Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:4292

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-10-2019
Datum publicatie
18-10-2019
Zaaknummer
LEE 19/3444
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

In bedrijfseenheid is een handelshoeveelheid hennep aangetroffen. De burgemeester heeft op grond van artikel 13B van de Opiumwet tevens tot sluiting van de aangrenzende bedrijfseenheden kunnen komen omdat het een functionele eenheid betreft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 19/3444

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 oktober 2019 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , te Harlingen, verzoekster

(gemachtigde: mr. W.J.Th. Bustin),

en

De burgemeester van de gemeente Leeuwarden, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Postuma).

Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder een last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende dat de bedrijfsruimtes op het adres [adres] 7B tot en met 7G te [plaats 1] voor een periode van zes maanden worden gesloten.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2019. Namens verzoekster zijn haar gemachtigde, [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door

R.H.J. Kwast.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet

2.1.

Op 3 juni 2019 heeft de politie Noord-Nederland in de provincie Friesland twaalf invallen gedaan, onder meer op het adres [adres] (hierna aan te duiden als 7B enzovoort) te [plaats 1] . In de bedrijfsruimte 7G zijn 252 hennepstekken aangetroffen. Verkoopmedewerker van verzoekster [belanghebbende 3] aangehouden en verhoord. Bij een gelijktijdige inval te [plaats 2] is verkoopmedewerker van verzoekster [belanghebbende 4] aangehouden en verhoord.

2.2.

Enig aandeelhouder/bestuurder van verzoekster is [bedrijf 1] .

[bedrijf 1] is tevens enig aandeelhouder/bestuurder van [bedrijf 2] .

Enig aandeelhouder/bestuurder van [bedrijf 1] is [belanghebbende 1] .

2.3.

Verzoekster is huurder van de bedrijfsruimtes [adres] 7B tot en met 7E. [adres] 7F werd tot 1 juli 2019 gehuurd door [bedrijf 2] . [adres] 7G werd ten tijde van de inval gehuurd door [belanghebbende 5] .

2.4.

Het bedrijf van verzoekster wordt door verzoekster aangeduid als een technisch tuincentrum en door verweerder als een growshop.

2.5.

Hennep is opgenomen in lijst II van de Opiumwet.

3. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet, is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder bevoegd is door middel van een last tot bestuursdwang over te gaan tot sluiting van 7G gezien het aantreffen aldaar van de hennepstekken.

4.2.

Wel is in geschil of verweerder bevoegd is tot sluiting van 7B tot en met 7E over te gaan en of verweerder hiertoe in redelijkheid heeft kunnen besluiten.

Ter zitting heeft verzoekster toegelicht dat de sluiting van 7F niet wordt bestreden.

5.1.

In het primaire besluit stelt verweerder dat sprake is van een functionele eenheid tussen de verschillende bedrijfsruimtes. Verweerder baseert zich daarbij op de bestuurlijke rapportages opgemaakt door de politie, Eenheid Noord Nederland, Dienst Regionale Recherche. Verweerder betoogt dat de onder 2.1. genoemde bedrijfsruimtes en het achterliggende erf deel hebben uitgemaakt van handel in drugs en aan drugs gerelateerde goederen en dat het pand aldus bekendheid genoot.

Verweerder wijst er hierbij onder meer op dat in 7G hennepstekken zijn aangetroffen, dat zich in 7B tot en met 7F goederen voor professionele hennepteelt bevonden, dat uit een van de daar aangetroffen tonnen een hennepgeur kwam, dat achter pand een afvalcontainer stond met onder meer gebruikte teelaarde met wortelresten van hennepplanten, dat de werknemers van verzoekster in het bezit waren van een sleutel van 7G en dat tijdens de inval de tussendeur tussen 7F en 7G vrij toegankelijk was.

5.2.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder om genoemde redenen de bedrijfseenheden 7B tot en met 7G als een samenhangend geheel mogen aanmerken ten tijde van het aantreffen van de hennepstekken. Dat de tussendeur tussen 7F en 7G van beide kanten vergrendeld kan worden, doet hier niet aan af. Voorts is niet relevant dat het zusterbedrijf van verzoekster inmiddels de huur van 7F beëindigd heeft en dat de doorgang tussen 7E en 7F inmiddels is dichtgemetseld. Evenmin vormt de door verzoekster gestelde omstandigheid dat zij nooit producten verkoopt in een zodanige hoeveelheid dat daarmee een grootschalige hennepkwekerij kan worden ingericht, grond om tot een ander oordeel te komen.

5.3.1.

Verzoekster betoogt dat de bestuurlijke rapportages gebaseerd zijn op een suggestieve weergave van de door de politie gedane waarnemingen.

5.3.2.

De voorzieningenrechter verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1928, waarin overwogen wordt dat een bestuursorgaan, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewijs, in beginsel mag afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend rapport, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het rapport weergeven. Indien die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.

5.3.3.

De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster terecht opmerkt dat het naar binnen rijden van auto’s in 7B met vervolgens het sluiten van de roldeuren, zoals herhaaldelijk door de politie is waargenomen (zie pagina’s 2 en 3 van de eerste bestuurlijke rapportage), niet zonder meer betekent dat handel in hennep plaatsvond. Enkele malen heeft de politie echter tevens waargenomen dat dergelijke auto’s naar adressen zijn gereden waar, bij inval op 3 juni 2019 (zie 2.1.), hennepkwekerijen zijn aangetroffen. Op grond van deze bevindingen, vermeld in de bestuurlijke rapportages, heeft verweerder kunnen concluderen dat niet alleen 7G maar ook 7B tot en met 7F bij de handel in hennep waren betrokken.

5.4.

Verzoekster is daarom bevoegd om de last op te leggen tot sluiting van de bedrijfseenheden 7B tot en met 7G.

6.1.

Betreffende de aanwending van de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet heeft verweerder de ‘Beleidsregels Opiumwet 13b’ vastgesteld.

6.2.

In paragraaf 3 van het beleid is onder meer bepaald dat artikel 13b van de Opiumwet alleen wordt ingezet in ernstige situaties. Van een ernstige situatie is sprake als het aannemelijk is dat drugshandel in georganiseerd verband in of vanuit een woning of lokaal plaatsvindt of als de aanwezigheid van drugs hierop duidt. Om te kunnen nagaan of er sprake is van een dergelijke aannemelijkheid is een indicatorenlijst samengesteld.

In paragraaf 4 is onder meer opgenomen dat het uitgangspunt is dat bij meer dan twintig hennepplanten altijd sprake is van een ernstig geval en tot sluiting zal worden overgegaan.

7.1.

In het primaire besluit heeft verweerder de volgende indicatoren betrokken: de hoeveelheid aangetroffen middelen als bedoeld in lijst I of lijst II van de Opiumwet, de mate waarin de bedrijfsruimtes betrokken zijn voor drugshandel in georganiseerd verband, er is een vermoeden van verwijtbaarheid van de betrokkenen, er is een vermoeden dat de betrokkenen verkeren met personen met antecedenten, de mate van gevaar voor de omgeving en mate van risico voor omwonenden, de aannemelijkheid dat behalve de bedrijfsruimtes nog meer locaties betrokken zijn bij drugshandel in georganiseerd verband en overige feiten die duiden op drugshandel in georganiseerd verband.

7.2.

De voorzieningenrechter oordeelt om de volgende redenen dat verweerder deze indicatoren aanwezig heeft mogen geacht. Zoals hierboven reeds is besproken, bevond zich in 7G een aanzienlijke hoeveelheid van 252 hennepstekken. Daarnaast blijkt uit de bestuurlijke rapportages dat het vermoeden bestaat dat 7G werd gebruikt in het kader van een netwerk van georganiseerde drugshandel. Voorts heeft [belanghebbende 4] , werknemer van verzoekster (zie 2.1.), relevante antecedenten. Meer in het algemeen brengt dergelijke drugshandel ten slotte gevaar voor de omgeving met zich mee.

8.1.

In paragraaf 4 van het beleid is voorts opgenomen dat verweerder een belangenafweging dient te maken en daarbij ook de proportionaliteit van het besluit moet betrekken.

8.2.

Verzoekster heeft bij monde van [belanghebbende 1] aangevoerd dat een sluiting het einde van het bedrijf betekent. De maatregel staat daarom niet in verhouding, vooral omdat in het bedrijf van verzoekster geen planten zijn aangetroffen.

8.3.

De voorzieningenrechter overweegt dat bij het opstellen van het beleid betrokken is dat bedrijfseconomische schade het gevolg is sluiting van een bedrijf. Het is niet gebleken dat dit gevolg in dit geval aanmerkelijk groter is dan normaal. In redelijkheid heeft verweerder meer gewicht kunnen toekennen aan het algemeen belang bij sluiting van het pand. De voorzieningenrechter acht de belangenafweging door verweerder deugdelijk.

9. Gelet op het voorgaande heeft het bezwaar naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Keuning, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.drs. H.A. Hulst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2019.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.