklaring kan niet worden bewezen dat verdachte de auto tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] heeft gestolen. Mogelijk kan verdachtes handelen worden gekwalificeerd als medeplichtigheid aan diefstal, maar dat is niet ten laste gelegd.

De raadsman heeft betoogd dat verdachte eveneens moet worden vrijgesproken van het onder 3. primair en 3. subsidiair ten laste gelegde. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd. Verdachte heeft verklaard dat hij de loods, waarin de gestolen goederen zijn aangetroffen, al langer gebruikte, maar dat hij deze nog niet formeel huurde. Hij had de huurovereenkomst nog niet getekend en hij had zelf ook nog geen huur betaald. Uit het dossier blijkt dat [naam 1] de benedenverdieping van de loods gebruikte en verdachte de bovenverdieping. De meeste gestolen goederen zullen op de benedenverdieping hebben gestaan. Dit geldt in ieder geval voor de grote goederen, omdat die niet via het kleine trapje naar boven konden worden gebracht. Verdachte heeft verklaard dat hij niet alle in de tenlastelegging bedoelde goederen heeft zien staan, aangezien hij daar niet op heeft gelet, nu deze goederen niet in zijn deel van de loods stonden. Ten aanzien van een deel van de goederen heeft verdachte verklaard dat deze afkomstig zijn uit de loods van [naam 2] (hierna: [naam 2] ) en [naam 3] (hierna: [naam 3] ), dat [naam 2] hem heeft gevraagd deze goederen over te brengen naar zijn eigen loods en dat hij dit heeft gedaan samen met de vriendin van [naam 2] . Verdachte kon niet zien om welke goederen dit precies ging, omdat de goederen in grote kratten zaten. [naam 2] heeft verklaard dat hij zich niet kon herinneren of hij dit aan verdachte had gevraagd, maar ook dat hij zich sowieso niet zoveel kon herinneren. Dit kan mogelijk worden verklaard doordat [naam 2] GHB gebruikte en GHB invloed heeft op het geheugen. Verdachte wist niet dat de goederen van misdrijf afkomstig waren en, gelet op de hiervoor beschreven gang van zaken, had hij ook geen aanleiding om dit te vermoeden.

Oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde

De rechtbank past ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1.1.

De door verdachte ter zitting van 3 oktober 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

De middag vóór de inbraak in de woning van [slachtoffer 1] zat ik samen met [getuige 1] , mijn zoon [medeverdachte 1] en een vriend van hem in de auto. [getuige 1] werd gebeld door [naam 4] . [naam 4] zei dat ze die nacht niet bij haar vader wilde slapen. Die nacht werd ik gebeld door [medeverdachte 1] . Ik heb hem en die vriend van hem opgepikt en naar de loods aan de [straatnaam] gebracht. [medeverdachte 1] heeft me toen verteld dat hij naar de woning van [slachtoffer 1] was gegaan en de deur open had getrapt. Later die nacht ben ik naar de woning van [slachtoffer 1] gelopen. Ik herken mijzelf op de camerabeelden. De rieten mand die is aangetroffen in de door mij gebruikte loods is niet van mij.

1.2.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 20 mei 2019, opgenomen op pagina 315 en volgende van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019126614 van 10 juli 2019, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :

Ik huur de bovenverdieping van het pand aan [straatnaam] . Op 17 mei 2019 ben ik uit de woning vertrokken. Mijn dochter [naam 4] bleef in mijn woning. Ik hoorde dat [naam 4] zei dat ze zaterdag 18 mei 2019, omstreeks 23.15 uur, de woning uit was gegaan en de woning en de deur slotvast en onbeschadigd had achtergelaten. Ik kwam zondag 19 mei 2019, omstreeks 21.30 uur, terug bij de woning. Ik zag dat de voordeur was opengebroken. In de woning was een camerasysteem. Ik zag dat de decoder was weggenomen. Ik zag dat een kastje op de grond lag. Ik zag dat het kluisje dat ik had vastgemaakt aan de bodem van het kastje was verdwenen. Hierbij werden de goederen, genoemd op de bijlage goederen, weggenomen.

1.3.

Een bijlage goederen van 21 mei 2019, opgenomen op pagina 321 en volgende van voornoemd dossier, onder meer inhoudend:

- Playstation 4 met 2x joypad, 4 spellen en een laadstation;

- 4 horloges, twee van het merk diesel (zwart/zilver), één van het merk Invictus (zwart/wit);

- hoofdtelefoon van het merk Bose;

- grijze kluis met daarin rond de € 1.400 in briefjes van 50 en 10 en een externe harde schijf;

- Tens apparatuur voor transcutane elektrische zenuwstimulatie;

- bloeddrukmeter;

- decoder behorende bij camerasysteem;

- rieten mand;

- zonnebril van het merk Prada;

- drie zonnebrillen van het merk Rayban;

- zwarte portefeuille met pasjes, waaronder oude ID-kaart;

- horloge van het merk Panarai;

- 5 horloges van het merk Audemars Piguet;

- 1 horloge van het merk Dolce & Gabbana.

1.4.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 20 mei 2019, opgenomen op de pagina's 334 en 335 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :

Bij de woninginbraak aan [straatnaam] te Leeuwarden is ook een wapen weggenomen. Het wapen lag in het kluisje.

1.5.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 12 augustus 2019, los opgenomen in het dossier, inhoudend als verklaring van [medeverdachte 1] :

Ik kreeg van [getuige 1] te horen, terwijl ik bij mijn vader in de auto zat, dat [naam 4] niet bij haar vader wilde slapen. Ik hoorde van [getuige 1] dat [slachtoffer 1] op vakantie was. Mijn vader en ik begrepen door de woorden van [getuige 1] dat er niemand thuis was bij [slachtoffer 1] . Mijn vader opperde het idee om bij [slachtoffer 1] naar binnen te gaan, omdat er misschien contant geld lag. Daar hadden we beiden belang bij. Na het gesprek met [getuige 1] heeft mijn vader mij bij mijn moeder gebracht. Vanaf daar ben ik lopend naar [straatnaam] gegaan. Dit was rond 03.00 uur. Ik ben op [straatnaam] naar binnen gegaan. Ik zocht geld. Ik zag een tv aan de muur met camerabeelden. Ik zocht naar het kastje van deze camerabeelden. Ik heb deze gevonden, heb deze meegenomen en ben weggegaan. Ik heb de deur open getrapt. [slachtoffer 1] woont daar. Ik heb dat kastje in de loods van mijn vader neergelegd. Na de inbraak heb ik mijn vader gebeld. Hij heeft mij opgehaald voor de woning van [slachtoffer 1] . Daarna zijn we naar de loods gereden. Daarna heeft mijn vader mij weer teruggebracht naar mijn moeder. Bij het binnengaan van de woning heb ik een koevoet gebruikt uit de loods van mijn vader. Ik las de volgende ochtend dat er allemaal spullen uit het huis gestolen waren. Ik heb mijn vader gevraagd of hij daar was geweest. Hij zei daarop tegen mij dat hij daar geweest was.

1.6.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 23 mei 2019, opgenomen op pagina 118 en volgende van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant(en):

Op 21 mei 2019 is in de fouillering van [verdachte] een sleutelbos aangetroffen. Aan deze sleutelbos zat een sleutelring met daaraan een kleine afstandsbediening met vier knoppen en een losse sleutel. Wij zijn naar het loodsencomplex aan [straatnaam] te Leeuwarden gereden. Middels de kleine afstandsbediening konden wij het loodsencomplex oprijden, doordat het centrale hek voor het loodsencomplex opende toen wij op één van deze knoppen drukten. Wij hebben de losse sleutel in het slot van loods [nummer] gestoken en omgedraaid. Toen bleek dat deze sleutel op het slot van de deur van de loods paste. Wij hebben de loods betreden. Wij zagen dat de loods bestond uit twee gedeeltes, een gedeelte beneden en een gedeelte boven. In de loods zijn meerdere goederen aangetroffen en in beslag genomen: op de begane grond (onder meer) een koptelefoon van het merk Bose, een blauw doosje van het merk Prada, met daarin twee zonnebrillen van het merk Ray-Ban, en op de eerste etage (onder meer) een rieten mand en een breekijzer.

Op 21 mei 2019 zag ik, verbalisant [verbalisant 1] , dat er twee personen bij de loods kwamen. Zij bleken te zijn genaamd [getuige 1] en [getuige 2] . Ik hoorde [getuige 1] zeggen dat zij op zoek was naar " [verdachte] " en dat zij dacht dat hij mogelijk bij de loods was. Ik hoorde haar tevens zeggen dat zij de ex-vrouw was van de aangever van de woninginbraak van [straatnaam] , [slachtoffer 1] , en dat zij de huidige vriendin was van [verdachte] . Ik hoorde [getuige 2] zeggen dat zij de dochter is van aangever [slachtoffer 1] en [getuige 1] . Ik hoorde haar zeggen dat zij de rieten mand die op de eerste etage van de loods werd aangetroffen en nu buiten de loods stond, herkende als zijnde het eigendom van haar vader.

1.7.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 21 juni 2019, opgenomen op de pagina's 161 en 162 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant(en):

Op 21 juni 2019 waren wij op een loodsencomplex aan [straatnaam] te Leeuwarden. Uit nieuwe informatie van de vriendin van de verdachte bleek dat de verdachte ook in het bezit is van een witte, dichte aanhanger welke op dit loodsencomplex gestald staat. In deze aanhanger zouden mogelijk ook nog gestolen goederen gestald zijn. Hierop heb ik, verbalisant [verbalisant 2] , de bedoelde aanhangwagen in beslag genomen. Deze stond op de kopse kant geparkeerd van de rij loodsen waarvan de verdachte een loods huurt. Verder stonden op het terrein geen aanhangwagens die voldeden aan de opgegeven omschrijving. In de aanhangwagen zagen we onder meer een opengeflexte kluis, een boodschappenkrat en een vuilniszak. Wij zagen dat er meerdere goederen in het boodschappenkrat zaten, waaronder meerdere horloges, een computer en een boksbeugel. In de vuilniszak zagen wij meerdere papieren en pasjes, waarop de naam [slachtoffer 1] te zien was.

In de loods zagen wij meerdere sleutels liggen. Hierop heb ik, verbalisant [verbalisant 2] , de sleutel geprobeerd op het disselslot van de aanhangwagen. Ik voelde en zag dat de sleutel paste in het disselslot en dat ik met deze sleutel het slot kon openen.

1.8.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 23 mei 2019, opgenomen op pagina 251 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant(en):

In de loods aan [straatnaam] te Leeuwarden werd een aantal goederen aangetroffen, waaronder een koptelefoon (Bose), twee Rayban zonnebrillen, een Prada brillenhoesje en een rieten mand. Deze goederen zijn op foto's vastgelegd. Op 22 mei 2019 werden aangever [slachtoffer 1] voornoemde goederen middels een foto getoond. Aangever verklaarde dat getoonde goederen van hem waren en dat deze goederen uit zijn woning waren gestolen.

1.9.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 23 mei 2019, opgenomen op pagina 258 en volgende van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Ik heb de camerabeelden van [bedrijf 1] aan de [straatnaam] te Leeuwarden uitgekeken. Ik zag dat op deze beelden de juiste datum te lezen was maar dat de tijd bijna anderhalf uur verschilde met de werkelijke tijd. Daar waar staat te lezen 04:00 uur in de ochtend is het in werkelijkheid rond 05:30 uur volgens de eigenaar van het camerasysteem. Na het zien van de beelden heb ik hier meerdere screenshots van gemaakt en deze zullen bij dit proces-verbaal gevoegd worden. Ik zal per foto beschrijven wat hierop te zien is.

Foto 3: 03:58:20 (CAM 3) Ik zie dat een witte auto wordt geparkeerd in het parkeervak en dat er één persoon uit deze auto stapt, scheef de straat oversteekt en in de richting van [straatnaam] loopt. Verder zie ik dat deze persoon een tas meeneemt.

Foto 4: 03:58:38 (CAM 3) Ik herken deze persoon als de mij ambtshalve bekende [verdachte] , nader te noemen: verdachte. Ik zie dat hij een rood/oranje gekleurde tas in zijn linkerhand heeft.

Foto 5: 03:58:48 (CAM 2) Ik zie nu verdachte op zijn rug en ik zie dat de tas die hij draagt een grote tas is. Tevens zie ik nu dat verdachte een trui met capuchon aan heeft met op zijn linker schouder een witte vlek of logo.

Foto 6: 03:59:01 (CAM 2) Ik zie dat verdachte [straatnaam] oversteekt in de richting van [perceel] .

Foto 7: 03:59:13 (CAM 2) Ik zie dat verdachte de oprit tussen de panden [nummer] en [nummer] inloopt en kort hierna verdwijnt in een inham van het pand van [perceel] . Door de tas die de verdachte bij zich heeft is te zien dat deze zich verplaatst naar/in de inham. Tevens is de witte vlek of logo op de rug van verdachtes trui te zien en deze gaat in precies dezelfde richting als de tas.

Foto 8: 04:16:37 (CAM 2) Ik zie voor het eerst weer beweging in de steeg cq oprit ter hoogte van de inham waarin de verdachte verdween. Ik zie vervolgens dat verdachte [straatnaam] oversteekt en via de stoep aan de andere zijde van de weg terugloopt.

Foto 9: 04:16:55 (CAM 1) Ik zie dat verdachte dezelfde tas weer bij zich draagt in zijn rechterhand. Het oogt nu dat de tas voller is dan toen verdachte met deze tas naar de woning liep.

Foto 11: 04:17:40 (CAM 3) Ik zie dat verdachte bij de auto aankomt en ik zie dat de kofferbak wordt geopend en kort hierna weer wordt gesloten. Ik zie dat hierna de bestuurdersdeur geopend wordt en dat de auto in beweging komt.

Na het bekijken van bovenstaande beelden ben ik naar de woning gegaan waarin is ingebroken aan [straatnaam] . Ik zag dat in de inham een witte voordeur zat welke toegang geeft tot de woning.

1.10.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 29 mei 2019, opgenomen op de pagina's 476 en 477 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [naam 1] :

Ik huurde een loods aan [straatnaam] te Leeuwarden. Ik geloof dat ik op 1 april uit de loods ben gegaan. Toen ik de loods huurde, gebruikte ik de benedenverdieping en [verdachte] de bovenverdieping. Ik heb de loods overgegeven aan [verdachte] . Toen ik de loods zelf nog huurde, had [verdachte] ook al een sleutel.

1.11.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 19 juni 2019, opgenomen op de pagina's 478 en 479 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :

(Vraag verbalisant: Ik heb van [naam 4] begrepen dat jij zondag 19 mei 2019 om 02.43 uur in de loods bent geweest.) Dat klopt. [verdachte] appte mij om 2.26 uur of ik wat te eten wilde brengen. Hij werd gebeld door [medeverdachte 1] en moest heel snel weg.

Voordat de inbraak bij [slachtoffer 1] plaats vond, is [naam 4] die avond bij mij gekomen. Ik heb [verdachte] verteld dat ze bij mij ging slapen. Toen ik dit aan [verdachte] vertelde zat hij in de auto met zijn zoon [medeverdachte 1] en een vriend van hem.

1.12.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 23 juni 2019, opgenomen op de pagina's 480 en 481 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :

[verdachte] gebruikt een witte overkapte aanhangwagen. [verdachte] heeft mij verteld, tijdens mijn bezoek aan hem in de Marwei, dat de spullen van [slachtoffer 1] in deze aanhangwagen zaten. [verdachte] wilde dat ik samen met [naam 1] deze spullen eruit ging halen.

1.13.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 23 juni 2019, opgenomen op de pagina's 483 en 484 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] :

Een paar dagen nadat er bij mijn vader [slachtoffer 1] ingebroken was, is mijn moeder alleen naar de loods aan [straatnaam] geweest. Mijn moeder vertelde mij dat er een aantal horloges lagen met een bruine band welke op een horlogehouder zaten. Ik wist dat een soortgelijke horloge uit de woning van mijn vader gestolen was. Ook heeft mijn moeder een controller van een Playstation gezien met een legerhoesje eromheen ook deze was uit de woning van mijn vader gestolen. Ook heeft ze een zwarte koptelefoon zien liggen. Ik weet dat er een draadloze zwarte koptelefoon gestolen is bij mijn vader.

1.14.

Een kennisgeving van inbeslagneming, opgenomen op pagina 1 van voornoemd dossier, voor zover inhoudend dat op 22 mei 2019 bij de fouillering van [verdachte] een geldbedrag van € 625,45 is aangetroffen en in beslag genomen.

Ten aanzien van de verweren dat niet kan worden bewezen dat verdachte in de woning van [slachtoffer 1] is geweest en dat ook niet kan worden bewezen dat verdachte de inbraak tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd, overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard, indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.

Verdachte en [medeverdachte 1] hebben de middag vóór de inbraak in de woning van [slachtoffer 1] (hierna: de woning) gehoord dat er die nacht niemand in de woning zou zijn. Verdachte heeft toen het idee geopperd om de woning binnen te gaan, omdat er misschien contant geld zou liggen. Daarbij was een vriend van [medeverdachte 1] aanwezig.

Die nacht, rond 3.00 uur, is [medeverdachte 1] naar de woning gegaan. Hij heeft de voordeur opengebroken met een koevoet die hij had meegenomen uit de door verdachte gebruikte loods aan de [straatnaam] te Leeuwarden (hierna: de loods). Vervolgens is [medeverdachte 1] naar binnen gegaan. Hij heeft in de woning naar geld gezocht en heeft de decoder van de bewakingscamera meegenomen. Na de inbraak heeft [medeverdachte 1] verdachte gebeld en heeft verdachte hem en zijn vriend bij de woning opgehaald. Vervolgens zijn zij naar de loods gereden. Daar heeft [medeverdachte 1] de decoder neergelegd.

Later die nacht is verdachte met een grote, oranje tas naar de woning gegaan. Op camerabeelden is te zien dat hij rond 5.30 uur de oprit oploopt en verdwijnt in de inham waar zich de voordeur van de woning bevindt en dat hij ongeveer 17 minuten later weer uit die inham tevoorschijn komt en wegloopt met de oranje tas.

Bij de inbraak zijn onder meer een Playstation met toebehoren, meerdere horloges, een hoofdtelefoon van het merk Bose, een kluis met € 1.400,00 aan contant geld, een decoder van een camerasysteem, een rieten mand, zonnebrillen van de merken Prada en Ray-Ban en meerdere pasjes weggenomen.

Twee dagen na de inbraak zijn in de loods meerdere voorwerpen aangetroffen die zijn gestolen uit de woning, waaronder een koptelefoon van het merk Bose, een doosje van het merk Prada met daarin twee Ray-Ban zonnebrillen, en een rieten mand. Ook is daar een breekijzer aangetroffen. De vriendin van verdachte heeft na de inbraak in de loods een aantal voorwerpen zien liggen die uit de woning zijn gestolen, waaronder een aantal horloges op een horlogehouder en een controller van een Playstation. Drie dagen na de inbraak is bij de fouillering van verdachte een contant geldbedrag van € 625,45 aangetroffen.

Verdachte heeft zijn vriendin verteld dat de spullen van [slachtoffer 1] in een door hem gebruikte, witte, overkapte aanhangwagen zaten. In een witte, overkapte aanhangwagen, die geparkeerd stond in de buurt van de loods, zijn meerdere voorwerpen aangetroffen die zijn gestolen uit de woning. Dit betreft onder meer een opengeflexte kluis, horloges en pasjes met daarop de naam van [slachtoffer 1] . De sleutel van het disselslot van de aanhangwagen hing in de loods.

De omstandigheden dat verdachte in de nacht van de inbraak bij de woning is geweest en dat in de door hem gebruikte loods en aanhangwagen goederen zijn aangetroffen die uit de woning zijn gestolen, alsmede de verklaringen van verdachtes zoon en vriendin, duiden op zijn betrokkenheid bij de inbraak. Verdachte heeft daarvoor geen aannemelijke verklaring gegeven. De rechtbank weegt deze omstandigheid mee bij de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde medeplegen van de inbraak kan worden bewezen.

De rechtbank hecht geen geloof aan verdachtes verklaring dat hij naar de woning is gegaan om de bloedsporen die [medeverdachte 1] daar had achtergelaten uit te wissen en dat hij niet naar binnen is gegaan omdat hij licht zag en stemmen hoorde bij de tegenovergelegen woning. Daartoe overweegt zij dat verdachte deze verklaring voor het eerst ter terechtzitting heeft afgelegd, terwijl hij bij de politie wisselende verklaringen heeft afgelegd die allemaal in strijd zijn met de ter terechtzitting afgelegde verklaring. De rechtbank acht het ook zeer onwaarschijnlijk dat verdachte 17 minuten lang heeft gewacht in de inham bij de voordeur naar de woning, voordat hij weer is weggelopen. Bovendien verklaart deze verklaring van verdachte niet hoe het kan dat zowel in de door verdachte gebruikte loods als in de door hem gebruikte aanhangwagen meerdere voorwerpen zijn gezien en aangetroffen die zijn gestolen uit de woning. De rechtbank zal deze verklaring van verdachte dan ook als volstrekt onaannemelijk terzijde schuiven.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte in de woning is geweest met het doel om uit die woning geld of goederen te stelen.

Uit de bewijsmiddelen blijkt niet wie de in de tenlastelegging genoemde goederen uit de woning heeft meegenomen (met uitzondering van de decoder). Op grond van deze bewijsmiddelen is de rechtbank echter van oordeel dat het niet anders kan dan dit is gedaan door verdachte en [medeverdachte 1] (en mogelijk de vriend van [medeverdachte 1] ).

Ook is de rechtbank op grond van het voorgaande van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 1] (en mogelijk de vriend van [medeverdachte 1] ), gericht op het plegen van een inbraak in de woning, is komen vast te staan. Hoewel uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat sprake is van een gezamenlijke uitvoering, is de bijdrage van verdachte aan het tenlastegelegde naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Verdachte heeft het idee geopperd om de woning binnen te gaan en hij heeft [medeverdachte 1] opgehaald nadat deze de deur had opengebroken en de decoder uit de woning had meegenomen. Enkele uren later is verdachte zelf door de opengebroken deur de woning binnengegaan. Vervolgens zijn de door verdachte of [medeverdachte 1] (en mogelijk de vriend van [medeverdachte 1] ) uit de woning gestolen voorwerpen bewaard in de door verdachte gebruikte loods en aanhangwagen.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen van de inbraak bewezen.

Oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde

De rechtbank past ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

2.1.

De door verdachte ter zitting van 3 oktober 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik heb een sleepoog in de rode Volkswagen Golf gedraaid. Ik ben weggelopen toen iemand me bij die auto zag.

2.2.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 4 juni 2019, opgenomen op pagina 512 en volgende van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019126614 van 10 juli 2019, inhoudend als verklaring van verdachte:

Op de [straatnaam] in Leeuwarden stond een rode VW Golf 4 SDI met schade achter een garagebedrijf, achter de benzinepomp. Ik ben een paar keer naar het bedrijf geweest. Ik heb geprobeerd om de Golf 4 aan de praat te krijgen met onderdelen van mijn eigen witte VW Golf. Dit lukte mij niet. Er zit geen hek om het garagebedrijf. De auto stond in de rij auto's die te koop staan.

2.3.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 21 maart 2019, opgenomen op de pagina's 599 en 600 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :

In de eerste week van januari 2019 heb ik een auto, merk VW, type Golf, rood van kleur en voorzien van het kenteken [kenteken] , ter reparatie weggebracht naar het bedrijf [naam bedrijf] aan de [straatnaam] te Leeuwarden. Vandaag, 21 maart 2019, vertelden uw collega's mij dat deze VW Golf is aangetroffen in Leeuwarden en dat hij gestolen is.

2.4.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 21 maart 2019, opgenomen op de pagina's 603 en 604 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant(en):

Op 21 maart 2019, om 01.24 uur, kwamen wij ter plaatse op de [straatnaam] ter hoogte van nummer [nummer] . Daar troffen wij getuige [getuige 3] . Tevens zagen wij daar een rode Volkswagen Golf, voorzien van kenteken [kenteken] . We zagen dat het voertuig aan de verkeerde zijde van de weg stond, met de neus in de richting van de [straatnaam] . We zagen dat er aan de voorzijde van de bijrijderszijde een sleepoog zat. We hoorden getuige [getuige 3] zeggen dat zij een man bij het voertuig weg had zien lopen. We hoorden getuige [getuige 3] zeggen dat de man er als volgt uitzag: blanke man, donker haar met stekels, bol gezicht, lang fors postuur, donkere werkkleding. Op basis hiervan keken collega's in de omgeving. Hierbij troffen zij op [straatnaam] een witte Volkswagen Golf, met daarin twee personen. Eén van deze personen voldeed aan het signalement. De collega's maakten een foto van deze persoon. Ik, verbalisant [verbalisant 3] , toonde deze foto aan getuige [getuige 3] . Ik hoorde getuige [getuige 3] zeggen dat dit de man was die zij bij het voertuig gezien had.

2.5.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 21 maart 2019, opgenomen op de pagina's 613 en 614 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant(en):

Op 21 maart 2019 zijn wij naar [straatnaam] gereden en zagen dat er een witte Volkswagen Golf aan het inparkeren was. Dit was op de kruising van [straatnaam] en de [straatnaam] . Vervolgens heb ik, verbalisant [verbalisant 4] , de bestuurder aangesproken. Ik zag dat het de mij ambtshalve bekende [verdachte] betrof. Wij zagen achter de witte Golf een soort sleepkabel zitten. Wij zagen dat de sleepkabel rechts onder de auto in een sleepoog was bevestigd. Wij zagen dat het de helft van de sleepkabel in de kofferbak zat en de helft eruit hing. Ik, verbalisant [verbalisant 4] , heb contact gelegd met de collega's die bij de rode Volkswagen stonden. Ik hoorde van de collega's dat een getuige een persoon had zien weglopen bij de rode golf en dat het zou gaan om een manspersoon met donkere werkkleding aan. Ik zag dat [verdachte] donkere werkkleding droeg. Ik, verbalisant [verbalisant 4] , heb vervolgens een foto van de kleding van [verdachte] gemaakt en naar de collega's bij de getuige gestuurd. Ik hoorde van de collega's dat de getuige deze kleding herkende.

2.6.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 21 maart 2019, opgenomen op de pagina's 624 en 625 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 3] :

Ik ben als beveiliger werkzaam bij [bedrijf 2] te Leeuwarden. Op donderdag 21 maart 2019, omstreeks 01:15 uur, was ik op de [straatnaam] te Leeuwarden. Ik zag hier een rode auto van het merk Volkswagen, type Golf, staan. Ik zag dat dit voertuig op een aparte manier op de weg stond, namelijk aan de linkerzijde van de weg met het linker voorwiel op de stoeprand. Ik zag dat er een man bij het voertuig wegliep. Dit was een lange man met een bol gezicht, kort stekeltjes haar en met een soort werkkleding aan. Hij had iets van een donkerblauwe of donkergrijze jas aan. Ik zag dat deze persoon wegliep in de richting van de [straatnaam] . Ik was tien minuten eerder ook op deze locatie en toen stond dit voertuig er nog niet. Ik ben uit mijn auto gestapt en naar de rode Volkswagen gelopen. Ik zag dat aan de voorzijde van deze auto een sleepoog bevestigd was. Ik heb hierop de politie gebeld, die even later aan kwamen rijden. Na een aantal minuten hoorde ik de agenten zeggen dat hun collega's de man hadden aangetroffen en dat zij hen een foto van de man zouden sturen zodat deze aan mij getoond kon worden. Enkele ogenblikken hierna liet één van de agenten mij een afbeelding op zijn telefoon zien van de man die aangetroffen was. Ik herkende de man als de man die ik weg had zien lopen bij de Volkswagen.

Naar aanleiding van het verweer van de raadsman overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de bovenstaande bewijsmiddelen leidt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden af.

Aangever heeft de rode auto van het merk Volkswagen, type Golf, met het kenteken [kenteken] (hierna: de auto), naar een garagebedrijf aan de [straatnaam] te Leeuwarden gebracht ter reparatie. De auto was kapot en kon niet rijden. Verdachte heeft de auto bij het garagebedrijf zien staan. Verdachte heeft geprobeerd de auto aan de praat te krijgen, maar dat is niet gelukt. Verdachte heeft op enig moment een sleepoog in de auto gedraaid.

Op 21 maart 2019 is de auto gestolen vanaf het niet afgesloten terrein van het garagebedrijf. Omstreeks 1:15 uur die dag heeft een beveiliger de auto aangetroffen ter hoogte van [straatnaam] te Leeuwarden en gezien dat verdachte bij de auto wegliep in de richting van de [straatnaam] . Toen zij 10 minuten eerder op diezelfde locatie was, stond de auto er nog niet. Aan de auto zat een sleepoog.

Korte tijd later is verdachte aangetroffen op de kruising van de [straatnaam] en [straatnaam] . Verdachte zat als bestuurder in een witte auto en was bezig deze auto te parkeren. Aan de witte auto zat een sleepoog en aan dit sleepoog was een spanband bevestigd.

Verdachte is meerdere keren gehoord over de diefstal van de rode auto. Tijdens het eerste verhoor op 21 maart 2019 heeft hij ontkend dat hij bij de rode auto was geweest en heeft hij verklaard dat hij deze auto nog nooit had gezien. Tijdens het tweede verhoor op 4 juni 2019 heeft hij de hiervoor onder 2.2. weergegeven verklaring afgelegd. Verder heeft hij toen, zakelijk weergegeven, verklaard dat hij toestemming van de garagehouder had om de auto weg te slepen naar een benzinepomp en dat dit de reden is dat hij het sleepoog erin heeft gedraaid. Ter terechtzitting van 3 oktober 2019 heeft verdachte, zakelijk weergegeven, verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) bij hem kwam in de loods aan de [straatnaam] , hem vertelde dat hij met een gestolen auto was gestrand en hem vroeg of hij wilde helpen om de auto weg te slepen. Ook heeft hij verklaard dat hij toen naar de auto is gelopen om er een sleepoog in te draaien met de bedoeling de auto daar weg te slepen en dat hij is weggelopen omdat hij werd gezien.

De rechtbank hecht geen geloof aan de verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd. Daartoe overweegt zij dat deze verklaring in strijd is met verdachtes eerdere verklaring dat hij de auto eerder al bij het garagebedrijf had zien staan en hij het sleepoog daar in de auto heeft geschroefd om de auto weg te slepen. Daarbij komt dat [medeverdachte 2] heeft ontkend dat hij iets weet van de diefstal van de rode auto. Verder neemt de rechtbank hierbij in aanmerking dat het onwaarschijnlijk is dat [medeverdachte 2] de auto, die blijkens de verklaring van aangever niet kon rijden, heeft verplaatst van het garagebedrijf aan de [straatnaam] naar de [straatnaam] , zonder deze met een ander voertuig te slepen. Bovendien blijkt uit de verklaring van getuige [getuige 3] dat de rode auto op het moment dat zij deze aantrof ter hoogte van [straatnaam] daar minder dan 10 minuten stond. De afstand tussen de [straatnaam] en de door verdachte gebruikte loods aan de [straatnaam] is ongeveer 650 meter. Het is zeer onwaarschijnlijk dat binnen dit korte tijdsbestek [medeverdachte 2] de rode auto ter hoogte van de [straatnaam] heeft geplaatst, [medeverdachte 2] de afstand van die locatie naar de loods lopend heeft afgelegd, verdachte deze afstand is teruggelopen en verdachte ook nog het sleepoog in de auto heeft gedraaid. Gelet op deze omstandigheden zal de rechtbank de verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd als hoogst onwaarschijnlijk terzijde schuiven.

Op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de rode auto met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen van het terrein van het garagebedrijf aan de [straatnaam] .

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte dit feit tezamen en in vereniging heeft gepleegd met [medeverdachte 2] (of één of meer andere personen). De rechtbank acht de verklaring van verdachte over de rol van [medeverdachte 2] niet geloofwaardig en het dossier bevat onvoldoende aanwijzingen voor betrokkenheid van [medeverdachte 2] bij de diefstal. De enkele omstandigheid dat [medeverdachte 2] samen met verdachte is aangetroffen in de witte auto is daarvoor onvoldoende.

De rechtbank acht ook niet bewezen dat verdachte zich de toegang tot de rode auto heeft verschaft of deze auto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking of inklimming. Daartoe overweegt zij dat uit het dossier blijkt dat er al eerder was ingebroken in de auto en niet duidelijk is in welke staat de auto zich daarna bevond en of de auto daarna überhaupt nog kon worden afgesloten. Ook blijkt niet dat verdachte in de auto is geweest. Daarnaast geldt dat verdachte heeft verklaard dat om het terrein van het garagebedrijf geen hek stond en uit het dossier niet blijkt dat dit anders is.

Oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder 3. primair ten laste gelegde

Onder 3. primair is - kort gezegd - aan verdachte ten laste gelegde dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling dan wel schuldheling van een hoeveelheid gereedschappen en een hoeveelheid huishoudelijke artikelen.

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte wist dat de gereedschappen en huishoudelijke artikelen door misdrijf verkregen waren. Daarom zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de onder 3. primair ten laste gelegde opzetheling.

De rechtbank past ten aanzien van de onder 3. primair ten laste gelegde schuldheling de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

3.1.

De door verdachte ter zitting van 3 oktober 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

De jongste rechter houdt mij voor dat in de door mij gebruikte loods goederen zijn aangetroffen, die door aangever [slachtoffer 3] zijn herkend als goederen die van hem zijn gestolen. Die goederen komen uit de loods van [naam 2] en [naam 3] . Toen ik gedetineerd zat in de Marwei, zat [naam 2] daar ook. Hij heeft mij toen gevraagd om de meeste spullen van waarde uit zijn loods te halen. Ik heb toen met hem afgesproken dat ik die spullen voor hem in bewaring zou nemen. Het was bijna allemaal gereedschap. Ik weet niet of de spullen die ik heb meegenomen van [naam 2] of van [naam 3] waren. Ik wist niet wat de letters "WTF" betekenden.

De jongste rechter houdt mij voor dat in de door mij gebruikte loods ook goederen zijn aangetroffen, die door aangever [slachtoffer 4] zijn herkend als goederen die van hem zijn gestolen. Ik heb in de loods wel een aantal dozen zien staan. Die dozen komen bij [naam 5] vandaan. Ik wist niet hoe hij aan die spullen was gekomen. Hij zat in de loods achter de loods van [naam 2] . Ik zou een fiets voor [naam 5] maken. Daarvoor heb ik van hem die kasten gekregen. Ik heb hem een sleutel van de loods gegeven en toen heeft hij die kasten in de loods gezet. Blijkbaar heeft hij die dozen daar toen ook neergezet. Dat is gebeurd op de dagen voordat ik werd opgepakt.

3.2.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 4 juni 2019, opgenomen op de pagina 512 en verder van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019126614 van 10 juli 2019, inhoudend als verklaring van verdachte:

(Vraag verbalisant: Kun je mij aangeven welke gedeelte van de loods aan [straatnaam] jij gebruikt?) In principe gebruik ik nu alles. Er staan ook nog wel een paar dingen van anderen in. Dit zijn onder meer [naam 3] en [naam 2] . Zij hebben er voornamelijk gereedschap staan. Ik trof [naam 2] in de Marwei toen we beiden vast zaten. Hij gebruikte ook een loods daar. [naam 2] huurde de loods van [naam 3] . Daar bleek ingebroken, dit voelde ik aan de deur. Toen heb ik alle spullen van [naam 2] en [naam 3] in mijn loods neergezet. De Festool boxen die in mijn loods staan, zijn voornamelijk van [naam 3] of [naam 2] . Tenminste die komen uit hun loods. Dit zal ongeveer een maand terug zijn, dat ik de spullen uit hun loods heb verhuisd naar mijn loods. Dit spul heb ik achter de trap gezet, op de benedenverdieping. Er zat ook wel Makita gereedschap tussen. Ik heb geluidsboxen, een airco, voor de rest zat alles in kratten, versterkers, verder zou ik het niet weten. (Opmerking verbalisant: Die goederen zijn bij jouw loods aangetroffen. Er staat met grote letters WTF op. Vraag verbalisant: Herken jij dit?) Dat spul komt uit de loods van [naam 3] . [naam 2] ging toen net in de loods en [naam 3] ging er uit. Dus ik vermoed van [naam 3] . Dat spul waar WTF op staat, komt allemaal uit de loods van [naam 3] .

Ik moest voor [naam 5] een fiets maken. Ik kreeg daarvoor in ruil drie kunststof kasten. Die staan boven in de loods. Volgens mij zijn ze leeg. Boven staan nog wat dozen met bestek van [naam 5] . Die heeft [naam 5] in mijn loods neergezet. Ik heb ze zelf naar boven getild. [naam 5] had deze spullen op een aanhangwagen liggen. Die aanhangwagen moest terug en zo heeft [naam 5] alle spullen van de aanhangwagen in mijn loods neergezet. [naam 5] had in die tijd een sleutel van mijn loods van mij gekregen. Hij heeft die een dag onder zich gehad en daarna teruggegeven. [naam 5] is zwaar alcoholist want hij is meestal dronken. [naam 5] woont normaal niet in Friesland. Hij ziet er heel onverzorgd uit.

3.3.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 26 januari 2019, opgenomen op de pagina's 448 en 449 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] :

Op 18 januari 2019 heb ik mijn bedrijfsbus in goede staat en volledig op slot afgesloten achtergelaten op het terrein tegenover mijn loods aan de [straatnaam] te Leeuwarden. Vandaag, 21 januari 2019, omstreeks 11:00 uur, kwam ik bij mijn bus en zag ik dat een raam was ingeslagen en het slot aan de achterzijde van de bus was afgebroken. Ik mis meerdere gereedschapskisten met daarin onder andere boren en meerdere werkkoffers. Hierbij werden de goederen, zoals genoemd op de bijlage goederen, weggenomen.

3.4.

Een als bijlage bij het onder 3.3. vermelde proces-verbaal gevoegde bijlage goederen, opgenomen op pagina 450 en volgende van voornoemd dossier, inhoudende een lijst met een groot aantal goederen, waaronder meerdere gereedschappen.

3.5.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 22 maart 2019, opgenomen op pagina 351 en volgende van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] :

Op 23 februari 2019 heb ik mijn loods aan de [straatnaam] te Leeuwarden verlaten. Ik heb mijn loods slotvast afgesloten en ik zag dat mijn deur nog intact was. Ik zag dat mijn gereedschap nog in de stellingen stond. Op 25 februari, omstreeks 19:00 uur, kwam ik bij mijn loods. Ik zag toen dat de deur opengebroken was. Ik zag dat mijn drie speakers, een mengpaneel en vier aluminium koffers met bekabeling voor de speakers weg waren. Op de bovenverdieping mis ik voornamelijk elektrisch gereedschap van onder andere Makita en Vestel. Ik mis een bovenfrees, flex en een invalzaag. Ik zie nu dat mijn mobiele airco weg is. Hierbij werden de goederen, zoals genoemd op de bijlage goederen, weggenomen.

3.6.

Een als bijlage bij het onder 3.5. vermelde proces-verbaal gevoegde bijlage goederen, opgenomen op pagina 354 en volgende van voornoemd dossier, inhoudende een lijst met een groot aantal goederen, waaronder meerdere gereedschappen.

3.7.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 29 mei 2019, opgenomen op de pagina's 570 en 571 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] :

Op 29 mei 2019 heb ik in een loods aan [straatnaam] te Leeuwarden gekeken. In deze loods heb ik goederen gezien waarvan ik aangifte heb gedaan. Bijna alle goederen zijn afkomstig van de inbraak in mijn berging/opslag aan de [straatnaam] te Leeuwarden. Daarnaast is er een paar weken voor deze inbraak een inbraak geweest in mijn bestelauto. Hierbij zijn ook meerdere goederen weggenomen. Alle goederen die ik nu van jullie heb meegekregen zijn op de foto gezet en zullen bij mijn verklaring gevoegd worden. Ik ben vervolgens meegegaan naar het politiebureau. Ik heb hier meerdere goederen bekeken. Ik herken deze als mijn eigendom. Ik herken ze aan de letters WTF welke ik er als kenmerk op heb geschreven. Een deel van deze goederen is afkomstig van de inbraak in de loods en de rest is afkomstig uit de inbraak uit mijn bedrijfsbus.

3.8.

Een groot aantal als bijlage bij het onder 3.7. vermelde proces-verbaal gevoegde foto's, opgenomen op pagina 572 en volgende van voornoemd dossier, waarop een groot aantal voorwerpen te zien is, waaronder meerdere (kisten met) gereedschappen.

3.9.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 21 mei 2019, opgenomen op de pagina's 383 en 384 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 4] :

Ik doe aangifte van diefstal uit mijn garagebox aan [straatnaam] te Leeuwarden. Circa drie weken geleden ben ik voor het laatst in mijn garagebox geweest. Toen ik daar was, stond alles er nog en was alles nog naar behoren. Vandaag, 21 mei 2019 omstreeks 17:15 uur, kwam ik weer bij mijn garagebox. Ik zag dat de toegangsdeur was opengebroken. Onder meer de volgende spullen zijn uit de garagebox meegenomen: huishoudtrap, vouwladder, twee platenkoffers vol met LP's, drie plastic kasten, antieke goederen (tinnen kraantjeskan, tinnen kopjes waarvan de bovenkant glas en onderkant tin, schaaltjes), een hydraulische potkrik en een caravan disselslot. Mogelijk zijn er meer goederen weg.

3.10.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 29 mei 2019, opgenomen op de pagina's 539 en 540 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 4] :

De goederen welke door u op de foto zijn vastgelegd zijn allemaal mijn eigendom en zijn uit mijn loods aan [straatnaam] te Leeuwarden gestolen tussen 1 mei 2019 en 21 mei 2019. Ik herken al deze goederen als mijn eigendom.

3.11.

Een groot aantal als bijlage bij het onder 3.10. vermelde proces-verbaal gevoegde foto's, opgenomen op pagina 542 en volgende van voornoemd dossier, waarop een groot aantal voorwerpen te zien is, waaronder meerdere huishoudelijke goederen, zoals een huishoudtrap, een vouwladder en drie plastic kasten.

3.12.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 19 juni 2019, opgenomen op de pagina's 565 en 566 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 4] :

Vandaag, 19 juli 2019, ben ik nog een keer met de politie in de loods aan de [straatnaam] te Leeuwarden gaan kijken. Aldaar zijn nog een aantal goederen aangetroffen welke uit onze loods zijn gestolen. De goederen zijn door jullie op de foto vast gelegd.

3.13.

Twee als bijlage bij het onder 3.12. vermelde proces-verbaal gevoegde foto's, opgenomen op de pagina's 567 en 568 van voornoemd dossier, waarop te zien zijn een platenkoffer vol LP's en een metalen opbergbus.

3.14.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 23 mei 2019, opgenomen op pagina 118 en volgende van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant(en):

Op 21 mei 2019 is in de fouillering van [verdachte] een sleutelbos aangetroffen. Aan deze sleutelbos zat een sleutelring met daaraan een kleine afstandsbediening met vier knoppen en een losse sleutel. Wij zijn naar het loodsencomplex aan [straatnaam] te Leeuwarden gereden. Middels de kleine afstandsbediening konden wij het loodsencomplex oprijden, doordat het centrale hek voor het loodsencomplex opende toen wij op één van deze knoppen drukten. Wij hebben de losse sleutel in het slot van loods [nummer] gestoken en omgedraaid. Toen bleek dat deze sleutel op het slot van de deur van de loods paste. Wij hebben de loods betreden. Wij zagen dat de loods bestond uit twee gedeeltes, een gedeelte beneden en een gedeelte boven. In de loods zijn meerdere goederen aangetroffen en in beslag genomen: op de begane grond onder meer een zilveren doosje met daarin verschillende zilveren eetlepels en meerdere dozen gereedschap van het merk "Makita" en "Festool", waarbij op één doos de lettercombinatie "WTF" stond, en op de eerste etage onder meer meerdere dozen gereedschap van het merk "Makita" en "Festool", waarbij op één doos de lettercombinatie "WTF" stond, schuurpapier, met op de zijkant het woord: " [slachtoffer 3] , K80", meerdere geluidsboxen en een doos met daarin verschillende langspeelplaten.

3.15.

De hiervoor onder 1.10. opgenomen verklaring van [naam 1] .

Mede naar aanleiding van het verweer dat verdachte geen aanleiding had om te vermoeden dat de goederen van misdrijf afkomstig waren, overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de bovenstaande bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat de in de tenlastelegging bedoelde gereedschappen in januari en februari 2019 zijn gestolen van [slachtoffer 3] en dat de in de tenlastelegging bedoelde huishoudelijke goederen in de periode van 1 tot en met 21 mei 2019 zijn gestolen van [slachtoffer 4] . Voorts leidt de rechtbank uit deze bewijsmiddelen af dat deze goederen op 21 mei 2019 zijn aangetroffen in de door verdachte gebruikte loods aan de [straatnaam] te Leeuwarden, dat verdachte wist dat deze goederen in die loods lagen en dat hij de beschikkingsmacht daarover had.

De rechtbank is daarom van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte deze gereedschappen en huishoudelijke goederen voorhanden heeft gehad.

Ten aanzien van de manier waarop deze goederen in de loods terecht zijn gekomen en de manier waarop verdachte deze goederen voorhanden heeft gekregen, gaat de rechtbank uit van de verklaringen van verdachte.

Uit de door verdachte afgelegde verklaringen ten aanzien van de gereedschappen leidt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden af. Toen verdachte en [naam 2] samen gedetineerd waren, heeft [naam 2] verdachte gevraagd om de meeste spullen van waarde uit de door [naam 2] en [naam 3] gebruikte loods te halen. Verdachte heeft daarop meerdere goederen uit de loods van [naam 2] en [naam 3] overgebracht naar de door hemzelf gebruikte loods. Dit was bijna allemaal gereedschap. [naam 2] was hier niet bij aanwezig en verdachte wist niet of de spullen die hij meenam van [naam 2] of van [naam 3] waren. Verdachte heeft gezien dat op een aantal van de kisten, waarin de gereedschappen zaten, de letters "WTF" geschreven waren. Verdachte wist niet wat deze letters betekenden.

De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden op verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de gereedschappen de plicht rustte om onderzoek te verrichtten naar de herkomst daarvan. Verdachte heeft dit nagelaten. Daarom is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte destijds redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze gereedschappen door misdrijf verkregen goederen betroffen.

Uit de door verdachte afgelegde verklaringen ten aanzien van de huishoudelijke goederen leidt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden af. Verdachte heeft de drie plastic kasten gekregen van een persoon met de naam [naam 5] in ruil voor het repareren van een fiets. Verdachte heeft [naam 5] een sleutel van de loods gegeven, zodat hij de kasten in de loods kon zetten. De overige huishoudelijke goederen zaten in dozen. [naam 5] had deze dozen op een aanhangwagen staan. [naam 5] heeft de dozen in de loods gezet, omdat de aanhangwagen terug moest. Verdachte wist niet hoe [naam 5] aan deze goederen was gekomen. [naam 5] is meestal dronken en ziet er heel onverzorgd uit. Hij woont niet in Friesland.

De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden op verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de huishoudelijke goederen de plicht rustte om onderzoek te verrichtten naar de herkomst daarvan. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat van de persoon die door verdachte " [naam 5] " wordt genoemd kennelijk geen andere persoonsgegevens bekend zijn. Verdachte heeft nagelaten dit onderzoek te doen. Daarom is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte destijds redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze huishoudelijke goederen door misdrijf verkregen goederen betroffen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1., 2. en 3. primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in het tijdvak van 18 mei 2019 tot en met 19 mei 2019 te Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een koptelefoon, een rieten mand, zonnebrillen, horloges, een kluis (inhoudende onder meer een wapen), medische instrumenten, een decoder/apparatuur voor het opnemen van beelden van een (bewakings)camerasysteem en andere goederen, toebehoorde aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak;

2.

hij op 21 maart 2019 te Leeuwarden een personenauto, merk/type Volkswagen Golf, toebehoorde aan [slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

3. primair

hij in het tijdvak van januari tot en met mei 2019 te Leeuwarden:

- een hoeveelheid gereedschap (genoemd in aangiftes van [slachtoffer 3] , genummerd 2019018415, pagina 448, en 2019049516, pagina 351) en

- een hoeveelheid huishoudelijke goederen (genoemd in aangifte van [slachtoffer 4] , genummerd 2019128685, pagina 383)

voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

2. diefstal;

3. primair schuldheling, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Motivering van de maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte ter zake van het onder 1., 2. en 3. primair ten laste gelegde wordt opgelegd de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel).

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten.

Subsidiair heeft hij gepleit voor het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich laat behandelen. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte inmiddels weet dat dit zijn laatste kans zal zijn, dat hij zich aan de voorwaarden moet houden en dat hij volledig moet meewerken. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet de ISD-maatregel moet worden opgelegd, omdat verdachte heeft verklaard bereid te zijn zich te laten behandelen en hij die bereidheid ook heeft laten zien. Er heeft al een aantal gesprekken plaatsgevonden en het heeft niet alleen aan verdachte gelegen dat de behandeling niet van de grond is gekomen. Verdachte heeft geprobeerd om de behandeling weer op te pakken tijdens de voorlopige hechtenis maar daar wil men in de penitentiaire inrichting niet aan meewerken. Bovendien is de ISD-maatregel een erg zware maatregel en is het de vraag of daarmee de gewenste doelen bereikt kunnen worden. Verdachte heeft aangegeven niet te willen meewerken aan een ISD-maatregel en dat heeft hij in het verleden ook niet gedaan.

Meer subsidiair heeft de raadsman gepleit voor het opleggen van een voorwaardelijke ISD-maatregel of een ISD-maatregel voor de duur van één jaar. Dit zou verdachte de kans geven om te laten zien dat hij de behandeling wel oppakt en dat hij bereid is om te veranderen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de bewezen en strafbaar verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met zijn zoon ingebroken in de woning van de ex-partner van zijn vriendin. Uit de woning zijn onder meer een aantal dure horloges en een kluis met daarin een groot contant geldbedrag en een wapen gestolen. Daarnaast heeft verdachte een auto gestolen en heeft hij zich schuldig gemaakt aan schuldheling van een grote hoeveelheid gereedschappen en huishoudelijke goederen die waren buitgemaakt bij een aantal inbraken. Door de inbraak en de autodiefstal heeft verdachte een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de slachtoffers en heeft hij hen overlast bezorgd. Door de schuldheling heeft hij eraan bijgedragen dat anderen vermogensdelicten blijven plegen. Daarnaast heeft verdachte door de inbraak schade toegebracht aan de woning en heeft hij het gevoel van veiligheid van het slachtoffer en de overige bewoners van het pand ernstig aangetast.

Het strafblad van verdachte telt 35 pagina's. Uit dit strafblad blijkt dat verdachte in het verleden zeer vaak is veroordeeld voor vermogensdelicten.

De reclassering van het Leger des Heils (hierna: de reclassering) heeft in haar rapporten van 1 en 2 juli 2019 geadviseerd verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Uit deze rapporten blijkt dat verdachte een woning en betaald werk heeft en dat hij niet verslaafd is aan alcohol of verdovende middelen. Toch is verdachte al geruime tijd geregistreerd als veelpleger en blijft hij vermogensdelicten plegen. Volgens de reclassering speelt daarbij mogelijk een rol dat verdachte schulden heeft en dat hij een licht verstandelijke beperking heeft. In de afgelopen jaren is verdachte meerdere malen veroordeeld tot voorwaardelijke straffen met bijzondere voorwaarden. In dat kader heeft hij deelgenomen aan verschillende trajecten. Ook is verdachte al eens eerder een ISD-maatregel opgelegd. In juli 2018 is verdachte aangemeld bij de Poli Forensische Psychiatrie voor diagnostiek en, zo nodig, behandeling. De behandeling is echter niet van de grond gekomen, mede omdat verdachte de gemaakte afspraken niet of moeizaam nakwam en omdat hij (opnieuw) gedetineerd werd. In het eerder opgelegde reclasseringstoezicht gaf verdachte onvoldoende openheid van zaken. De reclassering heeft geconcludeerd dat al deze maatregelen niet hebben geleid tot recidivevermindering. Volgens de reclassering wordt gedragsverandering belemmerd door de beperkte leerbaarheid en geringe motivatie van verdachte. Verdachte is niet gemotiveerd voor trajecten richting schuldhulpverlening of woonbegeleiding, omdat hij meent dit niet nodig te hebben. Hij legt de oorzaak van zijn delictgedrag vrijwel altijd buiten zichzelf. Volgens de reclassering heeft een voorwaardelijke straf op verdachte geen afschrikwekkende werking. De reclassering schat het risico op recidive in als hoog. Gelet op dit alles is de reclassering van mening dat een langdurig en gestructureerd traject vanuit een detentie meer kans van slagen heeft dan een ambulant traject. Ook het Veiligheidshuis Fryslân ziet op dit moment geen andere mogelijkheid dan het opleggen van een ISD-maatregel.

De rechtbank is, mede gelet op de veelvuldige recidive en de rapporten van de reclassering, van oordeel dat het opleggen van een ISD-maatregel de enige manier is om gedurende langere tijd te voorkomen dat verdachte strafbare feiten pleegt. Daarnaast kan in het kader van deze maatregel worden geprobeerd verdachte te motiveren voor behandeling. Ook indien verdachte ervoor kiest de mogelijkheden voor behandeling die hem in het kader van de maatregel worden geboden niet te accepteren, zoals hij ter terechtzitting heeft aangekondigd, zal deze maatregel ervoor zorgen dat verdachte in ieder geval zolang de maatregel duurt geen strafbare feiten pleegt.

De rechtbank is van oordeel dat is voldaan aan de voorwaarden die de wet stelt aan het opleggen van een ISD-maatregel. De door verdachte begane feiten betreffen misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Verdachte is in de vijf jaren voorafgaand aan deze misdrijven ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of een taakstraf veroordeeld en de feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Bovendien moet er naar het oordeel van de rechtbank ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan en eist de veiligheid van (andermans) goederen het opleggen van de maatregel.

De rechtbank stelt vast dat ook is voldaan aan de extra voorwaarden die in de Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers van het Openbaar Ministerie worden gesteld aan het vorderen van de ISD-maatregel. Uit het strafblad blijkt namelijk dat in de periode van vijf jaar voorafgaand aan 18 mei 2019 (de pleegdatum van het laatste bewezenverklaarde feit) tegen verdachte processen-verbaal zijn opgemaakt voor meer dan tien misdrijffeiten, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden.

De rechtbank zal verdachte de ISD-maatregel opleggen voor de duur van twee jaren, omdat zij dit geboden acht ter beveiliging van de maatschappij en ter beëindiging van de recidive van verdachte.

De rechtbank zal met toepassing van artikel 38n, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht bepalen dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de maatregel in voorarrest heeft doorgebracht, wordt afgetrokken van de duur van de maatregel.

Inbeslaggenomen goederen

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verbeurd worden verklaard de inbeslaggenomen

aanhangwagen, grijze notebook van het merk HP, type Stream 11 Pro (goednummer PL0100-2019126614-1142227), zilverkleurige telefoon van het merk Samsung, type S8 (goednummer PL0100-2019126614-1153637) en zwarte laptop van het merk HP, type Elitebook 840 (goednummer PL0100-2019126614-1153635), en het bij de fouillering van verdachte aangetroffen en in beslag genomen contante geldbedrag van € 625,45.

De officier van justitie heeft gevorderd dat worden onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomen breekijzer en de inbeslaggenomen boksbeugel.

De officier van justitie heeft verder gevorderd dat worden bewaard voor de rechthebbenden de inbeslaggenomen blauwe damesfiets van het merk Sparta (goednummer PL0100-2019126614-1137478) en de inbeslaggenomen grijze elektrische fiets van het merk Votani (goednummer PL0100-2019126614-678989).

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de beslissing die moet worden genomen over de door de officier van justitie genoemde inbeslaggenomen goederen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de inbeslaggenomen aanhangwagen vatbaar voor verbeurdverklaring nu de opsporing van het onder 1. bewezenverklaarde feit met behulp van dit voorwerp is belemmerd en de rechtbank aannemelijk acht dat dit voorwerp toebehoort aan verdachte.

De rechtbank acht de inbeslaggenomen zilverkleurige telefoon van het merk Samsung, type S8 (goednummer PL0100-2019126614-1153637) en het bij de fouillering van verdachte aangetroffen en in beslag genomen contante geldbedrag van € 625,45 vatbaar voor verbeurdverklaring, nu zij aannemelijk acht dat deze voorwerpen aan verdachte toebehoren en dat deze voorwerpen geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het onder 1. bewezenverklaarde feit zijn verkregen.

De rechtbank acht de inbeslaggenomen boksbeugel vatbaar voor onttrekking aan het verkeer nu het onder 1. bewezen verklaarde feit met betrekking tot dit voorwerp is begaan en het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan door verdachte in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

De rechtbank acht het aan verdachte toebehorende breekijzer vatbaar voor onttrekking aan het verkeer nu het bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane feiten is aangetroffen en het kan dienen tot het begaan van soortgelijke feiten, terwijl het ongecontroleerde bezit daarvan door verdachte in strijd is met het algemeen belang.

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen grijze notebook van het merk HP, type Stream 11 Pro (goednummer PL0100-2019126614-1142227), de inbeslaggenomen blauwe damesfiets van het merk Sparta (goednummer PL0100-2019126614-1137478) en de inbeslaggenomen grijze elektrische fiets van het merk Votani (goednummer PL0100-2019126614-678989) moeten worden bewaard ten behoeve van de tot nu toe onbekend gebleven rechthebbenden.

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen zwarte laptop van het merk HP, type Elitebook 840 (goednummer PL0100-2019126614-1153635) moet worden teruggegeven aan verdachte, nu uit het dossier niet blijkt dat er een verband bestaat tussen deze laptop en enig strafbaar feit en het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat deze laptop door de vriendin van verdachte is afgegeven aan de politie en zij over deze laptop heeft verklaard dat verdachte deze altijd gebruikte.

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

(hierna: [slachtoffer 1] ) heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Hij vordert een bedrag van € 1.806,00 ter vergoeding van materiële schade en € 5.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de huur van een vakantiehuis (€ 240,00), de kosten van een bootovertocht (€ 121,00), de huur van een auto (€ 35,00), het aanvragen van een kentekenbewijs (€ 70,00), de kosten van het vernieuwen van de contactsloten van een auto (€ 890,00) en het lenen van geld (€ 450,00).

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer 1] niet kan worden toegewezen, omdat deze niet is onderbouwd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering. Daartoe heeft hij primair aangevoerd dat het onder 1. ten laste gelegde feit, waaruit de schade zou zijn ontstaan, niet kan worden bewezen. Subsidiair heeft hij aangevoerd dat de vordering niet is onderbouwd.

Oordeel van de rechtbank

Hoewel voldoende aannemelijk is dat [slachtoffer 1] materiële schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het onder 1. bewezen verklaarde, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte daarvan te kunnen beoordelen. [slachtoffer 1] heeft geen documenten overgelegd ter onderbouwing van de gestelde schade en hij heeft deze schade ook niet toegelicht. Schorsing van het onderzoek om [slachtoffer 1] de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal het materiële deel van de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Daarnaast heeft [slachtoffer 1] vergoeding van immateriële schade gevorderd. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 106, eerste lid, van het zesde boek van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Gevoelens van angst, onzekerheid, schrik en machteloosheid vormen nog geen aantasting van de persoon als bedoeld in het voornoemde artikel. Ernstige psychische schade, als hiervoor bedoeld, is door [slachtoffer 1] niet aangevoerd. De vordering wordt dan ook afgewezen voor zover deze ziet op de vergoeding van immateriële schade.

Benadeelde partij [slachtoffer 5]

(hierna: [slachtoffer 5] ) heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Hij vordert een bedrag van € 1.750,00 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Deze schade bestaat uit het eigen risico van de verzekering (€ 250,00) en de kosten van het onderbreken van een vakantie (begroot op € 1.500,00).

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer 5] niet kan worden toegewezen, omdat deze niet is onderbouwd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering. Daartoe heeft hij primair aangevoerd dat het onder 1. ten laste gelegde feit, waaruit de schade zou zijn ontstaan, niet kan worden bewezen. Subsidiair heeft hij aangevoerd dat de vordering niet is onderbouwd.

Oordeel van de rechtbank

Hoewel niet onaannemelijk is dat [slachtoffer 5] schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van het onder 1. bewezen verklaarde, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte daarvan te kunnen beoordelen. [slachtoffer 5] heeft geen documenten overgelegd ter onderbouwing van de gestelde schade en hij heeft deze schade ook niet toegelicht. Uit het voegingsformulier lijkt te kunnen worden afgeleid dat [slachtoffer 5] een claim heeft ingediend bij de verzekering, maar het is onduidelijk wat het resultaat daarvan is. Schorsing van het onderzoek om [slachtoffer 5] de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Benadeelde partij

[slachtoffer 2] , handelend onder de naam [bedrijf 3] (hierna: [slachtoffer 2] ), heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Hij vordert een bedrag van € 1.000,00 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Deze schade bestaat uit de dagwaarde van de gestolen auto.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer 2] niet kan worden toegewezen, omdat deze niet is onderbouwd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering. Daartoe heeft hij primair aangevoerd dat het onder 2. ten laste gelegde feit, waaruit de schade zou zijn ontstaan, niet kan worden bewezen. Subsidiair heeft hij aangevoerd dat de vordering niet is onderbouwd.

Oordeel van de rechtbank

Hoewel voldoende aannemelijk is dat [slachtoffer 2] schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het onder 2. bewezen verklaarde, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte daarvan te kunnen beoordelen. [slachtoffer 2] heeft geen documenten overgelegd ter onderbouwing van de gestelde schade. Daarbij acht de rechtbank mede van belang dat uit het dossier blijkt dat al eerder in de auto was ingebroken, de auto daarbij was beschadigd en deze schade ten tijde van de diefstal nog niet was gerepareerd. Schorsing van het onderzoek om [slachtoffer 2] de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Vordering tot herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

Bij onherroepelijk vonnis van 13 april 2016 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland is verdachte in de zaak met parketnummer 18/720093-16 veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes weken.

Bij onherroepelijk vonnis van 1 augustus 2017 van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland is verdachte in de zaak met parketnummer 18/720040-17 veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden.

Bij beslissing van 9 november 2017 met zaaknummer 99/000304-34 is bepaald dat veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld en dat een deel van de gevangenisstraffen die zijn opgelegd bij de vonnissen in de zaken met de parketnummers 18/720093-16 en 18/720040-17 van in totaal 25 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien wordt voldaan aan de in die beslissing vermelde voorwaarden. Eén van deze voorwaarden is dat verdachte gedurende de proeftijd van 365 dagen geen strafbaar feit pleegt.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij vordering van 23 september 2019 de herroeping gevorderd van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor een periode van 25 dagen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, omdat verdachte moet worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, omdat verdachte in maart 2018 in vrijheid is gesteld en de proeftijd van 365 dagen daardoor ten tijde van de ten laste gelegde feiten reeds was verstreken.

Meer subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht om in het geval dat de vordering wordt toegewezen de nog ten uitvoer te leggen gevangenisstraf van 25 dagen te verdisconteren met de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten in de hoofdzaak.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat uit het strafblad blijkt dat de proeftijd is ingegaan op 29 maart 2018. Op grond van artikel 15c, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht loopt de proeftijd niet gedurende de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Uit het strafblad blijkt dat veroordeelde tussen 29 maart 2018 en de periode waarin de bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd ongeveer zes maanden gedetineerd is geweest. Hieruit volgt dat veroordeelde de bewezenverklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijd. Daarom zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van de nog niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf van in totaal 25 dagen. De rechtbank ziet geen aanleiding om deze gevangenisstraf te verdisconteren met de tijd die veroordeelde in voorarrest heeft gezeten in de hoofdzaak, nu dit voorarrest zal worden afgetrokken van de duur van de opgelegde maatregel.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 38m, 38n, 57, 63, 310, 311 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1., 2. en 3. primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van deze maatregel geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen aanhangwagen, zilverkleurige telefoon van het merk Samsung, type S8 (goednummer PL0100-2019126614-1153637) en het in beslag genomen contante geldbedrag van € 625,45.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen boksbeugel en het in beslag genomen breekijzer.

Gelast de bewaring van de inbeslaggenomen grijze notebook van het merk HP, type Stream 11 Pro (goednummer PL0100-2019126614-1142227), de inbeslaggenomen blauwe damesfiets van het merk Sparta (goednummer PL0100-2019126614-1137478) en de inbeslaggenomen grijze elektrische fiets van het merk Votani (goednummer PL0100-2019126614-678989) ten behoeve van de rechthebbende.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven zwarte laptop van het merk HP, type Elitebook 840 (goednummer PL0100-2019126614-1153635).

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk is voor zover deze ziet op de vergoeding van materiële schade en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] af voor zover deze ziet op de vergoeding van immateriële schade.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Beslissing op de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling onder parketnummer in de zaak met V.I.-zaaknummer 99/000304-34 en de parketnummers 18/720093-16 en 18/720040-17:

Gelast dat de veroordeelde de 25 dagen gevangenisstraf die nog niet ten uitvoer zijn gelegd, alsnog moet ondergaan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. M.R. de Vries en mr. C.A.J. Tuinstra, rechters, bijgestaan door mr. F.F. van Emst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 oktober 2019.

Mr. Tuinstra is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.