Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:4237

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
14-10-2019
Datum publicatie
15-10-2019
Zaaknummer
18/820302-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. De rechtbank heeft aan verdachte een taakstraf opgelegd voor de duur van 150 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/820302-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 14 oktober 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 september 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.P.E.M. Pover, advocaat te Meppel. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Janssens.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 9 mei 2016 tot en met 20 juni 2016 in Veendam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 42 hennepplanten althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van

meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 20 juni 2016 te Veendam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) ongeveer 660 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, danwel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op of omstreeks 20 juni 2016 te Veendam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, één of meer ruimtes, te weten;

- één of meer units op het perceel [adres] en/of

- één of meer afzonderlijke ruimtes op de zolder van een schuur op het perceel [woonadres]

bestemd tot het plegen van één of meer feiten strafbaar gesteld in artikel 11, vijfde lid van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van een grote hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, voorhanden heeft, waarvan hij en/of zijn mededaders wisten of ernstige reden hadden te vermoeden dat die ruimte bestemd was tot, althans gebruikt werd voor het plegen van een van de in artikel 11, vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 3 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat geen sprake is geweest van grootschalige bedrijfsmatige teelt van hennep. Daarmee is artikel 11a van de Opiumwet, waarop de tenlastelegging voor feit 3 is toegespitst, niet van toepassing.

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Volgens de officier van justitie is zowel ten aanzien van het onder 1 als ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde sprake van medeplegen door medeverdachte [medeverdachte] . De hennepteelt vond plaats in haar woning. Ze wist hiervan af, deelde in de oogst voor eigen gebruik en in de winst, aldus de officier van justitie.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat geen sprake was van grootschalige professionele wietkweek. Er is niet voldaan aan het vereiste van een grote hoeveelheid, omdat de aangetroffen kweekruimten daarvoor te klein zijn.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt dat gezien de omvang van de aangetroffen ruimten, er geen sprake was van het ten laste gelegde telen van een grote hoeveelheid hennep.

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Ieder bewijsmiddel is - ook in onderdelen - slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 30 september 2019;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 juni 2016, opgenomen op pagina 8 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2016144265 d.d. 26 augustus 2016, inhoudend het relaas van verbalisant;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij d.d. 7 juli 2016, opgenomen op pagina 49 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten;

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verdachtenverhoor d.d. 20 juni 2016, opgenomen op pagina 116 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [medeverdachte] ;

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde tezamen en in vereniging heeft gepleegd. Medeverdachte [medeverdachte] is bij vonnis van deze rechtbank van 14 oktober 2019 van (medeplegen van) dit feit vrijgesproken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 9 mei 2016 tot en met 20 juni 2016 in Veendam, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) 42 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

2.

hij op 20 juni 2016 te Veendam opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) ongeveer 660 gram hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

2. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich niet uitgelaten over de vordering van de officier van justitie en een aan verdachte op te leggen straf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het telen van hennepplanten en het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid hennep, die afkomstig was van hennepplanten die hij eerder zelf heeft geteeld. Verdachte heeft erkend dat hij reeds in 2011 is begonnen met de teelt van hennep in de woning van hem en medeverdachte [medeverdachte] . Verdachte heeft daartoe uiteindelijk in en om de twee woningen van hem en medeverdachte [medeverdachte] in totaal vijf locaties ingericht die geschikt waren voor de teelt van hennep. Verdachte heeft erkend meerdere malen hennep te hebben geoogst.

De aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten rechtvaardigen in beginsel de oplegging van een forse taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals ook door de officier van justitie geëist.

De rechtbank heeft acht geslagen op het feit dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Daarnaast is het de rechtbank niet gebleken dat verdachte zich na de ontdekking van de hennepteelt en de aanwezigheid van hennep in de woning aan de [adres] opnieuw schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke strafbare feiten. De rechtbank ziet in deze omstandigheden en in het bijzonder het tijdsverloop tussen de inval van de politie in de woningen van verdachte op 20 juni 2016 en de dag waarop dit vonnis wordt gewezen, als gevolg waarvan de redelijke termijn voor berechting is overschreden, aanleiding om verdachte geen voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar enkel een onvoorwaardelijke taakstraf.

Alles afwegende acht de rechtbank de oplegging van een geheel onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 150 uren passend en geboden.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 3 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 150 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 75 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de (eventuele) uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. Th.A. Wiersma en mr. R.R. van der Heide, rechters, bijgestaan door mr. S. Fokkert, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 oktober 2019.

Mr. Wiersma en mr. Van der Heide zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.