Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:4114

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
01-10-2019
Datum publicatie
04-10-2019
Zaaknummer
18/830123-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim anderhalf jaar op een intensieve en bedreigende manier schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-vriendin. Daarnaast heeft hij haar mishandeld. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan verbonden meerdere bijzondere voorwaarden, alsmede een taakstraf.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 285b
Wetboek van Strafrecht 300
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830123-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 1 oktober 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [straatnaam].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van

17 september 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. F.H. Kappelhof, advocaat te Delfzijl. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.E. Eijzenga.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2016 tot en met 10 juni 2018 te Groningen, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer], door,

-tegen die [slachtoffer] te zeggen wanneer ze het contact met hem zou verbreken hij

haar familie zou gaan lastig vallen en/of

-door foto's te maken van haar auto en die naar haar op te sturen als ze ergens verblijft en/of

-die [slachtoffer] telkens op te zoeken en/of in de gaten te houden en/of

-die [slachtoffer] telkens te bellen en/of haar voicemail in te spreken en/of

-dagelijks grote aantallen (email)- berichten te sturen (in totaal ongeveer 5000) van beledigende en/of bedreigende aard met ondermeer als inhoud "Reageer alsjeblieft dan" en/of "Jij gaat zien en voelen vuile kankerslet" en/of "Ik ga je met rust laten maar ohwee als ik ergens achter kom dan kan je het krijgen" en/of "Als je geen antwoord geeft kom ik vanavond gewoon even langs" en/of "Vieze hoerendochter" en/of "Ik ja jou pijn doen als je me aldoor wilt doe wat je allemaal hebt veroorzaakt en hoe je met mij omgaat ik haat jou

echt" en/of "Ik blijf doorgaan tot ik antwoord heb en dan stop ik" en/of "Ik heb je nu 1000 mails gestuurd met vragen of we afspreken en om uitleg, geen antwoord" en/of "Ik zal net zo lang doorgaan tot ik een eerlijk antwoord heb". En het zal alleen maar erger worden" en/of "Jij bent met een ander de stad in vieze hoer ben je" en/of "Veel geluk in je huis je deur staat open" en/of "Waar en met wie was jij vannacht niet met of bij je moeder want die kwam ik tegen" en/of "Ik kom zo bij je praten" en/of "Tot alles in staat nu" en/of

-voicemailberichten naar die [slachtoffer] te sturen met ondermeer de volgende inhoud: "Praat met me dan, reageer even" en/of "Praat je met iemand of niet, moet ik naar je huis toekomen en het even daar gaan vragen" en/of "Ik heb schijt dat je kinderen thuis zijn, wan ik wil gewoon even praten als een volwassen iemand"

met het oogmerk die [slachtoffer], te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

2.

hij op of omstreeks 9 juni 2018 te Groningen opzettelijk en wederrechtelijk in

een woning gelegen aldaar aan de [straatnaam], een koffiezetapparaat

en/of de afstandsbediening en/of een televisie en/of een tafel en/of een

wandrek in ieder geval een deel van de inventaris en/of een ruit, in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of

onbruikbaar gemaakt;

3.

hij in of omstreeks de maand oktober 2017 en/of maart 2018 te Groningen [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer]

-een stomp op het achterhoofd te geven en/of

-een trap tegen haar onderlichaam te geven en/of

-met kracht bij de hals te pakken en/of te duwen en/of waarbij die [slachtoffer] ten val kwam.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie gesteld dat partiële vrijspraak moet volgen omdat niet kan worden bewezen dat verdachte aangeefster [slachtoffer] in de maand oktober 2017 heeft mishandeld en evenmin bewezen kan worden dat hij haar in maart 2018 met kracht bij de hals heeft gepakt.

Met betrekking tot feit 2 heeft de officier van justitie aangevoerd dat er voldoende bewijs is op grond van de aangifte, de verklaring van de moeder van aangeefster, het door getuige [getuige] opgegeven signalement, in combinatie met de door verdachte verzonden berichten waaruit blijkt dat hij met een boze kop naar de woning van aangeefster is gegaan en dat hij een dag na de vernieling heeft aangeboden de schade vergoeden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat er voldoende bewijs is voor de onder 1 tenlastegelegde stalking, maar dat verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten 2 en 3. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte heeft toegegeven dat hij op 9 juni 2018 in de woning van aangeefster is geweest, maar het is niet wettig en overtuigend bewezen dat hij daar toen ook de onder 2 ten laste gelegde vernieling heeft gepleegd. Verdachte heeft dit ontkend. Bovendien kan in het door getuige [getuige] gegeven signalement ook iemand anders passen en er kan, nu verdachte de deur na zijn vertrek heeft open gelaten, dus ook iemand anders in de woning van aangeefster zijn geweest die de spullen van aangeefster heeft vernield. Met betrekking tot feit 3 heeft verdachte verklaard dat hij aangeefster in maart 2018 een duwtje heeft gegeven, waardoor zij is gevallen op een matras en een tafeltje. Echter, niet elke duw levert een mishandeling op. Er moet ook sprake zijn van een actie die erop gericht is om iemand pijn te doen. In dit geval gebeurden er over en weer dingen, waarbij aangeefster zich niet onbetuigd zal hebben gelaten.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht feit 2 niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. Verdachte heeft stellig ontkend dat hij de ten laste gelegde spullen van aangeefster heeft vernield. Hij heeft ter terechtzitting verklaard dat hij die avond in de woning van aangeefster is geweest en dat hij de deur van de woning heeft opengelaten omdat aangeefster geen sleutel had. Nadat hij de woning van aangeefster had verlaten, kwam hij de moeder van aangeefster nog tegen die hij heeft gegroet. De moeder van aangeefster heeft verklaard dat dit omstreeks 23.00 uur was. Drie uur later kreeg de politie het verzoek om naar de woning van aangeefster te gaan, waar de ter plaatse gekomen verbalisanten zagen dat de boel overhoop was gehaald.1 Gelet op dit tijdsverloop is het mogelijk dat iemand anders dan verdachte de woning in is gegaan en de vernielingen heeft gepleegd, zoals de verdediging naar voren heeft gebracht. Ander concreet bewijs ontbreekt.

De rechtbank acht feiten 1 en 3 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.

Nu verdachte feit 1 duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met betrekking tot dit feit met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 september 2019;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 12 juni 2018 met bijlagen, opgenomen op pagina 1 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2018146251 d.d. 8 augustus 2018, inhoudend de verklaring van

[slachtoffer];

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 juni 2018, opgenomen op pagina 73 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant;

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 juli 2018 met bijlagen, opgenomen op pagina 78 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant.

Met betrekking tot feit 3 past de rechtbank de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 17 september 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik heb [slachtoffer] in maart 2018 in Groningen een duwtje gegeven. Zij struikelde over een matras en viel op een tafel.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 12 juni 2018, opgenomen op pagina 1 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van

[slachtoffer], wonende te Groningen:

In maart 2018 […] heeft hij mij naar achteren geduwd. Ik kwam hierdoor ten val en kwam met mijn achterhoofd op de salontafel terecht. Ik voelde hierdoor ontzettend veel pijn.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende. Met betrekking tot feit 3 heeft verdachte bekend dat hij aangeefster in maart 2018 tijdens een worsteling een duwtje heeft gegeven waardoor zij ten val is gekomen. De rechtbank is van oordeel dat hierbij in ieder geval sprake is van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van pijn of letsel. Aangeefster is, zoals verdachte zelf heeft verklaard, een stuk kleiner dan verdachte en door haar een duw te geven, blijkbaar vlakbij een tafel, heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat aangeefster zich zou bezeren en heeft verdachte die kans bewust aanvaard.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte zich in de maand oktober 2017 heeft schuldig gemaakt aan mishandeling van aangeefster. Verdachte heeft dit ontkend, terwijl de verklaring van aangeefster geen ondersteuning vindt in een ander bewijsmiddel. Verdachte moet daarom van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feiten 1 en 3 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 november 2016 tot en met 10 juni 2018 te Groningen wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer], door

-tegen die [slachtoffer] te zeggen wanneer ze het contact met hem zou verbreken hij haar familie zou gaan lastig vallen en

-die [slachtoffer] op te zoeken en in de gaten te houden en

-die [slachtoffer] te bellen en haar voicemail in te spreken en

-dagelijks grote aantallen (e-mail)berichten te sturen (in totaal ongeveer 5000) van beledigende en/of bedreigende aard met onder meer als inhoud: "Reageer alsjeblieft dan" en "Jij gaat zien en voelen vuile kankerslet" en "Ik ga je met rust laten maar ohwee als ik ergens achter kom dan kan je het krijgen" en "Als je geen antwoord geeft kom ik vanavond gewoon even langs" en "Vieze hoerendochter" en "Ik ga jou pijn doen als je me aldoor wilt doen wat je allemaal hebt veroorzaakt en hoe je met mij omgaat ik haat jou echt" en "Ik blijf doorgaan tot ik antwoord heb en dan stop ik" en "Ik heb je nu 1000 mails gestuurd met vragen of we afspreken en om uitleg, geen antwoord" en "Ik zal net zo lang doorgaan tot ik een eerlijk antwoord heb. En het zal alleen maar erger worden" en "Jij bent met een ander de stad in vieze hoer ben je" en "Veel geluk in je huis j deur staat open" en "Waar en met wie was jij vannacht niet met of bij je moeder want die kwam ik tegen" en "Ik kom zo bij je praten" en "Tot alles in staat nu" en

-voicemailberichten naar die [slachtoffer] te sturen met onder meer de volgende inhoud: "Praat met me dan, reageer even" en "Praat je met iemand of niet, moet ik naar je huis toekomen en het even daar gaan vragen" en "Ik heb schijt dat je kinderen thuis zijn, want ik wil gewoon even praten als een volwassen iemand",

met het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te doen, te dulden en vrees aan te jagen;

3.

hij in de maand maart 2018 te Groningen [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer]

te duwen waarbij die [slachtoffer] ten val kwam.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. belaging;

3. mishandeling.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feiten 1, 2 en 3 wordt veroordeeld tot een werkstraf van 150 uur subsidiair 75 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar en daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor een deels voorwaardelijke werkstraf met de voorwaarden zoals de reclassering heeft geadviseerd. De door de officier van justitie gevorderde werkstraf is te hoog, zo heeft de raadsman gesteld. Verdachte erkent dat hij grensoverschrijdend heeft gehandeld maar meent tegelijkertijd dat zijn handelen een reactie was op acties van aangeefster. In het strafdossier is de rol van aangeefster onderbelicht gebleven, maar die rol moet wel worden meegewogen. Ook moet worden meegewogen dat verdachte verantwoordelijkheid heeft genomen voor de door hem gepleegde feiten en beseft dat hij behandeling nodig heeft.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van Verslavingszorg Noord Nederland (VNN), het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim anderhalf jaar op een intensieve en bedreigende manier schuldig gemaakt aan belaging van aangeefster, zijn ex-vriendin. Hij heeft daarmee gedurende een lange periode ernstige inbreuk gemaakt op het privéleven van aangeefster. Ook heeft hij aangeefster mishandeld en daarmee een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. Daarbij komt dat verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Uit de reclasseringsrapportages blijkt dat uit psychologisch onderzoek naar voren is gekomen dat verdachte kenmerken vertoont van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Hij is (in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis) reeds gestart met behandeling bij Ambulante Forensische Psychiatrie Noord (AFPN). Gebleken is dat verdachte in relaties moeite heeft met het aanvoelen en aangeven van grenzen. In dit geval is hij volgens de behandelaar veel te ver meegegaan in de grillen van zijn ex-partner. Verdachte moet meer weerbaar worden, voor zichzelf opkomen en leren hoe hij niet meer uit de tent wordt gelokt. De AFPN is op zoek naar de meest passende behandeling en/of training. Hierbij wordt de Forensische Polikliniek van VNN betrokken, omdat behandeling ten aanzien van het excessieve alcoholgebruik van verdachte ook geïndiceerd is. Er is een risicoanalyse uitgevoerd, waaruit naar voren is gekomen dat het risico op recidive en letselschade als gemiddeld moet worden ingeschat. De reclassering heeft de rechtbank geadviseerd verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling, meewerken aan middelencontrole en, indien geïndiceerd, deelname aan een gedrangsinterventie en/of training.

De rechtbank acht het, om de kans op recidive in de toekomst te verkleinen, van belang dat verdachte de reeds ingezette behandeling voortzet.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een taakstraf moet worden opgelegd. Deze taakstraf valt lager uit dan de door de officier van justitie gevorderde taakstraf, omdat de rechtbank tot vrijspraak van feit 2 komt. Gelet op de aard en ernst van feit 1, zal de rechtbank verdachte daarnaast veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf. Hieraan worden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbonden.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 57, 63, 285b en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaar, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich meldt op afspraken met de reclassering van VNN, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren;

2. dat de veroordeelde zich gedurende de gehele proeftijd, of zoveel korter als de reclassering dit in overleg met de behandelaar nodig vindt, laat behandelen door de Forensische Polikliniek van VNN of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, en zich houdt aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

3. dat de veroordeelde, indien geïndiceerd, actief deelneemt aan een door de reclassering te bepalen gedragsinterventie en/of training gericht op het vergroten van de zelfbeheersing, en zich houdt aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;

4. dat de veroordeelde, indien en zo vaak de reclassering dit nodig acht, meewerkt aan controle op het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te monitoren en bespreekbaar te maken, door middel van urineonderzoek en/of ademonderzoek (blaastest).

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt verdachte voorts tot:

een taakstraf voor de duur van 100 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag voorlopige hechtenis.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schuth, voorzitter, mr. M.B.W. Venema en

mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 oktober 2019.

1 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 72 van het dossier.