Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:4086

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-10-2019
Datum publicatie
03-10-2019
Zaaknummer
18/730077-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft midden in de nacht een aantal zakken met huisvuil bij de deur van de moskee in Leeuwarden neergelegd en vervolgens in brand gestoken. Omdat het vuur telkens uit ging, heeft hij het tot zes keer toe opnieuw aangestoken. Toen het vuur eenmaal goed brandde, is verdachte naar huis gegaan. Het vuur werd minuten later gezien door een voorbijganger, die de imam die in de moskee woonde waarschuwde. Het lukte hen om het vuur te doven maar de deur van de moskee was toen al flink verschroeid. Niet alleen het gevaar voor het gebouw en de inwonende imam was groot, ook de impact van de brandstichting op de gebruikers van de moskee was heftig. Vertegenwoordigers van de moskee hebben ter zitting aangegeven dat hun geloofsgemeenschap ernstig geschokt was door de brandstichting en dat er sinds de brand veel minder mensen naar de moskee komen. Er zijn inmiddels extra maatregelen genomen in verband met de veiligheid rond het gebouw.

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 14 maanden voorwaardelijk. Ook moet hij de kosten van vervanging van de verschroeide deur, zo'n € 1.300,00, betalen aan de moskee.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 157
Wetboek van Strafrecht 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730077-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 3 oktober 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans gedetineerd in PI Leeuwarden te Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 september 2019.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 23 april 2019 te Leeuwarden, meermalen, althans eenmaal,

opzettelijk brand heeft gesticht bij en/of aan een toegangsdeur van een gebouw

van de [benadeelde partij] (gelegen aan of bij de

[adres] ) door (telkens) open vuur in aanraking te brengen met

inhoud van een of meer vuilniszak(ken) en/of een (Jumbo)tasje en/of de

zak(ken) en/of het tasje, althans (telkens) met (een) brandbare stof(fen), ten

gevolge waarvan die inhoud van die vuilniszak(en) en/of het (Jumbo)tasje)

en/of de vuilsniszak(ken) en/of het tasje en/of die/een toegansdeur van

voornoemd gebouw en/of een of meer andere goed(eren) geheel of gedeeltelijk

is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan

- gemeen gevaar voor die inhoud van die vuilniszak(en) en/of dat (Jumbo)tasje

en/of die vuilsniszak(ken) en/of dat tasje en/of die/een toegansdeur van

voornoemd gebouw en/of een of meer andere goed(eren) en/of de rest van dat

gebouw/die Moskee, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of

- levensgevaar voor de/een bewoner van dat gebouw [slachtoffer 1] ,

in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of

- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de/een bewoner van dat gebouw

[slachtoffer 1] , in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

voor een ander of anderen,

te duchten was;

2.

hij op of omstreeks 27 april 2019 te Drachten, in elk geval in de gemeente

Smallingerland, opzettelijk en wederrechtelijk een bril, in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of

onbruikbaar gemaakt;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 27 april 2019 te Drachten, in elk geval in de gemeente

Smallingerland, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door door die [slachtoffer 2] tegen het

hoofd heeft gestompt en/of geslagen, waardoor, althans mede waardoor, de bril

van die [slachtoffer 2] werd vernield.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van feit 2. primair. Hij heeft daartoe aangevoerd dat uit de verklaring van verdachte naar voren komt dat zijn opzet was gericht op mishandeling en niet op vernieling. De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1. en 2. subsidiair ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat er een veroordeling kan volgen voor het onder 1. primair ten laste gelegde met dien verstande dat niet bewezen kan worden dat er sprake was van gemeen gevaar voor het gebouw of levensgevaar voor personen. Voor dat oordeel is een rapport van de brandweer nodig en dat ontbreekt. Het ging om een klein brandje dat gemakkelijk uit kon worden gemaakt en alleen de deur van de moskee is verschroeid, aldus de raadsman.

De raadsman heeft ten aanzien van feit 2. betoogd dat er, via de redenering van het voorwaardelijk opzet, een veroordeling voor de primair ten laste gelegde vernieling kan volgen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn betoog dat een rapport van de brandweer nodig is om te komen tot het wettig en overtuigend bewijs van gemeen gevaar voor de moskee en levensgevaar voor personen. Het is vaste jurisprudentie dat (de voorzienbaarheid van) het gevaar mede gebaseerd kan worden op hetgeen de algemene ervaring leert. Verdachte heeft tot zes keer toe een of meerdere zakken met huisvuil - waaronder folders, poststukken en plastic - vlakbij de deur van de moskee gelegd en in brand gestoken. Verdachte is weggegaan terwijl de zakken in brand stonden. Hij is niet teruggekeerd om te kijken hoe het vuur zich vervolgens ontwikkelde.

Een toevallige voorbijganger heeft de bewoner van het pand gealarmeerd en samen hebben zij het vuur gedoofd. De brand heeft minutenlang geduurd en de deur van de moskee is flink geschroeid. De rechtbank ziet het als een feit van algemene bekendheid dat er in een dergelijke situatie niet alleen gemeen gevaar voor de deur maar ook gemeen gevaar voor de rest van het pand bestond. Daarmee bestond er tevens levensgevaar voor de toen in dat pand aanwezige bewoner van de moskee, de imam. De rechtbank betrekt hierbij dat de brandstichting midden in de nacht plaatsvond.

De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van verdachte dat hij dacht dat het ging om een leegstaand gebouw met aan de ene kant het buurthuis en aan de andere kant de moskee. Verdachte woonde al geruime tijd op een steenworp afstand van de moskee. De ter terechtzitting aanwezige vertegenwoordigers van de [benadeelde partij] hebben aangegeven dat er op vrijdag 300 tot 400 mensen naar de moskee kwamen. Dat kan verdachte als buurtgenoot niet zijn ontgaan. De rechtbank acht de verklaring van verdachte op dit punt dan ook niet geloofwaardig.

De rechtbank acht feit 1. en 2. primair wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen

Nu verdachte de bewezen verklaarde, feitelijke gang van zaken ten aanzien van beide feiten volledig bekend heeft, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Wat de opzet van verdachte met betrekking tot het onder 2. primair ten laste gelegde betreft overweegt de rechtbank dat verdachte, door het slachtoffer onverwacht aan zijn capuchon naar beneden te trekken en hem vervolgens met zijn andere hand een flinke klap tegen het hoofd te geven, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de bril van het slachtoffer hierdoor vernield zou worden.

De opgave van de bewijsmiddelen luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 september 2019;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte, opgenomen op pagina 15 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019101395/2019107824 van 20 juni 2019, inhoudend de verklaring van [getuige] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 21 e.v. van voormeld dossier, inhoudend de bevindingen van verbalisanten;

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige, opgenomen op pagina 96 e.v. van voormeld dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] ;

5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte, opgenomen op pagina 19 e.v. van voormeld dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 2] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feit 1. en feit 2. primair wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 23 april 2019 te Leeuwarden, opzettelijk brand heeft gesticht bij een toegangsdeur van een gebouw van de [benadeelde partij] (moskee), gelegen aan of bij de [adres] , door telkens open vuur in aanraking te brengen met de inhoud van een of meer vuilniszak(ken) en een Jumbotasje en de zak(ken) en het tasje, ten gevolge waarvan die inhoud van die vuilniszak(en) en het Jumbotasje en de vuilniszak(ken) en het tasje en die toegangsdeur van voornoemd gebouw geheel of gedeeltelijk zijn verbrand en daarvan

- gemeen gevaar voor die toegangsdeur van voornoemd gebouw en een of meer andere goed(eren) en de rest van dat gebouw/die moskee, en

- levensgevaar voor de bewoner van dat gebouw [slachtoffer 1] , en

- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoner van dat gebouw [slachtoffer 1] ,

te duchten was;

2.

hij op 27 april 2019 te Drachten, opzettelijk en wederrechtelijk een bril, toebehorende aan [slachtoffer 2] , heeft vernield.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

2. primair: Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoort, vernielen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1. en feit 2. subsidiair wordt veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 14 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest. Aan het forse voorwaardelijke deel zouden de door de reclassering voorgestelde voorwaarden kunnen worden verbonden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van de psycholoog d.d. 25 juli 2019 en Verslavingszorg Noord Nederland d.d. 12 augustus 2019, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft midden in de nacht een aantal zakken met huisvuil bij de deur van de moskee neergelegd en vervolgens in brand gestoken. Omdat het vuur telkens uit ging, heeft hij het gedurende een tijdsperiode van ongeveer een half uur tot zes keer toe opnieuw aangestoken. Ook heeft hij nog een extra vuilniszak erbij gelegd. Toen het vuur eenmaal goed brandde, is verdachte naar huis gegaan en heeft zich niet meer bekommerd om de brandende zakken tegen de deur van de moskee. Het vuur werd minuten later gezien door een voorbijganger, die de imam die in de moskee woonde waarschuwde. Het lukte hen om het vuur te doven maar de deur van de moskee was toen al flink verschroeid. Niet alleen het gevaar voor het gebouw en de inwonende imam was groot, ook de impact van de brandstichting op de gebruikers van de moskee was heftig. Vertegenwoordigers van de moskee hebben ter zitting aangegeven dat hun geloofsgemeenschap ernstig geschokt was door de brandstichting en dat er sinds de brand veel minder mensen naar de moskee komen. Er zijn inmiddels extra maatregelen genomen in verband met de veiligheid rond het gebouw.

Verdachte heeft daarnaast een bril vernield. Bij het uitgaan ergerde hij zich aan een bekende die hem steeds aansprak. Hij heeft deze persoon naar beneden getrokken en een klap tegen het hoofd gegeven waardoor zijn bril vernield werd.

De rechtbank ziet gevangenisstraf als de juiste strafsoort voor de gepleegde brandstichting.

Voor de hoogte van de straf kijkt de rechtbank ook naar het rapport van de psycholoog en het rapport van de reclassering. De psycholoog ziet bij verdachte een verstoorde agressieregulatie, een lichte stoornis in het alcoholgebruik en ADHD. Deze stoornissen hebben er mede toe geleid dat verdachte brand gesticht heeft. De psycholoog adviseert de rechtbank verdachte verminderd toerekenbaar te achten. De rechtbank volgt dit advies en zal verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar aanmerken.

Voor de rechtbank weegt zwaar mee dat verdachte eerder is veroordeeld voor brandstichting. In 2015 is hem daarvoor een gevangenisstraf opgelegd van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en bijzondere voorwaarden. Deze proeftijd was nog niet eens verstreken toen verdachte deze nieuwe brandstichting pleegde.

Alles bij elkaar genomen ziet de rechtbank de geëiste strafduur van 36 maanden waarvan 14 maanden voorwaardelijk, als passend; oplegging daarvan is geboden. De rechtbank volgt de reclassering in haar advies om verdachte een aantal bijzondere voorwaarden op te leggen gedurende de proeftijd.

Benadeelde partij

De [benadeelde partij] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.295,95 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft toewijzing gevorderd, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat uit het voegingsformulier blijkt dat de verzekeringsmaatschappij de schade zal betalen. Dat de vertegenwoordigers stellen dat er nog niet is betaald door de verzekering, wordt niet onderbouwd. Het gevolg is dat de vordering te onduidelijk is voor afdoening in het strafgeding, aldus de raadsman.

Oordeel van de rechtbank

Ter zitting hebben de vertegenwoordigers van de benadeelde partij een toelichting op de vordering gegeven en een onduidelijkheid in het voegingsformulier recht gezet. De vertegenwoordigers hebben verklaard dat er een toezegging van de verzekering ligt dat de kosten voor het vervangen van de deur voor het bedrag van de offerte zullen worden vergoed. De deur is nog niet zo lang geleden vervangen en de benadeelde partij heeft daarvoor een factuur gekregen. Deze factuur is echter nog niet ingediend bij de verzekering en de verzekering heeft nog niets uitbetaald. Dit ook vanuit de gedachte dat niet de verzekering maar de verdachte de door hem veroorzaakte schade moet betalen, aldus de vertegenwoordigers van de benadeelde partij.

De rechtbank vindt deze ter zitting gegeven toelichting voldoende duidelijk en aannemelijk. Uit het recht vloeit daarnaast niet voort dat, als er een toezegging van de verzekering tot vergoeding van schade ligt, de benadeelde niet meer kan kiezen voor verhaal van de schade op de dader. Alleen wanneer de verzekering al daadwerkelijk heeft uitbetaald, ligt het anders. De rechtbank ziet geen gronden voor een niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij.

De gevorderde schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1. bewezen verklaarde feit en de hoogte van de schade wordt niet door verdachte betwist. De vordering zal daarom worden toegewezen, inclusief de gevorderde wettelijke rente vanaf 23 april 2019.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 57, 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1. en 2. primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot veertien maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

(1) de veroordeelde moet zich binnen 5 dagen volgend op zijn ontslagdatum uit detentie melden bij de reclassering van Verslavingszorg Noord Nederland op het adres Oostergoweg 6 te Leeuwarden. Daarna moet hij zich blijven melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

(2) de veroordeelde moet meewerken aan een ambulante behandeling door de Forensische Polikliniek van Verslavingszorg Noord Nederland of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Het innemen van medicijnen op advies van een arts kan onderdeel zijn van de behandeling.

(3) de veroordeelde mag geen alcohol gebruiken en moet meewerken aan controle op dit alcoholverbod, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt, met door de reclassering te bepalen controlemiddelen;

(4) de veroordeelde moet meewerken aan een nader te bepalen dagbestedingstraject, zolang de reclassering dit nodig vindt.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn voorts dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.295,95 euro (zegge: éénduizend tweehonderdvijfennegentig euro en vijfennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 april 2019.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij] , te betalen een bedrag van € 1.295,95 euro (zegge: éénduizend tweehonderdvijfennegentig euro en vijfennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 april 2019, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 22 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Post, voorzitter, mr. G.C. Koelman en mr. R.B. Maring, rechters, bijgestaan door T.L. Komrij, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 oktober 2019.

Mr. Koelman is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.