Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:4092

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-10-2019
Datum publicatie
03-10-2019
Zaaknummer
18/830202-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft op klaarlichte dag nabij een winkelcentrum op een drukke kruising waar op dat moment veel mensen aanwezig waren met een vuurwapen meerdere malen geschoten op het slachtoffer. Daarmee heeft verdachte het slachtoffer letsel aan zijn arm toegebracht. Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan aanranding en aan meerdere mishandelingen, waarbij hij de slachtoffers met kracht in het gezicht heeft geslagen. De rechtbank legt op de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege naast een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 246
Wetboek van Strafrecht 289
Wetboek van Strafrecht 300
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830202-18

ter terechtzitting gevoegde parketnummers 18/820447-18 en 18/123479-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 3 oktober 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te PI Leeuwarden te Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 september 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.P.M.A. Laeyendecker, advocaat te Oss. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T.H. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

18/830202-18

1.

hij op of omstreeks 07 september 2018 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd: "nu ben je de lul", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of (vervolgens) met een revolver, althans een vuurwapen, een of meermalen (gericht) op die [slachtoffer 1] heeft geschoten, althans op/in de richting van (de bestuurderszijde van)de/een auto, waarin die [slachtoffer 1] (als bestuurder) zat, heeft geschoten, terwijl die [slachtoffer 1] zijn rechterarm (ter bescherming) voor zijn hoofd hield en/of waarbij die [slachtoffer 1] (vervolgens) (meermalen) in de rechterarm werd geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen dat

hij op of omstreeks 07 september 2018 te Groningen aan [slachtoffer 1] opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten een bijna volledige onderbreking van de (rechter)onderarmzenuw en/of neurologische uitvalverschijnselen aan de (rechter)hand en/of de (rechter)pink en/of de pinkzijde van de (rechter)handpalm tot aan de pols en/of de pinkzijde van de (rechter)ringvinger en/of beperking van de buigfunctie van de (rechter)pink heeft toegebracht door, al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, tegen die [slachtoffer 1] te zeggen: "nu ben je de lul", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of (vervolgens) met een revolver, althans een vuurwapen, een of meer malen gericht op die [slachtoffer 1] te schieten, althans op/in de richting van (de bestuurderszijde van) de/een auto, waarin die [slachtoffer 1] (als bestuurder) zat, te schieten, terwijl die [slachtoffer 1] zijn rechterarm (ter bescherming) voor zijn hoofd hield en/of waarbij die [slachtoffer 1] (vervolgens) (meermalen) in de rechterarm werd geraakt; ;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen dat

hij op of omstreeks 07 september 2018 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd: "nu ben je de lul", althans woorden van

gelijke dreigende aard of strekking, en/of (vervolgens) met een revolver, althans een vuurwapen, een of meermalen gericht op die [slachtoffer 1] heeft geschoten, althans op/in de richting van (de bestuurderszijde van) de/een auto, waarin die [slachtoffer 1] (als bestuurder) zat, heeft geschoten, terwijl die [slachtoffer 1] zijn rechterarm (ter bescherming) voor zijn hoofd hield en/of waarbij die [slachtoffer 1] (vervolgens) (meermalen) in de rechterarm werd geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen dat

hij op of omstreeks 07 september 2018 te Groningen, al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door, al dan niet na kalm beraad en rustig

overleg, tegen die [slachtoffer 1] te zeggen: "nu ben je de lul", althans woorden van

gelijke dreigende aard of strekking, en/of (vervolgens) met een revolver, althans een vuurwapen, een of meermalen gericht op die [slachtoffer 1] te schieten, althans op/in de richting van (de bestuurderszijde van) de/een auto, waarin die [slachtoffer 1] (als bestuurder) zat, te schieten, terwijl die [slachtoffer 1] zijn rechterarm (ter bescherming) voor zijn hoofd hield en/of waarbij die [slachtoffer 1] (vervolgens) (meermalen) in de rechterarm werd geraakt; terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een bijna volledige onderbreking van de (rechter)onderarmzenuw en/of neurologische uitvalverschijnselen aan (rechter)hand en/of de (rechter)pink en/of de pinkzijde van de (rechter)handpalm tot aan de pols en/of de pinkzijde van de (rechter)ringvinger en/of beperking van de buigfunctie van de (rechter)pink;

2.

hij op of omstreeks 07 september 2018 te Groningen een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver (merk/type HS Buffel, kaliber .22LR), zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool, en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 6 kogelpatronen van het kaliber .22LR (telkens) voorhanden heeft gehad;

18/820447-18

1.

hij op of omstreeks 22 april 2018 te Groningen [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] met gebalde vuist een klap tegen het hoofd te geven;

2.

hij op of omstreeks 22 april 2018 te Groningen [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] (met kracht) met gebalde vuist in het gezicht te slaan, althans een klap in het gezicht van die [slachtoffer 3] te geven;

18/123479-18

1.

hij op of omstreeks 27 april 2018 te Groningen, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft hij, verdachte,
die [slachtoffer 4] onverhoeds in de bil geknepen;

2.

hij op of omstreeks 27 april 2018 te Groningen, [slachtoffer 5] (werkzaam als beveiligingsmedewerker) heeft mishandeld door die [slachtoffer 5] op/tegen zijn oog te slaan en/of te stompen, terwijl het zwaar lichamelijk letsel, te weten oogletsel/beschadiging en/of visuele beperking ten gevolge heeft gehad;


3.

hij op of omstreeks 27 april 2018 te Groningen, [slachtoffer 6] (werkzaam als beveiligingsmedewerkster) heeft mishandeld door die [slachtoffer 6] in/tegen het gezicht te slaan en/of te stompen.

Beoordeling van het bewijs

18/830202-18

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde. De officier van justitie acht de onder 1 ten laste gelegde voorbedachte rade niet wettig en overtuigend te bewijzen, zodat verdachte volgens haar moet worden vrijgesproken van de poging tot moord.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe eerst aangevoerd dat geen sprake is geweest van voorbedachte rade, zodat verdachte in ieder geval moet worden vrijgesproken van de poging tot moord. Daarnaast is de raadsvrouw van mening dat uit het samenstel van handelingen niet kan worden afgeleid dat sprake is geweest van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood. Voorwaardelijk opzet op de dood is aanwezig als verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de dood zal intreden. Daar is in dit geval geen sprake van geweest. Verdachte stond aan de bijrijderszijde van de auto toen hij zijn schoten heeft gelost en kan vanuit die positie niet hebben gericht op de bestuurderszijde van auto. Verdachte heeft gericht op de voorkant van de auto geschoten. Doordat de auto is gaan rijden is sprake geweest van een andere inschotpositie dan verdachte beoogde. Ten aanzien van de ten laste gelegde bewoordingen 'nu ben je de lul', die zouden kunnen duiden op opzet, heeft de raadvrouw betoogd dat er onvoldoende bewijs dat is dat verdachte dit tegen [slachtoffer 1] heeft gezegd. Geen enkele getuige heeft dit verdachte horen zeggen, zodat de verklaring van aangever dat verdachte dit tegen hem heeft gezegd niet wordt ondersteund.

De raadsvrouw heeft eveneens voor vrijspraak voor het subsidiair ten laste gelegde bepleit, nu nog niet kan worden vastgesteld of sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Het is (nog) onbekend of er al dan niet uitzicht is op een volkomen genezing.

Oordeel van de rechtbank

Feit 1. primair

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 19 september 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Op 7 september 2018 had ik een revolver bij me. Ik heb daarmee meermalen op de auto van [slachtoffer 1] geschoten

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 9 september 2018, opgenomen op pagina 95 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018237254 d.d. 8 februari 2019, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :

Ik ben doorgereden naar de verkeerslichten bij de kruising Pleiadenlaan en de Zonnelaan. Ik ben op de rijbaan voor het verkeer wat rechtsaf dan wel rechtdoor wil rijden gaan staan met de auto. Daar stond [verdachte] .

Ik opende het raam aan de bijrijderszijde en zei: "Wat is er nou aan de hand dan?" Ik zag dat [verdachte] zijn fiets op de grond gooide. Hij kwam met een versnelde pas op mij aflopen. Ik zag dat hij, terwijl hij naar mij toeliep, een vuurwapen uit zijn broeksband pakte. Ik zag dat hij het wapen trok en op mij richtte. Ik denk dat de afstand tussen mij en [verdachte] ongeveer drie a vier meter bedroeg toen hij begon te schieten.

Uit reflex heb ik mijn hoofd beschermd met mijn rechter arm. Ik heb mijn arm omhoog

gehouden en mijn hoofd naar voren gebogen. Ik gaf gas en ik vermoed dat ik aan

mijn stuur heb getrokken terwijl ik gas gaf. Ik maakte namelijk een U-bocht waardoor

ik op het trottoir uitkwam. Onderweg merkte ik dat ik was geraakt. Ik voelde dat mijn rechter bovenarm nat was. Ik stak mijn hand in mijn kleding en toen ik deze er weer uit haalde zag ik dat mijn hand onder het bloed zat.

3. Een letselrapportage, op 1 maart 2019 opgemaakt en ondertekend door T. van Mesdag., forensisch arts GGD Groningen, voor zover inhoudend, als zijn verklaring:

De geconstateerde letsels aan de rechterarm bevinden zich niet in of in de directe nabijheid van vitale onderdelen van het lichaam. De lokalisatie van de letsels kan goed passen bij de toedracht die betrokkene heeft geschetst dat hij de opgeheven en gebogen rechterarm voor zijn hoofd hield toen hij vanaf de rechterzijde werd beschoten. Aan de rechterarm zijn drie verwondingen geconstateerd die goed passen bij schotverwondingen. Gelet op de onderlinge positie van de verwondingen acht ik het zeer onwaarschijnlijk dat de verwondingen aan de onderarm en de bovenarm zijn veroorzaakt door één projectiel. Het is hierdoor aannemelijk dat ten minste twee schoten in de richting van het hoofd van verdachte (de rechtbank begrijpt: het slachtoffer) zijn afgevuurd. Ik acht het niet onwaarschijnlijk dat het slachtoffer aan het hoofd verwond zou zijn geraakt als hij tijdens het schieten zijn rechterarm niet had opgeheven. Een schotverwonding aan het hoofd is in beginsel levensbedreigend.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 7 september 2018, opgenomen op pagina 155 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :

Terwijl ik met [verdachte] praat komt mijn zwager ook over de Pleiadelaan aanrijden bij de kruising, het stoplicht waar mijn zwager voor staat is groen en omdat hij anders de hoek om moet rijden, zet hij de auto op een voetgangers stuk neer. Mijn zwager heeft het raam naar beneden gedaan van de bijrijderszijde. Ik zie [verdachte] van zijn fiets springen en ik zie dat hij met zijn linker hand een trekbeweging maakt vanaf heuphoogte. Ik zie dat hij een zwart wapen in zijn handen heeft.

Ik zie dat [verdachte] zijn arm strekt en het wapen richt op de auto van mijn zwager. [verdachte] stond aan de bijrijderszijde enkele meters van de auto vandaan. Ik hoorde dat [verdachte] 2 a 3 keer schoot. De schoten gingen achter elkaar door.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal schotbaanonderzoek d.d. 23 oktober 2018, opgenomen op pagina 248 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten:

Van vijf (5) aangetroffen schotbeschadigingen was gebleken dat deze auto zeker 3 (drie) maal getroffen is door een projectiel dat is afgeschoten door middel van een vuurwapen. Alle drie de schoten werden vanuit verschillende posities aan de rechterzijde van de personenauto afgevuurd. Alle drie de schotbanen waren gericht op de bestuurderszijde van de auto waar het slachtoffer op dat moment aanwezig was. Uit tactische informatie was gebleken dat er kennelijk vier(4) maal geschoten was en dat er bij het slachtoffer twee schotverwondingen waren aangetroffen. Tevens waren in de cilinder van de revolver vier(4) hulzen

aangetroffen. Doordat uit ons onderzoek is gebleken dat de betreffende personenauto

drie(3) maal geraakt is zou dit kunnen verklaren dat het projectiel van het vierde schot mogelijk vanaf een positie rechts naast de personenauto via het geopende raam van het rechter voorportier is verschoten. En dat dit projectiel daarbij de onderarm van het slachtoffer was binnengedrongen.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Het dossier bevat onvoldoende aanwijzingen voor de conclusie dat verdachte een plan had beraamd om aangever van het leven te beroven. Niet vast is komen te staan dat verdachte voorafgaand aan het schieten voldoende tijd voor beraad en gelegenheid voor bezinning heeft gehad. Het handelen van verdachte lijkt veeleer het gevolg van een ogenblikkelijke gemoedsbeweging. De rechtbank is daarom, evenals de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat de voorbedachte rade niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, zodat verdachte zal worden vrijgesproken van de poging tot moord.

Uit de hiervoor weergegeven getuigenverklaringen blijkt dat verdachte vanaf een afstand van enkele meters vanuit een positie aan de bijrijderskant van de auto meermalen op de auto van [slachtoffer 1] heeft geschoten. Deze verklaringen komen overeen met de uitkomsten van het schotbaanonderzoek van de politie. Daarin wordt geconcludeerd dat zeker drie schoten vanuit verschillende posities aan de rechterzijde van de auto zijn afgevuurd en dat alledrie de schotbanen warengericht op de bestuurderszijde van de auto waarop dat moment aangever zat. Een vierde schot is mogelijk vanaf een positie rechts naast de auto via het geopende raam verschoten en terechtgekomen in de onderarm van [slachtoffer 1] . Naar het oordeel van de rechtbank valt hieruit af te leiden dat verdachte gericht op [slachtoffer 1] heeft geschoten en niet, zoals de raadvrouw heeft betoogd, op de voorkant van de auto heeft gericht.

Aangever heeft verklaard dat hij zijn rechterarm tijdens het schieten gebogen omhoog hield om zijn hoofd te beschermen. Uit het letselrapport volgt dat de locatie van het geconstateerde letsel goed kan passen bij deze toedracht. Er is sprake van een doorschotverwonding aan de binnenzijde van de rechter arm van [slachtoffer 1] en een schotverwonding aan de rechter bovenarm met meerdere kogelfragmenten. De forensisch arts acht het niet onwaarschijnlijk dat [slachtoffer 1] aan zijn hoofd verwond zou zijn geraakt als hij niet zijn rechterarm omhoog had geheven. Een schotverwonding aan het hoofd is in beginsel levensbedreigend. Het handelen van verdachte had aldus de dood van [slachtoffer 1] kunnen veroorzaken. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook sprake van handelen dat naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht is op de dood van [slachtoffer 1] dat zij de poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen acht.

Feit 2.

De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 september 2019;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek vuurwapen/munitie d.d. 19 december 2018, opgenomen op pagina 242 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018237254 d.d. 8 februari 2019, inhoudend de verklaring van verbalisant.

18/820447-18

Standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat [slachtoffer 2] in zijn aangifte heeft verklaard dat hij is geslagen. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij zag dat hij is geslagen door een man met een beige shirt aan, dezelfde persoon die [slachtoffer 3] heeft geslagen. Verdachte heeft verklaard dat hij ter plaatse was en dat hij de man was met het beige shirt. Hij heeft tevens erkend dat hij [slachtoffer 3] heeft geslagen. Daarmee is er voldoende wettig en overtuigend bewijs voor de mishandeling van [slachtoffer 2] .

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde bepleit. Verdachte heeft ontkend dat hij [slachtoffer 2] heeft geslagen en uit de bewijsmiddelen in het dossier volgt dat verdachte [slachtoffer 2] niet kan hebben geslagen. Uit camerabeelden blijkt dat verdachte pas komt aanlopen, nadat [slachtoffer 2] is geslagen.

Oordeel van de rechtbank

1.

De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Verdachte heeft ontkend dat hij aangever [slachtoffer 2] heeft geslagen. Aangever zelf heeft niet gezien wie hem heeft geslagen. Getuige [getuige 2] heeft als enige getuige verdachte aangewezen als de persoon die aangever heeft geslagen. De rechtbank acht de enkele verklaring van [getuige 2] , tegenover de ontkennende verklaring van verdachte, onvoldoende om tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde te komen.

2.

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 september 2019;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 24 april 2018, opgenomen op pagina 29 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018098423 d.d. 13 september 2018, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 3] .

18/123479-18

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangegeven dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft ontkend. Alleen uit de aangifte volgt dat hij [slachtoffer 4] in de bil zou hebben geknepen. Op de foto's zijn de blauwe plekken niet zichtbaar. Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het onder 1 ten laste gelegde. Ten aanzien van de bewijsbaarheid van het onder 2 en 3 ten laste gelegde refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

1.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 19 september 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Op koningsnacht kwam ik van een feest in Huize Maas. Ik was dronken en kan me niks meer herinneren. De politie heeft mij camerabeelden laten zien. Ik heb gezien dat ik de beide beveiligers heb geslagen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 27 april 2018, opgenomen op pagina 40 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018103316 d.d. 3 mei 2018, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 4] :

Bij Pathé kwam er een man naast me fietsen. Ik zei halverwege dat hij weg moest gaan en dat ik er geen zin aan had. Hij stapte af en kwam naast me lopen. Op de brug kneep hij mij hard in mijn kont.

Noot verbalisanten:

Na het gesprek werd door mij, eerste verbalisant, de linker bil bekeken van [slachtoffer 4]. Ik

zag dat er blauwe plekken zaten, die je zou kunnen refereren aan vingertoppen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 27 april 2018, opgenomen op pagina 48 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 5] :

Ik had toezichtdienst tussen het Hereplein en het Emmaplein. Ik weet niet hoe laat

het was maar ik hoorde en zag dat een negroïde man een blanke blonde vrouw lastig

viel.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 27 april 2018, opgenomen op pagina 57 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 6] :

Mijn collega en ik zagen een donkergekleurde man op een fiets een meisje lastig vallen. Ik zag dat de man op de fiets dicht in de buurt van het meisje fietste. Dit was op de H.N. Werkmanbrug.

De rechtbank is van oordeel dat de aangifte van [slachtoffer 4] voldoende steun vindt in de overige bewijsmiddelen. Zo heeft de verbalisant waargenomen dat aangeefster blauwe plekken op haar bil had en hebben beide beveiligers gezien dat aangeefster werd lastig gevallen door verdachte. Dit was ook de reden dat verdachte werd aangehouden.

2. en 3.

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 september 2019;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 27 april 2018, opgenomen op pagina 48 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018103316 d.d. 3 mei 2018, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 5] .

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 27 april 2018, opgenomen op pagina 57 e.v. van het voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 6] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde onder 1 primair en 2 in de zaak met parketnummer 18/830202-18, het ten laste gelegde onder 2 in de zaak met parketnummer 18/820447-18 en het ten laste gelegde onder 1, 2 en 3 in de zaak met parketnummer 18/123479-18 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

18/830202-18

Feit 1. Primair

hij op 7 september 2018 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet, met een revolver meermalen gericht op die [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl die [slachtoffer 1] zijn rechterarm (ter bescherming) voor zijn hoofd hield en waarbij die [slachtoffer 1] vervolgens meermalen in de rechterarm werd geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Feit 2.

hij op 7 september 2018 te Groningen een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver (merk/type HS Buffel, kaliber .22LR) en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 6 kogelpatronen van het kaliber .22LR voorhanden heeft gehad.

18/820447-18

2.

hij op 22 april 2018 te Groningen [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] met kracht met gebalde vuist in het gezicht te slaan.

18/123479-18

1.

hij op 27 april 2018 te Groningen, door een andere feitelijkheid [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handelingen, immers heeft hij, verdachte,
die [slachtoffer 4] onverhoeds in de bil geknepen.

2.

hij op 27 april 2018 te Groningen, [slachtoffer 5] (werkzaam als beveiligingsmedewerker) heeft mishandeld door die [slachtoffer 5] op zijn oog te slaan.


3.

hij op 27 april 2018 te Groningen, [slachtoffer 6] (werkzaam als beveiligingsmedewerkster) heeft mishandeld door die [slachtoffer 6] tegen het gezicht te slaan.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

18/830202-18

1. primair Poging tot doodslag

2. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot vuurwapen van categorie III

18/820447-18

2. Mishandeling

18/123479-18

1. Feitelijke aanranding van de eerbaarheid

2. Mishandeling

3. Mishandeling

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering en motivering van de op te leggen maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte in de zaak met parketnummer 18/830202-18 ter zake van het ten laste gelegde onder 1 primair en 2, het in de zaak met parketnummer 18/820447-18 ter zake van het ten laste gelegde onder 1 en 2 en het in de zaak met parketnummer 18/123479-18 ter zake het ten laste gelegde onder1, 2 en 3 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich voor wat betreft de straf, en ten aanzien van de maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsadvies en de Pro Justitia rapportage van het Pieter Baan Centrum (PBC), het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het door verdachte erkende ad informandum gevoegde feit, te weten een vernieling te Groningen op 30 augustus 2018 (parketnummer 18/172081-18) dat hiermee is afgedaan.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen Verdachte heeft verklaard zich te hebben bewapend uit angst voor een confrontatie met het slachtoffer Het gedrag van verdachte bevestigt eens te meer dat het bezit van een vuurwapen in veel gevallen ook leidt tot het gebruik van dat vuurwapen, waarbij er grote kans is dat er slachtoffers vallen. Verdachte heeft op klaarlichte dag nabij een winkelcentrum op een drukke kruising waar op dat moment veel mensen aanwezig waren met een vuurwapen meerdere malen geschoten op het slachtoffer. Daarmee heeft verdachte niet alleen het slachtoffer letsel aan zijn arm toegebracht, maar ook het gevoel van veiligheid van de personen die getuige waren aangetast. Dat de gevolgen niet ernstiger zijn is louter te danken aan de adequate reactie van het slachtoffer. Het slachtoffer is overigens nog steeds niet volledig hersteld en mogelijk zal het herstel ook niet volledig zijn.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan aanranding en aan meerdere mishandelingen, waarbij hij de slachtoffers met kracht in het gezicht heeft geslagen. Twee van deze slachtoffers waren op dat moment aan het werk als beveiligers.

Gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheid dat verdachte al eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsdelicten is naar het oordeel van de rechtbank een forse gevangenisstraf passend.

In de Pro Justitia rapportage d.d. 12 juni 2019 opgesteld door P.K.J. Ronhaar, psychiater, en M.D. Beijer-Holtman, GZ-psycholoog, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie PBC, wordt ten aanzien van de geestvermogens van verdachte het volgende geconcludeerd, zakelijk weergegeven:

Verdachte heeft een licht verstandelijke beperking, waaruit zijn gedragingen te verklaren zijn in het adaptief functioneren en zijn achterblijvende sociaal-emotionele ontwikkeling. In zijn functioneren zijn antisociale gedragingen zichtbaar. Hij heeft de neiging problemen toe te schrijven aan anderen en zijn eigen rol daarin klein te maken. Bij oplopende spanningen kost het hem moeite zijn emoties te reguleren. Angstige en achterdochtige overtuigingen kunnen verdachtes denken gaan beheersen en hij kan - in reactie op wat er in zijn beleving voordoet - zowel verbale als fysieke agressie tonen. Er is echter geen aanleiding dit te kwalificeren als een persoonlijkheidsstoornis, omdat de gedragingen beter te begrijpen zijn als uitingen van de met de cognitieve beperkingen samenhangende onmacht en frustraties.

De licht verstandelijke beperking is nadrukkelijk aanwezig geweest op verdachtes functioneren tot en ten tijde van het ten laste gelegde. Niet uitgesloten kan worden dat, als gevolg van oplopende spanningen bij verdachte, hierbij soms ook sprake was van enige realiteitsvertekening, namelijk dat aangever het op hem gemunt had, waardoor de angst voor een confrontatie met aangever vergrootte. Het dragen van een vuurwapen ligt in het verlengde hiervan. Direct voorafgaand aan en tijdens het ten laste gelegde waren genoemde aspecten van invloed op verdachtes overwegingen, keuzes en handelingen. Door de verstandelijke beperkingen, zijn beperkte vermogen overzicht te houden over een complexe situatie en de tekortschietende probleemoplossende vaardigheden beschikte hij minder over gedragsalternatieven. Indien een vertekening van de realiteit aan de orde zou zijn dan past daarbij het advies het ten laste gelegde in sterk verminderde mate toe te rekenen.


De rechtbank is van oordeel dat de door de deskundigen geconcludeerde sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid wordt gedragen door de verdere inhoud van het rapport. De rechtbank neemt het advies van de deskundigen op dit punt dan ook over en maakt dit tot haar eigen oordeel. De bewezenverklaarde feiten kunnen verdachte daarom wegens een ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, in sterk verminderde mate worden toegerekend.

In hun rapportage hebben voornoemde deskundigen geadviseerd tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. De deskundigen hebben geconcludeerd dat, zakelijk weergegeven:

Als verdachte zonder behandeling terugkeert naar de situatie van voor zijn aanhouding wordt de kans op herhaling van gewelddadig gedrag als hoog beoordeeld. Zijn pathologie is chronisch. Hij heeft weinig ziektebesef en weinig inzicht in zijn beperkingen en in zijn rol in problemen en conflicten. Het conflict met aangever bestaat nog onverminderd en gaat nog steeds met heftige emoties gepaard. Ook geweld naar zijn ex-partner kan niet worden uitgesloten. Door een behandeling kunnen het ziektebesef en - inzicht, maar ook de probleemoplossende vaardigheden worden vergroot. Verder kan verdachte patronen en overtuigingen sneller leren herkennen en zal hij zich beter kunnen realiseren wat zijn gedragingen voor anderen betekenen. Doordat er momenteel een gebrek is aan ziektebesef en -inzicht, gecombineerd met zijn neiging de oorzaken van problemen bij anderen neer te leggen en zijn eigen aandeel te minimaliseren, zijn eigen kijk op het ten laste gelegde en hij in het geheel niet gemotiveerd is voor een behandeling is een behandeling in een voorwaardelijk kader gedoemd te mislukken. Vanwege de ernst van het ten laste gelegde en de aard en omvang van verdachtes beperkingen, de doorwerking ervan op het ten laste gelegde en het hoge recidiverisico wordt geadviseerd tot de maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

De rechtbank kan zich ook met deze inhoud en conclusies van het advies verenigen en neemt deze over. Gelet het advies acht de rechtbank het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opleggen noodzakelijk. Het door verdachte begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Met het oog op artikel 38e van het Wetboek van Strafvordering stelt de rechtbank vast dat het bovendien gaat om een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet beperkt is tot de duur van vier jaren. Verder is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de oplegging van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege eist.

Nu sprake is van een veroordeling voor ernstige feiten, waaronder vuurwapenbezit en een poging tot doodslag, , legt de rechtbank verdachte tevens op een gevangenisstraf van na te melden duur, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

1.
[slachtoffer 1] , tot een bedrag van € 3.948,03 ter zake van materiële schade en € 8.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
2. [slachtoffer 3] , tot een bedrag van € 140,39 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
3. [slachtoffer 6] , tot een bedrag van € 150,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

4. [slachtoffer 5] , tot een bedrag van € 53,58 ter zake van € 7.500,00 ter zake van materiële schade en € 7.500,00 ter zake van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 6] voldoende onderbouwd en geheel toewijsbaar. De vordering van Van [slachtoffer 5] acht zij naar redelijkheid en billijkheid deels toewijsbaar tot een bedrag van € 2000,00 voor de immateriële schade, zodat het schadebedrag tot € 2053,58 toewijsbaar is. Voor het overige kan de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Zij vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor voornoemde vorderingen als ook vermeerdering met de wettelijke rente.

Standpunt van de verdediging

1. De jas die benadeelde [slachtoffer 1] heeft opgevoerd op het schadeformulier lijkt een andere te zijn dan de beschadigde jas. De broek en het T-shirt die volgens [slachtoffer 1] in aanmerking komen voor schadevergoeding zijn blijkens het dossier niet beschadigd. Alleen op de jas is bloed aangetroffen. Het schadebedrag op de offerte voor de auto is naar de mening van de raadsvrouw hoger dan het bedrag dat schadeherstel in werkelijkheid zou kosten. Voor de overige materiële schade refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank. De immateriële schade moet volgens de raadsvrouw worden gematigd.

2. De raadsvrouw refereert zich ten aanzien van de vordering benadeelde partij [slachtoffer 3] aan het oordeel van de rechtbank.

3. De raadsvrouw refereert zich ten aanzien van de vordering benadeelde partij [slachtoffer 6] aan het oordeel van de rechtbank.

4. De reiskosten ad € 53,58 zijn ter zitting door benadeelde partij [slachtoffer 5] voldoende onderbouwd, zodat de materiële schade kan worden toegewezen. De immateriële schade acht zij te hoog ingeschat. Of het letsel al dan niet blijvend is, is moeilijk te duiden. De vordering moet niet-ontvankelijk worden verklaard of zeer sterk worden gematigd.

Oordeel van de rechtbank

1. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] de gestelde schade deels heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het in de zaak met parketnummer 18/830202-18 onder 1 primair bewezen verklaarde. Het gevorderde schadebedrag voor de broek en het T-shirt zal de rechtbank echter afwijzen nu deze schade gemotiveerd is weersproken en uit het dossier blijkt dat deze niet waren beschadigd. Het gevorderde schadebedrag voor de jas zal de rechtbank toewijzen tot een bedrag van € 80,00 nu de benadeelde partij een andere, duurderde, jas opvoert dan blijkens het dossier is beschadigd. De benadeelde partij heeft in zijn aangifte verklaard dat de jas € 80,00 waard is, zodat de rechtbank hiervan uitgaat.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de schade aan de auto voldoende is onderbouwd en dit bedrag van € 2.781,08 volledig toewijsbaar is. Voor matiging van het bedrag van € 8.000,00 aan gevorderde immateriële schadevergoeding ziet de rechtbank, mede gelet op de aard van het letsel, geen aanleiding.

De vordering, waarvan de hoogte voor het overige onvoldoende door verdachte is betwist, zal daarom gedeeltelijk worden toegewezen tot het bedrag ad € 3.705,14 voor de materiële schade en € 8000,00 voor de immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 7 september 2018.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

2. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het in de zaak met parketnummer 18/820447-18 onder 2 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 22 april 2018.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

3. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij [slachtoffer 6] de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het in de zaak met parketnummer 18/123479-18 onder 3 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 27 april 2018.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

4. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij [slachtoffer 5] de gestelde schade deels heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het in de zaak met parketnummer 18/123479-18 onder 2 bewezen verklaarde.

De rechtbank zal de gevorderde materiële schade bestaande uit reiskosten toewijzen. Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de rechtbank het volgende. De benadeelde partij heeft aangegeven dat hij mogelijk blijvend letsel aan zijn oog heeft opgelopen en dat hij als gevolg daarvan psychische klachten ervaart.

De rechtbank is van oordeel dat de immateriële schade in ieder geval kan worden vastgesteld op € 2000,00 Voor zover de vordering boven dit bedrag uitgaat wordt de vordering niet-ontvankelijk verklaard en kan die vordering bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De vordering zal daarom deels worden toegewezen tot het bedrag van € 53,58 aan materiële schade en € 2000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 27 april 2018.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen jas en fiets kunnen worden geretourneerd aan de verdachte, nu het ongecontroleerde bezit daarvan niet in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

De rechtbank acht het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een revolver (HS Buffel, kaliber .22LR) en de kogelpatronen (kaliber .22LR), vatbaar voor onttrekking aan het verkeer nu met betrekking tot dit goed het in de zaak met parketnummer 18/830202-18 onder 1 primair bewezenverklaarde feit is begaan en zij van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan door verdachte in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36d, 36f, 37a, 37b, 45, 57, 246, 289, 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte in de zaak met parketnummer 18/820447-18 onder 1 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 18/830202-18 onder 1 primair en 2, het in de zaak met parketnummer 18/820447-18 onder 2 en het in de zaak met parketnummer 18/123479-18 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren.

Beveelt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Ten aanzien van 18/830202-18, feit 1 primair:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 11.705,14 (zegge: elfduizendzevenhonderdenvijf euro en veertien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 september 2018.

Wijst voor het resterende deel de vordering af.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 11.705,14 (zegge: elfduizendzevenhonderdenvijf euro en veertien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 september 2018, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 93 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 3.705,14 aan materiële schade en € 8.000,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen

Ten aanzien van 18/820447-18, feit 2:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 140,39 (zegge: honderdveertig euro en negenendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 april 2018.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] te betalen een bedrag van € 140,39 (zegge: honderdveertig euro en negenendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 april 2018, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 2 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen

Ten aanzien van 18/123479-18, feit 3:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 april 2018.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6] te betalen een bedrag van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 april 2018, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 3 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen

Ten aanzien van 18/123479-18, feit 2:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2053,58 (zegge: tweeduizendendrieënvijftig euro en achtenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 april 2018.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer Van [slachtoffer 5] te betalen een bedrag van € 2053,58 (zegge: tweeduizendendrieënvijftig euro en achtenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 april 2018, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 53,58 aan materiële schade en € 2.000,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer Van [slachtoffer 5] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen

Verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen revolver (HS Buffel kaliber .22LR) en munitie (kogelpatronen kaliber .22LR).

Gelast de teruggave aan rechthebbende van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven jas en fiets.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Jongsma, voorzitter, mr. M.B.W. Venema en mr. R.R. van der Heide, rechters, bijgestaan door mr. L.S. Gosselaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 oktober 2019.

mr. Van der Heide is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.