Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:4272

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-10-2019
Datum publicatie
17-10-2019
Zaaknummer
18/730064-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, omdat hij de burgemeester van de gemeente Dantumadiel en zijn voorganger en een gemeenteambtenaar heeft bedreigd. Deze bedreigingen vonden plaats in het kader van een echtscheidingsprocedure. De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van de bedreiging van vier andere personen.

Naast de gevangenisstraf heeft de rechtbank de man een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, in de vorm van een contactverbod voor de duur van drie jaren. Dit contactverbod heeft niet alleen betrekking op de drie slachtoffers van de bedreigingen, maar ook de raadsvrouw van de ex-partner en een medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730064-19

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 17 oktober 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 oktober 2019.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.R. Logemann, advocaat te Harlingen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 2 april 2019 te Earnewâld, gemeente Tytsjerksteradiel, in ieder geval in de provincie Friesland, in een gesprek met [slachtoffer 1] (trajectbegeleider Veiligheidshuis Fryslân), een of meerdere perso(o)n(en), te weten:

- [slachtoffer 2] (burgemeester van de gemeente Dantumadiel) en/of

- [slachtoffer 3] (oud burgemeester van de gemeente Dantumadiel) en/of

- [slachtoffer 4] (raadsvrouw van zijn ex-partner) en/of

- [slachtoffer 5] (werkzaam bij de Raad voor de Kinderbescherming)

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door dreigend de woorden te uiten:

“Ik heb twee woorden voor de burgemeester ( [slachtoffer 2] ) die je hem mag vertellen: manifest en bloedbad. Als de burgemeester niks gaat oppakken dan regel ik het zelf. Dan zoek ik hem op en dan moord ik zijn hele familie uit. Ik weet ze te vinden en ik moord ze allemaal uit” en/of

“de oud burgemeester ( [slachtoffer 3] ) ga ik ook opzoeken en die gaat er ook aan. Ik zoek wel uit waar hij woont, ik vind hem wel” en/of

“Ik ga ook naar [slachtoffer 4] . En ook [slachtoffer 4] en haar familie gaan er allemaal aan” en/of

“ [slachtoffer 5] staat ook op mijn dodenlijst” en/of in het algemeen:

“Ik ben er helemaal klaar mee. Ik heb niks meer te verliezen. Ik heb niks meer. Besef wel dat je tegenover een moordenaar zit. Ik word de beruchtste moordenaar van Nederland. Mijn kinderen zullen later zeggen mijn vader is de beruchtste moordenaar van Nederland. Zij zullen trots op mij zijn. Die moordenaar in Utrecht heeft drie mensen meegenomen maar ik word beroemder en zal er meer meenemen”

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij op of omstreeks 18 september 2018, te Damwâld, gemeente Dantumadiel, een persoon genaamd [slachtoffer 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door op de deur te slaan toen zij zich in het toilet had opgesloten en daarbij haar de woorden toe te voegen: " [slachtoffer 6] , ik weet wie je bent. Ik weet waar je woont. Ik weet hoe je eruit ziet. Ik weet je te vinden. Wat heb jij besproken met de politie?", althans woorden van soortgelijke aard of strekking;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 17 mei 2019, te Leeuwarden, althans elders in Nederland, een persoon, genaamd [slachtoffer 7] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door woorden te uiten als: “Ik kom achter je aan [slachtoffer 7] , ik heb [slachtoffer 5] gewaarschuwd, pas je rapport aan of ik pas jullie aan. Ik weet [slachtoffer 7] wel te vinden”, althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of aan

die [slachtoffer 7] een flyer te sturen waarop twee gieren zichtbaar waren die in een lijk pikken (daarbij de suggestie wekkend dat [slachtoffer 7] in het lijk van een vader pikt);

4.

hij op of omstreeks 17 oktober 2018, te Groningen, althans elders in Nederland, zijn ex-partner [slachtoffer 8] en/of haar werkgever en collega’s heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een collega van die [slachtoffer 8] (telefonisch) dreigend de woorden toe te voegen “Als jullie aangifte doen en ik kom vast te zitten dan zal ik na mijn vrijlating jullie bedrijf en alle locaties waar [slachtoffer 8]

werkzaam is lastigvallen. Het doel van mijn gedrag is om [slachtoffer 8] helemaal kapot te maken”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1. ten laste gelegde. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde bedreigingen van burgemeester [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ), oud-burgemeester [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ), advocate [slachtoffer 4] (hierna: [slachtoffer 4] ) en de medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming [slachtoffer 5] (hierna: [slachtoffer 5] ) kunnen worden bewezen op grond van de verklaringen van getuige [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en de overige betrokkenen.

De officier van justitie heeft ook veroordeling gevorderd voor het onder 2. en 3. ten laste gelegde. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd. In de ten laste gelegde woorden is niet direct een bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling te lezen. De aangevers kennen verdachte echter al langer en verdachte kent hen. Gelet op de context waarin en de omstandigheden waaronder verdachte de ten laste gelegde woorden heeft uitgesproken, is het duidelijk dat deze woorden een bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) inhouden.

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 4. ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1. ten laste gelegde voor zover dit betrekking heeft op [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] . Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. [slachtoffer 4] heeft in haar aangifte aangegeven dat zij zich bedreigd voelde door verdachte, maar dat ziet op andere feitelijke handelingen dan die welke in de tenlastelegging staan. Uit het dossier blijkt niet dat [slachtoffer 4] zich bedreigd heeft gevoeld door de dingen die verdachte op 2 april 2019 heeft gezegd. [slachtoffer 5] heeft verklaard dat hij zich destijds niet bedreigd heeft gevoeld. Het is niet aannemelijk dat hij zich nu opeens wel bedreigd voelt.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1. ten laste gelegde kan worden bewezen voor zover het betrekking heeft op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] .

De raadsman heeft zich verder op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2. ten laste gelegde. Daartoe heeft hij aangevoerd dat uit het dossier niet naar voren komt dat sprake was van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling. Ook het slaan op de deur van een toilet kan niet worden aangemerkt als bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

De raadsman heeft betoogd dat verdachte ook moet worden vrijgesproken van het onder 3. ten laste gelegde, omdat het verspreiden van de flyer met de gieren niet kan worden aangemerkt als bedreiging. Het betrof een uiting van emoties. Verdachte wilde het familierechtelijke traject aan de orde stellen. Hij had niet het opzet om iemand te bedreigen met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling.

Verder heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte eveneens moet worden vrijgesproken van het onder 4. ten laste gelegde. Daartoe heeft hij aangevoerd dat geen sprake is van een bedreiging van de werkgever of de collega's van verdachtes ex-partner [slachtoffer 8] (hierna: [slachtoffer 8] ). Daarnaast blijkt volgens de raadsman uit het dossier niet dat de bedreiging tot [slachtoffer 8] is doorgedrongen en dat zij zich bedreigd heeft gevoeld.

Oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 1, voor zover dit ziet op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]

De rechtbank past ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde, voor zover dit ziet op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1.1.

De door verdachte ter zitting van 3 oktober 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik heb op 2 april 2019 in Earnewâld een gesprek gehad met [slachtoffer 1] . Ik heb me in dat gesprek laten gaan en er dingen uitgeflapt die ik niet had moeten zeggen. Het zou kunnen dat ik de woorden heb uitgesproken die in de tenlastelegging staan.

1.2.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 4 april 2019, opgenomen op pagina 150 en volgende van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019129960 van 12 augustus 2019, inhoudend als verklaring van verdachte:

Ik had een afspraak met [slachtoffer 1] in Earnewoude.

[slachtoffer 1] heeft een opmerking gemaakt: "Wat is je eigen bijdrage dat je je kinderen niet meer ziet?" Dit deed mij zo ontzettend pijn. Ik schreeuw dan van de pijn. Ik zeg dan de verkeerde dingen. Ik ben dan boos. Ik was gefrustreerd dat zij weer alleen met de burgemeester in gesprek zou. Ik roep in mijn boosheid dan dingen.

1.3.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 3 april 2019, opgenomen op pagina 40 en volgende van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :

Ik ben trajectbegeleider bij het Veiligheidshuis Fryslân. Gisteren, 2 april 2019, had ik een afspraak met [verdachte] in Earnewâld.

[verdachte] vroeg of ik nog iets van de burgemeester had gehoord. Ik weet dat [verdachte] met de

burgemeester, burgemeester [slachtoffer 2] van gemeente Dantumadeel bedoelt.

[verdachte] zei: "Ik heb twee woorden voor de burgemeester die je hem mag vertellen: Manifest en bloedbad. Als de burgemeester niks gaat oppakken dan regel ik het zelf. Dan zoek ik hem op en dan moord ik zijn hele familie uit. Ik weet ze te vinden en ik moord ze allemaal uit."

Ik reageerde daarop naar [verdachte] met dit zijn wel hele grote woorden maar ik ga ze doorgeven aan de burgemeester. [verdachte] deinsde niet terug en nam zijn woorden ook niet in. Hij liet weten er helemaal klaar mee te zijn. Hij zei: "Ik heb niks meer te verliezen. De relatie met mijn vriendin is voorbij. Ik heb niks meer, ik heb een camper."

Ik kan mij ook nog herinneren dat [verdachte] de oud-burgemeester [slachtoffer 3] van Dantumadeel in dit gesprek noemde. Ook die ging hij opzoeken en die gaat er ook aan zei hij tegen mij. Hij zei: "Ik zoek wel uit waar hij woont, ik vind hem wel."

Hij zei: "Besef je wel dat je tegenover een moordenaar zit. Ik word de beruchtste moordenaar van Nederland. Mijn kinderen zullen later zeggen: "Mijn vader is de beruchtste moordenaar van Nederland." Zij zullen trots op mij zijn." [verdachte] zei dat in Utrecht een moordenaar was die drie mensen had meegenomen maar dat hij beroemder zou worden en meer mee zou nemen.

1.4.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 4 april 2019, opgenomen op pagina 37 en volgende van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :

Ik ben sinds 1 december 2017 werkzaam als burgemeester van Dantumadiel.

Op 3 april 2019 vertelde [slachtoffer 1] mij dat ze contact met [verdachte] had gehad en dat ze met [verdachte] had afgesproken in Earnewâld. Ze vertelde dat [verdachte] niets meer te verliezen had, dat hij dood wilde, dat hij meer mensen in de dood mee wilde nemen, dat hij de geschiedenisboeken in wilde gaan als de grootste moordenaar aller tijden en dat zijn kinderen daar trots op konden zijn. Ze vertelde dat [verdachte] expliciet had uitgesproken dat hij de burgemeester en zijn familie uit wilde moorden. Ik ben erg van deze uitspraken geschrokken. Ik voel me erg bedreigd.

1.5.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 5 april 2019, opgenomen op pagina 130 en volgende van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] :

Ik ben in de jaren 2014 tot en met november 2017 burgemeester geweest van de gemeente Dantumadiel. Door de huidige burgemeester [slachtoffer 2] en [slachtoffer 6] ben ik gister, 4 april 2019, telefonisch op de hoogte gesteld van een bedreiging ten opzichte van mij geuit door de mij bekende [verdachte] . Ik begrijp dat [verdachte] ten overstaan van zijn trajectbegeleidster de uitlating heeft gedaan dat hij mij, oud burgemeester van de gemeente Dantumadiel, zou gaan opzoeken en dat hij daarbij zei: "Die gaat er ook aan. Ik zoek wel uit waar hij woont, ik vind hem wel." Ik schrik daarvan en ik voel mij bedreigd.

Oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 1, voor zover dit ziet op [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5]

De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging onder meer vereist is dat de bedreigde op de hoogte is geraakt van de bedreiging.

[slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] zijn op 2 mei 2019 als aangever gehoord door de politie. Zij hebben beiden aangifte tegen verdachte gedaan van één of meer bedreigingen. Het gaat daarbij echter om andere bedreigingen dan de bedreigingen die nu ten laste zijn gelegd. [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] hebben geen van beiden verklaard over de bedreigingen die verdachte op 2 april 2019 tijdens het gesprek met [slachtoffer 1] ten aanzien van hen heeft geuit. Uit het dossier blijkt ook niet op andere wijze dat [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] op de hoogte zijn geraakt van de ten laste gelegde bedreigingen.

[slachtoffer 4] is verschenen ter terechtzitting van 3 oktober 2019 en zij heeft daar mondeling een vordering tot schadevergoeding ingediend. In de mondelinge toelichting die zij daarop heeft gegeven, heeft zij, zakelijk weergegeven, verklaard dat zij in mei van de politie het verzoek kreeg om opnieuw aangifte te doen, dat zij toen hoorde dat ze opnieuw was bedreigd met een misdrijf tegen het leven en dat de laatste bedreigingen via [slachtoffer 2] tot haar zijn gekomen.

Nog daargelaten dat uit deze toelichting niet blijkt wat [slachtoffer 4] heeft gehoord over de bedreigingen die verdachte tijdens het gesprek van 2 april 2019 heeft geuit, geldt dat [slachtoffer 4] deze verklaring heeft afgelegd als benadeelde partij en niet als getuige. Daarom kan deze verklaring niet voor het bewijs worden gebruikt. De rechtbank verwijst in dit kader naar een arrest van de Hoge Raad van 22 april 2014 (ECLI:NL:HR:2014:974).

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet uit wettige bewijsmiddelen blijkt dat [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] op de hoogte zijn geraakt van de ten laste gelegde bedreigingen. Daarom zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het onder 1. ten laste gelegde voor zover dit de bedreigingen van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] betreft.

Oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde

De rechtbank past ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

2.1.

De door verdachte ter zitting van 3 oktober 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik ben op 18 september 2018 naar mevrouw [slachtoffer 6] toe gelopen. Zij vloog toen in één keer weg. Ik ben toen achter haar aan gelopen. Het zou kunnen dat ik de woorden heb gesproken die zij in haar aangifte heeft genoemd.

2.2.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 4 april 2019, opgenomen op pagina 150 en volgende van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019129960 van 12 augustus 2019, inhoudend als verklaring van verdachte:

Ik ben door de beveiligde ingang gelopen en ik liep naar [slachtoffer 6] . Vervolgens vluchtte [slachtoffer 6] naar de WC. Ik heb daar toen op de deur geklopt.

2.3.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 4 april 2019, opgenomen op pagina 133 en volgende van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 6] :

Ik ben [slachtoffer 6] en ben werkzaam bij de gemeente Dantumadiel. Op 18 september 2018 was ik op het gemeentehuis te Damwoude, in de gemeente Dantumadiel, werkzaam. Omstreeks 16:30 uur zag ik een man in de hal van het gemeentehuis lopen. Omstreeks 16:45 uur ben ik in de afgesloten ruimte van het gemeentehuis naar het toilet gegaan. Toen ik daar uit kwam, stond die man ineens voor mij. Ik herkende die man als de mij ambtshalve bekende [verdachte] . Ik voelde mij ernstig bedreigd. Ik ben omgekeerd en heb mij in de damestoilet opgesloten. Terwijl ik daar achter de afgesloten deur zat, hoorde ik [verdachte] bonken op de deur en hij schreeuwde heel vaak mijn naam. Ik hoorde hem zeggen: " [slachtoffer 6] , ik weet wie je bent. Ik weet waar je woont. Ik weet hoe je eruit ziet. Ik weet je te vinden. Wat heb jij besproken met de politie." Ik vond dit eng en voelde mij door deze woorden bedreigd.

Naar aanleiding van het verweer dat uit het dossier niet naar voren komt dat sprake was van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling, overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen respectievelijk zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.

Uit de bovenstaande bewijsmiddelen blijken de volgende feiten en omstandigheden.

Verdachte heeft het afgesloten, beveiligde deel van het gemeentehuis betreden en is daar naar aangeefster toegelopen. Toen aangeefster verdachte zag, is zij bij hem weggelopen en heeft zij zich opgesloten op het damestoilet. Verdachte is achter haar aan gelopen, heeft op de deur van het toilet gebonsd en heeft tegen aangeefster geroepen: " [slachtoffer 6] , ik weet wie je bent. Ik weet waar je woont. Ik weet hoe je eruit ziet. Ik weet je te vinden. Wat heb jij besproken met de politie."

De rechtbank is van oordeel dat de door verdachte gesproken woorden op zichzelf niet zonder meer kunnen worden aangemerkt als bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling. Verdachte heeft deze woorden echter uitgesproken onder zodanig bedreigende omstandigheden dat bij aangeefster in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

Oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 7] (hierna: [slachtoffer 7] ) in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 17 mei 2019 heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling.

Uit het dossier blijkt dat [slachtoffer 7] werkt bij de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en dat hij in dat verband contact heeft met verdachte. Voorts blijkt daaruit dat verdachte in 2016 een flyer heeft verspreid en dat [slachtoffer 7] een exemplaar daarvan heeft ontvangen. Op deze flyer staat een foto van twee gieren die bij een lijk zitten. Op de kop van één van deze gieren is een foto van het hoofd van [slachtoffer 7] geplakt.

Verdachte heeft verklaard dat hij door middel van de flyer het niveau van de rapportages van de medewerkers van de Raad en hun manier van werken heeft gevisualiseerd.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit deze flyer niet worden afgeleid dat verdachte de bedoeling had om [slachtoffer 7] bang te maken of om hem iets aan te doen. Het lijkt er veel meer op dat verdachte door middel van de flyer op een onaangename en verwerpelijke manier kritiek heeft willen leveren op de Raad en op [slachtoffer 7] in het bijzonder. Een sterke aanwijzing daarvoor is dat [slachtoffer 7] op de flyer niet is afgebeeld als slachtoffer, maar juist als aaseter. Door deze flyer kon bij [slachtoffer 7] dan ook in redelijkheid niet de vrees ontstaan dat verdachte hem van het leven zou kunnen beroven of hem zwaar lichamelijk letsel zou kunnen toebrengen.

[slachtoffer 7] heeft op 17 mei 2019, zakelijk weergegeven, verklaard dat verdachte hem op 17 maart 2018 een bericht heeft gestuurd met de tekst: "Ik kom achter je aan [slachtoffer 7] , ik heb [slachtoffer 5] gewaarschuwd, pas je rapport aan of ik pas jullie aan." Verder heeft [slachtoffer 7] verklaard dat verdachte onlangs tweemaal telefonisch tegen medewerkers van de Raad heeft gezegd dat hij [slachtoffer 7] wel wist te vinden. Verdachte heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij [slachtoffer 7] een dergelijk bericht heeft gestuurd, noch dat hij dergelijke woorden heeft gesproken in telefoongesprekken met medewerkers van de Raad. Het bericht is niet in het dossier gevoegd, de door [slachtoffer 7] bedoelde medewerkers van de Raad zijn niet als getuigen gehoord en er zijn ook geen andere bewijsmiddelen die de verklaring van [slachtoffer 7] op deze punten ondersteunen.

De rechtbank kan niet vaststellen welke woorden verdachte in het bericht en de telefoongesprekken precies heeft gebruikt en ook niet in welke precieze context en onder welke omstandigheden verdachte deze woorden heeft gestuurd en gesproken. Daarom acht zij niet wettig en overtuigend bewezen dat dit door verdachte aan [slachtoffer 7] verstuurde bericht en deze door verdachte telefonisch gesproken woorden bedreigingen inhielden die van dien aard waren en die zijn gedaan onder zodanige omstandigheden dat bij [slachtoffer 7] in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het onder 3. ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en zal zij verdachte daarvan vrijspreken.

Oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder 4. ten laste gelegde

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 8] op of omstreeks 17 oktober 2018 heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling.

Uit het dossier blijkt dat verdachte op 17 oktober 2018 heeft gebeld met de werkgever van [slachtoffer 8] en dat hij toen met een collega van [slachtoffer 8] heeft gesproken. Ook blijkt daaruit dat verdachte tijdens dit gesprek (ongeveer) de woorden heeft gebruikt die in de tenlastelegging zijn opgenomen en dat [slachtoffer 8] dit later van haar collega heeft gehoord. Verdachte heeft onder meer gezegd dat het zijn doel was om [slachtoffer 8] helemaal kapot te maken.

Onder omstandigheden zouden deze woorden kunnen worden aangemerkt als een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling. De rechtbank is echter van oordeel dat dit hier niet het geval is. Daartoe overweegt zij het volgende.

De collega van [slachtoffer 8] heeft, zakelijk weergegeven, verklaard dat de strekking van verdachtes verhaal was dat hij de werkgever en collega's van [slachtoffer 8] voor [slachtoffer 8] wilde waarschuwen. Verdachte vertelde de collega dat [slachtoffer 8] ervoor had gezorgd dat hij zijn kinderen niet meer zag. Verdachte zou een mail sturen aan iedereen in het bedrijf, zodat iedereen zou weten wat voor streken [slachtoffer 8] had uitgehaald. Verder zou hij alle stukken, die hij over en tegen [slachtoffer 8] had, openbaar maken door deze informatie aan haar collega's te mailen. Volgens [slachtoffer 8] 's collega had het hele gesprek tot doel om [slachtoffer 8] te beschadigen en haar in een negatief daglicht te zetten.

Uit deze verklaring kan worden afgeleid dat verdachte niet bedoelde dat het zijn doel was om [slachtoffer 8] fysiek "kapot" te maken, maar dat het zijn bedoeling was om haar reputatie af te breken door haar werkgever en haar collega's op de hoogte te brengen van haar verleden.

De rechtbank begrijpt dat dit voor [slachtoffer 8] erg vervelend en ook bedreigend is. De woorden die verdachte tegen de [slachtoffer 8] 's collega heeft gesproken, konden bij [slachtoffer 8] echter in redelijkheid niet tot de vrees leiden dat verdachte haar van het leven zou kunnen beroven of haar zwaar lichamelijk letsel zou kunnen toebrengen.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de door verdachte gesproken woorden (ook) niet worden aangemerkt als een bedreiging van de werkgever of collega's van [slachtoffer 8] .

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het onder 4. ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en zal zij verdachte daarvan vrijspreken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. en 2. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 2 april 2019 te Earnewâld, gemeente Tytsjerksteradiel, in een gesprek met [slachtoffer 1] (trajectbegeleider Veiligheidshuis Fryslân), meerdere personen, te weten:

- [slachtoffer 2] (burgemeester van de gemeente Dantumadiel) en

- [slachtoffer 3] (oud burgemeester van de gemeente Dantumadiel)

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door dreigend de woorden te uiten:

“Ik heb twee woorden voor de burgemeester die je hem mag vertellen: manifest en bloedbad. Als de burgemeester niks gaat oppakken dan regel ik het zelf. Dan zoek ik hem op en dan moord ik zijn hele familie uit. Ik weet ze te vinden en ik moord ze allemaal uit” en

“de oud burgemeester ga ik ook opzoeken en die gaat er ook aan. Ik zoek wel uit waar hij woont, ik vind hem wel” en “Ik ben er helemaal klaar mee. Ik heb niks meer te verliezen. Ik heb niks meer. Besef wel dat je tegenover een moordenaar zit. Ik word de beruchtste moordenaar van Nederland. Mijn kinderen zullen later zeggen mijn vader is de beruchtste moordenaar van Nederland. Zij zullen trots op mij zijn. Die moordenaar in Utrecht heeft drie mensen meegenomen maar ik word beroemder en zal er meer meenemen”,

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij op 18 september 2018 te Damwâld, gemeente Dantumadiel, een persoon genaamd [slachtoffer 6] heeft bedreigd met zware mishandeling, door op de deur te slaan toen zij zich in het toilet had opgesloten en daarbij haar de woorden toe te voegen: " [slachtoffer 6] , ik weet wie je bent. Ik weet waar je woont. Ik weet hoe je eruit ziet. Ik weet je te vinden. Wat heb jij besproken met de politie?", althans woorden van soortgelijke aard of strekking.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

2. bedreiging met zware mishandeling.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten in enigszins verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de rapportage van psychiater V. Rama (hierna: de psychiater) van 1 oktober 2019 en de rapportage van psycholoog R.A. Sterk (hierna: de psycholoog) van 30 september 2019.

De psychiater en de psycholoog hebben, zakelijk weergegeven, geconcludeerd dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een depressieve stoornis, welke momenteel in remissie is. Daarnaast hebben zij geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van persoonlijkheidsproblematiek waarbij narcistische trekken op de voorgrond staan. Volgens de psychiater en de psycholoog waren deze ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens ook aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten en werden verdachtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van die feiten daardoor beïnvloed. De psychiater heeft gerapporteerd dat verdachte in aanloop naar deze feiten langdurig emotioneel en fysiek overbelast en uitgeput was. Zijn draagkracht werd chronisch overschreden door de vechtscheiding met zijn ex-partner, het verlies van zijn kinderen, zijn frustratie met verschillende instanties, recente relatieproblemen met zijn nieuwe vriendin, dakloosheid en financiële problemen. Tijdens het gesprek met [slachtoffer 1] heeft dit ertoe geleid dat verdachte overspoeld raakte door emoties en dat hij zijn machteloosheidsgevoelens probeerde te verbergen door zich op te blazen. Op dat moment waren er problemen in de beheersing, die verdachtes wilsvrijheid enigszins hebben ingeperkt. De psycholoog heeft in vergelijkbare zin gerapporteerd en heeft daarnaast opgemerkt dat verdachte in staat moet worden geacht om de wederrechtelijkheid van de feiten in te kunnen zien, maar dat hij - als gevolg van de geconstateerde psychische problematiek - niet altijd in staat kan worden geacht zijn wil overeenkomstig dit inzicht in vrijheid te bepalen. De psychiater en de psycholoog hebben de rechtbank geadviseerd om de feiten in (enigszins) verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

De rechtbank kan zich met deze conclusies verenigen, neemt deze over en concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het bewezen verklaarde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.

De rechtbank acht verdachte strafbaar, nu geen sprake is van volledige ontoerekeningsvatbaarheid en er ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 201 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Daarnaast heeft hij gevorderd dat aan verdachte met toepassing van artikel 38v Sr een vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd, in de vorm van een contactverbod met [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] , voor de duur van drie jaren. De officier van justitie heeft gevorderd dat wordt bepaald dat voor iedere keer dat verdachte zich niet aan deze maatregel houdt een vervangende hechtenis wordt toegepast van één week en dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich aangesloten bij de vordering van de officier van justitie. De raadsman heeft daarbij opgemerkt dat de door de reclassering genoemde verplichting tot de inname van medicatie een lastig punt is, maar dat verdachte daarmee akkoord gaat als dat nodig is. Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat in ieder geval geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd van langere duur dan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Daartoe heeft hij aangevoerd dat verdachte bezig is zijn leven weer op orde te krijgen en dat dit wordt doorkruist wanneer hij terug moet naar de gevangenis.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de bewezen en strafbaar verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de rapportages van de psychiater, de psycholoog en de reclassering en het strafblad, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is sinds 2014 verwikkeld in een vechtscheiding met zijn ex-partner. Als gevolg daarvan ziet hij zijn kinderen sinds 2015 niet of nauwelijks meer. Verdachte is van mening dat dit mede te wijten is aan meerdere instanties en functionarissen, waaronder (medewerkers van) de Raad voor de Kinderbescherming en de gemeente Dantumadiel en de raadsvrouw van zijn ex-partner.

In september 2018 wilde verdachte verhaal halen in het gemeentehuis en heeft hij daar een ambtenaar achtervolgd. Nadat zij zich op het toilet had opgesloten om aan verdachte te ontkomen, heeft hij op de deur gebonsd en heeft hij haar bedreigd.

Een half jaar later heeft verdachte tijdens een gesprek met een medewerkster van het Veiligheidshuis Fryslân zijn frustraties over de procedure de vrije loop gelaten. Daarbij heeft hij doodsbedreigingen geuit ten aanzien van de burgemeester van de gemeente Dantumadiel, diens voorganger en enkele andere personen die vanuit hun werk met de procedure te maken hebben. De burgemeester en zijn voorganger voelden zich hierdoor ernstig bedreigd.

Uit het dossier en het strafblad van verdachte blijkt dat hij in 2018 is veroordeeld voor de belaging en mishandeling van zijn ex-partner en dat hij in 2019 is veroordeeld voor de belaging van de raadsvrouw van zijn ex-partner. Deze beide veroordelingen hangen samen met de vechtscheiding en verdachtes frustraties over het niet kunnen zien van zijn kinderen. Verdachte is tegen deze veroordelingen in hoger beroep gegaan, zodat deze nog niet onherroepelijk zijn. Verder is verdachte nooit eerder veroordeeld voor strafbare feiten.

De rechtbank houdt rekening met hetgeen de psychiater en de psycholoog hebben gerapporteerd over de persoon van verdachte en met de omstandigheid dat de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan hem kunnen worden toegerekend.

De psychiater en de psycholoog hebben, kort gezegd, geconcludeerd dat er een verhoogde kans is dat verdachte zich opnieuw verbaal agressief zal uitten, wanneer hij in een stresssituatie wordt geconfronteerd door gevoelens van afwijzing en machteloosheid. Zij geven echter ook aan dat de kans dat dit zal escaleren in fysiek geweld statistisch gezien laag is. De psycholoog heeft in het concrete geval van verdachte ook geen aanwijzingen gevonden voor een verhoogde kans op verdergaand agressief gedrag.

De psychiater en de psycholoog vinden het nodig dat verdachte ambulant wordt behandeld voor de verstoorde manier waarop hij omgaat met problemen, frustraties, emoties en stress en voor zijn recidiverende depressieve klachten. Zij hebben de rechtbank geadviseerd om aan verdachte een verplichting tot behandeling bij een forensische ambulante polikliniek en reclasseringstoezicht op te leggen als bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke straf.

Uit het rapport van de reclassering blijkt dat verdachte bezig is zijn leven weer op de rails te krijgen. Hij huurt sinds kort een zelfstandige woning in [woonadres] , hij heeft een uitkering aangevraagd, hij houdt zich aan de afspraken in het kader van het reclasseringstoezicht en hij accepteert praktische hulp van Martinizorg. De reclassering constateert echter wel dat verdachte nog steeds zeer gedreven en obsessief bezig is om het vermeende onrecht dat hem is aangedaan aan te pakken. De reclassering heeft de rechtbank geadviseerd verdachte te veroordelen tot een deels voorwaardelijke straf met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling door de forensische psychiatrie, waarvan het innemen van medicijnen een onderdeel kan zijn, een contactverbod met [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en de verplichting om mee te werken aan het vinden van dagbesteding, het aflossen van schulden en het treffen van afbetalingsregelingen.

De rechtbank vindt de door de officier van justitie geëiste deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend en zij zal deze dan ook aan verdachte opleggen. Het onvoorwaardelijke deel van deze gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft gezeten. Aan het voorwaardelijke deel van de straf zal de rechtbank alle door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden, met uitzondering van het contactverbod. Onder de bijzondere voorwaarden valt ook de verplichting tot het innemen van medicijnen, indien de behandelaars dit in het kader van de behandeling noodzakelijk achten.

Ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten zal de rechtbank verdachte ook de door de officier van justitie geëist vrijheidsbeperkende maatregel opleggen. De rechtbank zal deze maatregel opleggen in de vorm van een contactverbod met de (oud-)burgemeesters [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , de raadsvrouw van verdachtes ex-partner mr. [slachtoffer 4] en de medewerker van de Raad [slachtoffer 5] , zoals door de officier van justitie is geëist. Daarnaast zal zij deze maatregel ook opleggen in de vorm van een contactverbod met de medewerkster van de gemeente Dantumadiel [slachtoffer 6] . Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er gegronde vrees voor ernstig belastend gedrag van de verdachte jegens alle vijf deze personen. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, zal zij verdachte vrijspreken van de ten laste gelegde bedreigingen van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] , omdat niet uit wettige bewijsmiddelen blijkt dat zij op de hoogte zijn geraakt van de door verdachte tijdens het gesprek van 2 april 2019 uitgesproken bedreigingen. De rechtbank gaat er echter wel vanuit dat verdachte tijdens dit gesprek bedreigende woorden heeft gesproken ten aanzien van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] . Daarbij komt dat de strijd over een omgangsregeling nog steeds voortduurt en dat verdachte nog steeds zeer gedreven en obsessief bezig is met het onrecht dat hem naar zijn idee is aangedaan door onder meer [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] . Zoals de rechtbank hiervoor al heeft opgemerkt, zal zij deze contactverboden niet ook als bijzondere voorwaarde opleggen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft dit geen toegevoegde waarde.

Benadeelde partij

[slachtoffer 4] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Zij vordert een bedrag van € 3.000,00 ter vergoeding van materiële schade.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij volledig wordt toegewezen onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen. Daartoe heeft hij primair aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1. ten laste gelegde bedreiging van [slachtoffer 4] . Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de kosten verband houden met feiten die nu niet ten laste zijn gelegd. Meer subsidiair heeft hij aangevoerd dat de nota niet is gespecificeerd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de onder 1. ten laste gelegde bedreiging van [slachtoffer 4] , waaruit de gevorderde schade zou zijn ontstaan, niet bewezen. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk- worden verklaard in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 38v, 38w, 57, 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 3. en 4. is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. en 2. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 201 dagen.

Bepaalt dat (van) deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 90 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen veertien dagen na het onherroepelijk worden van de uitspraak meldt bij Reclassering Nederland, Zoutbranderij 1 te Leeuwarden, en dat hij zich daarna blijft melden zolang en zo frequent als de reclassering dat gedurende de proeftijd noodzakelijk acht;

2. dat de veroordeelde zich, zolang de reclassering dit gedurende de proeftijd noodzakelijk acht, onder behandeling zal stellen van de Forensische psychiatrie of een soortgelijke - door de reclassering te bepalen - zorgverlener op de tijden en plaatsen als door of namens die zorgverlener aan te geven, waarbij hij zich dient te houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling en waarbij het innemen van medicijnen onderdeel kan zijn van de behandeling;

3. dat de veroordeelde, zolang de reclassering dit gedurende de proeftijd noodzakelijk acht, meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt dat hij meewerkt aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen, waarbij hij de reclassering inzicht geeft in zijn schulden en financiën;

4. dat de veroordeelde meewerkt aan het vinden van betaald werk en/of andere zinvolle dagbesteding, zolang de reclassering dit gedurende de proeftijd noodzakelijk acht.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14d Sr toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De maatregel dat de veroordeelde gedurende drie jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met:

1. [slachtoffer 2] , momenteel werkzaam als burgemeester van de gemeente Dantumadiel;

2. [slachtoffer 3] , voorheen werkzaam als burgemeester van de gemeente Dantumadiel;

3. [slachtoffer 4] , momenteel werkzaam als advocaat;

4. [slachtoffer 5] , momenteel werkzaam bij de Raad voor de Kinderbescherming;

5. [slachtoffer 6] , momenteel werkzaam bij de gemeente Dantumadiel.

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van de vervangende hechtenis bedraagt één week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. M.R. de Vries en mr. C.A.J. Tuinstra, rechters, bijgestaan door mr. F.F. van Emst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 oktober 2019.

Mr. Tuinstra is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.