Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:4243

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
15-10-2019
Datum publicatie
15-10-2019
Zaaknummer
18/830072-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft geprobeerd haar vriend te doden door hem met een vleesmes in zijn buik te steken. Vanwege het nauwe verband tussen verdachtes psychose en het ten laste gelegde komt de rechtbank tot het oordeel dat het bewezenverklaarde verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

Rechtbank veroordeelt verdachte tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en legt een behandelverplichting en een drugsverbod als bijzondere voorwaarden op.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830072-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 15 oktober 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van

1 oktober 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. L. Wachters, advocaat te Arnhem. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. M. Scharenborg.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair

zij op of omstreeks 28 april 2019 te Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een (vlees)mes in de buik(streek) (ter hoogte van de lever en/of (overige) vitale organen) van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

zij op of omstreeks 28 april 2019 te Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, (te weten [slachtoffer] ), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een (vlees)mes in de buik(streek) heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair

zij op of omstreeks 28 april 2019 te Groningen, [slachtoffer] heeft mishandeld door met een (vlees)mes in de buik(streek) van die [slachtoffer] te steken en/of te snijden.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde bewezen kan worden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat op grond van de stukken in het dossier de aanmerkelijke kans op een fatale afloop niet voldoende onderbouwd kan worden. Er zijn geen objectieve gegevens waaruit blijkt op welke plek, anders dan de buik, precies is gestoken. Het dossier bevat namelijk geen verklaring van een arts.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 april 2019, opgenomen op pagina 159 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2019107106 d.d. 4 juni 2019, inhoudend als relaas van verbalisant:

[slachtoffer] wordt verpleegd op de intensive care van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG). Op 29 april 2019 heb ik een gesprek met hem gehad. Dit gesprek is hieronder weergegeven.

"In eerste instantie dacht ik dat ze (de rechtbank begrijpt: verdachte) zichzelf iets aan zou doen, dus gewoon geprobeerd dat mes af te pakken en dat heeft geresulteerd in dat ik nu hier lig. Ik ben geraakt in de buik."

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 april 2019, opgenomen op pagina 151 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Door een tactisch rechercheur is contact gelegd met de behandelend arts van het slachtoffer.

De situatie van het slachtoffer was kritiek maar stabiel. Slachtoffer zijn lever bleek te zijn doorkliefd.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict d.d. 29 april 2019, opgenomen op pagina 17 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Op 28 april 2019 kwam ik voor een forensisch onderzoek aan op de locatie [woonadres] . Tijdens het onderzoek maakte ik foto's. Sporendrager (mes) veiliggesteld.

Object: mes1 (vleesmes).

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 28 april 2019, opgenomen op pagina 122 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige] :

Ik zag op een gegeven moment dat de buurvrouw in de richting van het slachtoffer liep en ik zag dat zij haar arm naar beneden bracht en het mes in de zijkant stak van het slachtoffer.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 april 2019, opgenomen op pagina 131 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Op 28 april 2019 omstreeks 17:29 uur kwam ik ter plaatse aan de [woonadres] .

Ter plaatse zag ik een jongeman liggen. Ik zag twee jongemannen een wond aan het dichtdrukken bij het slachtoffer. Ik zag dat het slachtoffer in een plas bloed lag. Ik zag dat de wond in de onderbuik een grote snee betrof van ongeveer vijftien centimeter lang, waarbij de ingewanden uit de wond staken.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank het primair ten laste gelegde bewezen. Verdachte heeft het slachtoffer met een groot vleesmes - volgens de foto heeft het mes een lemmet van 20 centimeter - in de buik gestoken. Algemene ervaringsregels leren dat de buik een kwetsbaar deel van het lichaam is omdat zich daarin vitale organen bevinden. Uit een proces-verbaal van bevindingen kan worden afgeleid dat één van die vitale organen, de lever, ook is geraakt. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan deze informatie, die blijkens het proces-verbaal door een tactisch rechercheur is verkregen nadat er contact is geweest met de behandelend arts van het slachtoffer. Uit het vorenstaande leidt de rechtbank af dat verdachte het slachtoffer met meer dan geringe kracht in de buik heeft geraakt met een groot vleesmes. Dat levert naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op overlijden op. Het is bovendien een doelgerichte handeling waarbij het niet anders kan zijn dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zal komen te overlijden. Hoewel verdachte, als gevolg van drugsgebruik, in een psychotische toestand verkeerde, kan niet gezegd worden dat bij verdachte ieder inzicht in de draagwijdte van haar handelen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken en er dus geen opzet zou kunnen worden aangenomen. De rechtbank leidt namelijk uit hetgeen [slachtoffer] tegenover verbalisant in het UMCG heeft verteld af, dat verdachte kennelijk heeft willen voorkomen dat [slachtoffer] het mes van haar afpakte en dat zij hem in dit verband gestoken heeft.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer en acht poging tot doodslag bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

zij op 28 april 2019 te Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een vleesmes in de buik ter hoogte van de lever van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gesteld dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat verdachte ontoerekeningsvatbaar is. Zij heeft in dit verband aangevoerd dat geen sprake is van culpa in causa. Zij verwijst naar de rapportage van psycholoog Blaauw waarin wordt gesteld dat de agressie van verdachte volledig lijkt te zijn gestuurd door de ernstig verstoorde realiteitstoetsing vanuit de psychotische stoornis door het middelengebruik. Uit dit rapport volgt voorts dat het gebruik van hallucinogenen blijkens de literatuur niet in verband wordt gebracht met een verhoogd risico op geweld en als acuut effect niet agressie verhogend werkt. Ook blijkt uit onderzoek dat psychoses door lsd of paddo's zelden voorkomen. Verdachte wist niet dat het gebruik van lsd en paddo's zou kunnen leiden tot een psychose of tot geweld jegens anderen. Verdachte had nooit negatieve ervaringen gehad met lsd of paddo's en had geen psychotische kwetsbaarheid. Bovendien heeft zij verklaard geen grote hoeveelheid drugs te hebben genomen. Haar gebruik was feitelijk goed voorbereid, om risico's uit te sluiten.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat sprake is van culpa in causa. Verdachte heeft bewust een keuze gemaakt en de consequenties van deze keuze zijn aan haar toe te rekenen.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid heeft de rechtbank in aanmerking genomen het psychologisch rapport van 3 juli 2019, opgesteld door drs. K.A. Rose. In dit rapport wordt overwogen dat het gebruik van psychedelica een spiritueel en recreatief doel dient voor verdachte en dat dit een afweging is geweest die zij met gezond verstand weloverwogen heeft gemaakt. Er is volgens Rose geen sprake van een stoornis die invloed heeft gehad op het nemen van de beslissing om te experimenteren met een combinatie van hallucinogenen. Verdachte wordt in staat geacht de gevolgen van drugsgebruik te kunnen overzien en kan weten dat hallucinogenen effect hebben op iemands psychische toestand en ze kan ook hebben geweten dat het gebruik ervan tot riskant gedrag zou kunnen leiden.

Verdachte heeft bewust geëxperimenteerd met een combinatie van lsd en paddo's. Verdachte heeft op 30 april 2019 bij de politie verklaard dat zij slechts één of twee keer eerder paddo's had gebruikt, in veel mindere hoeveelheid, en dat zij lsd en paddo’s nog nooit tegelijkertijd had gebruikt. Zij heeft verder verklaard dat zij denkt op 28 april 2019 anderhalf à twee druppels lsd te hebben genomen en ongeveer 15 paddo's. Zij en haar vriend, het slachtoffer, hebben alles wat over was bij elkaar gegooid, niet gewogen en allebei ongeveer de helft opgegeten. De rechtbank houdt verdachte aan deze verklaring - die gedetailleerd is en door verdachte is ondertekend nadat zij deze heeft doorgelezen en verklaard heeft daarin te volharden - en ziet geen aanleiding om verdachte te volgen in haar latere, op 8 mei 2019 en ter terechtzitting afgelegde verklaringen, waarin zij stelt minder paddo’s en lsd te hebben gebruikt. Van een goed voorbereid gebruik, zoals de verdediging heeft gesteld, is daarom naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

Zoals ook uit de rapportage van GZ-psycholoog Blaauw d.d. 22 augustus 2019 volgt, mag algemeen bekend worden verondersteld dat het gebruik van lsd of paddo’s een negatieve tripervaring als resultaat kan hebben en het functioneren zodanig kan beïnvloeden dat daaruit riskant gedrag zou kunnen ontstaan. Dat verdachte geëxperimenteerd heeft met een combinatie van lsd en paddo's, terwijl zij zich niet verdiept had in de mogelijke effecten van die combinatie, terwijl zij nauwelijks ervaring had met het gebruik van paddo’s en bovendien een grotere hoeveelheid heeft gebruikt dan dat zij ooit eerder had gebruikt, zonder exact te weten hoeveel, maakte dit risico alleen maar groter. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de psychose waarin verdachte terecht is gekomen en van waaruit zij het ten laste gelegde heeft begaan niet - zoals de raadsvrouw bepleit heeft - een streep zet door de schuld van verdachte aan de poging tot doodslag op haar vriend. Verdachte kan in elk geval ten dele verantwoordelijk worden gehouden voor haar onder invloed van die middelen ontstane gedragingen.

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden meldplicht en behandelverplichting. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat als bijzondere voorwaarde een drugsverbod met een controle daarop moet worden opgelegd, omdat verdachte naïef is, lang heeft geëxperimenteerd met drugs en niet in de verleiding moet komen. De officier van justitie heeft gesteld dat een taakstraf een verkeerd signaal geeft richting de maatschappij, gelet op de ernst van het feit.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, mocht de rechtbank tot een strafoplegging komen, gepleit voor een straf gelijk aan de duur van het reeds door verdachte ondergane voorarrest, in de vorm van een taakstraf. De raadsvrouw ziet geen meerwaarde in de door de officier van justitie gevorderde straf. Verdachte moet niet opnieuw de gevangenis in en een gevangenisstraf op het strafblad geeft in de toekomst problemen bij het verkrijgen van een verklaring omtrent het gedrag. Verdachte heeft haar leven op orde en gebruikt helemaal geen drugs meer. De kans op herhaling is heel klein, zodat een voorwaardelijk kader niet nodig is. Daarnaast strookt een proeftijd van 3 jaar niet met de kleine recidivekans. Sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft verdachte zich gehouden aan de meldplicht en behandelverplichting en het is niet nodig dit door te zetten. Als verdachte hulp nodig heeft, zal zij dat wel zoeken in een vrijwillig kader.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van drs. K.A. Rose voornoemd, dr. R.W. Blaauw en het Leger des Heils, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft geprobeerd haar vriend te doden door hem met een vleesmes in zijn buik te steken. Daarmee heeft zij een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Bovendien heeft dit plaatsgevonden onder de ogen van buren en andere getuigen voor wie het steken en de gevolgen daarvan een schokkende ervaring is geweest.

De rechtbank is van oordeel dat voor een ernstig delict als dit in beginsel enkel een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf in aanmerking komt.

De rechtbank neemt echter – in het voordeel van verdachte – het volgende in aanmerking.

Uit voornoemd psychologisch rapport van drs. Rose van 3 juli 2019 komt onder meer nog naar voren dat de agressie die verdachte heeft vertoond volledig lijkt te zijn gestuurd door de ernstig verstoorde realiteitstoetsing vanuit de psychotische stoornis door het middelen-gebruik. Verdachte werd beïnvloed door de psychotische gedachtegang, waarneming en daarmee samenhangende paranoïde gekleurde angst en boosheid.

Vanwege het nauwe verband tussen verdachtes psychose en het ten laste gelegde komt de rechtbank tot het oordeel dat het bewezenverklaarde verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

De rechtbank betrekt verder bij haar oordeel dat het nooit verdachtes intentie is geweest om haar vriend iets aan te doen en dat zij moet leren leven met de wetenschap dat zij na gebruik van verdovende middelen haar vriend in levensgevaar heeft gebracht.

Ook is het volgende van belang. Psycholoog Rose schrijft dat drugsgebruik in verdachtes omgeving en spirituele en culturele context gebruikelijk is en dat haar geromantiseerde beeld van psychedelica een risico geeft op terugval in gebruik. Verdachte is gewend om samen met haar vriend drugs te gebruiken, waardoor zij beïnvloed kan raken als hij blijft gebruiken. In reclasseringscontact kan gekeken worden of haar drugsgebruik in kaart kan worden gebracht en gemonitord. Ook voorlichting over drugsgebruik en begeleiding bij softdrugsonthouding lijkt wenselijk.

Nu de reclassering van het Leger des Heils in haar rapport van 5 juli 2019 heeft geschreven dat verdachte openstaat voor gedragsverandering en medewerking aan de geadviseerde voorwaarden, zal de rechtbank die voorwaarden inderdaad opleggen.

Alles afwegende zal de rechtbank volstaan met het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest, zodat verdachte niet opnieuw de gevangenis in hoeft. Aan het voorwaardelijke deel zullen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden en een proeftijd van 3 jaar. De rechtbank ziet in de rapportages van

drs. Rose en de reclassering ook aanleiding voor het opleggen van een drugsverbod.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 446 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 365 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaar, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen 14 dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis meldt bij de reclassering van het Leger des Heils op het adres Damsterdiep 271 te Groningen en zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

2. dat de veroordeelde zich laat behandelen door de Verslavingszorg Noord Nederland (VNN) of een soortgelijke door de reclassering te bepalen zorgverlener, zolang de reclassering dat nodig vindt, en zich houdt aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

3. dat de veroordeelde zich zal onthouden van het gebruik van drugs en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloed- of urineonderzoek.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.R. Bracht, voorzitter, mr. J.V. Nolta en mr. A. Jongsma, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 oktober 2019.

1 foto van het in beslag genomen mes op pagina 83