Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:4291

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-10-2019
Datum publicatie
24-10-2019
Zaaknummer
6740559 CV EXPL 18-1402 en 7119549 CV EXPL 18-4486
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurrecht bedrijfsruimte; gebrek; asbestsanering; vermindering huurprijs; exoneratiebeding; autosloperij; verklaring voor recht art. 7:230a BW

Verhuurder saneert het asbesthoudende golfplaten dak. Daarbij ontstaan derving van huurgenot en schade door binnenkomen van regenwater en aangetroffen asbestdeeltjes in en om de gehuurde loods. De kantonrechter wijst de vordering tot vermindering van de huurprijs toe. Vervaltermijn ziet niet op huur van bedrijfsruimte. Vordering tot schadevergoeding wijst de kantonrechter af. Gelet op het exoneratiebeding is onvoldoende gesteld om opzet of bewuste roekeloosheid aan te nemen. Autosloperij betreft art. 7:230a BW bedrijfsruimte, ook al worden aan particulieren tweedehands onderdelen verkocht. Vordering verklaring voor recht toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Assen

zaak-/rolnummer: 6740559 \ CV EXPL 18-1402 en 7119549 CV EXPL 18-4486

vonnis van de kantonrechter van 22 oktober 2019

in de hoofdzaak met zaak-/rolnummer 6740559 CV EXPL 18-1402 tussen:

de vennootschap onder firma [eiseres hoofdzaak] V.O.F.,

hierna te noemen: [eiseres hoofdzaak] ,

gevestigd te [plaats] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. R.E. de Bruijn,

tegen

de besloten vennootschap [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] B.V.,

hierna te noemen: [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] ,

gevestigd te [plaats] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. M. Dijsselhof.

en in de vrijwaringszaak met zaak-/rolnummer 7119549 CV EXPL 18-4486 tussen:

de besloten vennootschap [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] B.V.,

hierna te noemen: [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] ,

gevestigd te [plaats] ,

eisende partij in vrijwaring,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. M. Dijsselhof,

tegen

de besloten vennootschap [gedaagde vrijwaring] B.V.,

hierna te noemen: [gedaagde vrijwaring] ,

statutair gevestigd te [plaats] , kantoorhoudende te [plaats] ,

gedaagde partij in vrijwaring,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. A. van Duijn-Koopman en mr. J.W. Silvius.

De procedure

in de hoofdzaak met zaak-/rolnummer 6740559 CV EXPL 18-1402

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 4 september 2018;

- het proces-verbaal van de comparitie na antwoord, gehouden op 29 maart 2019;

- de conclusie van antwoord in reconventie van 29 maart 2019 van de zijde van [eiseres hoofdzaak] ;

- de akte uitlating van zowel [eiseres hoofdzaak] als [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] van 14 mei 2019.

in de vrijwaringszaak met zaak-/rolnummer 7119549 CV EXPL 18-4486

1.2

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in vrijwaring van 30 juli 2018;

- de akte houdende overlegging producties van de zijde van [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] van 7 augustus 2018;

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie van de zijde van [gedaagde vrijwaring] van 2 oktober 2018

- het proces-verbaal van de comparitie na antwoord, gehouden op 29 maart 2019;

- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte houdende wijziging van eis in conventie van de zijde van [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] van 29 maart 2019;

- de akte uitlating van [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] van 14 mei 2019.

De kantonrechter stelt vast dat verzuimd is een tussenvonnis tot het houden van een comparitie na antwoord te wijzen. Waar [gedaagde vrijwaring] ter comparitie na antwoord is verschenen, is zij hierdoor niet in haar belangen geschaad.

1.3

Ten slotte heeft de kantonrechter in beide zaken bepaald dat hij vonnis zal wijzen.

De vaststaande feiten

in de hoofdzaak met zaak-/rolnummer 6740559 CV EXPL 18-1402

2.1

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten, die vaststaan omdat ze niet of niet voldoende zijn betwist en/of blijken uit de in zoverre onweersproken gelaten inhoud van de overgelegde producties.

2.2

[eiseres hoofdzaak] huurt met ingang van 1990 van [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] de bedrijfsruimte staande en gelegen aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] voor een bedrag van thans € 2.236,78 excl. btw per maand (€ 2.706,50 incl. btw per maand). In het gehuurde exploiteert [eiseres hoofdzaak] een autodemontagebedrijf. De bedrijfsactiviteiten van [eiseres hoofdzaak] bestaan in hoofdzaak uit de koop van sloop/schadeauto’s en/of brommobielen, evenals verkoop van nieuwe en gebruikte auto-onderdelen.

2.3

Artikel 10 van de huurovereenkomst luidt, voor zover hier van belang:

"1) Het gehuurde is bestemd om te worden gebruikt als een autoverwerkingsbedrijf en het zal huurder niet vrijstaan, zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van verhuurder een andere bestemming aan het gehuurde te geven, zulks op verbeurte van een door huurder aan verhuurder verschuldigde boete van f 500,--per dag of gedeelte daarvan.

(…)".

Artikel 20 lid 4 van de huurovereenkomst luidt:

Verhuurder is niet aansprakelijk voor de gevolgen van gebreken, noch voor schade veroorzaakt door storm, vorst, sneeuw- of regenval, uitstroming van gas, olie, water of elektriciteit, overstroming, noch voor schade veroorzaakt door de installaties behorende tot het gehuurde aan persoon of goed van huurder, diens personeel of diens bezoekers in het gehuurde aanwezig.”.

2.4

Het dak van het gehuurde bestond uit asbesthoudende golfplaten. In februari 2015 heeft [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] een aantal (lekke) asbesthoudende golfplaten laten vervangen door een aannemer, de heer [naam 2] (hierna ook: de aannemer). Rond het einde van 2016 zou [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] het gehele dak vervangen. Gelet op de aanwezigheid van asbest zou er ook gesaneerd moeten worden. Hierbij hebben partijen afgesproken dat [eiseres hoofdzaak] één maand huur niet hoefde te betalen als compensatie. [eiseres hoofdzaak] is verzocht rond het pand een strook van vijf meter vrij te maken van de daar aanwezige sloopauto’s. Om te kunnen saneren moesten de auto’s rondom het gehuurde worden verplaatst. [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] heeft een ruimte aan de overzijde van het gehuurde pand beschikbaar gesteld waarnaartoe [eiseres hoofdzaak] de auto’s heeft verplaatst.

2.5

Op 27 maart 2017 is met de werkzaamheden gestart. Van 27 tot en met 29 maart 2017 om 12.00 uur heeft het bedrijf [gedaagde vrijwaring] te [plaats] in opdracht van [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] het dak gesaneerd. Op 29 maart 2017 rond het middaguur is het gehuurde door de asbestsaneerder [naam 8] vrijgegeven. [eiseres hoofdzaak] heeft op dat moment de situatie kunnen bekijken. Het dak bleek in één keer te zijn verwijderd; het gehuurde had op dat moment geen dak. De binnenkant van het gehuurde was afgeschermd met plastic folie om vrijgekomen asbest tijdens de saneringswerkzaamheden tegen te houden.

2.6

[eiseres hoofdzaak] heeft rond het middaguur van 29 maart 2017 haar inboedelverzekeraar Achmea ingeschakeld omdat naar haar zeggen door regenval water naar binnen was gekomen. Rond 14.00 uur is de aannemer langs gekomen om de situatie te bekijken. Vervolgens is de aannemer begonnen met het spannen van oranje dekzeilen. De volgende dag om 13.00 uur is de aannemer verder gegaan om het dak te voorzien van oranje dekzeilen en is aan de zuidwestzijde begonnen met het bevestigen van nieuwe platen.

2.7

Op 4 april 2017 heeft de heer [naam 3] in opdracht van de inboedelverzekeraar van

[eiseres hoofdzaak] het gehuurde bezocht om de schade te onderzoeken en te begroten. In een e-mail van

4 april 2017 aan [eiseres hoofdzaak] noemt [naam 3] schade aan de heater, de systeemplafonds, water in elektronische onderdelen en overige voorraad en stagnatieschade. Voorst stelt hij vast dat alle dakplaten eraf liggen, dat de aannemer weinig mankracht en materieel tot zijn beschikking heeft, dat de afdichting onvoldoende is geweest en dat het heeft ingeregend. De heer [naam 3] heeft [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] per e-mail van 4 april 2017 aansprakelijk gesteld voor de ontstane schade en geadviseerd dat [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] dit met haar aansprakelijkheidsverzekeraar bespreekt.

2.8

[eiseres hoofdzaak] vreesde dat er asbest was vrijgekomen. [eiseres hoofdzaak] heeft op 31 maart 2017 contact gezocht met de gemeente [plaats] . Vervolgens is RUD Drenthe ingeschakeld. Deze heeft de situatie op 5 april 2017 bekeken. RUD heeft geadviseerd een expertise te laten verrichten naar de situatie. [eiseres hoofdzaak] heeft vervolgens de firma RPS ingeschakeld. Op dinsdag 11 april 2017 heeft deze een expertise verricht.

2.9

In een e-mail van 13 april 2017 bericht RPS - kort weergegeven - dat zowel in als om de bedrijfshal een verontreiniging aan asbesthoudend materiaal aanwezig is, zowel in hechtgebonden als in niet-hechtgebonden vorm. Geadviseerd wordt om de bedrijfshal niet meer te gebruiken om blootstelling aan en verdere verspreiding van asbest te voorkomen. Op 13 april 2017 is de heer [naam 4] van de Arbeidsinspectie langs geweest. Hij gaf aan dat de asbestsanering blijkens het RPS rapport niet goed is uitgevoerd en dat er een nieuw asbestonderzoek moet komen.

2.10

Van 8 mei tot en met 12 mei 2017 heeft het bedrijf [gedaagde vrijwaring] B.V. in opdracht

van [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] een tweede asbestsanering uitgevoerd. Tijdens deze sanering heeft ook een bodemonderzoek door MUG Ingenieursbureau plaatsgevonden.

2.11

Op 4 mei 2017 heeft de gemachtigde van [eiseres hoofdzaak] - DAS Rechtsbijstand - [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] aansprakelijk gesteld. Op 9 mei 2017 reageert de gemachtigde van [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] dat de brief is gericht aan een verkeerde rechtspersoon. De gemachtigde van [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] heeft vervolgens op

11 mei 2017 inhoudelijk gereageerd. Daarin wordt aansprakelijkheid van de hand gewezen.

2.12

Nadat het pand na de tweede sanering weer was vrijgegeven, zijn alle dekzeilen verwijderd. Op 12 mei 2017 heeft de aannemer de oude oranje dekzeilen op het dak teruggeplaatst. Bij zijn vertrek was het dak niet volledig dicht. De volgende dagen heeft de aannemer zijn werkzaamheden aan het dak hervat.

2.13

Op 17 mei 2017 is de heer [naam 4] van de Arbeidsinspectie langs geweest voor een eindcontrole van de tweede asbestsanering. Er is vervolgens geconcludeerd dat er opnieuw gesaneerd moest worden omdat er nog steeds sporen dan wel resten van asbest werden aangetroffen.

2.14

Op 28 juni 2017 is de aannemer langs geweest om extra oranje dekzeilen over het dak te spannen.

2.15

Van 17 juli tot en met 31 juli 2017 heeft een derde asbestsanering plaatsgevonden, dit keer door het saneringsbedrijf [naam 5]

2.16

DAS Rechtsbijstand heeft op 1 september 2017 een voorstel voor een minnelijke regeling gedaan aan de gemachtigde van [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] . Dit voorstel is door [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] bij brief van

20 september 2017 afgewezen. Verdere contacten tussen de gemachtigden van partijen hebben niet tot een oplossing geleid.

De vordering en het verweer, samengevat en zakelijk weergegeven

in de hoofdzaak met zaak-/rolnummer 6740559 CV EXPL 18-1402

in conventie

3.1

[eiseres hoofdzaak] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, om:

1. voor recht te verklaren dat [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] aansprakelijk is voor de schade die [eiseres hoofdzaak] lijdt en geleden heeft door het gebrek aan het gehuurde,

2. [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] te veroordelen tot vergoeding van de schade, nader bij staat op te maken,

3. een vermindering van de huurprijs vast te stellen voor 100% van de maandelijkse huurpenningen, zijnde een bedrag van € 13.532,50 (inclusief btw), of een ander bedrag dat

de kantonrechter redelijk en billijk acht, vanaf april 2017 tot en met augustus 2017,

zijnde de periode dat het gehuurde geen vast dak had,

4. [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] te veroordelen in de kosten van deze procedure vermeerderd met nakosten en

wettelijke rente.

3.2

[eiseres hoofdzaak] beroept zich voor haar vordering op de vaststaande feiten en stelt daartoe nog het volgende.

Het pand was gedurende vijf maanden niet wind- en waterdicht. Dit heeft ertoe geleid dat [eiseres hoofdzaak] vijf maanden lang niet het genot heeft gehad dat zij op grond van de huurovereenkomst mochten verwachten. Zij is gehinderd in haar bedrijfsvoering. Er dient dan ook te worden gesproken van een gebrek in de zin van artikel 7:204 BW. [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] is als verhuurder gehouden om het gebrek op te heffen op de voet van artikel 7:206 BW. Ondanks herhaalde verzoeken daartoe en waarschuwingen heeft [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] nagelaten het gebrek te herstellen dan wel adequate maatregelen te nemen om het gebrek weg te nemen ofwel schade te voorkomen. In dit opzicht doet [eiseres hoofdzaak] ook een beroep op artikel 7:208 BW en artikel 19.2 van het huurcontract. Het gebrek in kwestie heeft geleid tot een wezenlijke aantasting van het huurgenot van [eiseres hoofdzaak] . De daardoor ondervonden overlast rechtvaardigt een volledige teruggave van de huur over de periode dat het gehuurde niet wind- en water dicht was.

In de nacht van 29 maart 2017 is het gehuurde volgelopen met regenwater. [eiseres hoofdzaak] heeft haar inboedelverzekeraar ingeschakeld die uiteindelijk een deel heeft vergoed. Doordat zij aanspraak heeft moeten maken op haar verzekeraar, heeft [eiseres hoofdzaak] een eigen risico moeten betalen van € 1.000,00. Het zeil is daarna wederom gaan scheuren. [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] heeft geen moeite genomen om maatregelen te nemen ondanks herhaaldelijke verzoeken hiertoe. De inboedel die eerst droog was, is daarna ook nat geworden. Deze is nu onverkoopbaar. Door het gebrek aan het dak heeft [eiseres hoofdzaak] schade geleden met betrekking tot inkomstenderving in de periode april tot en met augustus 2017. De inkomstenderving is door schade-expert [naam 3] berekend. Totaal komt dit neer op een bedrag van € 18.226,21.

Na een inspectie door de RUD bleek dat er sprake is van vrijgekomen asbest op de vloer

van het gehuurde. Het vrijgekomen asbest is toe te rekenen aan [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] . De verwijdering van het dak is op een onjuiste manier uitgevoerd en de aangebrachte beschermfolie was verre van afdoende.

Ook de reputatie van [eiseres hoofdzaak] is aangetast. Vijf maanden lang heeft [eiseres hoofdzaak] geen dak gehad. Klanten die zijn langs gekomen, hebben kunnen zien hoe water naar binnen stroomde. Dit heeft gevolgen voor hoe klanten tegen de professionaliteit van [eiseres hoofdzaak] aankijken. Welke schade dit betekent, zal moeten worden onderzocht.

3.3

[gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] heeft verweer gevoerd met als conclusie afwijzing van de vorderingen. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

3.4

Blijkens het vermelde in artikel 10 lid 1 van de huurovereenkomst is het gehuurde uitsluitend bestemd om te worden gebruikt als een autoverwerkingsbedrijf. Het is [eiseres hoofdzaak] verboden om zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] een andere bestemming aan het gehuurde te geven. Een autoverwerkingsbedrijf behoort niet tot de in artikel 7:290 lid 2 BW bedoelde categorieën bedrijven, want het betreft geen kleinhandelsbedrijf, hotel- of horecabedrijf, kampeerbedrijf, afhaal- of besteldienst of ambachtsbedrijf. Bovendien beschikt het gehuurde niet over een voor het publiek toegankelijk lokaal voor rechtstreekse levering van roerende zaken of voor dienstverlening. Er is sprake van een huurovereenkomst als bedoeld in artikel 7:230a BW. In reconventie zal [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] op dit onderdeel een verklaring voor recht vragen.

In 2016 verzocht [eiseres hoofdzaak] [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] om de oude golfplaten te vervangen. Het betreft dus een op verzoek van de huurder aangebrachte verbetering. In verband met het voorgaande heeft [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] in november 2016 aan het daartoe gespecialiseerde bedrijf [gedaagde vrijwaring] B.V. te [plaats] , opdracht gegeven om het asbesthoudende golfplatendak te saneren en om de oude golfplaten af te voeren. [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] heeft [eiseres hoofdzaak] tijdig in kennis gesteld en zij heeft in verband met de te verrichten werkzaamheden (werk)afspraken met deze gemaakt, onder meer dat [eiseres hoofdzaak] voor regenwater gevoelige zaken in de bedrijfshal deugdelijk zou afdekken c.q. inpakken of uit de bedrijfshal zou verwijderen om het ontstaan van (water)schade daaraan te voorkomen. [gedaagde vrijwaring] heeft haar werkzaamheden binnen twee dagen uitgevoerd. Zodoende meldde zij haar werkzaamheden in de loop van 29 maart 2017 gereed. Vervolgens kon aannemer [naam 2] beginnen met het aanbrengen van een nieuwe dakbedekking. Nadat de golfplaten waren verwijderd, is het dak afgedekt met waterbestendige dekkleden. Het dak heeft zodoende niet open gelegen. [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] wijst er in dit kader uitdrukkelijk op dat het eerder genoemde folie niet diende om regenwater te weren, maar om eventueel bij het verwijderen van de golfplaten naar beneden vallende stukjes asbesthoudende golfplaat op te vangen. Indien er tussen het moment waarop de oude golfplaten waren verwijderd en waarop diezelfde dag nog de dekkleden over het dak waren gespannen al sprake mocht zijn geweest van enige regenval, dan geldt dat uit niets blijkt dat daardoor aan de zijde van [eiseres hoofdzaak] enige schade is ontstaan. [eiseres hoofdzaak] heeft geen enkel bewijs geleverd waaruit van het bestaan van schade blijkt. Bovendien geldt dat [eiseres hoofdzaak] daaraan eigen schuld heeft nu zij in strijd met de afspraken heeft nagelaten om haar voor regenwater

gevoelige zaken ofwel behoorlijk af te dekken ofwel uit de bedrijfshal te verwijderen. Tot slot wijst [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] erop dat de schade van [eiseres hoofdzaak] door haar inboedelverzekeraar is vergoed.

Het klopt dat er in de periode na 29 maart 2017 in de bedrijfshal enkele stukjes van de oude asbesthoudende golfplaten zijn gevonden. Als gevolg daarvan hebben de werkzaamheden betreffende het aanbrengen van nieuwe dakbedekking vertraging opgelopen. De autoriteiten bepaalden namelijk dat er eerst een nieuwe asbestinventarisatie moest worden uitgevoerd, waarna nadere asbestsaneringswerkzaamheden moesten worden uitgevoerd. [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] heeft al hetgeen redelijkerwijs van haar kon worden verwacht ondernomen; [gedaagde vrijwaring] kwam in actie hetgeen leidde tot opruiming van de gevonden stukjes golfplaat.

Nadat de tweede sanering was afgerond, kon aannemer [naam 2] de werkzaamheden bestaande in het aanbrengen van een nieuwe dakbedekking voortzetten. Echter, de Arbeidsinspectie heeft op instigatie van [eiseres hoofdzaak] de betreffende werkzaamheden wederom stilgelegd vanwege een melding van [eiseres hoofdzaak] over op het terrein rondom de bedrijfshal gevonden stukjes golfplaat. Dit had tot gevolg dat er wederom een asbestinventarisatie moest worden uitgevoerd, gevolgd door een nadere sanering. Aangezien [gedaagde vrijwaring] weigerde deze sanering uit te voeren, heeft Find Asbestinventarisatie B.V. te Heerenveen in opdracht van [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] een nadere asbestinventarisatie uitgevoerd. [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] heeft vervolgens na het afkomen van het asbestinventarisatierapport van Find aan het bedrijf [naam 5] Asbestsanering BV. te [plaats] opgedragen om de nadere saneringswerkzaamheden uit te voeren.

Er was geen sprake van een gebrek aan het dak. Het dak van asbesthoudende golfplaten is op uitdrukkelijk verzoek van [eiseres hoofdzaak] in opdracht en voor rekening van [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] gesaneerd en vervangen. Zo [eiseres hoofdzaak] al met enig verminderd huurgenot is geconfronteerd geweest, geldt dat haar eventuele nadeel is gecompenseerd door middel van de huurvrije maand. [eiseres hoofdzaak] heeft sowieso steeds een grote mate van huurgenot gehad. Zij heeft de bedrijfshal en het buitenterrein gedurende de werkzaamheden aan het dak steeds gebruikt. [eiseres hoofdzaak] heeft geen vordering strekkende tot huurprijsvermindering ex artikel 7:257 lid 1 BW ingesteld. Ook dat staat aan toewijzing van haar vordering in de weg. [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] betwist dat er sprake zou zijn van enige schade. [eiseres hoofdzaak] heeft er slechts mee volstaan te verwijzen naar een door haar overgelegd nietszeggend staatje van een zekere [naam 3] , waarvan onbekend is welke achtergrond deze heeft en of deze wel over voldoende financiële kennis beschikt. Bovendien ontbreken ‘onderleggers’, zodat de op het staatje vermelde posten en bedragen onnavolgbaar en oncontroleerbaar zijn. Bovendien betwist [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] dat eventuele schade van [eiseres hoofdzaak] aan haar toerekenbaar zou zijn. Niet zij, maar [gedaagde vrijwaring] verrichtte de betreffende werkzaamheden en [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] heeft al hetgeen redelijkerwijs van haar kon worden gevergd ondernomen om ervoor te zorgen dat [gedaagde vrijwaring] de werkzaamheden zo snel mogelijk uitvoerde en haar verplichtingen nakwam.

Uit artikel 20 lid 4 van de huurovereenkomst volgt dat [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] niet aansprakelijk is voor de gevolgen van gebreken, zoals schade veroorzaakt door storm, vorst, sneeuw- of regenval.

in reconventie

4.1

[gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

te verklaren voor recht dat de huurovereenkomst tussen [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] en [eiseres hoofdzaak] betreffende de

onderhavige bedrijfshal kwalificeert als een huurovereenkomst als bedoeld in artikel

7:230a BW.

4.2

[gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] beroept zich voor haar vordering op de vaststaande feiten en stelt daartoe nog het volgende. Tussen [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] en [eiseres hoofdzaak] is discussie ontstaan omtrent de vraag welk huurrechtelijk regime op de onderhavige huurovereenkomst van toepassing is. Zoals in conventie uiteen is gezet, is sprake van een huurovereenkomst als bedoeld in artikel 7:230a BW en uitdrukkelijk niet van een huurovereenkomst als bedoeld in artikel 7:290 e.v. BW.

4.3

[eiseres hoofdzaak] heeft verweer gevoerd met als conclusie afwijzing van de vordering. Zij stelt daartoe het volgende.

4.4

De bedrijfsactiviteiten van [eiseres hoofdzaak] bestaan in hoofdzaak uit de koop van sloop/schadeauto’s en/of brommobielen evenals verkoop van nieuwe en gebruikte auto-onderdelen, waartoe particulieren (en ondernemers) zich rechtstreeks (zonder het maken van een afspraak) bij het bedrijf kunnen wenden. In het gehuurde is een ruimte aanwezig waarin het publiek wordt ontvangen en waarin producten (auto-onderdelen) worden verkocht. [eiseres hoofdzaak] bezit ook over een webshop, te weten www.groene-autoonderdelen.nl. Tot slot kunnen er accu’s bij de balie worden ingeleverd. [eiseres hoofdzaak] is voor haar klantenkring tegenwoordig volledig afhankelijk van de locatie van het gehuurde. De sloopvergunning die [eiseres hoofdzaak] bovendien heeft, geldt enkel voor de plaats van het gehuurde. Het door haar in het gehuurde uitgeoefende bedrijf is dan ook plaatsgebonden. De afgesproken huurperioden komen overeen met het bepaalde in de artikelen 7:290 en volgende BW.

De beoordeling

in de hoofdzaak met zaak-/rolnummer 6740559 CV EXPL 18-1402

in conventie en in reconventie

5. De kantonrechter overweegt het volgende. De huurovereenkomst tussen partijen dateert van 1990. Hoewel partijen daarover niets hebben aangevoerd, heeft de kantonrechter ambtshalve onderzocht of het huurrecht van vóór 2003 - al dan niet deels - van toepassing is. Gelet op het toepasselijke overgangsrecht is de kantonrechter daarvan echter niet gebleken.

6. Wellicht ten overvloede wijst de kantonrechter er op, dat de hoofdzaak en de vrijwaringszaak twee zelfstandige procedures zijn die niet tussen dezelfde procespartijen worden gevoerd. Processtukken in de ene procedure maken niet automatisch deel uit van de andere procedure.

in conventie

7.1

[eiseres hoofdzaak] vordert, kort weergegeven:

1) schadevergoeding nader op te maken bij staat en

2) vermindering van de huurprijs.

7.2

Ad 2: De kantonrechter zal eerst de vordering tot vermindering van de huurprijs bespreken. Als grondslag voor haar vordering stelt [eiseres hoofdzaak] dat het gehuurde gedurende vijf maanden niet wind- en waterdicht is geweest en dat dit kan worden beschouwd als een gebrek in de zin van art. 7:204 BW (r.n. 36 dagvaarding). [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] heeft, aldus [eiseres hoofdzaak] , nagelaten adequate maatregelen te treffen om het gebrek te herstellen (r.n. 37 dagvaarding). Dit heeft geleid tot een wezenlijke aantasting van het huurgenot van [eiseres hoofdzaak] (r.n. 38 dagvaarding). Ter comparitie heeft [eiseres hoofdzaak] nog toegelicht dat zij met de terugvordering van de hele huurprijs over die periode de ernst van de situatie heeft willen benadrukken. [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] heeft aangevoerd dat [eiseres hoofdzaak] geen vordering tot huurprijsvermindering heeft ingesteld en voorts met een beroep op art. 7:257 lid 1 BW dat [eiseres hoofdzaak] niet binnen de vervaltermijn van zes maanden een vordering heeft ingesteld. Dit staat aan toewijzing van de vordering in de weg, aldus [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] . Ter comparitie heeft [eiseres hoofdzaak] hiertegenover gesteld dat art. 7:257 BW, gelet op art. 7:232 BW, uitsluitend van toepassing is op huur van woonruimte, zodat zij ontvankelijk is in haar vordering. [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] voert verder (onder meer) aan - kort weergegeven - dat [eiseres hoofdzaak] geen, althans geen substantiële derving van huurgenot heeft gehad. De kantonrechter overweegt het volgende.

7.3

Het gaat om een vordering op grond van art. 7:207 lid 1 BW. Met [eiseres hoofdzaak] is de kantonrechter van oordeel dat art. 7:257 BW, gelet op art. 7:232 BW, uitsluitend ziet op huur van woonruimte zodat dit artikel hier toepassing mist. Er is dus geen sprake van een vervaltermijn. Art. 7:207 BW schrijft niet voor hoe de vordering moet worden ingesteld. [eiseres hoofdzaak] heeft met verwijzing naar de toepasselijke wettelijke regeling gevorderd een vermindering van de huurprijs vast te stellen en terugbetaling van een daarop gebaseerd bedrag. Hoewel in de praktijk vaak tevens een partiële ontbinding van de huurovereenkomst wordt gevorderd, acht de kantonrechter dat geen vereiste. Art. 7:207 BW is een lex specialis van de algemene regeling in Boek 6 van het BW voor partiële ontbinding en biedt een eigen grondslag voor de vordering. Voor [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] was bovendien volkomen duidelijk waarop de vordering is gegrond en waartegen zij zich had te verweren. Dat blijkt ook wel uit haar verweer. Voor de toepassing van art. 7:207 BW is verder niet van belang of de derving van het huurgenot aan [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] valt toe te rekenen in de zin van verwijtbaarheid. Wel moet sprake zijn van een substantiële derving van huurgenot en deze moet niet voor risico van [eiseres hoofdzaak] komen op de voet van art. 7:207 lid 2 BW.

7.4

Als vaststaand kan worden aangenomen dat de vervanging van het dak half augustus 2017 is voltooid. Vanaf dat moment was het gehuurde weer wind- en waterdicht. Het gaat dus om de gestelde aantasting van het huurgenot over de periode tussen half maart en half augustus 2017. [eiseres hoofdzaak] heeft één maand korting op de huur gekregen en de sanerings-werkzaamheden zijn begonnen op 27 maart 2017. Een eventuele verdere vermindering van de huurprijs ziet dan naar het oordeel van de kantonrechter op de periode vanaf 27 april 2017. Op 27 april 2017 was de asbestsanering nog niet voltooid. Uit de rapportages blijkt dat de gehuurde loods ná de eerste sanering binnen op diverse plaatsten was verontreinigd met asbest. [eiseres hoofdzaak] heeft deze delen van het gehuurde in ieder geval niet kunnen gebruiken. Dit heeft geduurd tot de tweede sanering. Ook na een tweede sanering van 12 tot en met 17 mei 2017 bleken er nog asbestdeeltjes op het terrein buiten de gehuurde loods aanwezig te zijn, wat een derde sanering noodzakelijk maakte. Pas einde juli 2017 zijn de sanerings-werkzaamheden voltooid, waarna het dak is aangebracht. Zodoende heeft het gehuurde gedurende de periode van 27 april tot half augustus geen dak gehad en is het afgedekt geweest met dekzeilen. De kantonrechter acht voldoende aannemelijk gemaakt dat er gedurende deze periode geregeld sprake is geweest van regenwaterlekkages doordat de zeilen niet altijd even goed vastgesjord waren. Daarnaast heeft [eiseres hoofdzaak] gedurende deze periode geen gebruik kunnen maken van de ruimte rondom het gehuurde vanwege de daar aangetroffen asbestdeeltjes. Dat de oorzaak van de verontreiniging na de eerste en de tweede asbestsanering bij [eiseres hoofdzaak] moeten worden gezocht, is niet gesteld of gebleken. Daarmee kan [eiseres hoofdzaak] niet aansprakelijk worden gehouden als bedoeld in art. 7:207 lid 2 BW. De verontreiniging binnen in de gehuurde loods tot en met 17 mei 2017 acht de kantonrechter ernstig. Op meerdere plaatsen en aanzienlijke oppervlakten zijn asbestdeeltjes aangetroffen. Deze ruimten heeft [eiseres hoofdzaak] niet kunnen gebruiken tot 17 mei 2017. In de personeelsruimte zijn echter geen asbestdeeltjes aangetroffen. Ook de ruimte rondom de gehuurde loods kon niet door [eiseres hoofdzaak] worden gebruikt. In de week van 8 tot en met 12 mei 2017 heeft [eiseres hoofdzaak] het gehuurde in het geheel niet kunnen gebruiken (zie productie 11 dagvaarding). De kantonrechter acht al met al een vermindering van de huurprijs van 75% van 27 april tot 8 mei 2017 redelijk en van 8 mei tot en met 12 mei 2017 een vermindering 100% redelijk. Na 17 mei 2017 heeft [eiseres hoofdzaak] de gehuurde loods weer kunnen gebruiken; iets anders is gesteld noch gebleken. [eiseres hoofdzaak] zal hinder hebben gehad van het feit dat de loods met dekzeilen was afgedekt en dat er af en toe regenwater naar binnen kwam. Naar het oordeel van de kantonrechter betreft dit een substantiële aantasting van het huurgenot. Ook heeft [eiseres hoofdzaak] de ruimte rondom de loods niet kunnen gebruiken. Daar tekent de kantonrechter bij aan de [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] hiervoor tegenover de loods ruimte heeft gehuurd. Waar sprake is van herstel van een gebrek, zal [eiseres hoofdzaak] enig ongerief of ongemak hebben te dulden. Echter het niet kunnen gebruiken van een deel van het gehuurde of derving van huurgenot over een periode van vijf maanden terwijl een sanering van ongeveer twee weken was voorzien, hoeft [eiseres hoofdzaak] niet zonder schadeloosstelling te dulden. De kantonrechter acht een vermindering van de huur met 20 % over de resterende duur tot medio augustus 2017 redelijk.

Aldus komt de kantonrechter op een huurvermindering over de periode van 27 april tot 8 mei 2017 van 11/30 dagen x 0,75 x € 2.706,50 incl. btw = € 744,28, over de periode 8 tot en met 12 mei 2017 van 5/30 dagen x € 2.706,5 = € 451,10 en over de periode 12 mei tot

17 augustus 2017 3,1 maand x 0,20 x € 2.706,5 = € 1.678,03. Samen komt dit uit op

€ 2.873,41 inclusief btw, welk bedrag de kantonrechter zal toewijzen.

7.5

Ad 1: [eiseres hoofdzaak] vordert schadevergoeding nader op te maken bij staat. Zij stelt schade te hebben geleden door beschadiging van inventaris en voorraad, winst- c.q. omzetschade en reputatie- of gezondheidsschade. In de kern stelt zij dat deze schade is veroorzaakt door inwatering en asbestverontreiniging, toerekenbaar aan [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] nu deze de asbestsanering van het dak niet goed heeft laten uitvoeren. Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] is dat zij in artikel 20 lid 4 van de huurovereenkomst haar aansprakelijkheid heeft uitgesloten voor de gevolgen van gebreken, zoals schade veroorzaakt door storm, vorst, sneeuw- of regenval. De kantonrechter zal dit verweer als eerste bespreken.

Art. 7:208 BW luidt: "Onverminderd de gevolgen van niet-nakoming van de verplichting van artikel 206 is de verhuurder tot vergoeding van de door een gebrek veroorzaakte schade verplicht, indien het gebrek na het aangaan van de overeenkomst is ontstaan en aan hem is toe te rekenen, alsmede indien het gebrek bij het aangaan van de overeenkomst aanwezig was en de verhuurder het toen kende of had behoren te kennen, of toen aan de huurder heeft te kennen gegeven dat de zaak het gebrek niet had.".

Art. 7:209 BW luidt: "Van de artikelen 206, leden 1 en 2, 207 en 208 kan niet ten nadele van de huurder worden afgeweken voor zover het gaat om gebreken die de verhuurder bij het aangaan van de overeenkomst kende of had behoren te kennen.".

Artikel 20 lid 4 van de huurovereenkomst luidt:

Verhuurder is niet aansprakelijk voor de gevolgen van gebreken, noch voor schade veroorzaakt door storm, vorst, sneeuw- of regenval, uitstroming van gas, olie, water of elektriciteit, overstroming, noch voor schade veroorzaakt door de installaties behorende tot het gehuurde aan persoon of goed van huurder, diens personeel of diens bezoekers in het gehuurde aanwezig.”.

[eiseres hoofdzaak] heeft - naar het oordeel van de kantonrechter terecht - niet gesteld dat het dak van asbest golfplaten, dat er bij aanvang van de huur al was, als zodanig als een gebrek heeft te gelden dat [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] kende of behoorde te kennen. Nu [eiseres hoofdzaak] ook overigens niets van dien aard naar voren heeft gebracht, heeft te gelden dat er geen sprake was van een gebrek dat [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] bij aanvang van de huur kende of behoorde te kennen. Art. 7:209 BW is dus niet van toepassing wat betekent dat [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] een beroep kan doen op de exoneratie c.q. de uitsluiting van haar aansprakelijkheid. Daarbij betrekt de kantonrechter de omstandigheid dat een exoneratieclausule tussen partijen die handelen in de uitoefening van beroep of bedrijf heel gebruikelijk is (ook al in 1990) en dat [eiseres hoofdzaak] daarmee dus rekening had kunnen houden.

7.6

De volgende vraag is hoe ver deze exoneratie strekt. Uitgesloten is - voor zover in dit geval van belang - aansprakelijkheid voor:

- de gevolgen van gebreken;

- schade door onder meer regenval en overstroming.

Waar [eiseres hoofdzaak] als grondslag voor haar vordering stelt dat sprake was van een gebrek, heeft [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] dus haar aansprakelijkheid voor de gevolgen daarvan uitgesloten. Dat geldt ook voor de schade door regenval, waarvan in dit geval sprake is.

Ter comparitie heeft [eiseres hoofdzaak] nog gesteld dat de exoneratie niet ziet op het nalaten van [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] zelf, en tevens dat een beroep op de exoneratie onredelijk is. De kantonrechter zal deze stelling aldus uitleggen dat [eiseres hoofdzaak] stelt dat het beroep op de exoneratie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarvan zal in het algemeen sprake zijn bij opzet of bewuste roekeloosheid, ook wel aangeduid met grove schuld. Dit heeft betrekking op zowel het eventueel nalaten van [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] als de eventuele gevolgen van gebreken. De kantonrechter overweegt het volgende.

7.7

De uitsluiting van aansprakelijkheid ontslaat [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] uiteraard niet van haar verplichting het gebrek te herstellen. In dit verband is nog van belang dat [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] op grond van art. 6:171 BW aansprakelijk is voor de door haar ingeschakelde hulppersonen, in dit geval aannemer [naam 2] of asbestsaneerder [gedaagde vrijwaring] . [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] kan zich dus niet aan haar eventuele aansprakelijkheid onttrekken door aan te voeren dat [naam 2] of [gedaagde vrijwaring] fouten heeft gemaakt. De vraag is allereerst of sprake is geweest van een gebrek in de zin van art. 7:204 BW. In dit verband is naar het oordeel van de kantonrechter niet van belang dat vervanging van de asbest golfplaten op verzoek van [eiseres hoofdzaak] zou hebben plaatsgevonden, zoals [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] aanvoert. Als vaststaand kan immers worden aangenomen dat het golfplaten dak ongeveer

30 jaar oud was en de platen ernstig verweerd waren. Eveneens staat vast dat in 2015 al golfplaten waren vervangen in verband met opgetreden lekkages, waardoor [eiseres hoofdzaak] in haar huurgenot werd aangetast. Als [eiseres hoofdzaak] al om herstel van het gebrek heeft gevraagd, dan was dat op grond van de onderhoudstoestand van de asbest golfplaten, wat niet een aan de huurder toe te rekenen omstandigheid is als bedoeld in art. 7:204 lid 2 BW. Wel heeft [eiseres hoofdzaak] als huurder bij een herstel van een gebrek altijd enig ongerief of ongemak te dulden, overigens onverminderd haar eventuele aanspraak op schadevergoeding (art. 7:220 lid 1 BW). Hierbij betrekt de kantonrechter dat [eiseres hoofdzaak] en [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] van tevoren afspraken hebben gemaakt over het herstel (zoals het huren van bedrijfs- c.q. opslagruimte aan de overkant en een maand huurcompensatie) en dat [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] onweersproken heeft aangevoerd dat zij [eiseres hoofdzaak] heeft gewaarschuwd inventaris en andere zaken af te dekken voor het geval er toch regenwater naar binnen zou komen.

7.8

[eiseres hoofdzaak] stelt dat het beroep van [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] op de exoneratie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Waar [eiseres hoofdzaak] zich beroept op de rechtgevolgen (geen geldig beroep op de exoneratie door [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] ) van door haar gestelde of te stellen feiten (opzet of bewuste roekeloosheid bij [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] of de door haar ingeschakelde hulppersonen [naam 2] of [gedaagde vrijwaring] ) rust op [eiseres hoofdzaak] volgens de hoofdregel van art. 150 Rv. de stelplicht en de bewijslast.

7.9

[eiseres hoofdzaak] stelt, met verwijzing naar art. 7:206 BW, dat [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] heeft nagelaten het gebrek te herstellen dan wel adequate maatregelen te nemen om het gebrek weg te nemen of schade te voorkomen. Dit is door [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] gemotiveerd weersproken. De kantonrechter overweegt als volgt. Uit de stukken leidt de kantonrechter af dat de daadwerkelijke sanerings-werkzaamheden in twee dagen zouden gebeuren en dat aannemer [naam 2] vervolgens ongeveer vijf dagen nodig zou hebben om een nieuw dak aan te brengen. In die tijd zou het gehuurde zonder dak zijn. Gesteld noch gebleken is dat dit onredelijk lang is, zodat voor die periode niet gesteld kan worden dat [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] nalatig is geweest het gebrek, zo daarvan sprake is, te herstellen. Voor wat betreft het al dan niet nemen van adequate maatregelen merkt de kantonrechter op, dat het aangebrachte folie onder de gordingen en ter plaatse van de kopgevels, tussenwanden en muurplaten niet diende om regenwater op te vangen maar om eventueel vallende asbestdeeltje op te vangen. Gedurende de daadwerkelijke sanerings-werkzaamheden tot aan de vrijgave op 29 maart 2017 door de [naam 8] Asbest Inspecties was het [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] niet toegestaan dekzeilen aan te brengen. Dit om controle van het werkgebied door [naam 8] Asbest Inspecties mogelijk te maken. Mede gelet op de door [eiseres hoofdzaak] bij dagvaarding overgelegde foto's acht de kantonrechter voldoende aangetoond dat door het gewicht van regenwater het folie plaatselijk is gaan loslaten waardoor er regenwater naar binnen is gestroomd voordat aannemer [naam 2] dekzeilen (geheel) heeft kunnen aanbrengen. De kantonrechter verwerpt het verweer op dit punt van [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] dat de foto's niet aantonen dat regenwater naar binnen is gekomen. Echter, de kantonrechter ziet in deze omstandigheden geen opzet of bewuste roekloosheid bij [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] . Immers, het dak mocht nog niet dicht voordat het was vrijgegeven. Het verwijt dat aannemer [naam 2] te weinig mensen had om het dak snel dicht te maken met dekzeilen mag dan enige grond hebben, vast staat dat de asbestsaneerder [gedaagde vrijwaring] de eerste dag [naam 2] heeft geholpen de zeilen aan te brengen. Verder neemt de kantonrechter aan dat het feit dat in en om de gehuurde loods na de eerste sanering asbestdeeltjes werden aangetroffen, de werkzaamheden hebben bemoeilijkt omdat bepaalde delen van het perceel niet meer mochten worden betreden. Maar ook hieruit valt geen opzet, bewuste roekeloosheid of grove schuld af te leiden.

7.10

Na de eerste sanering is asbest aantroffen in de loods en op enkele plaatsen op het terrein rond de loods. Dat heeft te gelden als een gebrek. Dat dat de plaatsen zijn geweest waar [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] c.q. [gedaagde vrijwaring] heeft gesaneerd, is niet gebleken. Verder is niet gebleken dat juist op de plaatsen waar regenwater naar binnen is gekomen, asbest in het gehuurde terecht is gekomen. Mogelijk dat het asbest vóór of tijdens het aanbrengen van het plastic folie in de loods terecht is gekomen, maar ook dat is niet duidelijk geworden. Het kan ook zijn dat asbestdeeltjes ná het aanbrengen van het plastic folie in de loods terecht zijn gekomen; [eiseres hoofdzaak] heeft immers onweersproken gesteld dat al vóór de feitelijke sanering vanaf 27 maart 2017 het folie hier en daar had losgelaten. Dit is vervolgens door [naam 2] opnieuw vastgemaakt.

7.11

Ook de tweede en de derde sanering zijn (kennelijk) niet verlopen zoals behoorde. Na de tweede sanering zijn op delen van het terrein buiten de loods nog asbestdeeltjes aangetroffen, wat heeft geleid tot een derde sanering. [eiseres hoofdzaak] heeft daarover weinig of niets gesteld en geen ter zake dienende stukken overgelegd.

7.12

Hoewel uit de vaststaande feiten blijkt dat er zaken fout zijn gegaan, heeft [eiseres hoofdzaak] naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd gesteld dat [naam 2] , [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] of [gedaagde vrijwaring] met opzet of bewuste roekeloosheid, dan wel grove schuld de sanerings-werkzaamheden hebben uitgevoerd of hebben nagelaten adequate maatregelen te nemen. Gelet op de tussen partijen overeengekomen exoneratieclausule, waarop [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] in deze procedure een beroep heeft gedaan, moet dit leiden tot afwijzing van deze vordering van [eiseres hoofdzaak] .

7.13

Aangezien partijen over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld, zal de kantonrechter de kosten van de conventie compenseren, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten dient te dragen.

in reconventie

8.1

[gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] vordert een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst kwalificeert als een huurovereenkomst als bedoeld in art. 7:230a BW. Zij beroept zich daarvoor op art. 10 van de huurovereenkomst waarin is vastgelegd dat het gehuurde is bestemd om te worden gebruikt als een autoverwerkingsbedrijf en dat het [eiseres hoofdzaak] niet vrijstaat, zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] een andere bestemming aan het gehuurde te geven. De kantonrechter overweegt het volgende.

8.2

Ter beantwoording ligt de vraag voor wat partijen hebben beoogd met de in art. 10 van de huurovereenkomst opgenomen bestemming. Als bekend mag worden verondersteld, dat de uitleg van een tussen partijen gesloten overeenkomst niet kan worden beantwoord op grond van uitsluitend een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, LJN: AG4158 (Haviltex)). Voorts volgt uit HR 20 februari 2004 (LJN: A01427) dat bij de uitleg van een dergelijk beding telkens van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. alsmede dat in praktisch opzicht vaak van groot belang is de taalkundige betekenis van de bewoordingen van het geschrift, gelezen in de context ervan als geheel, die deze in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben.

8.3

Met [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] is de kantonrechter van oordeel dat een autoverwerkingsbedrijf (een autosloop) niet, althans niet vanzelfsprekend behoort tot de in artikel 7:290 lid 2 BW bedoelde categorieën bedrijven. De kantonrechter verwijst naar de conclusie van de A.G.

mr. Huydecoper bij ECLI:NL:HR:2011:BT7545. Deze schrijft: "Volledigheidshalve wijs ik er nog op dat het bepaald niet vanzelf spreekt dat een autosloperij mag worden aangemerkt als bedrijfsruimte als bedoeld in art. 7:290 lid 2 BW. Uit de conclusie in zaak nr. 10/01174 haal ik aan:

‘En tenslotte: van het bedrijf van autosloperij ligt niet rechtstreeks voor de hand, dat dat als een van de in art. 7:290 lid 2 BW bedoelde bedrijven mag worden aangemerkt. Kenmerkend voor de in die wetsbepaling bedoelde bedrijven is immers, dat die bedrijven goederen of diensten leveren aan publiek dat zich daartoe bij het bedrijf vervoegt. Er zullen autosloperijen zijn waar dit zich in meerdere of mindere mate voordoet (in het bijzonder doordat onderdelen van de voor sloop aangeboden auto's ter plaatse aan gegadigden worden verkocht): maar waar dat niet het geval is, of waar dergelijke activiteiten ten opzichte van de verdere bedrijfsactiviteiten een ondergeschikte plaats innemen, moet het bedrijf in kwestie worden gekwalificeerd als vallend buiten het bereik van art. 7:290 lid 2 BW.". De Hoge Raad heeft die zaak met een beroep op art. 81 R.O. afgedaan.

De bestemming van een autoverwerkingsbedrijf als art. 7:230a BW bedrijfsruimte is naar het oordeel van de kantonrechter het uitgangspunt voor de uitleg van de in art. 10 opgenomen bestemming van het gehuurde, omdat dit is wat beide professionele partijen naar objectieve maatstaven redelijkerwijze mochten verwachten. De kern van een autosloperij ligt nu eenmaal niet in de verkoop van nieuwe en gebruikte auto-onderdelen aan particulieren.

8.4

Ter comparitie heeft [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] verklaard, voor zover hier van belang:

"[eiseres hoofdzaak] heeft met mij de huurovereenkomst gesloten betreffende industrieel gebruik van de bedrijfsruimte en er is niet overeengekomen dat er particuliere verkoop zou plaatsvinden. Partijen hebben de huurovereenkomst getekend en daarin staat opgenomen dat het bedrijf van [eiseres hoofdzaak] een autoverwerkingsbedrijf is. (…) De bedrijfsruimte staat op een industriegebied en is niet toegankelijk voor particulieren. Particuliere verkoop vanuit de bedrijfsruimte mag ook niet volgens het bestemmingsplan. [eiseres hoofdzaak] heeft nooit aangegeven goederen te verkopen aan particulieren. Ik heb geen balie gezien in de bedrijfsruimte en er is ook geen parkeerplek aanwezig rondom de bedrijfsruimte."

De heer [naam 6] heeft verklaard, voor zover hier van belang:

"Bij ondertekening van de huurovereenkomst in 1990 was ik werkzaam bij [eiseres hoofdzaak] . Met het bedrijf ben ik 28-29 jaar geleden gestart en vanaf dat moment ben ik het bedrijf gaan opbouwen. [eiseres hoofdzaak] is een autorecyclingbedrijf. De werkzaamheden van [eiseres hoofdzaak] bestaan onder andere uit de inname van sloopauto's en de verkoop van gebruikte onderdelen. Uit de sloopauto's worden de goede onderdelen gehaald en vervolgens verkoop ik deze aan particulieren. [eiseres hoofdzaak] is verplicht de gebruikte auto's die worden aangeboden in te nemen. In de bedrijfsruimte is een balie aanwezig die voor het publiek toegankelijk is en er komen particulieren langs om goederen in te leveren dan wel te kopen. Door het plaatsen van advertenties sinds 1991 weet het publiek dat door [eiseres hoofdzaak] gebruikte goederen worden verkocht en vanaf dat moment was er ook aanloop van particulieren bij [eiseres hoofdzaak] .".

8.5

Wanneer de kantonrechter naar de lijst met bedrijfsactiviteiten van [eiseres hoofdzaak] kijkt (conclusie van antwoord in reconventie), dan bestaat de hoofdmoot uit activiteiten die niet zien op

art. 7:290 BW bedrijfsruimte (detailhandel). Dat [eiseres hoofdzaak] de particuliere verkoop bovenaan zet, doet hieraan niet af. De kern van de activiteiten ligt bij het - in samenwerking met betrokken gemeenten - al dan niet verplicht innemen van sloop- en schadeauto's. Het innemen van sloopauto's van particulieren gebeurt op basis van een publiekrechtelijke regeling en kan niet worden getypeerd als een ambachts- of kleinhandelsbedrijf. Bij het opkopen van schadeauto's worden door [eiseres hoofdzaak] Univé en Unigarant genoemd, maar geen particulieren. [eiseres hoofdzaak] heeft een uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel overgelegd, prints van haar website en een omschrijving van [eiseres hoofdzaak] in het telefoonboek. De kantonrechter merkt op dat dit eenzijdige uitingen zijn van [eiseres hoofdzaak] zelf en deze zijn niet bepalend voor wat partijen in hun huurovereenkomst hebben afgesproken. Immers, gesteld noch gebleken is dat dit uittreksel of deze informatie over de daar genoemde activiteiten bij het aangaan van de overeenkomst in 1990 een rol tussen partijen heeft gespeeld. Het uittreksel noemt 'handel in en reparatie van personenauto's en lichte bedrijfsauto's, maar het valt de kantonrechter op dat deze activiteiten niet door [eiseres hoofdzaak] in haar conclusie van antwoord in reconventie worden genoemd. Het valt de kantonrechter verder op, dat [eiseres hoofdzaak] geen bewijs overlegt van een in het gehuurde aanwezige ruimte 'waarin publiek wordt ontvangen en waarin producten (auto-onderdelen) worden verkocht' (r.n. 7 conclusie van antwoord in reconventie). Dit klemt temeer omdat [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] dit in haar conclusie van antwoord in conventie al uitdrukkelijk heeft betwist. Het moet toch eenvoudig zijn geweest voor [eiseres hoofdzaak] hiervan foto's in het geding te brengen; bewijs ontbreekt echter. [eiseres hoofdzaak] heeft in voornoemd randnummer 7 verwezen naar haar website www.groene-autoonderdelen.nl. Hier valt de kantonrechter op, dat de homepagina van de website bij "Verzending of afhalen?" vermeldt: "Verzending is mogelijk voor bijna alle onderdelen, als er geen mogelijkheid tot verzending beschikbaar is kunt u het product altijd bij ons afhalen.". Hoewel misschien logisch voor een webshop, maar het uitgangspunt is dus verzending van een product en niet afhalen. Dat [eiseres hoofdzaak] ook een winkelruimte heeft waar de producten kunnen worden bekeken en gekocht, wordt op deze website evenwel niet vermeld. Ofwel, in de kern kunnen bij [eiseres hoofdzaak] auto-onderdelen

on-line via de webshop worden gekocht en deze worden verzonden; pas als verzending niet mogelijk is, kunnen onderdelen worden afgehaald. Dit alles wijst niet op een voor het publiek bestemde openbare ruimte. Dat [eiseres hoofdzaak] ook (tweedehands) onderdelen verkoopt (zie weekoverzicht balie verkopen, productie bij de conclusie van antwoord in reconventie) moge zo zijn, maar daarmee is nog niet sprake van een voor het publiek toegankelijke ruimte bestemd voor verkoop aan particulieren. Daarbij komt dat [naam 6] heeft verklaard (zie boven) dat verkoop aan particulieren vanaf 1991 plaatsvindt. Dat is dus ná het aangaan van de overeenkomst en dit ondersteunt de stelling van [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] dat daarvan tijdens het sluiten van de huurovereenkomst geen sprake was. De kantonrechter wijst er nog op, dat [eiseres hoofdzaak] heeft gesteld voor 50% van haar omzet afhankelijk te zijn van de verkoop aan particulieren, maar zij heeft deze stelling op geen enkele wijze onderbouwd. Bij dit alles overweegt de kantonrechter verder dat [eiseres hoofdzaak] stukken overlegt over hoe de situatie nu is, maar geen stukken of bewijs overlegt die zien op de periode voorafgaand of tijdens het sluiten van de overeenkomst. Daarbij is gesteld noch gebleken dat [eiseres hoofdzaak] schriftelijke toestemming van [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] heeft gekregen om een andere bestemming aan het gehuurde te geven. [eiseres hoofdzaak] kan niet eenzijdig de bestemming van het gehuurde wijzigen. [eiseres hoofdzaak] merkt nog op dat artikel 3 over de duur van de huurovereenkomst overeenkomt met het bepaalde in de artikelen 7:290 en volgende BW. Dit verweer baat [eiseres hoofdzaak] niet. Het zou eventueel een aanwijzing kunnen zijn, maar het gaat om de bestemming die partijen bij het aangaan van de huurovereenkomst voor ogen heeft gestaan; die is bepalend voor het toepasselijke huurregime. Hier voegt de kantonrechter aan toe, dat in de huurovereenkomst zelf elke aanwijzing voor een kleinhandelsbedrijf ontbreekt.

8.6.

Waar [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] zich beroept op de rechtgevolgen (bedrijfsruimte ex art. 7:230a BW) van door haar gestelde feiten (de huurovereenkomst tussen partijen) rust op [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] volgens de hoofdregel van art. 150 Rv. de bewijslast. [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] beroept zich op de huurovereenkomst en heeft toegelicht aan de hand van de bedrijfsactiviteiten van [eiseres hoofdzaak] dat sprake is van art. 7:230a BW bedrijfsruimte. [eiseres hoofdzaak] heeft dit, gelet op het voorgaande, naar het oordeel van de kantonrechter niet, dan wel onvoldoende weersproken; haar verweer heeft zij voorts niet onderbouwd. [eiseres hoofdzaak] heeft aangeboden getuigen te horen in de personen van [naam 6] en

[naam 7] . [eiseres hoofdzaak] heeft echter nagelaten te stellen en te onderbouwen wat deze getuigen zouden kunnen verklaren om het geleverde bewijs te ontzenuwen. De kantonrechter gaat daarom aan dit aanbod voorbij. Daarmee kan als vaststaand worden aangenomen dat sprake is van art. 7:230a BW bedrijfsruimte.

8.7

De slotsom van het voorgaande is dat de kantonrechter de gevorderde verklaring voor recht zal toewijzen.

8.8

Waar [eiseres hoofdzaak] in het ongelijk wordt gesteld, zal de kantonrechter [eiseres hoofdzaak] veroordelen in de kosten van de reconventie. De kantonrechter rekent geen punt voor de comparitie na antwoord, nu deze gelijktijdig met de comparitie in conventie is gehouden.

in de vrijwaringszaak met zaak-/rolnummer 7119549 CV EXPL 18-4486

De vaststaande feiten

9.1

[gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] heeft in de vrijwaringsprocedure de dagvaarding in de hoofdzaak inclusief producties overgelegd en deze maken dus deel uit van deze procedure. De kantonrechter gaat uit van de vaststaande feiten als vermeld in de randnummers 2.1 tot en met 2.15 in de hoofdzaak en voegt daar de navolgende vaststaande feiten aan toe.

9.2

De opdracht van [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] aan [gedaagde vrijwaring] hield in dat [gedaagde vrijwaring] al het asbesthoudende materiaal, dat benoemd is in het asbestinventarisatierapport, conform de daarvoor geldende wet- en regelgeving diende te verwijderen en af te voeren. [gedaagde vrijwaring] is omstreeks 27 maart 2017 met de uitvoering van de asbestsanering begonnen. In dat kader is omstreeks januari 2017 onder het dak in de bedrijfshal plastic folie gespannen. De asbesthoudende dakplaten zijn door [gedaagde vrijwaring] tijdens de saneringswerkzaamheden verwijderd en afgevoerd.

9.3

Nadat [gedaagde vrijwaring] op 29 maart 2017 heeft gemeld dat haar werkzaamheden gereed waren, heeft het bedrijf [naam 8] Asbest Inspecties te [plaats] , het werk opgenomen. Enkele dagen na de keuring en vrijgave door [naam 8] ontving [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] van [eiseres hoofdzaak] het bericht dat er in en rond de bedrijfshal stukjes asbesthoudende golfplaat waren aangetroffen. In verband hiermee diende het reeds in gang gezette werk van aannemer [naam 2] op last van de Arbeidsinspectie te worden gestaakt.

9.4

Teneinde het aangetroffen asbesthoudende materiaal te kunnen verwijderen (een

nadere sanering uit te kunnen voeren), diende eerst opnieuw een asbestinventarisatie te worden uitgevoerd. In overleg is dit door [gedaagde vrijwaring] opgedragen aan Gebouweninspectie Nederland (GIN). Deze heeft haar bevindingen neergelegd in een asbestinventarisatierapport van 25 april 2017.

9.5

Bij brief van 28 april 2017 van de gemachtigde van [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] is [gedaagde vrijwaring] verzocht en gesommeerd om de nadere saneringswerkzaamheden voor eigen rekening te verrichten. Voorts is [gedaagde vrijwaring] aansprakelijk gesteld voor de schade die als gevolg van het tekortschieten van [gedaagde vrijwaring] is en zou kunnen ontstaan en in dat kader is zij door [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] gewezen op de belangen van [eiseres hoofdzaak] , de huurder van de bedrijfshal. Na overleg tussen partijen is [gedaagde vrijwaring] begin mei 2017 overgegaan tot uitvoering van de nadere asbestsanering.

9.6

Volgens opgave van [gedaagde vrijwaring] is de nadere asbestsanering op 17 mei 2017 gereed gekomen. Vrijwel onmiddellijk na 17 mei 2017 stelde de Arbeidsinspectie ter plaatse vast dat er nog steeds stukjes asbesthoudend materiaal op het terrein direct rondom de bedrijfshal aanwezig waren en dat het hierbij evident ging om 'oud asbest’. In verband hiermee legde de Arbeidsinspectie de werkzaamheden van de door [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] ingeschakelde aannemer wederom stil.

9.7

Bij brief van de gemachtigde van [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] van 23 mei 2017 is [gedaagde vrijwaring] gesommeerd om opnieuw een asbestinventarisatie te laten verzorgen en vervolgens op deugdelijke wijze

een asbestsanering uit te voeren. In dit verband is zij wederom aansprakelijk gesteld voor de schade van [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] en [eiseres hoofdzaak] . [gedaagde vrijwaring] heeft aan deze sommatie geen gevolg gegeven.

9.8

[gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] heeft vervolgens zelf opdracht gegeven aan het bedrijf Find Asbestinventarisatie B.V. te Heerenveen tot het uitvoeren en opstellen van een nadere asbestinventarisatie en een nieuw asbestinventarisatierapport. Dit heeft geresulteerd in het asbestinventarisatierapport van Find van 29 mei 2017.

9.9

De gemachtigde van [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] heeft [gedaagde vrijwaring] bij brief van 8 juni 2017 aansprakelijk gesteld voor de schade die [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] en haar huurder, [eiseres hoofdzaak] , als gevolg van het tekortschieten zouden lijden. Voorts heeft [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] de verplichting van [gedaagde vrijwaring] tot nakoming van haar

verplichtingen uit de met [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] gesloten overeenkomst ex artikel 6:87 BW omgezet in een tot vervangende schadevergoeding. Tot slot is gemeld dat [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] de asbestsanerings-

werkzaamheden op kosten van [gedaagde vrijwaring] zou laten uitvoeren door een derde partij.

9.10

Op grond van bevindingen van de Arbeidsinspectie diende opnieuw een asbestinventarisatie te worden verricht, gevolgd door een nadere asbestsanering. Dit is aan [gedaagde vrijwaring] kenbaar gemaakt door middel van de brief van de gemachtigde van [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring]

14 juni 2017. [gedaagde vrijwaring] is wederom aansprakelijk gesteld voor de schade van [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] en haar huurder, [eiseres hoofdzaak] , en [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] heeft [gedaagde vrijwaring] gesommeerd om kosteloos en op deugdelijke wijze alsnog al het asbest en alle asbesthoudende deeltjes te verwijderen van het eerder genoemde folie. [gedaagde vrijwaring] heeft aan deze sommatie geen gevolg gegeven.

9.11

[gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] heeft de nadere asbestsaneringswerkzaamheden laten uitvoeren door [naam 5] Asbestsanering B.V. te Tweede Exloërmond. Bij brief van 24 juli 2017 van de gemachtigde van [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] is [gedaagde vrijwaring] gewezen op de inschakeling van [naam 5] en de door deze geoffreerde kosten. Tevens is [gedaagde vrijwaring] opnieuw aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van haar tekortschieten c.q. onrechtmatig handelen en is zij verzocht om de kosten waarmee [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] werd geconfronteerd te vergoeden. Bij brief van 2 augustus 2017 heeft de gemachtigde van [gedaagde vrijwaring] aansprakelijkheid van de hand gewezen. Daarnaast heeft [gedaagde vrijwaring] betaling gevorderd van de openstaande facturen van 14 april en 16 mei 2017.

9.12

Na de asbestsaneringswerkzaamheden door [naam 5] mocht aannemer [naam 2] de werkzaamheden bestaande in het aanbrengen van een nieuwe dakbedekking op de bedrijfshal weer hervatten. [naam 2] heeft de betreffende werkzaamheden voltooid medio augustus 2017.

De vordering en het verweer, samengevat en zakelijk weergegeven

in de vrijwaringszaak met zaak-/rolnummer 7119549 CV EXPL 18-4486

in conventie

10.1

[gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] vordert - na akte wijziging van eis - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zo mogelijk gelijktijdig te wijzen met het vonnis in de hoofdzaak (zaak-/rolnummer 6740559 / CV EXPL 18-1402):

- [gedaagde vrijwaring] te veroordelen om [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] te vrijwaren voor al hetgeen waartoe zij in

de hoofdzaak jegens [eiseres hoofdzaak] mocht worden veroordeeld, met inbegrip van een

eventuele kostenveroordeling en nakosten;

- voor het geval de kantonrechter het in reconventie door [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] gedane beroep op

verrekening mocht passeren, derhalve voorwaardelijk, [gedaagde vrijwaring] te veroordelen om

tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] te betalen € 22.380,40, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 maart 2019 tot die der algehele voldoening;

- [gedaagde vrijwaring] te veroordelen in de proceskosten van deze vrijwaringprocedure en voorts in de kosten van de hoofdzaak (waaronder begrepen taxen in het kader van getuigenverhoren en kosten van een eventueel deskundigenbericht), te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen 7 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten, te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

10.2

[gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] beroept zich voor haar vordering op de vaststaande feiten en stelt daartoe nog het volgende.

Door meerdere deskundigen en door [gedaagde vrijwaring] zelf is vastgesteld dat er, nadat [gedaagde vrijwaring] haar werk eind maart 2017 gereed had gemeld, op tal van plaatsen in de bedrijfshal stukjes asbesthoudende dakplaten en asbestdeeltjes aanwezig waren. Bovendien heeft de Arbeidsinspectie in mei 2017 vastgesteld dat er asbesthoudend materiaal en asbestdeeltjes aanwezig waren op het folie dat onder het dak was gespannen. In de bewuste perioden is uitsluitend [gedaagde vrijwaring] in, aan en op de bedrijfshal aan het werk geweest en het was haar taak om het aanwezige asbest te verwijderen en af te voeren. Dit heeft zij evident niet, althans niet behoorlijk, gedaan. De tweede sanering diende er toe om de fouten die [gedaagde vrijwaring] tijdens de eerste sanering had gemaakt, te herstellen. Daartoe behoorde ook het verwijderen van na het gereedkomen van de eerste sanering rondom de bedrijfshal aangetroffen asbesthoudende stukjes materiaal c.q. asbestdeeltjes. Voor de stelling van [gedaagde vrijwaring] dat [eiseres hoofdzaak] zelf asbesthoudende stukjes materiaal en asbestdeeltjes zou hebben rondgestrooid in en rondom de bedrijfshal is geen enkel bewijs geleverd.

[eiseres hoofdzaak] stelt zich jegens [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] op het standpunt dat zij als gevolg van de asbestsanerings-operatie schade heeft geleden, bestaande in kort gezegd:

a. waterschade aan inventaris en voorraad, die slechts ten dele zou zijn vergoed door haar ( [eiseres hoofdzaak] ) inboedelverzekeraar;

b. gederfd huurgenot vanwege het feit dat de bedrijfshal gedurende een periode van vijf maanden niet voorzien is geweest van een deugdelijk dak (niet voldoende wind- en waterdicht was);

c. gederfde inkomsten c.q. winst en:

d. reputatie- en gezondheidsschade.

Indien er waterschade mocht zijn ontstaan aan inventaris en/of voorraad van [eiseres hoofdzaak] ,

is dit te wijten aan het feit dat [gedaagde vrijwaring] onvoldoende maatregelen heeft getroffen om inwatering in de bedrijfshal te voorkomen. Zulks terwijl [gedaagde vrijwaring] de kosten van het tijdelijk afdekken van het dak wel bij [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] in rekening heeft gebracht.

Indien sprake is van gederfd huurgenot is dit een gevolg van het tekortschieten van [gedaagde vrijwaring] omdat de sanering uiteindelijk pas deugdelijk is afgerond eind juli 2017, als gevolg waarvan de bedrijfshal pas medio augustus 2017 was voorzien van een nieuwe dakbedekking.

Ook een eventuele inkomens- of winstderving en reputatie- of gezondheidsschade aan de zijde van [eiseres hoofdzaak] is een gevolg van het tekortschieten van [gedaagde vrijwaring] .

10.3

[gedaagde vrijwaring] heeft verweer gevoerd met als conclusie afwijzing van de vorderingen van [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] . Daartoe voert zij het volgende aan.

10.4

[gedaagde vrijwaring] is een bedrijf dat zich (onder meer) richt op asbestsanering. [gedaagde vrijwaring]

beschikt over het daartoe vereiste zogenoemde SC-530 certificaat. [gedaagde vrijwaring] is ingeschakeld voor de asbestsanering en heeft geen bemoeienis gehad met het al dan niet aanbrengen van een nieuw dak. Het asbesthoudende dak was sinds 1990 niet onderhouden en een aantal platen was op een gegeven moment gaan lekken. [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] heeft daarvoor kennelijk korte termijn herstelmaatregelen getroffen door aannemer [naam 2] in 2015 een aantal lekkende asbesthoudende platen te laten vervangen. [naam 2] beschikt, voor zover [gedaagde vrijwaring] bekend, niet over het daartoe vereiste SC-530 certificaat. Ook uit onderzoek dat door Dekra Experts is gedaan, is gebleken dat in 2015 werkzaamheden aan het asbesthoudende dak van de loods zijn verricht. [gedaagde vrijwaring] heeft bij TÜV Nederland nagevraagd of het is toegestaan om een sanering uit te voeren aan het dak van een loods die niet leeg is, maar waarbij wel folie is gespannen onder de gordingen. TÜV beantwoordde die vraag bevestigend.

Op 25 november 2016 heeft [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] de door [gedaagde vrijwaring] op 8 november 2016 uitgebrachte opdrachtbevestiging ondertekend. In die opdrachtbevestiging heeft [gedaagde vrijwaring] , voor zover hier relevant, aangegeven:

- dat zij zich verbindt tot het demonteren, afvoeren en storten van de asbesthoudende golfplaten;

- dat de opdrachtgever zelf van tevoren de dakconstructie stofvrij maakt en onder de gordingen, ter plaatse van de kopgevels, tussenwanden en muurplaten folie van voldoende dikte bevestigt, zodat er geen asbestdeeltjes tussendoor kunnen vallen;

- dat de sanering enkel de asbestgolfplaten betreft;

- dat de sanering enkel het in het inventarisatierapport benoemde asbest betreft;

- dat aansprakelijkheid voor schades die verband houden met de afdekking van blootgelegde ruimtes nadrukkelijk wordt afgewezen;

- dat afgegeven levertijden indicatief zijn en dat hieraan geen rechten kunnen

worden ontleend.

Op de overeenkomst heeft [gedaagde vrijwaring] de Metaalunievoorwaarden van toepassing verklaard.

Op 13 december 2016 heeft Gebouweninspectie Nederland (GIN) een

asbestinventarisatierapport uitgebracht. De volgende objecten waren asbesthoudend:

• het golfplaten dak van de loods;

• het golfplaten dak van de tankombouwen;

• de golfplaten op het maaiveld naast de loods.

[gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] was als opdrachtgever verantwoordelijk voor het van tevoren stofvrij maken van de dakconstructie en onder de gordingen, alsmede voor het ter plaatse van de kopgevels, tussenwanden en muurplaten bevestigen van folie. [gedaagde vrijwaring] heeft het benodigde folie en tape geleverd. Het betreft een sterk folie van voldoende dikte dat ook wordt gebruikt voor het bouwen van containments. De heer [naam 9] , medewerker van [gedaagde vrijwaring] en Deskundig Toezichthouder Asbestverwijdering (“UTA”). heeft het door [naam 2] aangebrachte folie voorafgaand aan de sanering gecontroleerd. Het folie bleek deugdelijk te zijn aangebracht.

[gedaagde vrijwaring] heeft de asbesthoudende golfplaten geheel afgevoerd met behulp van een kraan. Na de sanering heeft [gedaagde vrijwaring] haar werkgebied, inclusief het folie, gestofzuigd met een zogenoemde HEPA-stofzuiger. [naam 8] heeft het werkgebied van [gedaagde vrijwaring] - het dak van de loods, het dak van de tankombouwen en het maaiveld nabij de loods - visueel geïnspecteerd en verklaard dat deze delen, waaronder het folie, vrij waren van waarneembare asbestverdachte materialen. Direct na de afronding van de sanering en vrijgave is [naam 2] begonnen met het aanbrengen van tijdelijk zeil op het dak, waarschijnlijk omdat [naam 2] dacht dat het aanbrengen van het gehele dak lang zou gaan duren. Op verzoek van [naam 2] hebben medewerkers van [gedaagde vrijwaring] enkele uren geholpen bij deze werkzaamheden.

Ongeveer een week na de sanering kreeg [gedaagde vrijwaring] bericht van de heer [naam 10] van de

Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe (RUD), dat [eiseres hoofdzaak] de milieupolitie zou hebben

ingeschakeld. [eiseres hoofdzaak] heeft vervolgens aan RPS advies- en ingenieursbureau de opdracht gegeven om een analyse uit te voeren van asbestverdachte materialen in en om de loods. Uit een analysecertificaat van RPS van 12 april 2017 blijkt dat de materialen asbesthoudend waren. Vervolgens heeft GIN een tweede asbestinventarisatie uitgevoerd, ditmaal in de loods. Uit het rapport van 25 april 2017 blijkt dat restanten van golfplaten zijn aangetroffen op de bordessen, zolders en begane grond van de loods. [gedaagde vrijwaring] heeft met vrijgavebureau Emmtec Services (Emmtec) de locatie bezocht om te bezien hoe de nadere sanering het beste zou kunnen worden aangepakt. Emmtec adviseerde onder meer om eerst het zeil eraf te halen, dan het folie te verwijderen en dan de geïnventariseerde bronnen te saneren. Gezien de grote hoeveelheid spullen in de loods, werd besloten dat Emmtec gedurende de gehele sanering aanwezig zou zijn. De sanering heeft van 8 tot en met 12 mei 2017 plaatsgevonden. Met name vanwege de grote hoeveelheid spullen in de loods, hebben zowel medewerkers van [gedaagde vrijwaring] als medewerkers van Emmtec het gebied uitvoerig geïnspecteerd. Tegen het einde van de saneringswerkzaamheden heeft [gedaagde vrijwaring] [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] , de Inspectie SZW, de RUD en TÜV per e-mail van 11 mei 2017 uitgenodigd om te beoordelen of de sanering op juiste wijze was uitgevoerd. [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] en de RUD hebben van die uitnodiging gebruik gemaakt. Uit de eindcontrolerapportage van 16 mei 2017 blijkt dat Emmtec 2160 minuten (36 uren) aan de eindcontrole heeft besteed en dat zij geen asbestverdachte of -houdende materialen heeft aangetroffen.

Acht dagen na de tweede sanering heeft Find in opdracht van [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] een asbestinventarisatie uitgevoerd. Uit het rapport van 29 mei 2017 blijkt dat Find op diverse plaatsen asbest heeft

aangetroffen, namelijk restanten golfplaat aan de zijgevel, asbesthoudende beplating op de meterkast aan de voorzijde van het pand, houtfretten met losse vezelrestanten aan de zijgevel, lichtplaten met losse vezelrestanten die zijn opgeborgen onder het afdak aan de

zijgevel, restanten golfplaat onder het afdak van de zijgevel.

De heer [naam 11] van Dekra heeft in opdracht van de aansprakelijkheidsverzekeraar van [gedaagde vrijwaring] onderzoek gedaan naar de - vermeend - onjuist uitgevoerde asbestsanering door [gedaagde vrijwaring] . Dekra heeft op 15 juni 2017 rapport uitgebracht. Wat betreft de eerste asbestbesmetting in de loods concludeert Dekra dat het aannemelijk is dat deze besmetting verband houdt met in het verleden door [naam 2] uitgevoerde werkzaamheden aan de loods, die niet op de voorgeschreven wijze zijn uitgevoerd. Ten aanzien van de tweede asbestbesmetting, die (na de tweede sanering in de loods) voornamelijk op het maaiveld is aangetroffen, concludeert Dekra dat het gaat om een onverharde bodem waar langdurig zwaar beschadigde asbestbeplating is opgeslagen. Mogelijk zijn delen daarvan in de bodem vertrapt of verreden. Die delen kunnen op een later moment weer aan de oppervlakte verschijnen.

Het werkgebied van een asbestsaneerder is beperkt tot de geïnventariseerde asbestbronnen.

Dat is door [gedaagde vrijwaring] expliciet in haar opdrachtbevestiging benoemd. Het saneren van niet-geïnventariseerde bronnen is bovendien wettelijk verboden. [gedaagde vrijwaring] betwist dat de asbestbesmetting is ontstaan tijdens de eerste sanering. De asbestrestanten in de loods zijn aangetroffen op plaatsen waarboven onbeschadigd folie was aangebracht. Het is dus onmogelijk dat tijdens de sanering asbestrestanten door het folie naar beneden zijn gevallen. Zouden de asbestrestanten desondanks op enige wijze verband houden met het ondeugdelijk aanbrengen van folie, dan zou dat bovendien voor rekening en risico van [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] komen. [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] was op grond van de overeenkomst met [gedaagde vrijwaring] zelf verantwoordelijk voor het aanbrengen van folie. [gedaagde vrijwaring] heeft aansprakelijkheid voor schade, ontstaan door het niet-afdekken van blootgelegde ruimtes, in haar opdrachtbevestiging ook uitdrukkelijk uitgesloten. In de loods was het een enorme rommel. Tussen de spullen zijn oude asbest-restanten aangetroffen. Het is dan ook aannemelijk dat die restanten daar in de loop der tijd terechtgekomen zijn. Gezien het tijdsverloop tussen de asbestsanering en vrijgave (27-29 maart 2017) en de ontdekking van de asbestrestanten (7 april 2017) is het goed mogelijk dat derden asbest hebben verspreid of dat asbest is losgekomen uit de grond. [gedaagde vrijwaring] heeft geen zicht op wat er in de tussenliggende periode is gebeurd. De door Find aangetroffen asbestrestanten behoorden in het kader van de eerste sanering (golfplaten dak van de loods en de tankombouwen en de golflaten op het maaiveld), of in het kader van de tweede sanering (asbestrestanten in de loods) niet tot het werkgebied van [gedaagde vrijwaring] . Deze asbestbronnen zijn immers niet geïnventariseerd. Dekra concludeert dat het onwaarschijnlijk is dat deze duidelijk waarneembare asbestrestanten al tijdens de sanering door [gedaagde vrijwaring] aanwezig waren. Dekra concludeert verder dat delen van die golfplaten kunnen zijn verspreid, vervolgens vertrapt of verreden kunnen zijn en dat de restanten op een later moment weer aan de oppervlakte kunnen verschijnen. Dat strookt ook met de conclusie

van Find dat het gaat om zwaar verweerde, ernstig beschadigde restanten en het advies

om een NEN 5707 bodemonderzoek te laten uitvoeren.

In haar opdrachtbevestiging heeft [gedaagde vrijwaring] de volgende exoneratie opgenomen:

"Deze opdracht is exclusief het tijdelijk afdekken van blootgelegde ruimtes dmv bijvoorbeeld zeilen. Aansprakelijkheid voor schades die hierdoor mogelijkerwijs ontstaan wijzen wij nadrukkelijk af.".

[gedaagde vrijwaring] hanteert daarnaast bij alle opdrachten de Metaalunievoorwaarden, zo ook

bij de overeenkomst met [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] . In art. 13.3 (dit moet zijn 13.4; ktr.) van de Metaalunievoorwaarden (versie 1 januari 2014) is een uitsluiting opgenomen voor bedrijfsschade en opzichtschade. Derhalve is [gedaagde vrijwaring] in ieder geval niet aansprakelijk voor de gestelde schade.

[gedaagde vrijwaring] betwist verder dat sprake is van causaal verband tussen de vermeende

tekortkoming en het niet aanbrengen van een dak. In de ogen van [gedaagde vrijwaring] was er geen enkele reden om daar na de eerste sanering mee te wachten. [gedaagde vrijwaring] vermoedt dat [naam 2] niet over de mankracht beschikte om direct een dak aan te brengen. Het feit dat [naam 2] de medewerkers van [gedaagde vrijwaring] heeft verzocht om te helpen bij het aanbrengen van het zeil, bevestigt dat. De door [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] gekozen aanpak heeft tot deze schade geleid. Verder heeft te gelden dat deze schade in een zodanig ver verwijderd verband staat met de vermeende

fout van [gedaagde vrijwaring] dat deze schade op de voet van art. 6:98 BW niet aan [gedaagde vrijwaring] kan worden toegerekend. [gedaagde vrijwaring] concludeert voorts dat de door [eiseres hoofdzaak] geleden schade is veroorzaakt door het handelen en nalaten van [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] . De eventuele op [gedaagde vrijwaring] rustende schadevergoedingsplicht dient bijgevolg op grond van art. 6:101 BW te worden verminderd tot nihil.

In de hoofdzaak vordert [eiseres hoofdzaak] een verklaring voor recht dat [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] aansprakelijk is voor de schade, nader op te maken bij staat. [gedaagde vrijwaring] wijst erop dat de onderhavige vrijwaringszaak niet kan worden afgedaan als in de hoofdzaak nog een schadestaatprocedure loopt (Hoge Raad 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2388). In dat geval wordt [gedaagde vrijwaring] immers de mogelijkheid ontnomen om verweren te voeren ten aanzien van (de omvang van) de schade, waardoor het beginsel van hoor en wederhoor wordt geschonden.

in reconventie

11.1

[gedaagde vrijwaring] vordert, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] te veroordelen om de openstaande facturen van € 14.414,13 en € 10.781,98 aan [gedaagde vrijwaring] te betalen, te vermeerderen met de rente op grond van de Metaalunie-voorwaarden, subsidiair de wettelijke handelsrente vanaf dertig dagen na de factuurdata, althans vanaf een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum, tot de dag der algehele voldoening, en dit alles te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten op grond van de Metaalunievoorwaarden, subsidiair op grond van BIK;

- met veroordeling van [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] in de kosten van het geding in reconventie aan de zijde

van [gedaagde vrijwaring] gevallen, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het te

wijzen vonnis en - voor het geval voldoening niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

- alsmede met veroordeling van [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] in de nakosten van € 157,- dan wel, indien betekening van het vonnis plaatsvindt, van € 239,-.

11.2

[gedaagde vrijwaring] beroept zich voor haar vordering op de vaststaande feiten en stelt daartoe nog het volgende. [gedaagde vrijwaring] heeft voor de eerste sanering op 14 april 2017 een bedrag van

€ 14.414,13 in rekening gebracht. Nu [gedaagde vrijwaring] aan haar verplichtingen op grond van die overeenkomst heeft voldaan, is er geen rechtsgrond om betaling achter te houden. Op basis van een gentlemen‘s agreement, hebben [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] , [naam 8] en [gedaagde vrijwaring] - zonder erkenning van aansprakelijkheid - afgesproken dat de kosten van de tweede sanering zouden worden gedeeld. In dat kader heeft [gedaagde vrijwaring] op 16 mei 2017 een bedrag van € 5.390,99 aan [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] gefactureerd. Voorwaarde was dat de zaak onderling geregeld zou worden zonder tussenkomst van advocaten. Aangezien [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] zich niet aan het gentlemen‘s agreement heeft gehouden en de onderhavige procedure is gestart, vordert [gedaagde vrijwaring] in deze procedure niet alleen betaling van het aandeel van [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] maar ook van het aandeel dat [gedaagde vrijwaring] uit coulance voor haar rekening heeft genomen. De openstaande vordering van [gedaagde vrijwaring] op [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] ten aanzien van de tweede sanering bedraagt daarmee € 10.781,98. [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] verkeert ter zake in verzuim.

11.3

[gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] heeft verweer gevoerd met als conclusie [gedaagde vrijwaring] in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar vorderingen af te wijzen en haar te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veerten dagen na het wijzen van het vonnis tot de dag der algehele voldoening. Zij voert daartoe het volgende aan.

11.4

Primair is [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] van oordeel dat zij aan [gedaagde vrijwaring] niets is verschuldigd nu de

prestaties van [gedaagde vrijwaring] ernstig gebrekkig zijn geweest, [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] daaraan niets heeft gehad en deze zijn zodoende voor [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] van geen waarde zijn geweest. Subsidiair stelt [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] zich op het standpunt dat zij de facturen waarvan [gedaagde vrijwaring] vergoeding vordert, pas hoeft te voldoen op het moment dat [gedaagde vrijwaring] aan haar verplichting tot vergoeding van de vervangende schadevergoeding heeft voldaan. In dit kader wijst [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] erop dat zij per brief van 8 juni 2017 uitdrukkelijk aan [gedaagde vrijwaring] heeft laten weten dat zij haar verplichtingen uit de overeenkomst heeft opgeschort.

Verder is [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] is van oordeel dat zij de vordering van [gedaagde vrijwaring] tot betaling van de facturen op grond van artikel 6:127 BW mag verrekenen met haar schadevergoedings-vordering. Per saldo leidt (ook) dit ertoe dat [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] niets meer is verschuldigd aan [gedaagde vrijwaring] . Integendeel, het is [gedaagde vrijwaring] die na verrekening nog een bedrag van

€ 2.656,28 aan [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] moet betalen. [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] heeft een vordering op [gedaagde vrijwaring] ter hoogte van € 22.380,40. Dit bedrag bestaat uit de kosten voor de door Find uitgevoerde asbestinventarisatie (€ 774,40) en de daaropvolgende asbestsanering door [naam 5]

(€ 21 .606,00). [gedaagde vrijwaring] is meermaals in de gelegenheid gesteld haar tekortkoming te herstellen, maar heeft dit nagelaten. [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] betwist dat de gentlemen's agreement is aangegaan onder de voorwaarde dat geen advocaten zouden worden ingeschakeld.

Aan [gedaagde vrijwaring] komt, zoals in conventie toegelicht, geen beroep toe op de Metaalunievoorwaarden. Bovendien geldt dat partijen geen bepaalde betalingstermijn zijn overeengekomen en dat [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] ook niet (behoorlijk) in gebreke is gesteld, zodat verzuim aan de zijde van [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] niet is ingetreden. Zo [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] al in verzuim zou zijn geraakt, geldt dat dit is geëindigd op het moment dat bevoegdelijk werd opgeschort. Tevens geldt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om een rente ad 12% aan [gedaagde vrijwaring] toe te kennen. Gelet op het feit dat de vordering van [gedaagde vrijwaring] niet kan slagen, komen de buitengerechtelijke incassokosten niet voor vergoeding in aanmerking.

De beoordeling

in de vrijwaringszaak met zaak-/rolnummer 7119549 CV EXPL 18-4486

in conventie en in reconventie

12. Ook hier wijst de kantonrechter er ten overvloede op, dat de hoofdzaak en de vrijwaringszaak twee zelfstandige procedures zijn die niet tussen dezelfde procespartijen worden gevoerd. Processtukken in de ene procedure maken niet automatisch deel uit van de andere procedure.

in conventie

13. [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] vordert - na akte wijziging van eis - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zo mogelijk gelijktijdig te wijzen met het vonnis in de hoofdzaak (zaak-/rolnummer 6740559 / CV EXPL 18-1402) [gedaagde vrijwaring] te veroordelen om [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] te vrijwaren voor al hetgeen waartoe zij in de hoofdzaak jegens [eiseres hoofdzaak] mocht worden veroordeeld, met inbegrip van een

eventuele kostenveroordeling en nakosten. [gedaagde vrijwaring] heeft verweer gevoerd. De kantonrechter overweegt het navolgende.

14. Hoewel het de voorkeur heeft dat de hoofdzaak en de vrijwaringszaak gelijktijdig worden afgedaan, komt de kantonrechter tot de conclusie dat dat in dit geval niet mogelijk is. Deels komt dit doordat stukken waarop partijen in hun conclusies een beroep doen, en die nodig zijn voor de beoordeling van de zaak, niet zijn overgelegd. Anderdeels omdat [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] in haar conclusie van antwoord in reconventie nieuwe stellingen heeft aangevoerd die ook betrekking hebben op de conventie en waarop [gedaagde vrijwaring] nog niet heeft kunnen reageren, met name dat niet is gewerkt volgens het certificatieschema. Tevens heeft de gemachtigde van [gedaagde vrijwaring] ter comparitie verzocht filmpjes van 8 mei 2017 die in de bedrijfsruimte zijn gemaakt, over te mogen leggen (zie proces-verbaal comparitie na antwoord, p. 10). Op de voet van art. 22 Rv. zal de kantonrechter de meest gerede partij opdragen deze stukken in het geding te brengen. Na het overleggen van de stukken en de nadere reacties van partijen bestaat de mogelijkheid desgewenst een nieuwe comparitie te houden. Ook daarover kunnen partijen zich uitlaten.

16. Alle verdere beslissingen houdt de kantonrechter aan.

in reconventie

17. Gelet op wat in conventie wordt beslist, zal de kantonrechter ook zijn beslissing in de reconventie aanhouden nu de conventie en de reconventie nauw verband houden met elkaar.

De beslissing

De kantonrechter:

in de hoofdzaak met zaak-/rolnummer 6740559 CV EXPL 18-1402

in conventie

stelt een vermindering van de huurprijs vast vanaf april 2017 tot en met augustus 2017,

zijnde de periode dat het gehuurde geen vast dak had, van € 2.873,41 en veroordeelt [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] tot betaling van dit bedrag aan [eiseres hoofdzaak] ;

compenseert de kosten van de conventie, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten dient te dragen;

in reconventie

verklaart voor recht dat de huurovereenkomst tussen [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] en [eiseres hoofdzaak] betreffende de

onderhavige bedrijfshal kwalificeert als een huurovereenkomst als bedoeld in artikel

7:230a BW;

veroordeelt [eiseres hoofdzaak] in de kosten van de reconventie, welke kosten tot op heden worden begroot op € 300,00 voor het salaris van de gemachtigde van [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] ;

in conventie en in reconventie

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

in de vrijwaringszaak met zaak-/rolnummer 7119549 CV EXPL 18-4486

in conventie en in reconventie

draagt [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] op - zo mogelijk - de volgende stukken in het geding te brengen:

- het rapport van de Arbeidsinspectie van mei 2017;

- het rapport van Find van 26 juni 2017;

- het boeterapport van de Inspectie;

draagt [gedaagde vrijwaring] op - zo mogelijk - de volgende stukken in het geding te brengen:

- filmpjes van 8 mei 2017 van de bedrijfsruimte;

- een goed leesbare kopie van de opdrachtbevestiging van 8 november 2016 waarin met name de verwijzing naar de algemene voorwaarden goed leesbaar moet zijn;

verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 5 november 2019 te 9:30 uur voor akte overleggen van de hierboven genoemde stukken door beide partijen;

bepaalt dat de zaak vervolgens wordt verwezen naar de rol van dinsdag 3 december 2019 te 9:30 uur voor akte uitlaten producties van de zijde van beide partijen en voor akte uitlating van de zijde van [gedaagde vrijwaring] over de conclusie van antwoord in reconventie van de zijde van [gedaagde hoofdzaak, eiseres vrijwaring] ;

bepaalt dat partijen zich tevens kunnen uitlaten over het al dan niet bepalen van een comparitie van partijen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. G.J.J. Smits en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2019.

typ/conc: 552 / GJJS

coll: