Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:4109

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
21-08-2020
Zaaknummer
7355457 CV EXPL 18-11160
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Basic Travel; (online) reisagent; verplichtstelling tot deelname in het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Reisbranche; uitleg begrip bemiddeling in Verplichtstellingsbesluit; aansluiting met terugwerkende kracht; verjaring

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PR-Updates.nl PR-2020-0139
PJ 2020/135 met annotatie van B. Degelink
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

Zaak/rolnummer: 7355457 CV EXPL 18-11160

Vonnis van de kantonrechter van 3 september 2019

inzake

de besloten vennootschap

Basic Travel B.V.,

gevestigd te Groningen,

opposante, hierna Basic Travel te noemen,

gemachtigde mr. M.H. van Daal, advocaat te Zwolle (postbus 1182, 8001 BD),

tegen

de stichting

Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Reisbranche,

statutair gevestigd te Gouda,

geopposeerde, hierna Bpf Reisbranche te noemen,

gemachtigde Flanderijn en Van Eck gerechtsdeurwaarders te Rotterdam (postbus 25042, 3001 HA).

1 Het procesverloop

1.1.

Basic Travel heeft Bpf Reisbranche op 21 oktober 2018 gedagvaard onder de mededeling dat zij in verzet komt tegen het op 4 oktober 2018 aan Basic Travel betekende dwangbevel van Bpf Reisbranche. Basic Travel heeft gevorderd:

primair

  1. voor recht te verklaren dat Basic Travel niet valt onder de verplichtstelling tot deelname in het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Reisbranche;

  2. het verzet tegen het dwangbevel dat bij exploot van de deurwaarder aan Basic Travel is betekend op 4 oktober 2018 (hierna: het dwangbevel) gegrond te verklaren en het dwangbevel volledig buiten effect te stellen;

subsidiair

3. het verzet tegen het dwangbevel gegrond te verklaren voor zover het de vorderingen voor december 2015 betreft;

4. het dwangbevel buiten effect te stellen voor de premies en daarover verschuldigde rente over de jaren voor 2015 en de maanden januari tot en met november 2015, alsmede voor de daarin opgenomen buitengerechtelijke kosten, althans een zodanige voorziening te treffen als de kantonrechter redelijk acht;

meer subsidiair

5. het verzet tegen het dwangbevel gegrond te verklaren voor zover het de vorderingen voor december 2010 betreft;

6. het dwangbevel buiten effect te stellen voor de premies en daarover verschuldigde rente over de jaren voor 2010 en de maanden januari tot en met november 2010, alsmede voor de daarin opgenomen buitengerechtelijke kosten, althans een zodanige voorziening te treffen als de kantonrechter redelijk acht;

7. de vordering ten aanzien van de rente over de wel verschuldigde premies te matigen;

zowel primair als (meer) subsidiair

8. Bpf Reisbranche te veroordelen in de kosten van dit verzet.

1.2.

Bpf Reisbranche heeft deze vorderingen bij conclusie van antwoord in oppositie bestreden.

1.3.

Basic Travel heeft een conclusie van repliek in oppositie genomen.

1.4.

Bpf Reisbranche heeft zich bij akte uitgelaten over de bij repliek in oppositie overgelegde productie.

1.5.

Tot slot is vonnis bepaald. De uitspraak van het vonnis is (nader) vastgesteld op heden.

2 De feiten

2.1.

Het volgende staat tussen partijen vast en acht de kantonrechter van belang.

2.2.

Basic Travel is op 31 maart 2003 opgericht. In het handelsregister van de Kamer van Koophandel is opgenomen dat Basic Travel de volgende activiteiten verricht:

SBI-code: 7911 - Reisbemiddeling

Het bemiddelen bij de huur van vakantie- en woonaccomodaties (touroperator)

2.3.

Basic Travel heeft haar werknemers vanaf april 2003 in de gelegenheid gesteld deel te nemen aan de verzekerde pensioenregeling die zij ten behoeve van haar personeel had ingericht bij Amev (nu ASR).

2.4.

Bpf Reisbranche is een door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (hierna: Wet Bpf 2000).

2.5.

In het meest recente Verplichtstellingsbesluit (Staatscourant 11 juni 2015, hierna: het Verplichtstellingsbesluit) staat onder meer:

De Deelneming in de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Reisbranche, is verplicht gesteld voor werknemers die werkzaam zijn in de reisbranche, vanaf de eerste dag van de maand waarin de 21-jarige leeftijd wordt bereikt tot de eerste dag van de maand waarin de 67-jarige leeftijd wordt bereikt.

In dit kader wordt verstaan onder:

a. werknemer:

degene die krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst is van een werkgever;

(...)

d. werkgever:

de natuurlijke persoon of rechtspersoon, die een onderneming drijft waarin de reisbranche wordt uitgeoefend;

e. reisbranche:

de bedrijfstak waarin ondernemingen of onderdelen van ondernemingen werkzaam zijn die uitsluitend of in hoofdzaak het bedrijf uitoefenen van reisorganisator of reisagent;

f. (online) reisorganisator:

degene die in de uitoefening van zijn bedrijf op eigen naam al dan niet van tevoren georganiseerde reizen aanbiedt. Hieronder wordt tevens verstaan degene die in Nederland ten behoeve van al dan niet uit Nederland afkomstige reizigers c.q. ten behoeve van niet in Nederland gevestigde reisondernemingen bemiddelt bij de uitvoering van reizen of onderdelen daarvan;

g. (online) reisagent:

degene die in de uitoefening van zijn bedrijf bemiddelt bij het tot stand komen van overeenkomsten op het gebied van reizen in de ruimste zin des woords, waaronder worden begrepen overeenkomsten inzake vervoer, verblijf en pakketreizen.

De onder de verplichtstelling vallende ondernemingen zijn de ondernemingen die zich uitsluitend of in hoofdzaak bewegen op het gebied van de reisbranche. Dit wordt geacht het geval te zijn indien alle of het merendeel van de werknemers van de onderneming op het voornoemde gebied werkzaam is. Een onderneming of een deel van de onderneming wordt geacht in hoofdzaak het bedrijf van reisorganisator en/of reisagent uit te oefenen, indien meer dan 50% van de loonsom in de desbetreffende onderneming (of een onderdeel daarvan) moet worden toegeschreven.

2.6.

Bij brief van 8 december 2015 heeft Bpf Reisbranche aan Basic Travel meegedeeld dat zij per 1 maart 2003 wordt aangesloten bij Bpf Reisbranche. Daarbij is Basic Travel verzocht haar personeelsgegevens over de periode vanaf 1 maart 2013 aan Bpf Reisbranche te verstrekken.

2.7.

Basic Travel heeft meermaals bij Bpf Reisbranche bezwaar gemaakt tegen de verplichte aansluiting en premiebetaling met terugwerkende kracht vanaf 31 maart 2003. Dit bezwaar is door Bpf Reisbranche niet gehonoreerd.

2.8.

Bij niet in het geding gebrachte facturen met vervaldata van 20 februari 2017, 11 april 2017 en 17 oktober 2017 heeft Bpf Reisbranche over de jaren 2003 tot en met 2015 in totaal een bedrag van € 112.292,62 aan premies bij Basic Travel in rekening gebracht.

2.9.

Basic Travel heeft dit bedrag, ondanks herhaalde aanmaning, niet aan Bpf Reisbranche betaald.

2.10.

Op 4 oktober 2018 heeft Bpf Reisbranche een dwangbevel doen uitvaardigen jegens Basic Travel voor een totaalbedrag van € 142.347,79 (waarvan € 9.575,02 aan rente, € 20.381,83 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 94,79 aan explootkosten).

2.11.

Tegen dit dwangbevel is Basic Travel in verzet gekomen.

3 Het standpunt van Basic Travel

3.1.

Basis Travel heeft zich primair op het standpunt gesteld dat zij niet voldoet aan de definitie “werkgever die een onderneming drijft waarin de reisbranche wordt uitgeoefend” omdat zij geen reisagent is in de zin van het Verplichtstellingsbesluit en dat Bpf Reisbranche haar daarom ten onrechte heeft aangesloten.

3.2.

Subsidiair heeft Basic Travel zich op het standpunt gesteld dat Bpf Reisbranche haar ten onrechte met volledige terugwerkende kracht, zelfs nog voor het moment waarop haar BV werd opgericht, heeft aangesloten. Deze toepassing van volledige terugwerkende kracht is volgens Basic Travel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar omdat Bpf Reisbranche al veel eerder van het bestaan van Basic Travel op de hoogte was, althans redelijkerwijs had kunnen zijn.

3.3.

Meer subsidiair heeft Basic Travel zich op het standpunt gesteld dat de regels omtrent verjaring zich verzetten tegen het toepassen van de volledige terugwerkende kracht.

4 Het standpunt van Bpf Reisbranche

4.1.

Bpf Reisbranche heeft zowel het primaire als het subsidiaire als het meer subsidiaire standpunt van Basic Travel gemotiveerd weersproken.

4.2.

Volgens Bpf Reisbranche dient Basic Travel daarom tot kwaad opposant te worden verklaard en dient zij niet in haar vorderingen te worden ontvangen, dan wel dienen deze vorderingen te worden afgewezen.

5 De beoordeling

5.1.

De kantonrechter zal hierna, voor zover van belang voor de uitkomst van deze zaak, nader ingaan op hetgeen partijen ter onderbouwing van hun stellingen naar voren hebben gebracht en aan stukken hebben overgelegd.

5.2.

De kantonrechter stelt vast dat Basic Travel tijdig verzet heeft ingesteld, namelijk binnen 30 dagen na betekening van het dwangbevel op 4 oktober 2018, zoals voorgeschreven in artikel 21, lid 5 van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (hierna: de Wet Bpf 2000), en bij de door die wet aangewezen kantonrechter. Gevolg hiervan is dat tenuitvoerlegging van het dwangbevel is geschorst voor zover deze door het verzet wordt bestreden.

5.3.

Bij de beoordeling van de aangevoerde gronden voor verzet neemt de kantonrechter de volgende uitgangspunten in acht:

  1. dat de wetgever uitdrukkelijk heeft willen bevorderen dat Bpf Reisbranche, dat op basis van de verplichtstelling betaling mag vorderen van pensioenbijdragen door werkgevers die onder de werkingssfeer van Bpf Reisbranche vallen, na vergeefse aanmaning op eenvoudige wijze met een dwangbevel achterstallige premies kan invorderen. Bij uitvoering van de wet Bpf 2000 dienen Bpf Reisbranche en de werkgever die onder de werkingssfeer van Bpf Reisbranche valt zich te houden aan de in artikel 4 van deze wet genoemde statuten, reglementen etc.;

  2. dat het uitgevaardigde dwangbevel niet is gevolgd op een eerdere juridische procedure, waarbij verzet tegen het dwangbevel als een verkapt appel te beschouwen is;

  3. dat geschillen omtrent deelneming in en uitkering uit een bedrijfstakpensioenfonds ingevolge artikel 25 van de wet Bpf 2000 onder de competentie van de kantonrechter vallen;

  4. at de bevoegdheden van de kantonrechter in geschillen als deze zich beperken tot die, genoemd in artikel 438 lid 2, tweede zin en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en in artikel 21 van de Wet Bpf 2000 zelf.

5.4.

Gelet op het in de vorige overweging onder c. genoemde uitgangspunt ziet de kantonrechter geen beletsel zich inhoudelijk over het onderhavige geschil uit te laten.

5.5.

Primair verschillen partijen van mening over het antwoord op de vraag of Basic Travel op grond van het Verplichtstellingsbesluit moet worden aangesloten bij het verplicht gestelde Bedrijfstakpensioenfonds voor de reisbranche.

5.6.

Gelet op vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie bijvoorbeeld HR 24 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9889) dient de uitleg van werkingssfeerbepalingen plaats te vinden aan de hand van de zogenoemde cao-norm. Dit betekent dat voor de uitleg die aan de bepalingen in het Verplichtstellingsbesluit moet worden gegeven in beginsel de bewoordingen van die bepalingen, gelezen in het licht van de gehele tekst van doorslaggevende betekenis zijn. Het komt daarbij niet aan op de bedoelingen van de partijen voor zover deze niet uit in het reglement opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis van de gebruikte bewoordingen waarin het reglement is gesteld. Onder meer kan ook acht geslagen worden op de elders in de tekst gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden (zie HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2376). In het arrest van de Hoge Raad van 20 februari 2004 (ECLI:NL:HR:2014:AO1427) is voorts overwogen dat tussen de Haviltexnorm en de cao-norm geen tegenstelling bestaat, maar een vloeiende overgang. Verder oordeelt de Hoge Raad dat de rechtspraak over de uitleg van bepalingen als gemeenschappelijke grondslag heeft dat bij de uitleg van een schriftelijk contract telkens van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid mee brengen. Dit is recentelijk door de Hoge Raad nog eens herhaald (HR 25 november 2016, JAR 2016/303, ECLI:NL:HR:2016:2687).

5.7.

Het debat tussen partijen spitst zich toe op de vraag of Basic Travel is aan te merken als een (online) reisagent zoals omschreven in het Verplichtstellingsbesluit. Een (online) reisagent is in dat besluit gedefinieerd als degene die in de uitoefening van zijn bedrijf bemiddelt bij het tot stand komen van overeenkomsten op het gebied van reizen in de ruimste zin des woords, waaronder worden begrepen overeenkomsten inzake vervoer, verblijf en pakketreizen.

5.8.

In het Verplichtstellingsbesluit staat het begrip “bemiddeling” niet omschreven. Dit betekent dat dit begrip aan de hand van de hiervoor genoemde cao-norm moet worden uitgelegd.

5.9.

De vraag of een partij moet worden aangemerkt als een (online) reisagent in de zin van het Verplichtstellingsbesluit, en welke betekenis daarbij moet worden toegekend aan het woord “bemiddelen”, is al vaker voorgelegd aan en beantwoord door een kantonrechter.

5.10.

Zo heeft de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 30 december 2016 (PJ 2017/10) geoordeeld dat Booking.com niet kan worden aangemerkt als reisagent zoals bedoeld in het Verplichtstellingsbesluit. Daarbij is bemiddelen beschouwd als een activiteit waarbij de bemiddelaar tussenbeide komt om een overeenkomst tot stand te brengen en is overwogen dat een dergelijke actieve rol niet aan Booking.com kan worden toegekend bij de totstandkoming van een individuele reisovereenkomst.

5.11.

Basic Travel heeft verwezen naar dit vonnis en heeft gesteld dat zij weinig verschilt van Booking.com. Daartoe heeft zij aangevoerd dat zij als sinds 1996 een website heeft en dat zij daarmee een online platform heeft gecreëerd waarop huiseigenaren hun woningen aan geïnteresseerde consumenten te huur aanbieden. Haar toegevoegde waarde is dat zij de woningen zelf bezoekt, inspecteert en foto’s maakt, aldus Basic Travel. Dat is een dienst die zij aan de woningeigenaren verleent en waarvoor zij een percentage van de huuropbrengst krijgt. Basic Travel heeft steeds gemeend geen reisagent te zijn en meende daarom dat zij niet onder de verplichtstelling viel, als zij al wist van het bestaan daarvan (hetgeen volgens haar niet het geval was).

5.12.

Bpf Reisbranche heeft op haar beurt verwezen naar het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 9 mei 2018 (PJ 2018/108). In dat vonnis is overwogen dat de door Hotel Booker en Bungalow Booker aan accommodatie-aanbieders te stellen voorwaarden (ter zake van de prijzen) en de vergoeding die Hotel Booker en Bungalow Booker ontvangen van de accommodatie-aanbieders een zodanig actieve rol impliceren, dat voldaan is aan het begrip bemiddelen.

5.13.

Zoals de kantonrechter hiervoor al heeft overwogen bevat het Verplichtstellingsbesluit geen omschrijving van het begrip “bemiddelen”. Het vereiste dat een actieve, adviserende rol noodzakelijk is alvorens er sprake is van bemiddelen in de zin van dat besluit, is in dat besluit dan ook niet terug te vinden. Anders dan de twee hiervoor aangehaalde kantonrechters acht de kantonrechter een dergelijke actieve, adviserende rol daarom niet van doorslaggevend belang. Vast staat dat door tussenkomst van Basic Travel overeenkomsten tot stand komen tussen aanbieders van vakantiehuizen en consumenten die op zoek zijn naar een dergelijk huis. Daarmee is naar het oordeel van de kantonrechter sprake van bemiddeling op het gebied van reizen. Dit sluit ook aan bij de wijze waarop Basic Travel staat ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Daar staat zij immers omschreven als een touroperator.

5.14.

De voorgaande overwegingen brengen mee dat Basic Travel is aan te merken als een (online) reisagent zoals omschreven in het Verplichtstellingsbesluit en dat Basic Travel op grond van dat besluit moet worden aangesloten bij het verplicht gestelde Bedrijfstakpensioenfonds voor de reisbranche. De primaire vordering van Basic Travel komt daarom niet voor toewijzing in aanmerking.

5.15.

Subsidiair heeft Basic Travel gevorderd het door Bpf Reisbranche uitgevaardigde dwangbevel buiten effect te stellen voor de premies en daarover verschuldigde rente over de jaren voor 2015 en de maanden januari tot en met november 2015. Volgens Basic Travel kan Bpf Reisbranche niet stellen dat zij pas in november 2015 bekend is geworden met het bestaan van Basic Travel, omdat Bpf Reisbranche al veel eerder wist, althans kon weten, dat Basic Travel aangesloten moest worden. Basic Travel kan daarom niet eerder dan vanaf december 2015 verplicht worden aangesloten. Meer subsidiair heeft Basic Travel zich beroepen op verjaring.

5.16.

De kantonrechter ziet aanleiding om de subsidiaire en de meer subsidiaire vordering gezamenlijk te behandelen. Onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 mei 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:3886) overweegt de kantonrechter daarover als volgt.

5.17.

Uit artikel 3 en 4 van de Wet Bpf 2000 vloeit voort dat de verplichting tot naleving van de statuten en reglementen van het verplichte bedrijfstakpensioenfonds van rechtswege ontstaat op het moment waarop de werkgever voldoet aan de voorwaarden voor verplichte deelneming, ongeacht de bekendheid van een bedrijfspensioenfonds met de betreffende werkgever. Indien een werkgever aldus in de werkingssfeer van in dit geval het Bedrijfstakpensioenfonds voor de reisbranche komt te vallen ontstaat voor haar de verplichting om haar werknemers aan te melden bij het bedrijfstakpensioenfonds en ook de verplichting om verschuldigde premies en bijdragen af te dragen. Voor Bpf Reisbranche ontstaat op dat moment van rechtswege een premie- en bijdragevordering op Basic Travel (vergelijk HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:588).

5.18.

Zoals hiervoor is overwogen valt Basic Travel in de werkingssfeer van Bpf Reisbranche. De kantonrechter is van oordeel dat dit al het geval is sinds de oprichting van Basic Travel, te weten 31 maart 2003. Omstandigheden die nopen tot een ander oordeel zijn naar het oordeel van de kantonrechter gesteld noch gebleken. Vast staat dat Basic Travel gedurende de periode maart 2003 tot en met december 2015 haar werknemers niet bij Bpf Reisbranche heeft aangemeld. Evenmin heeft Basic Travel gedurende die jaren voldaan aan de – ten behoeve van de premie- en bijdrageberekening – op haar rustende verplichting om de relevante gegevens aan te leveren. Zij stelt weliswaar dat Bpf Reisbranche eerder op de hoogte had kunnen zijn van deze gegevens omdat zij deze heeft verstrekt aan organisaties die zijn gelieerd aan Bpf Reisbranche, maar deze stelling treft naar het oordeel van de kantonrechter geen doel. Bpf Reisbranche heeft naar het oordeel van de kantonrechter genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat er tussen deze organisaties en Bpf Reisbranche geen informatiewisseling plaatsvindt en ook niet plaats mag vinden.

5.19.

De kantonrechter is in navolging van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van oordeel dat Bpf Reisbranche bevoegd was en is om alsnog de premies over de jaren 2003 tot en met 2015 vast te stellen.

5.20.

Van deze vaststelling moet worden onderscheiden de vraag of de vorderingen van Bpf Reisbranche waarmee pensioenpremies over de jaren 2003 tot en met 2015 in rekening zijn gebracht bij Basic Travel zijn verjaard. Voor beantwoording van die vraag dient allereerst te worden vastgesteld welke verjaringstermijn van toepassing is, gelet op de aard van de premievordering waarop Bpf Reisbranche aanspraak maakt.

5.21.

De gevorderde premie wordt per loontijdvak vastgesteld. Naar haar aard betreft dit een periodieke vordering. Bij gebreke van een in de pensioenwetgeving opgenomen bijzondere verjaringstermijn is daarop van toepassing de verjaringstermijn van vijf jaar van artikel 3:308 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ter zake rechtsvorderingen tot betaling van renten van geldsommen, lijfrenten, dividenden, huren, pachten en voorts alles wat bij het jaar of een kortere termijn moet worden betaald. Ingevolge dit artikel vangt de verjaring aan na aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Dit artikel stelt niet de voorwaarde dat de schuldeiser bekend moet zijn met de (omvang van de) vordering en/of de opeisbaarheid daarvan. De stelling van Basic Travel dat Bpf Reisbranche al sinds 2004 wist dan wel kon weten dat zij een vordering had op Basic Travel kan treft daarom geen doel, evenmin als de stelling dat de handelwijze van Bpf Reisbranche vanwege die gestelde wetenschap naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

5.22.

Basic Travel heeft zich in dit kader voorts beroepen op artikel 6:38 BW. Ingevolge dit artikel dient een verbintenis indien geen tijd voor de nakoming is bepaald, terstond te worden nagekomen en kan terstond nakoming worden gevorderd. De kantonrechter honoreert dit beroep niet. Daaraan liggen de volgende overwegingen ten grondslag.

5.23.

De verschuldigde premie dient per loontijdvak aan Bpf Reisbranche te worden betaald. Bpf Reisbranche heeft in dat kader premienota’s aan Basic Travel verstuurd met vervaldata van 20 februari 2017, 11 april 2017 en 17 oktober 2017. Basic Travel heeft niet betwist dat deze vervaldata zijn vastgesteld conform het Uitvoeringsreglement van Bpf Reisbranche. Dit reglement bepaalt dus een tijd voor nakoming, waardoor artikel 6:38 BW toepassing mist. Dat dit reglement eenzijdig door Bpf Reisbranche is opgesteld leidt niet tot een ander oordeel, nu zij daartoe de bevoegdheid heeft. De premies dienden dus uiterlijk op de genoemde vervaldata te zijn betaald. De vordering van Bpf Reisbranche is derhalve pas opeisbaar geworden op die data en ook de verjaringstermijn is aangevangen op die data. De vordering is daarom naar het oordeel van de kantonrechter niet verjaard.

5.24.

Aan het vorenstaande doet niet af dat van rechtswege een premievordering ontstaat indien een werkgever op grond van de Wet Bpf 2000 in de werkingssfeer van een bedrijfstakpensioenfonds komt te vallen en daarmee een verplichting tot aanmelding en de beginselverplichting tot premiebetaling krijgt. Immers, het enkele ontstaan van een dergelijke vordering, die voortvloeit uit de betalingsplicht van de werkgever, brengt niet zonder meer de opeisbaarheid daarvan op datzelfde moment met zich in een geval als het onderhavige, waarin Bpf Reisbranche het moment van opeisbaarheid constitueert aan de hand van de in haar reglement opgenomen bepalingen omtrent die opeisbaarheid.

5.25.

Uit de voorgaande overwegingen vloeit voort dat ook de subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen niet voor toewijzing in aanmerking komen.

5.26.

De conclusie is derhalve dat het verzet ongegrond zal worden verklaard.

5.27.

Basic Travel zal, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

verklaart het verzet ongegrond;

6.2.

veroordeelt Basic Travel in de proceskosten, aan de zijde van Bpf Reisbranche tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 400,00 voor salaris van de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Bootsma, kantonrechter, en op 3 september 2019 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: 692