Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:4085

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
01-10-2019
Datum publicatie
03-10-2019
Zaaknummer
18/720204-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld wegens oplichting van 12 bedrijven tussen 1 december 2016 en 30 april 2017. Met een ‘plof-bv’ als dekmantel heeft verdachte, met zijn mededaders, systematisch bedrijven gedupeerd door goederen te bestellen en te huren, zonder die te betalen of terug te brengen. Verdachte heeft zo tienduizenden euro's schade veroorzaakt. Verdachte is ook schuldig aan diefstal van 40 rijplaten en winkeldiefstal. Verdachte is veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf, waarvan 7 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. Ook dient hij een fors deel van de schade te vergoeden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 60
Wetboek van Strafrecht 60a
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 311
Wetboek van Strafrecht 326
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/720204-18

ter berechting gevoegd parketnummer 18/730209-17

ad informandum gevoegd parketnummer 18/720335-17

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/231133-15

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 1 oktober 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter zitting van 6 augustus 2019 en 17 september 2019. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. S.A.S. Jansen , advocaat te Veenendaal. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.H.S. van Rest.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1 primair:

hij in of omstreeks de periode van 28 februari 2018 tot en met 8 maart 2018, in ieder geval in de maand maart 2018, te Leeuwarden en/of te Earnewâld en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van

verdichtsels, een medewerker van het bedrijf [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2]

heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten het afleveren van 60 rijplaten, door valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- telefonisch het bedrijf [benadeelde partij 1] te benaderen met de vraag 60 rijplaten af te leveren bij de gasputlocatie te Earnewâld, gevestigd aan het Nonnepaed en/of (daarbij)

- een valse naam, te weten [naam 1] , op te geven, en/of

- op te geven dat die [naam 1] bij [naam bedrijf 2] te Oudega werkzaam was en/of (zulks terwijl [benadeelde partij 1] de aflevering van de platen uitbestede aan het bedrijf [benadeelde partij 2] );

- die medewerker van dat bedrijf [benadeelde partij 1] met een afgeschermd nummer te bellen dat de klus op schema lag en dat de platen weer konden worden opgehaald, waardoor die (medewerk(st)er van het bedrijf [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

feit 1 subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 28 februari 2018 tot en met 8 maart 2018, in elk geval in de maand maart 2018 te Earnewâld en/of (elders) in de provincie Friesland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk 60 rijplaten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het bedrijf [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en welk goed verdachte en/of zijn mededaders anders dan door misdrijf onder zich hadden, te weten als huurder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

feit 1 meer subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 28 februari 2018 tot en met 8 maart 2018, te Earnewâld en/of elders in de Provincie Friesland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen 60 rijplaten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het bedrijf [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

feit 2:

hij in of omstreeks de periode van 31 mei 2018 tot en met 9 juni 2018, in ieder geval in de maand juni 2018, te Haskerhorne en/of te Earnewâld en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een medewerker van het bedrijf [benadeelde partij 3] te bewegen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten het afleveren van 40 rijplaten, door valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- telefonisch het bedrijf [benadeelde partij 3] te benaderen met de vraag 40 rijplaten af te leveren bij de gasputlocatie te Earnewâld, gevestigd aan het Nonnepaed en/of (daarbij)

- een valse naam, te weten [naam 2] op te geven, waardoor die (medewerk(st)er van het bedrijf [benadeelde partij 3] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 3 primair:

hij in of omstreeks de periode van 30 mei 2018 tot en met 5 juni 2018, in ieder geval in de maand juni 2018, te Leeuwarden en/of te Earnewâld en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van

verdichtsels, een medewerker van het bedrijf [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2]

heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten het afleveren van 40 rijplaten, door valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- telefonisch het bedrijf [benadeelde partij 2] te benaderen met de vraag 40 rijplaten af te leveren bij de gasputlocatie te Earnewâld, gevestigd aan het Nonnepaed en/of (daarbij)

- een valse naam, te weten [naam 2] op te geven, waardoor die (medewerk(st)er van het bedrijf [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

feit 3 subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 4 juni 2018 en 5 juni 2018 te Earnewâld en/of elders in de Provincie Friesland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk 40 rijplaten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het bedrijf [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en welk goed verdachte en/of zijn mededaders anders dan door misdrijf onder zich hadden, te weten als huurder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

feit 3 meer subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 4 juni 2018 en 5 juni 2018 te Earnewâld en/of elders in de Provincie Friesland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 40 rijplaten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het bedrijf [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s);

feit 4 primair:

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2016 tot en met 30 april 2017, te Drachten, gemeente Smallingerland, en/of in de provincie Friesland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, meerdere bedrijven en/of personen heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, door zich voor te doen als, bonafide, medewerker van het bedrijf [naam bedrijf 1] te Drachten, met de naam [naam 3] en/of [naam 4] en/of [naam 5] , bevoegd om goederen te bestellen en/of te kopen en/of te huren, te weten:

Zaak 1: [benadeelde partij 4]

-twee gereedschapswagens en/of 4 banden en/of

Zaak 3: [benadeelde partij 5]

-twee kantoorunits en/of

Zaak 4: [benadeelde partij 6]

-twee pakken steigerhout en/of

Zaak 5: [benadeelde partij 7]

-een (grote) hoeveelheid dakpanelen, zetwerk en accessoires en/of

Zaak 6: [benadeelde partij 8]

-een hogedrukreiniger, een kettingzaak, een betonzaagmachine, toebehoren

(5 liter mengsmering) en/of een mobiele hogedrukreiniger en/of

Zaak 9: [benadeelde partij 9]

-een aanhangwagen met steiger en/of

Zaak 12: [benadeelde partij 10]

-60 betonplaten, 80 betonplaten en/of 100 betonplaten en/of

Zaak 13: [benadeelde partij 11]

-een pallet vol met schroeven en/of

Zaak 14: [benadeelde partij 12]

-drie pakken steigerhout en/of

Zaak 15: [benadeelde partij 13]

-een AED defibrillator inclusief bijbehorende tas en/of

Zaak 16: [benadeelde partij 14]

-een (grote) hoeveelheid dakpanelen en/of

Zaak 17: [benadeelde partij 15]

-vier pallets dakplaten en/of

Nagekomen aangifte: [benadeelde partij 16]

-honderd vierkante meter (keramische) tegels;

feit 4 subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2016 tot en met 30 april 2017, te Drachten, gemeente Smallingerland, en/of in de provincie Friesland, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) (een) goed(eren) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit/deze goed(eren) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof, te weten:

Zaak 1: [benadeelde partij 4]

-twee gereedschapswagens en/of 4 banden en/of

Zaak 3: [benadeelde partij 5]

-twee kantoorunits en/of

Zaak 4: [benadeelde partij 6]

-twee pakken steigerhout en/of

Zaak 5: [benadeelde partij 7]

-een (grote) hoeveelheid dakpanelen, zetwerk en accessoires en/of

Zaak 6: [benadeelde partij 8]

-een hogedrukreiniger, een kettingzaak, een betonzaagmachine, toebehoren

(5 liter mengsmering) en/of een mobiele hogedrukreiniger en/of

Zaak 9: [benadeelde partij 9]

-een aanhangwagen met steiger en/of

Zaak 12: [benadeelde partij 10]

-60 betonplaten, 80 betonplaten en/of 100 betonplaten en/of

Zaak 13: [benadeelde partij 11]

-een pallet vol met schroeven en/of

Zaak 14: [benadeelde partij 12]

-drie pakken steigerhout en/of

Zaak 15: [benadeelde partij 13]

-een AED defibrillator inclusief bijbehorende tas en/of

Zaak 16: [benadeelde partij 14]

-een (grote) hoeveelheid dakpanelen en/of

Zaak 17: [benadeelde partij 15]

-vier pallets dakplaten en/of

Nagekomen aangifte: [benadeelde partij 16]

-honderd vierkante meter (keramische) tegels;

feit 4 meer subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2016 tot en met 30 april 2017, te Drachten, gemeente Smallingerland, en/of in de provincie Friesland, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk (een) goed(eren), toebehorende aan (een) ander(en) dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als gehuurd en/of gekocht, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend, te weten:

Zaak 1: [benadeelde partij 4]

-twee gereedschapswagens en/of 4 banden en/of

Zaak 3: [benadeelde partij 5]

-twee kantoorunits en/of

Zaak 4: [benadeelde partij 6]

-twee pakken steigerhout en/of

Zaak 5: [benadeelde partij 7]

-een (grote) hoeveelheid dakpanelen, zetwerk en accessoires en/of

Zaak 6: [benadeelde partij 8]

-een hogedrukreiniger, een kettingzaak, een betonzaagmachine, toebehoren

(5 liter mengsmering) en/of een mobiele hogedrukreiniger en/of

Zaak 9: [benadeelde partij 9]

-een aanhangwagen met steiger en/of

Zaak 12: [benadeelde partij 10]

-60 betonplaten, 80 betonplaten en/of 100 betonplaten en/of

Zaak 13: [benadeelde partij 11]

-een pallet vol met schroeven en/of

Zaak 14: [benadeelde partij 12]

-drie pakken steigerhout en/of

Zaak 15: [benadeelde partij 13]

-een AED defibrillator inclusief bijbehorende tas en/of

Zaak 16: [benadeelde partij 14]

-een (grote) hoeveelheid dakpanelen en/of

Zaak 17: [benadeelde partij 15]

-vier pallets dakplaten en/of

Nagekomen aangifte: [benadeelde partij 16]

-honderd vierkante meter (keramische) tegels;

feit 5 primair:

hij op of omstreeks 14 april 2017 te Rottevalle, gemeente Smallingerland, in ieder geval in Nederland, een goed te weten een shovel heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

feit 5 subsidiair:

hij op of omstreeks 14 april 2017, te Rottevalle, gemeente Smallingerland, in ieder geval in Nederland, opzettelijk, een shovel, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 18] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als zijnde gehuurd (door [naam 3] ) en welke shovel verdachte onder zich had genomen omdat hij nog geld tegoed had

van (die) [naam 3] , wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

feit 6 primair:

hij op of omstreeks 2 maart 2017 te Drachten, gemeente Smallingerland, in ieder geval in Nederland, een geldbedrag van 170 euro heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit geldbedrag wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

feit 6 subsidiair:

hij op of omstreeks 2 maart 2017, te Drachten, gemeente Smallingerland, in ieder geval in Nederland, een geldbedrag van 170 euro, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van een geldbedrag van 170 euro gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat dat geldbedrag geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf;

feit 7:

hij op of omstreeks 21 juni 2017 te Drachten, gemeente Smallingerland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een worst, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de [benadeelde partij 17] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van de feiten 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair, 3 primair, 5 primair en 6 primair. De officier van justitie heeft daarnaast veroordeling gevorderd voor de feiten 2, 4 primair, 5 subsidiair, 6 subsidiair en 7.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gemotiveerd bepleit dat verdachte vrijgesproken wordt van de feiten 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair, 2, 3 primair, 3 subsidiair, 3 meer subsidiair, 5 primair, 6 primair, 6 subsidiair en 7. De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder 4 primair ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat enkel bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de oplichting van [benadeelde partij 4] . De raadsman heeft daarnaast aangevoerd dat feit 5 subsidiair bewezen kan worden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de feiten 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair, 2, 3 primair, 3 subsidiair en 5 subsidiair niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt ten aanzien van deze feiten het volgende:

feit 1 primair, feit 1 subsidiair en feit 1 meer subsidiair:

De rechtbank is van oordeel dat het dossier (concrete) bewijsmiddelen ontbeert op basis waarvan kan worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest die [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] heeft bewogen tot afgifte van de rijplaten. Het dossier bevat evenmin concrete aanknopingspunten dat verdachte degene is geweest die de rijplaten heeft verduisterd of gestolen. De rechtbank acht daarom niet bewezen dat verdachte feit 1 primair, feit 1 subsidiair en feit 1 meer subsidiair heeft begaan en zal verdachte daarvan vrijspreken.

feit 2:

De rechtbank is van oordeel dat op basis van het procesdossier en het verhandelde ter zitting niet kan worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest die [benadeelde partij 3] heeft gepoogd op te lichten. De enkele omstandigheid dat verdachte in de onder 3 genoemde zaak – waarin een gelijksoortige modus operandi is gehanteerd – op 5 juni 2018 rijplaten van het Nonnepaed te Earnewâld heeft weggehaald, is onvoldoende redengevend om te concluderen dat verdachte ook betrokken was bij de onder 2 ten laste gelegde poging tot oplichting. Daartoe overweegt de rechtbank dat ten aanzien van het derde feit niet kan worden vastgesteld dat het verdachte is geweest die het bedrijf heeft gebeld en de naam ‘ [naam 2] ’ heeft gebruikt. Het feit dat zowel de besteller van de rijplaten als verdachte stottert, is daartoe naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende. Van andere omstandigheden die kunnen gelden als bewijs is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van feit 2.

feit 3 primair:

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] door de in de tenlastelegging genoemde oplichtingsmiddelen bewogen zijn tot afgifte van de rijplaten. Immers blijkt uit de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] dat zij er juist rekening mee hielden dat ‘ [naam 2] ’ hen wilde oplichten. Zij hebben ook de politie ingeschakeld om deze ‘ [naam 2] ’ te ontmaskeren. Het oorzakelijk verband tussen het gebruik van de valse identiteit ‘ [naam 2] ’ en de afgifte van de rijplaten ontbreekt, zodat niet bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van feit 3 primair.

feit 3 subsidiair:

De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat dat verdachte betrokken is geweest bij het tot stand komen van de huurovereenkomst betreffende de rijplaten. Er kan namelijk niet worden bewezen dat het verdachte is geweest die contact heeft gehad met [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] . Uit het dossier blijkt evenmin dat de rijplaten anderszins aan verdachte waren toevertrouwd of dat hij deze rechtmatig onder zich heeft gekregen en gehad. Het dossier bevat voorts geen aanwijzingen voor het door verdachte gesuggereerde scenario dat medeverdachte [medeverdachte 2] in een bepaalde relatie tot de rijplaten stond. De rechtbank kan op basis van de bewijsmiddelen dan ook niet vaststellen dat verdachte de rijplaten anders dan door misdrijf onder zich heeft gehad. Nu aan dit vereiste voor verduistering niet is voldaan, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van feit 3 subsidiair.

feit 5 subsidiair:

De rechtbank acht – zoals hierna blijkt – het onder 5 primair ten laste gelegde bewezen. De rechtbank acht dit feit echter geen strafbaar feit. De rechtbank moet zich derhalve – gelet op de wijze waarop het feit ten laste is gelegd – ook buigen over feit 5 subsidiair. Door en namens verdachte is aangevoerd dat verdachte de door [naam bedrijf 1] gehuurde shovel enkel onder zich heeft genomen omdat hij geld tegoed had van medeverdachte [medeverdachte 1] . De rechtbank ontleent echter aan de bewijsmiddelen dat verdachte de shovel door een eigen misdrijf onder zich heeft gekregen, te weten door een oplichting die hij medepleegde. De modus operandi in de zaak van [benadeelde partij 18] komt namelijk op essentiële punten overeen met die van de onder 4 primair bewezenverklaarde zaken. Immers werd ook in deze zaak een bedrijf benaderd door een ‘medewerker’ van [naam bedrijf 1] , werd een goed gehuurd en afgeleverd bij de loods van [naam bedrijf 1] en werd dat goed vervolgens niet geretourneerd. De rechtbank acht het daarom onaannemelijk dat verdachte de shovel onder zich heeft genomen omdat hij geld tegoed had van medeverdachte [medeverdachte 1] . De rechtbank acht daarom niet bewezen dat verdachte de shovel ‘anders dan door misdrijf’ onder zich had. Een veroordeling ter zake van verduistering is derhalve uitgesloten. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van feit 5 subsidiair.

De rechtbank acht de feiten 3 meer subsidiair, 4 primair, 5 primair, 6 primair, 6 subsidiair en 7 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven, waarbij ieder bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts is gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Zaak met parketnummer 18/720204-18:

feit 3 meer subsidiair:

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 6 juni 2018, opgenomen op pagina 78 en verder van het dossier van Politie Eenheid Noord-Nederland met nummer 2018199966 d.d. 1 augustus 2018, inhoudend als verklaring van [getuige 2] :

Op 4 juni 2018 heeft [benadeelde partij 2] 40 rijplaten afgeleverd op het Nonnenpaed in Earnewâld. De platen die [benadeelde partij 2] had geleverd waren onze platen, te weten platen van het bedrijf [benadeelde partij 1] .

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 13 juni 2018, opgenomen op pagina 81 en verder van het onder 1 genoemde dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :

Op 4 juni 2018 moest ik 40 kunststof platen leveren op het Nonnepaed te Earnewoude op het terrein van de gasputlocatie. De man die de platen had besteld noemde zichzelf [naam 2] en zou werkzaam zijn bij [naam bedrijf 2] uit Oudega.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 juli 2018, opgenomen op pagina 105 van het onder 1 genoemde dossier, inhoudend als relaas van [getuige 3] :

Op 4 juni 2018 werden rijplaten geplaatst aan het Nonnepaed te Earnewâld. Deze platen werden geplaatst en voorzien van een baken. Op 5 juni 2018, omstreeks 10.15 uur, gaf het baken een bewegingsmelding. Te zien was dat het subject in een rechte lijn verplaatst werd, vanaf het Nonnepaed, Earnewarre, N913, Van Harinxmaweg, Oude Commissieweg, Hannelswei en tot stilstand werd gebracht tegenover de ingang van [naam bedrijf 3] (de rechtbank begrijpt: te Burgum).

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 juni 2018, opgenomen op pagina 117 en verder van het onder 1 genoemde dossier, inhoudend als relaas van [getuige 4] en [getuige 5] :

Op 5 juni 2018, rond 9.45 uur, kregen wij de opdracht om te gaan naar de rotonde aan de N913 om uit te kijken naar, vermoedelijk, een vrachtwagen met kunststof rijplaten erop. Vanaf deze rotonde kan je in de richting rijden van Eernewoude naar Garyp. Aangekomen bij de rotonde zagen wij dat een Mercedes Vito vanaf de rotonde onze kant opreed in de richting van Burgum. Wij zagen dat achter deze Mercedes Vito een aanhanger bevestigd was waarop rijplaten lagen. Wij zagen dat het kenteken van de Mercedes Vito [kenteken] was.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 7 juni 2018, opgenomen op pagina 387 en verder van het onder 1 genoemde dossier, inhoudend als verklaring van verdachte:

Ik ben op 4 juni 2018 (de rechtbank begrijpt: 5 juni 2018) naar Eernewoude gereden met een Mercedes Vito (voorzien van kenteken [kenteken] ) en een aanhanger. Ergens op een zijweggetje bij een gasboring lagen rijplaten. Ik heb met een ander persoon ongeveer 40-50 platen opgeladen. Ik ben vervolgens met de bus en aanhanger met platen naar Burgum gereden naar de schroothandel van [naam bedrijf 3] . Daar heb ik de kar afgekoppeld.

6. een proces-verbaal van verhoor van verdachte toetsing inverzekeringstelling d.d. 8 juni 2018, bij de rechter-commissaris in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, opgenomen op pagina 67 en verder van het onder 1 genoemde dossier, inhoudend als verklaring van verdachte:

Die platen waren zwaar, die kun je niet in je eentje tillen.

Zaak met parketnummer 18/730209-17:

feit 4 primair:

Algemene bewijsmiddelen

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 30 mei 2017, opgenomen op pagina 161 van het dossier van Politie Eenheid Noord-Nederland met nummer 2017125459 d.d. 15 september 2017, inhoudend als verklaring van [getuige 6] :

Ik ben eigenaar van een loods gelegen aan [straatnaam] te Drachten. In november/december 2016 werd ik benaderd door de mij bekende [verdachte] uit Drachten. [verdachte] kan ik omschrijven als een blanke jongen, stevig postuur, ongeveer 25-30 jaar oud, kale kop met een soort van hanenkam. [verdachte] vertelde mij dat hij met [naam 3] een bedrijfje had en dat hij een loods voor dat bedrijf zocht. Ik heb toen vanaf december 2016 tot en met maart/april 2017 deze loods aan [verdachte] verhuurd. Ik heb een verhuurcontract opgesteld en dat is door [verdachte] ondertekend. Ik heb [verdachte] de sleutels van deze loods gegeven. De huur is elke maand contant door [verdachte] aan mij overhandigd. Ik heb alleen zaken met [verdachte] gedaan.

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 10 juli 2017, opgenomen op pagina 409 en verder van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als verklaring van [medeverdachte 1] :

[verdachte] heeft mij eind 2016 benaderd en gevraagd of ik een bestaande bv op naam wilde zetten. Ik ben toen samen met [verdachte] naar de Kamer van Koophandel gegaan. Daar heb ik mij laten inschrijven op een al bestaand bedrijf. Volgens het uittreksel wat ik toen kreeg was ik daarna de baas/directeur van [naam bedrijf 1]

9. Een schriftelijk bescheid, te weten een [naam bedrijf 1] betreffend uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel d.d. 12 mei 2017, opgenomen op pagina 154 en verder van het onder 7 genoemde dossier, voor zover inhoudend:

KvK-nummer: [kvknummer] . Statutaire naam: [naam bedrijf 1] . Startdatum onderneming: 30 december 2013. Met ingang van 25-04-2017 is [naam bedrijf 1] in staat van faillissement verklaard. Activiteiten: Verkrijgen, vervreemden, huren, beheren, administreren, (doen) stichten en exploiteren van onroerende zaken. Renovatie en verbouw van onroerend goed. Handelsonderneming in bouwmaterialen. Telefoonnummers: [telefoonnummer] en [telefoonnummer] . Werkzame personen: 0.

Bestuurders: [medeverdachte 1] (algemeen directeur), in functie: 19 december 2016 tot 16 januari 2017 en vanaf 2 maart 2017. [naam 5] (directeur), in functie: 16 januari 2017 tot 2 maart 2017.

Algemene gegevens over de jaarrekening: Boekjaar 2016: werknemers 2, totaal activa: 335.266. Boekjaar 2015: werknemers 0, totaal activa: 254. Boekjaar 2014: werknemers 0, totaal activa: 615.

10. De door verdachte ter zitting van 6 augustus 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik heb me weleens voorgedaan als [naam 4] , medewerker van [naam bedrijf 1] . De naam [naam 4] is veel vaker gebruikt en niet alleen door mij. Anderen bij [naam bedrijf 1] gebruikten de naam [naam 4] ook. Dit geldt ook voor het e-mailadres van [naam 4] . Bij [naam bedrijf 1] waren meerdere personen die namen verzonnen en gebruikten.

11. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 maart 2017, opgenomen op pagina 109 en verder van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

Op 25 maart 2017 heb ik een onderzoek ingesteld in een bedrijfsloods aan [straatnaam] te Drachten. Ik zag dat boven de toegangsdeur een bord hing met daarop de tekst [naam bedrijf 1] .

12. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 april 2017, opgenomen op pagina 124 van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als relaas van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :

Op 14 april 2017 stonden wij op de Rydwei te Opeinde. Wij zagen een rode bestelauto (Volkswagen Caddy) voorbij komen voorzien van kenteken [kenteken] . Op de Frisia te Drachten zagen wij het voertuig rijden en gaven wij deze een stopteken. De bestuurder voldeed hieraan. Wij zagen dat de bestuurder, [verdachte] , uitstapte en na vordering zich legitimeerde met een geldig Nederlands rijbewijs.

13. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 april 2017, opgenomen op pagina 125 van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als relaas van [verbalisant 4] en [verbalisant 5] :

Om 11:52 uur (de rechtbank begrijpt: op 14 april 2017) zagen wij een rode Volkswagen Caddy voorzien van kenteken [kenteken] ons rijden. Ik, [verbalisant 5] , haalde het genoemde kenteken door het BVI-IB systeem. Ik zag dat dit kenteken op naam stond van [naam bedrijf 1] .

14. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 april 2017, opgenomen op pagina 126 van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als relaas van [verbalisant 6] en [verbalisant 4] :

In de fouillering van verdachte [verdachte] werd (de rechtbank begrijpt: op 14 april 2017) een sleutelbos aangetroffen. Met één van de sleutels van voornoemde sleutelbos hebben wij op 14 april 2017 ons de toegang verschaft tot de loods van [naam bedrijf 1] aan [straatnaam] te Drachten.

15. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 mei 2017, opgenomen op pagina 151 van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant 6] :

Op 14 april 2017 werd onder verdachte [verdachte] een gsm van het merk Alcatel aangetroffen en inbeslaggenomen. Op 14 april 2017, zag/hoorde ik dat op voornoemde gsm ingebeld werd. Ik heb de telefoon opgenomen. Ik hoorde dat een persoon namens [naam bedrijf 4] nummer [telefoonnummer] gebeld had en op zoek was naar [naam 3] . Nadat het contact verbroken had heb ik met mijn dienst-gsm gebeld naar nummer [telefoonnummer] . Ik zag dat de gsm van verdachte [verdachte] overging.

Op 14 april 2017, zag en hoorde ik dat er wederom werd ingebeld op de gsm van

verdachte [verdachte] . Nadat ik de gsm had opgenomen hoorde ik dat een persoon genaamd

[naam 6] namens [naam bedrijf 5] te Varsseveld, op zoek was naar [naam 5]

van [naam bedrijf 1] te Drachten. Dit nummer van was [naam 5] en hij belde in verband met niet betaalde facturen door [naam bedrijf 1] .

16. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 26 maart 2017, opgenomen op pagina 383 en verder van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als verklaring van verdachte:

Ik kom weleens in de loods aan [straatnaam] in Drachten. Rond de loods hangen camera’s. Ik heb deze camera’s besteld en laten installeren. Ik heb gebeld met een camerabedrijf in Almere. Ik heb de naam [naam 4] gebruikt. De naam [naam 4] van de door u gevonden factuur gericht aan [naam 4] van [straatnaam] 3 uit Oldeberkoop heb ik verzonnen. Ik wilde mijn eigen naam niet opgeven.

17. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 juli 2017, opgenomen op pagina 392 en verder van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als verklaring van verdachte:

Ik heb weleens gereden in een rode Volkswagen Caddy voorzien van kenteken [kenteken] . Deze auto was van [naam bedrijf 1] . Ik had een sleutel van het pand van [naam bedrijf 1] . Ik heb weleens namens [naam bedrijf 1] onder de naam [naam 4] goederen besteld.

18. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 4 juli 2017, opgenomen op pagina 402 en verder van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als verklaring van verdachte:

De onder mij op 25 maart 2017 in beslag genomen gsm van het merk Alcatel met telefoonnummer [telefoonnummer] had ik weleens in mijn bezit. Deze telefoon was van [naam bedrijf 1] . Er werden meerdere nummers en namen bij [naam bedrijf 1] gebruikt. De onder mij op 14 april 2017 in beslag genomen telefoon van het merk Alcatel met telefoonnummer [telefoonnummer] hoorde ook bij [naam bedrijf 1] .

19. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 10 juli 2017, opgenomen op pagina 409 en verder van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als verklaring van verdachte [naam 3] :

Ik heb een paar keer samen met [verdachte] bestellingen van [naam bedrijf 1] opgehaald. Ik moest daar bij aanwezig zijn omdat ik de baas was van het bedrijf. [verdachte] zei dat hij goederen gehuurd had en dat ik mij als baas/directeur moest legitimeren. Hij zou anders deze spullen niet meekrijgen. [verdachte] ging daar bedrijven om te vragen of ze ook spullen hadden die hij nodig had voor [naam bedrijf 1] en hij vroeg dan of ze ook offertes konden maken. Ik ben met [verdachte] op meerdere plaatsen geweest. Dat was voor precies het ophalen van spullen en op laten maken van offertes. Ik moest gewoon tekenen en dan kregen wij de spullen mee.

20. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 11 juli 2017, opgenomen op pagina 416 en verder van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als verklaring van verdachte [medeverdachte 1] :

[verdachte] is [naam 4] .

Feit-gerelateerde bewijsmiddelen

Zaak 1: [benadeelde partij 4]

21. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 25 maart 2017, opgenomen op pagina 92 en verder van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 7] :

Op 21 maart 2017 moest ik een gereedschapskar afleveren in Drachten. De koper had ook vier banden besteld. Hij heeft deze goederen op rekening besteld. Hij heeft de bestelling gedaan onder de naam van zijn bedrijf, te weten [naam bedrijf 1] . Op 21 maart 2017 heb ik de bestelde goederen afgeleverd bij de koper. Ik reed naar [straatnaam] in Drachten. Daar was een loods. Ik zag er een bord boven hangen met de tekst [naam bedrijf 1] . Binnen liep een man. Ik vertelde dat ik de bestelde goederen kwam afleveren. Hij stelde zich aan mij voor als [naam 4] . Diezelfde dag heeft [naam 4] nog een gereedschapskar besteld. Deze moest ik op 22 maart 2018 op hetzelfde adres afleveren. Ik kwam weer aan bij de loods aan [straatnaam] te Drachten. Er hing een briefje met een mobiel nummer op de deur. Het was: [telefoonnummer] . Ik heb dat nummer gebeld. Op het moment kwam [naam 4] net aan rijden. [naam 4] heeft met de heftruck de kar uit mijn bus gepakt. Op 24 maart 2017 keek ik op WâldNet.nl. Ik zag toen dat een gereedschapskar werd aangeboden door iemand uit Drachten. Ik herkende de kar als dezelfde die ik in de eerste levering aan [naam 4] had geleverd. Ik herkende ook de omgeving op de foto. Ik zag dat het dezelfde loods was. Het telefoonnummer dat bij de advertentie stond is hetzelfde als van de [naam 4] die ik toen belde (de rechtbank begrijpt: het telefoonnummer [telefoonnummer] ). Mijn baas (de rechtbank begrijpt: aangever [getuige 8] ) heeft gereageerd op de advertentie en vandaag (de rechtbank begrijpt: op 25 maart 2017) met de verkoper afgesproken aan de [straatnaam] te Drachten. Ik ben mee geweest. Ik zag dat [naam 4] aan kwam rijden. Ik zag dat [naam 4] een garagebox open deed en daaruit de doos met de gereedschapskar haalde.

22. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 25 maart 2017, opgenomen op pagina 79 en verder van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 8] .

Ik sprak op 25 maart 2017 aan de [straatnaam] te Drachten de man die jullie hebben aangehouden (de rechtbank begrijpt: verdachte). Als ik deze moet omschrijven zou ik hem beschrijven als het volgende: dikker postuur, niet lang, kort haar.

23. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 maart 2017, opgenomen op pagina 95 en verder van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als relaas van [verbalisant 7] en [verbalisant 8] :

Op 25 maart 2017 kregen wij de melding om te gaan naar de [straatnaam] te Drachten. Op voornoemd adres zagen wij onder meer een Peugeot staan met kenteken [kenteken] . Verbalisant [verbalisant 7] herkende één van de aanwezige personen als [verdachte] . Ik, verbalisant [verbalisant 8] , hoorde [verdachte] verklaren dat hij wat spullen zoals gereedschapskisten wilde verkopen via Marktplaats. Ik, verbalisant [verbalisant 7] , vroeg [verdachte] waar de autosleutels van de Peugeot Partner waren. Ik zag dat [verdachte] de autosleutels liet zien. Hierop vroeg ik onder welke naam [verdachte] de Marktplaats-advertentie had aangeboden. Ik hoorde [verdachte] verklaren dat hij onder de naam [naam 4] adverteerde. Ik keek in de richting van [verdachte] en ik zag dat hij met een mobiele telefoon bezig was. Ik heb onder verdachte een telefoon van het merk Alcatel met een Tele2 simkaart in beslag genomen (de rechtbank begrijpt: de telefoon met nummer [telefoonnummer] ).

24. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 25 maart 2017, opgenomen op pagina 380 en verder van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als verklaring van verdachte:

Ik heb beide karren zelf besteld bij [benadeelde partij 4] . Ik heb ze op rekening gekocht. Ik heb me uitgegeven voor [naam bedrijf 1] . Ik noemde mijzelf [naam 4] . Ik heb de naam [naam 4] gebruikt omdat men dan niet zo makkelijk bij mij kon komen. Ik was van plan om karren te bestellen en geleverd te krijgen en die dan snel weer door te verkopen. Ik wilde geld verdienen. Op 20 maart heb ik een gereedschapskar besteld en geleverd gekregen van [benadeelde partij 4] . Ik heb ook vier nieuwe banden besteld en geleverd gekregen. De chauffeur van [benadeelde partij 4] leverde alle goederen aan [straatnaam] te Drachten. Dat is een loods. Ik heb de loods van [naam bedrijf 1] geopend. Ik deed aldus voorkomen alsof ik van dat [naam bedrijf 1] was. Ik heb met lossen geholpen door gebruik te maken van de heftruck van dat bedrijf. Een dag later heb ik een identieke gereedschapskar besteld en afgeleverd gekregen. Dezelfde chauffeur kwam hem afleveren. Ik heb weer geholpen met het lossen van die kar. Ik heb weer de heftruck van [naam bedrijf 1] gebruikt. Ik heb beide keren tegen de chauffeur gezegd dat ik [naam 4] heet. Ik heb de karren aangeboden op Marktplaats. Ik heb de vier banden aan een maat van mij verkocht.

25. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 26 maart 2017, opgenomen op pagina 383 en verder van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als verklaring van verdachte:

Het klopt dat ik de goederen bij [benadeelde partij 4] heb besteld met de bedoeling om ze zo

snel mogelijk te verkopen. Ik had niet de intentie om de bestelde goederen te betalen.

26. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 4 juli 2017, opgenomen op pagina 402 en verder van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als verklaring van verdachte:

Ik heb de gereedschapswagen op Marktplaats aangeboden onder de naam [naam 4] . Dit betrof een Marktplaats-account van [naam bedrijf 1] . Ik beschikte over de inloggegevens van dat account.

Zaak 3: [benadeelde partij 5]

27. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 25 april 2017, opgenomen op pagina 162 en verder van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 9] :

Op 19 december 2016 werd ik gebeld via telefoonnummer [telefoonnummer] door de heer [naam 4] . Hij vertelde dat hij werkzaam was bij [naam bedrijf 1] uit Drachten. Hij vroeg of ons bedrijf op 22 december 2016 voor hem 2 kantoorunits kon brengen. De units zijn afgeleverd bij een bedrijvengebouw in Grijpskerk. Na de Kerst kwam de heer [naam 4] niet langs bij het bedrijf om te betalen. Ik heb hem meerdere keren geprobeerd te bellen maar er werd niet opgenomen. Op 28 februari 2017 ben ik naar het pand gereden van [naam bedrijf 1] op [straatnaam] . Achter in de loods zag ik twee manspersonen. Eén van de mannen vertelde me dat hij [naam 7] heette. Ik vertelde dat ik [naam 4] zocht. Hierop gaf [naam 7] aan dat ik dan waarschijnlijk voor de openstaande factuur zou komen. Hij was daarvan op de hoogte. Op 19 april 2017 ben ik nogmaals naar [straatnaam] gegaan. Ik ben naar binnen gegaan en trof de eigenaar van het pand aan. Dit betreft de heer [verdachte] (de rechtbank begrijpt: getuige [getuige 6] ). Hij overhandigde mij een naam van de persoon die de huurpenningen betaalde. Dit betrof volgens hem ene [verdachte] uit Drachten. Ook kreeg ik van de eigenaar van het pand enkele visite kaartjes van [naam bedrijf 1] van enkele medewerkers: [naam 5] , [naam 7] ( [telefoonnummer] ) en [naam 8] . Ik heb [verdachte] gebeld en deze vertelde dat hij bekend was met de factuur maar dat hij er niet meer werkte. Ik heb in mijn telefoon op de WhatsApp nog een telefoonnummer waarbij ik de naam [naam 4] heb staan dit betreft [telefoonnummer] . Dit nummer hoort bij [naam bedrijf 1] . Op de profielfoto staat een kale man met een donkerblonde hanenkam.

28. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 juli 2017, opgenomen op pagina 392 en verder van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als verklaring van verdachte:

Die man van het bedrijf [benadeelde partij 5] heeft weleens bij het bedrijf van [naam bedrijf 1] gestaan. Hij vertelde mij over een openstaande factuur. Ik heb hem toen gezegd dat hij niet bij mij moest zijn maar bij de eigenaar.

29. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 26 maart 2017, opgenomen op pagina 383 en verder van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als verklaring van verdachte:

Mijn mobiele nummer is [telefoonnummer] .

30. De door verdachte ter zitting van 6 augustus 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik ben inderdaad gebeld door [benadeelde partij 5] .

Zaak 4: [benadeelde partij 6]

31. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 21 april 2017, opgenomen op pagina 177 en verder van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 10] :

Op 13 februari 2017 werd mijn vrouw gebeld door een persoon welke zich voorstelde als de heer [naam 4] . Deze [naam 4] vertelde mijn vrouw dat hij een betrouwbare partner zocht voor het leveren van hout. [naam 4] heeft in dit telefoongesprek aangegeven meerdere keren hout te willen bestellen. Er is tussen mijn vrouw en [naam 4] een afspraak gemaakt voor het leveren van steigerhout. Dit hout zou een week later geleverd worden op het adres [straatnaam] te Drachten. Op 20 februari 2017 heb ik het bestelde hout geleverd op het hierboven genoemde adres. Bij aankomst liepen er meerdere personen rond. Ik zag dat er twee mannen in de loods zaten. Buiten stonden nog drie personen die hout aan het laden waren. De factuur is op 20 februari opgemaakt en verzonden naar het genoemde adres aan de [straatnaam] . Twee weken later, omstreeks de zesde van maart, heeft mijn vrouw contact opgenomen met het telefoonnummer wat bij ons bekend was. Dit is nummer [telefoonnummer] . Dit nummer moest zijn van de man die zich voordeed als de heer [naam 4] . Deze heer [naam 4] beantwoordde de telefoon en gaf aan dat de boekhouder alleen op maandag werkte en dat hij net weg was. De openstaande factuur zou een week later dus worden voldaan. Een week later, omstreeks 13 maart heeft mijn vrouw weer gebeld. Ook ditmaal werd de telefoon beantwoord door [naam 4] . [naam 4] heeft toen aangegeven dat de boekhouder het waarschijnlijk vergeten was. Er werd beloofd dat het geld zou worden overgemaakt aan het einde van de maand. Mijn vrouw heeft het einde van de maand maart afgewacht en begin april heeft zij wederom geprobeerd het telefoonnummer te bellen. Vanaf dit moment is het telefoonnummer niet meer te bereiken.

Zaak 5: [benadeelde partij 7]

32. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 4 mei 2017, opgenomen op pagina 182 en verder (inclusief de bijlagen op pagina 185 en verder) van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 11] :

Op 2 februari 2017 ontving ik een email van ene [naam 4] . Zijn email adres is [emailadres] . In deze email vraagt [naam 4] een offerte aan voor te leveren goederen, te weten 480 m2 dakpanelen en 66 staalplaten zetwerk. Wij zijn op zijn verzoek ingegaan en hebben hem de volgende dag de offerte gemaild. De uiteindelijke leverdatum was 3 maart 2017. [naam bedrijf 1] heeft de offerte bevestigd. De goederen zijn geleverd in Drachten aan [straatnaam] . De afspraak was dat er voor de levering betaald zou worden. Toen de materialen geleverd waren, was de betaling nog niet ontvangen. Wij hebben buiten de dakplaten, ook nog 3000 schroeven aan [naam bedrijf 1] laten leveren. Toen betaling uitbleef hebben wij met [naam bedrijf 1] gebeld maar konden op geen enkel telefoonnummer meer contact krijgen. Wij hebben een herinnering gestuurd maar ook toen bleef betaling uit. Ik heb een telefoonnummer van [naam 4] , dat is [telefoonnummer] . Ik heb ook een telefoonnummer van [naam 7] , dat is [telefoonnummer] . Vreemd is dat de nummers in de correspondentie soms beide bij [naam 4] staan. Op 14 maart 2017 hebben wij de factuur voor de levering naar [naam bedrijf 1] gestuurd. Op de factuur staat dat er voor 13 april 2017 moet worden betaald. Wij hebben tot dusver geen betaling ontvangen van [naam bedrijf 1] . Er is geen contact meer mogelijk.

Zaak 6: [benadeelde partij 8]

33. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 19 mei 2017, opgenomen op pagina 194 en verder van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 12] :

Op 29 maart 2017 kwam een man van [naam bedrijf 1] langs bij [benadeelde partij 8] . De man vertelde dat hij [naam 4] heette en bij [naam bedrijf 1] werkte. Hij vroeg aan mij of hij een hogedrukreiniger kon huren voor werkzaamheden. De man kreeg een hogedrukreiniger van mij mee. De man reed in een rode Volkswagen Caddy. De retourdatum van de hogedrukreiniger was 30 maart 2017. Na 30 maart 2017 heb ik meerdere malen telefonisch contact gehad met [naam 4] van [naam bedrijf 1] en een zekere [naam 3] welke aan de telefoon vertelde dat hij bij [naam bedrijf 1] werkte. Aan de telefoon gaven [naam 4] en Edwin aan dat ze de volgende zaken wilden huren bij [benadeelde partij 8] : kettingzaag, betonzaagmachine, toebehoren, mobiele hogedrukreiniger, generator. Op 13 april 2017 kwam een man bij [benadeelde partij 8] die zich voorstelde als [naam 9] . De man vertelde mij dat hij de chauffeur was van [naam bedrijf 1] en dat hij de goederen kwam halen die gehuurd zouden worden. Ik heb [naam 9] de kettingzaag, de betonzaagmachine plus toebehoren meegegeven. Op de haalbon staat als retourdatum 15 april 2017. Diezelfde middag heb ik telefonisch contact opgenomen met [naam bedrijf 1] . Ik kreeg [naam 3] aan de telefoon. Ik heb toen aangegeven dat er een paar facturen voldaan moesten worden omdat er nog geen enkele factuur voldaan was. Ik hoorde dat [naam 3] zei dat dit de volgende dag zou gebeuren. Toen er de volgende dag niemand kwam van [naam bedrijf 1] wist ik gelijk dat het foute boel was. De volgende goederen zijn door [naam bedrijf 1] gehuurd en niet retour gekomen: hogedrukreiniger, kettingzaag, betonzaagmachine en toebehoren (5 liter mengsmering) en een mobiele hogedrukreiniger.

34. De door verdachte ter zitting van 6 augustus 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik ben de persoon die te zien is op pagina 215, 216 en 217 van het dossier (de rechtbank begrijpt: het onder 7 genoemde dossier).

35. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 3 juli 2017, opgenomen op pagina 299 en verder van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als verklaring van [verdachte] :

Ik heb op 29 maart 2017 een mobiele hogedrukreiniger opgehaald bij [benadeelde partij 8] . De hogedrukreiniger heb ik daarna naar de loods van [naam bedrijf 1] gebracht.

Zaak 9: [benadeelde partij 9]

36. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 22 mei 2017, opgenomen op pagina 233 en verder van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 13] :

Voor 20 april 2017 was een reservering gedaan voor 10 meter rolsteiger door [naam 3] van [naam bedrijf 1] . Op afspraak kwam een persoon om een steiger te halen. Deze persoon kwam de 10 meter steiger afhalen. Hij heeft deze meegekregen in een aanhangwagen. De man kwam in een rode Volkswagen Caddy met kenteken [kenteken] . De steiger zou voor een week gehuurd worden en op 27 april teruggebracht worden. Omdat de steiger niet teruggebracht was heb ik op 28 april 2017 telefonisch contact gezocht met de huurder. Ik hoorde toen dat het nummer was afgesloten.

37. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 4 juli 2017, opgenomen op pagina 402 en verder van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als verklaring van verdachte:

De rolsteiger op aanhangwagen heb ik bij [benadeelde partij 9] te Bedum opgehaald. Ik heb die aanhanger met steiger in de loods van [naam bedrijf 1] gezet.

Zaak 12: [benadeelde partij 10]

38. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 21 april 2017, opgenomen op pagina 269 en verder (inclusief bijlagen op pagina 272 en verder) van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 14] :

Begin februari 2017 kregen wij, [benadeelde partij 10] , een mailaanvraag van [naam 4] van [naam bedrijf 1] . In deze mail stond de volgende tekst: ‘Wij zoeken voor een project van ons betonplaten. Wij hebben uw bedrijf via internet gevonden. Graag willen wij met u zaken doen omdat we op zoek zijn naar een gerenommeerde partner die ons kan voorzien van diverse materialen. Wij hopen in u een betrouwbare partner te vinden omdat wij gaan voor kwaliteit.’ De verkoper had telefonisch contact met [naam 4] en via de email. Overeengekomen werd de prijs en hieruit volgde de opdrachtbevestiging om te mogen leveren. Afgesproken werd dat 14 dagen na factuurdatum zou worden betaald. De 60 betonplaten zijn afgeleverd in Garsthuizen. Na 20 februari 2017 kwam een volgende opdracht van [naam 4] dat hij weer een project had en opnieuw wilde bestellen. Vervolgens werd op 24 februari 2017 deze weer bevestigd om nu 80 betonplaten te leveren. Deze betonplaten moesten afgeleverd worden in zowel Garsthuizen, Emmen en Drachten. Vervolgens heeft onze verkoper contact gehad met [naam 4] over de betaling van de eerste levering. Volgens [naam 4] zou het zo snel mogelijk worden betaald, maar hij wilde eerst nog een levering doen van 100 betonplaten. Onze verkoper heeft een mail ontvangen op 13 maart 2017 waarin werd aangeven dat de betaling tussen 28 maart en 2 april zou worden voldaan zodat ook de laatste factuur van 100 betonplaten werd betaald. Op 14 maart 2016 (de rechtbank begrijpt: 14 maart 2017) werd door de verkoper een factuur gemaakt voor de aflevering van 100 betonplaten. Deze moesten worden afgeleverd in Leeuwarden. Op 30 maart 2017 kwam de boekhouder met het verhaal dat de betalingen nog niet binnen waren. Vervolgens heeft men contact gezocht met [naam 4] maar deze man was telefonisch niet te bereiken. Vervolgens heb ik een en ander uitgezocht en kwam ik op de website van [naam bedrijf 1] . Via hun contactformulier heb ik een verzoek ingediend. Ik heb gevraagd mij op mijn mobiele nummer te bellen. Vervolgens werd ik gebeld door [naam 5] op 31 maart 2017 met mobielnummer [telefoonnummer] . [naam 5] deelde mij mede dat hij hoofd verkoper was van het bedrijf [naam bedrijf 1] . Op mijn vraag of ik in gesprek kon komen met [naam 4] werd mij medegedeeld dat [naam 4] niet meer bij het bedrijf werkzaam was. Op 3 april 2017 heb ik herhaalde malen met [naam 5] contact gehad over de betaling en uiteindelijk werd beloofd dat hij op 14 april 2017 het totale bedrag zou overmaken op mijn rekening. Ik heb diverse malen gebeld met het mobiele nummer van [naam 5] maar kreeg steeds te horen dat het geld zou worden overgemaakt. Ik heb op 18 april 2017 een sms gestuurd met het verzoek mij te bellen omdat het geld nog steeds niet op mijn rekening stond.

39. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 19 mei 2017, opgenomen op pagina 281 en verder van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 15] :

Ik ben een poosje geleden benaderd door uw collega [verbalisant 6] . Het zou gaan over de stelconplaten welke ik onlangs heb aangeschaft. Uw collega heeft mij verteld dat degene van wie ik ze gekocht heb, ze niet betaald heeft aan zijn leverancier (de rechtbank begrijpt de namens [naam bedrijf 1] bestelde stelconplaten bij [benadeelde partij 10] ). Ik kwam begin februari 2017 te Drachten aan de praat met een man welke zich [naam 4] noemde. [naam 4] gaf toen aan dat hij ook wel handel deed en dat hij ook wel spullen voor de bouw kon leveren. Ongeveer drie weken daarna belde [naam 4] . Hij vertelde dat hij stelconplaten kon leveren. De stelconplaten werden geleverd. Pas toen ik de factuur kreeg zag ik de naam [naam bedrijf 1] . U vraagt mij hoe ik [naam 4] kan omschrijven. [naam 4] is niet al te groot, ik denk 1.70 m, stevig/vadsig postuur, blond haar wat aan de zijkant opgeschoren was, stekeltjes, sprak Nederlands. De man op de foto geregistreerd onder PL0200:16:00635 (de rechtbank begrijpt: de foto van verdachte [verdachte] op pagina 303 van het onder 7 genoemde dossier) lijkt wel verdacht veel op [naam 4] welke mij de stelconplaten heeft verkocht.

Zaak 13: [benadeelde partij 11]

40. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 10 april 2017, opgenomen op pagina 304 en verder van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 16] :

Omstreeks eind februari 2017 kreeg ik een mail afkomstig van emailadres:

[emailadres] . Deze email werd ondertekend met de naam [naam 4] .

In deze email werd gevraagd of ik ook grote partijen schroeven kon leveren. Onderling hebben we veel email contact gehad, en later ook nog telefonisch. Het telefoonnummer waar ik elke keer contact mee had was [telefoonnummer] . Als deze telefoon werd opgenomen had ik ook elke keer contact met [naam 4] . We kwamen overeen dat ik hem een pallet vol schroeven zou leveren. De afspraak die we samen hebben gemaakt is dat ik eerst de pallet schroeven zou verzenden en later de factuur per e-mail toezenden. Op 9 maart 2017 heb ik een pallet vol met schroeven verzonden. De pallet met schroeven zijn op 13 maart 2017 afgeleverd bij [naam bedrijf 1] op het adres: [straatnaam] te Drachten. Ik heb daarna de factuur via de email verzonden. Ik had een afspraak gemaakt dat de factuur binnen twee weken betaald zou worden. Na twee weken had ik echter nog geen betaling ontvangen. Na drie weken ben ik gaan bellen, maar kreeg direct geen telefonisch contact meer met [naam 4] van [naam bedrijf 1] . Als ik het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer] bel wordt er niet meer opgenomen. Ik heb van het bedrijf [naam bedrijf 1] en van de contactpersoon [naam 4] niks meer vernomen. De betaling is nog steeds uitgebleven.

Zaak 14: [benadeelde partij 12]

41. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 21 maart 2017, opgenomen op pagina 311 en verder van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 17] :

Op 8 februari 2017 ontving ik een mail afkomstig van [naam 4] van de

firma [naam bedrijf 1] gevestigd aan [straatnaam] te Drachten, telefoonnummer

[telefoonnummer] . De heer [naam 4] deelde in deze mail mede dat hij op zoek was naar een leverancier die hem steigerplanken kon leveren. In de mail werd tevens aangegeven dat de bestelling niet voor eenmalig was. [naam 4] gaf aan dat hij meerdere bedrijven ging aanschrijven voor een offerte en dat hij niet op zoek was naar de goedkoopste. Hij was op zoek naar een betrouwbare partner en dit viel hem niet mee in deze tijd. Op 13 februari heeft [naam 4] een bestelling geplaatst met het verzoek om deze materialen bij zijn bedrijf af te leveren. [naam 4] vroeg wat de mogelijkheden waren met betrekking tot de betaling van de factuur. Ik heb vervolgens telefonisch contact met [naam 4] opgenomen. Wij hebben afgesproken dat de betaling omtrent 28 februari zou plaatsvinden. Ik ben uiteindelijk tot levering overgaan van de gevraagde materialen, te weten: drie pakken planken. Op 14 februari zijn de gevraagde/bestelde materialen in Drachten op het adres [straatnaam] door ons afgeleverd. Op 27 februari heb ik [naam 4] gemaild. Hierin heb ik hem herinnerd dat de betaling van de geleverde materialen de volgende dag volgens afspraak zou/moest gaan plaatsvinden. Op 3 maart ontving ik een mail van [naam 4] . Hij bood zijn excuses aan omdat er tot op heden nog steeds geen betaling had plaatsgevonden. Er was iets mis gegaan en de boekhouder had nog iets laten liggen van betalingen. De betaling van de factuur zou aan het einde van de maand (maart) plaatsvinden. Op 6 maart ontving ik van collega [naam 11] een mail die hij van een ander houthandel bedrijf had ontvangen. In deze mail stond vermeld dat in januari 2017 dit houthandel bedrijf al was gewaarschuwd door de Krediet Bewaking Bouw. In deze waarschuwing stond vermeld dat [naam 4] naar meerdere bedrijven een vergelijkende mail had gestuurd met betrekking tot bestellingen, betrouwbare partner, en bestellingen in de toekomst.

Zaak 15: [benadeelde partij 13]

42. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 17 mei 2017, opgenomen op pagina 330 en verder van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 18] :

Op 4 april 2017 werd ik gebeld door een manspersoon welke zich voorstelde als [naam 8] . Ik hoorde dat hij interesse had in het leasen van een AED. Ik heb hem via de mail hiervoor een voorstel gedaan, welke ik gemaild heb naar [emailadres] . Hierop kreeg ik een reactie dat dit akkoord was. Vervolgens heb ik een per mail een contract gestuurd. Dit betrof een leasecontract voor vier jaar met telkens een termijnbetaling van 32,00 per maand. Op 10 april 2017 heb ik het contract getekend retour ontvangen. Ik heb zijn geleasede AED alvast naar hem toe verzonden. Helaas bleef de betaling uit. Op 11 mei 2017 zag ik dat de deelbetaling nog steeds niet was ontvangen. Verder kan ik u verklaren dat op 18 april 2017 om 12.49 uur een persoon de AED heeft opgehaald bij een DHL punt te Drachten. De onbekende man welke de AED ophaalde heeft zich moeten legitimeren bij het afhaalpunt. De man heet [verdachte] . Op 11 mei 2017 heb ik [naam bedrijf 1] zag ik dat het bedrijf op 25 april 2017 failliet is verklaard. Bij dit bericht stond een curator vermeld hiermee heb ik contact gelegd. Ik vernam van de curator dat het hier vermoedelijk een zeer omvangrijk fraudezaak betreft. Het blijkt dat [naam bedrijf 1] een zogenoemde ‘lege bv’ is waar van allerlei fraude praktijken plaatsvinden.

43. De door verdachte ter zitting van 6 augustus 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik heb de AED opgehaald en naar [naam bedrijf 1] gebracht.

Zaak 16: [benadeelde partij 14]

44. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 16 mei 2017, opgenomen op pagina 339 en verder van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 19] :

Op 3 februari 2017 ontving ik een email van het mailadres [emailadres] . Ik las in de email dat gevraagd werd naar de levering van dakpanelen. Er werd geïnformeerd naar 150 dakplaten. Ik zag dat de mail ondertekend was met [naam 4] , namens [naam bedrijf 1] . Ik zag tevens de vermelding van de website van het bedrijf www. [naam bedrijf 1] en het telefoonnummer [telefoonnummer] . Ik heb het bedrijf opgezocht op internet en dit bleek een bestaand bedrijf. Ik heb navraag gedaan bij de Kamer van Koophandel en daar bleek het bedrijf ingeschreven te staan onder dit nummer en krediet te hebben. Ik had hiermee voldoende vertrouwen om zaken te doen met deze man. Ik heb een e-mail gestuurd dat ik de gevraagde bestelling kan leveren en heb deze op 20 februari 2017 laten afleveren. De afgetekende bon is ondertekend met de naam [naam 4] . Kort hierna werd ik gebeld door [naam 4] . Hij vroeg om 17 nieuwe dakpanelen te leveren. Dat heb ik op 3 maart 2017 gedaan. De afspraak was dat de leveringen binnen 14 dagen betaald moesten zijn, maar er is nooit betaald voor de levering. Ik heb meerdere keren telefonisch en via email contact gezocht met [naam 4] . De telefoon werd niet opgenomen en de email werd niet beantwoord.

Zaak 17: [benadeelde partij 15]

45. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 2 augustus 2017, opgenomen op pagina 348 en verder van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 20] :

Op 2 februari 2017 kregen wij een mail van [naam 4] van het bedrijf [naam bedrijf 1] . Hierin vraagt [naam 4] om een offerte voor een renovatieklus. [naam 4] ging akkoord met de offerte. Het e-mailadres van [naam 4] is [emailadres] . Op een gegeven moment heb ik nog telefonisch contact gehad met [naam 4] over de offerte. In totaal zijn 68 dakplaten geleverd. De factuur is per post naar het adres [straatnaam] , te Drachten gestuurd. Nadat er niet betaald werd heb ik er op een gegeven moment achteraan gebeld. Ik kreeg [naam 4] niet meer te pakken. We hebben nooit wat betaald gekregen voor de dakplaten.

feit 5 primair:

Zaak: [benadeelde partij 18]

46. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 14 april 2017, opgenomen op pagina 115 en verder van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 21] :

Ik heb op 11 april 2017 een mini-shovel verhuurd. Enige dagen voor 11 april werd ik gebeld door een meneer die zei dat hij van [naam bedrijf 1] in Drachten was. Hij zou de shovel één week van ons huren, ingaande dinsdag 11 april 2017, 09.00 uur. Mijn chauffeur, de heer [getuige 22] , heeft in mijn opdracht de shovel op genoemde dag en tijd afgeleverd op [straatnaam] te Drachten. Op 14 april 2017 werd ik telefonisch benaderd. Ik kreeg een meneer aan de telefoon die mij vertelde dat hij via WhatsApp een shovel te koop aangeboden heeft gekregen. Hij had foto's gezien van de aangeboden shovel en zag dat het ging om een shovel van ons. Hij had namelijk de stickers van [benadeelde partij 18] gezien. Hij heeft mij die foto geappt. Ik zag dat het ging om onze shovel, die wij hadden verhuurd aan [naam bedrijf 1] . Die shovel werd de man aangeboden voor 4000 euro. In die app aan die meneer, zeg maar de potentiële koper, stond dat de shovel te bezichtigen was op [straatnaam] te Rottevalle. Ik ben naar [straatnaam] gegaan en zag dat onze shovel daar stond.

47. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 14 april 2017, opgenomen op pagina 121 en verder van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 22] :

Op 11 april 2017 heb ik een shovel moeten afleveren in Drachten. Deze shovel werd verhuurd aan [naam bedrijf 1] te Drachten. De shovel werd in ontvangst genomen door een man. Die zat in een rode Volkswagen Caddy. Deze auto stond naast de loods [straatnaam] geparkeerd. De man stapte uit en nam de shovel in ontvangst. De man was een blanke man. Hij was vrij fors, dik. Hij was ongeveer 30 jaar. Hij was ongeveer 1.80 meter groot. Hij had kort blond stekeltjes haar. Hij sprak Nederlands.

48. De door verdachte ter zitting van 6 augustus 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik heb de shovel van [benadeelde partij 18] opgehaald bij [straatnaam] te Drachten. Ik stond daar te wachten met mijn Volkswagen Caddy. Vervolgens heb ik de shovel naar [straatnaam] te Rottevalle vervoerd. Ik wist dat de shovel gehuurd was. Ik heb de shovel niettemin proberen te verkopen voor € 4.000,00.

feit 6 primair, feit 6 subsidiair

Zaak: [slachtoffer]

49. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 23 maart 2017, opgenomen op pagina 364 en verder van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :

Op 2 maart 2017 zag ik op Facebook een advertentie waarin potten shag werd aangeboden. De advertentie was geplaatst door [naam 4] . Ik heb via de chat van Facebook aan [naam 4] gevraagd of ik zijn telefoonnummer kon krijgen omdat ik interesse had in zijn potten shag. [naam 4] gaf mij zijn telefoonnummer: [telefoonnummer] . Hij had een andere goede aanbieding. Ik kon voor 170 euro twintig potten shag van hem kopen inclusief verzendkosten. Ik wilde de shag kopen en heb aan [naam 4] zijn bankrekening gevraagd zodat ik het geld kon overmaken. Ik heb op 2 maart 2017, vanaf mijn bankrekening een bedrag van 170 euro overgemaakt naar bankrekening [rekeningnummer] ten name van [naam 4] . [naam 4] had mij beloofd om de shag op vrijdag 3 maart 2017 naar mijn huisadres te verzenden. Op 7 maart 2017 had ik de bestelling nog niet ontvangen. Ik heb [naam 4] gevraagd waar de shag bleef. Vanaf 7 maart 2017 ben ik door [naam 4] aan het lijntje gehouden. Tot op heden heb ik de shag nog niet ontvangen.

50. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 juli 2017, opgenomen op pagina 392 en verder van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als verklaring van verdachte:

Ik heb een rekeningnummer bij de ABN. Dit rekeningnummer is [rekeningnummer] (de rechtbank begrijpt: [rekeningnummer] ).

51. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 4 juli 2017, opgenomen op pagina 402 en verder van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als verklaring van verdachte:

De gsm van het merk Alcatel met telefoonnummer [telefoonnummer] had ik weleens in mijn bezit.

52. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 juli 2017, opgenomen op pagina 409 en verder van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als verklaring van [medeverdachte 1] :

[verdachte] adverteerde ook wel op Facebook met de naam [naam 4] . Hij bood onder die naam ook wel tabak aan.

53. De door verdachte ter zitting van 6 augustus 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Het zou kunnen dat ik de shag te koop heb aangeboden via Facebook. Het geld is op mijn rekening gestort.

feit 7:

Zaak: [benadeelde partij 17]

54. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 27 juni 2017, opgenomen op pagina 369 en verder van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 23] :

Op 21 juni 2017 is op de camerabeelden te zien dat [verdachte] onze winkel genaamd [benadeelde partij 17] op de [straatnaam] te Drachten binnenkomt lopen. Ik zag [verdachte] naar de hoek van de droge worsten lopen. Ik zag op de beelden dat [verdachte] een worst van deze stelling pakte en in zijn tas deed. Deze worst had hij niet afgerekend. Hij had ook geen toestemming om de worst mee te nemen. Vervolgens zag ik op de camerabeelden [verdachte] onze winkel om 16.35 uur verlaten. Hij heeft de worst niet betaald.

55. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 juni 2017, opgenomen op pagina 373 van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als relaas van [verbalisant 9] :

Op de camerabeelden van [benadeelde partij 17] gelegen aan de [straatnaam] te Drachten is te zien dat op 21 juni 2017 omstreeks 16:34:50 uur een man in beeld verschijnt met een Zuivelhoeve-tas. Ik zag op de beelden dat de man naar de stelling met worsten liep. Ik zag op de beelden dat de man iets uit de stelling greep. Omstreeks 16:34:59 uur, zag ik dat de man uit beeld verdween en niet meer terug kwam in beeld. Collega [verbalisant 10] heeft ambtshalve de man herkend als zijnde [verdachte] .

56. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal relaas d.d. 15 september 2017, opgenomen op pagina 13 en verder van het onder 7 genoemde dossier, inhoudend als relaas van [verbalisant 6] :

Op de door aangever [getuige 23] verstrekte beelden van 21 juni 2017 is te zien dat verdachte [verdachte] bij het verlaten van de winkel bij het schap met worsten stilstaat en een handeling doet naar de plank met worsten en naar zijn tas. Bij het weglopen is te zien dat er één worst van de plank mist.

57. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 4 juli 2017, opgenomen op pagina 402 en verder van het onder 7f genoemde dossier, inhoudend als verklaring van verdachte:

Ik ben op 21 juni 2017 in [benadeelde partij 17] geweest.

Bewijsoverweging

De rechtbank overweegt ten aanzien van de feiten 3 meer subsidiair, 4 primair en 7 het volgende:

feit 3 meer subsidiair:

De rechtbank is van oordeel dat uit de aan de bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang, volgt dat verdachte de rijplaten heeft gestolen. Verdachte heeft geen aannemelijke verklaring kunnen of willen geven voor die feiten en omstandigheden. Het alternatieve scenario dat hij schetst, inhoudend dat hij de rijplaten met de medeverdachte [medeverdachte 2] in Earnewâld heeft opgehaald op verzoek van [medeverdachte 2] , vindt geen steun in het dossier en is niet aannemelijk geworden. Verdachte heeft beweerd dat [medeverdachte 2] in Earnewâld was op het moment waarop de rijplaten volgens de track & trace in beweging kwamen. Dit laat zich echter niet rijmen met de omstandigheid dat [medeverdachte 2] op vrijwel hetzelfde moment is geregistreerd door camera’s van een tankstation te Twijzel. Voorts is niet gebleken dat [medeverdachte 2] betrokken was bij de huur van de rijplaten. Gezien de hoeveelheid en het gewicht van de rijplaten gaat de rechtbank er vanuit dat verdachte bij het laden en lossen hulp heeft gehad van een onbekend gebleven persoon. De rechtbank is daarbij van oordeel dat niet is gebleken dat verdachte en zijn mededader gerechtigd waren die rijplaten van het Nonnepaed weg te nemen. Het dossier bevat immers geen aanwijzingen dat deze rijplaten aan niemand toebehoorden of daar door de rechthebbende waren achtergelaten. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de rijplaten in vereniging met een ander heeft gestolen.

feit 4 primair:

Uit het uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel d.d. 12 mei 2017 komt naar voren dat [naam bedrijf 1] op 30 december 2013 is opgericht. De vennootschap lijkt tot het boekjaar 2016 een slapend bestaan te leiden. De vennootschap heeft geen personeel in dienst en beschikt over zeer weinig activa. In het boekjaar 2016 wordt het bedrijf geactiveerd en stijgt het aantal werknemers van nul naar twee. Daarnaast vindt een aanzienlijke toename plaats van de activa (van € 254,00 naar € 335.266,00). Op 19 december 2016 wordt bovendien een nieuwe bestuurder aangesteld, te weten medeverdachte [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] wordt op 16 januari 2017 als bestuurder vervangen door [naam 5] , die op 2 maart 2017 weer uit functie treedt. [medeverdachte 1] wordt vervolgens opnieuw benoemd als bestuurder en blijft dat ook tot het faillissement van het bedrijf, eind april 2017. Volgens het uittreksel houdt [naam bedrijf 1] zich bezig met het verkrijgen, vervreemden, huren, beheren, administreren, stichten en exploiteren van onroerende zaken, en de renovatie en verbouw van onroerend goed. [naam bedrijf 1] is, althans op papier, een handelsonderneming in bouwmaterialen.

In de tenlastegelegde periode van 1 december 2016 tot en met 30 april 2017 worden op naam van [naam bedrijf 1] door ‘ [naam 4] ’, ‘ [naam 3] ’ en ‘ [naam 8] ’ op grote schaal goederen besteld bij diverse bedrijven, zowel om te huren als om te kopen. Deze goederen worden na afgifte echter niet betaald en ook niet geretourneerd. De leveranciers die hierop actie ondernemen, worden vervolgens van het kastje naar de muur gestuurd door diverse ‘medewerkers’ van het bedrijf. Daarnaast blijkt het contact met de ‘medewerkers’ van [naam bedrijf 1] uitermate moeizaam te verlopen of zelfs onmogelijk te worden. De leveranciers wordt meerdere malen voorgeschoteld dat betaling of retournering spoedig gerealiseerd zal worden. Dit blijkt echter niet het geval te zijn.

Het faillissement van [naam bedrijf 1] is uitgesproken op 25 april 2017, hoewel [naam bedrijf 1] medio februari 2017 nog kredietwaardig was voor een bedrag van € 22.500,00. De ‘medewerkers’ van het bedrijf blijken met de noorderzon te zijn vertrokken, kennelijk met het doel om de verhaalsmogelijkheden van de leveranciers te bemoeilijken. In totaal doen 18 bedrijven aangifte van oplichting/verduistering tegen (‘medewerkers’ van) [naam bedrijf 1] in de relatief korte periode dat het bedrijf actief is geweest.

De rechtbank constateert dat niet is gebleken dat vanuit [naam bedrijf 1] in de genoemde periode daadwerkelijke legale economische activiteiten werden ondernomen. Bovendien heeft geen van de bij de vennootschap betrokken personen een concrete en verifieerbare verklaring afgelegd over de werkelijke activiteiten van de vennootschap. Dat [naam bedrijf 1] geen normaal functionerend bedrijf was, wordt ook ondersteund door de verklaring van aangever [getuige 18] . Hij vernam van de curator van [naam bedrijf 1] dat de vennootschap een ‘lege bv’ was waar allerlei fraudepraktijken zouden plaatsvinden. De rechtbank acht deze omstandigheden dan ook redengevend voor de vaststelling dat [naam bedrijf 1] een ‘lege bv’ was. De stelling van de verdediging dat het bedrijf wél legale activiteiten heeft ontplooid, acht de rechtbank onaannemelijk, nu daarvoor onvoldoende ondersteuning is. Dat het bedrijf op enig moment een (beperkt) kredietwaardige status genoot, maakt dit niet anders. De kredietwaardigheid van het bedrijf wordt deels gebaseerd op informatie uit het verleden en heeft vooral betrekking op de vraag of het bedrijf economisch sterk genoeg is om een krediet te krijgen. Dat staat los van de vraag of het bedrijf al dan niet reële activiteiten verrichtte.

De rechtbank is van oordeel dat de combinatie van het grote aantal benadeelden, de relatief korte pleegperiode, de gelijksoortige modus operandi in de onder 4 primair ten laste gelegde zaken, alsmede het ontbreken van reële legale activiteiten, erop duidt dat [naam bedrijf 1] werd misbruikt als ‘plof-bv’. Bij deze vorm van fraude wordt doorgaans een inactieve vennootschap overgenomen met de intentie om deze in korte tijd vol te laten lopen met schulden, bijvoorbeeld door een grote hoeveelheid goederen te bestellen zonder te betalen, in de wetenschap dat het bedrijf binnen korte tijd failliet zal worden verklaard. Blijkens de uiterlijke verschijningsvorm van de in de BV verrichte gedragingen was in alle zaken sprake van een vooropgezet plan om bestelde goederen af te nemen zonder deze te betalen of te retourneren. Alle betrokkenen bij [naam bedrijf 1] hadden daartoe ook het oogmerk. Deze vaststelling wordt ondersteund door de bewijsmiddelen in de zaken [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 18] (onder 5 ten laste gelegd) en [benadeelde partij 10] , waaruit blijkt dat de op naam van [naam bedrijf 1] gekochte of gehuurde goederen direct na aflevering werden doorverkocht, zonder die goederen te retourneren en/of te betalen. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat het niet anders kan zijn geweest dan dat [naam bedrijf 1] , in de periode na haar activatie in 2016, enkel is gebruikt als dekmantel voor criminele activiteiten. Van aanwijzingen voor het tegendeel is de rechtbank niet gebleken.

Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat de personen achter [naam bedrijf 1] door middel van een vooropgezette, georganiseerde vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling van zaken gaven met het doel om daarvan misbruik te maken. Dit handelen bestond eruit dat die personen ten opzichte van leveranciers telkens de valse hoedanigheid aannamen van bonafide medewerkers van een normaal vastgoedbedrijf. Vanuit [naam bedrijf 1] werd ogenschijnlijk gehandeld conform het in het maatschappelijk verkeer geldende patroon dat enerzijds de leveranciers goederen verhuren of verkopen en anderzijds de klant die goederen tijdig betaalt of retourneert. Om een indruk van betrouwbaarheid te creëren was het bedrijf ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, was de gehuurde loods voorzien van het bedrijfslogo, werd gebruikt gemaakt van eigen visitekaartjes, e-mailadressen en telefoonnummers en had het bedrijf een website. Een aantal bedrijven werd bovendien voorgespiegeld dat [naam bedrijf 1] betrouwbare partners zocht om vaker zaken mee te doen, opdat die bedrijven eerder bereid zouden zijn tot leveren. De rechtbank acht het aannemelijk dat de gedupeerde bedrijven onder invloed van deze onjuiste voorstelling van zaken zijn overgegaan tot de afgifte van goederen. Het is in het handelsverkeer immers niet ongebruikelijk dat op basis van goed vertrouwen wordt geleverd, zonder al te diepgaande controles, in de veronderstelling dat de goederen tijdig zullen worden betaald en/of geretourneerd. De rechtbank is niet gebleken van specifieke signalen die de bedrijven aanleiding hadden moeten geven om dit bedrieglijk handelen te onderkennen of om nader onderzoek in te stellen.

Uit het dossier komt naar voren dat een deel van de gedupeerde bedrijven is benaderd door een persoon die zich voordeed als [naam 4] . [naam 4] maakte onder meer gebruik van de telefoonnummers [telefoonnummer] en [telefoonnummer] en reed onder meer in een rode Volkswagen Caddy. [naam 4] wordt omschreven als iemand met een ‘dikker postuur, (…) kort haar’ (aangever [getuige 8] ) en ‘niet al te groot, stevig/vadsig postuur, blond haar wat aan de zijkant opgeschoren was, stekeltjes’ (getuige [getuige 15] ). Die signalementen kunnen passen op verdachte. Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat verdachte meermalen direct gelinkt kan worden aan de naam [naam 4] , namelijk in de zaken van [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 8] . Daarnaast blijkt uit de bewijsmiddelen in de zaak [benadeelde partij 10] dat het signalement van [naam 4] in de kern overeenkomt met dat van verdachte en dat verdachte door getuige [getuige 15] bovendien herkend wordt als [naam 4] . Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat verdachte zich bediend heeft van telefoonnummer [telefoonnummer] , dat meermalen is gebruikt door [naam 4] en dat in het Handelsregister is genoemd als nummer van [naam bedrijf 1] . Ook het nummer [telefoonnummer] , dat aan verdachte toebehoorde, wordt gelinkt aan ‘ [naam 4] ’ van [naam bedrijf 1] . Uit het procesdossier blijkt verder dat verdachte in een rode Volkswagen Caddy rijdt.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij zich weleens heeft voorgedaan als medewerker van [naam bedrijf 1] onder de naam [naam 4] . Volgens verdachte was hij echter niet de enige die deze naam gebruikte, maar waren er meer personen bij [naam bedrijf 1] betrokken die namen verzonnen en gebruikten. Andere personen zouden deze naam en het bijbehorende e-mailadres veel vaker gebruikt hebben. Uit het dossier blijkt ook dat meerdere ‘medewerkers’ ervan op de hoogte waren dat de naam [naam 4] gebruikt werd.

De rechtbank stelt op grond van het vorenstaande vast dat zowel verdachte als één of meer anderen zich tegenover leveranciers hebben voorgedaan als [naam 4] , medewerker van [naam bedrijf 1] , en dat verdachte wist dat ook anderen onder die dekmantel opereerden. Deze vaststelling, in samenhang met de modus operandi in alle ten laste gelegde zaken, met de omstandigheid dat de BV geen legale activiteiten verrichtte, en met het grote aantal bedrijven dat in korte tijd benaderd is, maakt dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte opzet had op de samenwerking met de overige personen achter [naam bedrijf 1] , en dat hij (voorwaardelijk) opzet had op het grondfeit, zulks in alle zaken waarin de combinatie [naam 4] , medewerker van [naam bedrijf 1] , is gebruikt en waarin verdachte een rol heeft gespeeld bij de uitvoering van het delict. Van aanwijzingen voor het tegendeel is de rechtbank niet gebleken. Verdachte heeft enkel verklaard dat hij niet verantwoordelijk was voor wat er in het bedrijf gebeurde, omdat hij daar niet werkte maar er slechts incidenteel hand- en spandiensten verrichtte. De rechtbank acht dit echter weerlegd door de bewijsmiddelen. Immers, verdachte beschikte over de sleutel van de bedrijfsloods, hij bezat en gebruikte een telefoon van [naam bedrijf 1] waarmee bedrijven benaderd werden, reed in een auto van het bedrijf, gebruikte het Marktplaats-account van het bedrijf, deed zich voor als medewerker, stond bedrijven te woord, nam goederen in ontvangst en reed met de heftruck. Bovendien heeft hij in de zaak van [benadeelde partij 4] zelf onder de naam [naam 4] goederen besteld namens [naam bedrijf 1] en deze doorverkocht zonder deze te betalen. Het is ook verdachte geweest die in gesprekken met de verhuurder een huurovereenkomst heeft gesloten voor de bedrijfsloods. Al deze omstandigheden tonen aan dat verdachte niet slechts hand- en spandiensten verrichtte, maar een grotere rol speelde bij het gebruik van de vennootschap als dekmantel.

De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte tussen 1 december 2016 en 30 april 2017, al dan niet met anderen, bedrijven heeft opgelicht door zich voor te doen als bonafide medewerker van [naam bedrijf 1] met de naam [naam 4] .

De rechtbank acht echter de betrokkenheid van verdachte bij de oplichting van [benadeelde partij 16] niet bewezen. Het dossier bevat enkel een aangifte, maar deze aangifte bevat geen verwijzing naar verdachte noch naar ‘ [naam 4] ’. Verdachte is hierover ook niet gehoord door de politie. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van dit feit.

feit 6 primair:

De rechtbank ontleent aan de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang, dat verdachte de aangever [slachtoffer] heeft opgelicht, welk feit overigens niet ten laste is gelegd. Immers is het geld naar de bankrekening van verdachte overgeboekt, werd aan de koper een telefoonnummer verstrekt dat ook door verdachte gebruikt werd, blijkt uit het dossier dat verdachte de naam ‘ [naam 4] ’ vaker gebruikt (en onder die naam op Facebook adverteert), en acht verdachte het zelf ook mogelijk dat hij de verkoop heeft gedaan. Dat aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat ene [naam 10] – een Facebook-vriendin van [naam 4] – verklaard zou hebben dat [naam 4] in het echt [naam 3] heet, doet daaraan niets af omdat de redenen van wetenschap van deze [naam 10] niet zijn gebleken. De rechtbank leidt uit deze feiten en omstandigheden dan ook af dat verdachte het door [slachtoffer] overgemaakte geld heeft verworven en voorhanden gehad terwijl hij wist dat dit geld was verkregen uit een door hem zelf gepleegd misdrijf, namelijk oplichting. Hierna komt onder de ‘Strafbaarheid van het bewezen verklaarde’ aan de orde dat dit bewezenverklaarde feit daarom niet gekwalificeerd kan worden als het strafbare feit ‘heling’. Daarom dient de rechtbank zich ook te buigen over feit 6, subsidiair, als volgt.

feit 6 subsidiair:

De rechtbank is – zoals hiervoor is overwogen – van oordeel dat de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang, aantonen dat verdachte de aangever [slachtoffer] opgelicht heeft. Op basis van die bewijsmiddelen kan dan ook worden bewezen dat verdachte op 2 maart 2017 een geldbedrag van 170 euro heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dit geld geheel en onmiddellijk afkomstig was uit een misdrijf, namelijk een internetoplichting.

feit 7:

De rechtbank stelt vast dat verdachte op 21 juni 2017 te Drachten een worst uit de winkel [benadeelde partij 17] heeft weggenomen, terwijl hij daartoe volgens aangeefster geen recht of toestemming had. In onderling verband met de overige bewijsmiddelen acht de rechtbank daarmee bewezen dat verdachte de worst heeft gestolen. Het alternatieve scenario dat verdachte heeft geschetst, inhoudend dat hij de weggenomen worst had omgeruild met een eerder door hem gekochte worst, vindt geen steun in het dossier en is overigens ook niet aannemelijk geworden. Dit verweer doet er bovendien niets aan af dat verdachte ook geen recht of toestemming had om een ‘omgeruilde’ worst weg te nemen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de feiten 3 meer subsidiair, 4 primair, 5 primair, 6 primair, 6 subsidiair en 7 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

feit 3 meer subsidiair:

hij in de periode van 4 juni 2018 en 5 juni 2018 te Earnewâld, tezamen en in vereniging met aan ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 40 rijplaten, toebehorende aan het bedrijf [benadeelde partij 1] ;

feit 4 primair:

hij in de periode van 1 december 2016 tot en met 30 april 2017, in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, telkens met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid, meerdere bedrijven heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, door zich voor te doen als bonafide medewerker van het bedrijf [naam bedrijf 1] te Drachten, met de naam [naam 4] , te weten:

[benadeelde partij 4]

-twee gereedschapswagens en 4 banden en

[benadeelde partij 5]

-twee kantoorunits en

[benadeelde partij 6]

-twee pakken steigerhout en

[benadeelde partij 7]

-een grote hoeveelheid dakpanelen, zetwerk en accessoires en

[benadeelde partij 8]

-een hogedrukreiniger, een kettingzaak, een betonzaagmachine, toebehoren

(5 liter mengsmering) en een mobiele hogedrukreiniger en

[benadeelde partij 9]

-een aanhangwagen met steiger en

[benadeelde partij 10]

-60 betonplaten, 80 betonplaten en 100 betonplaten en

[benadeelde partij 11]

-een pallet vol met schroeven en

[benadeelde partij 12]

-drie pakken steigerhout en

[benadeelde partij 13]

-een AED defibrillator inclusief bijbehorende tas en

[benadeelde partij 14]

-een grote hoeveelheid dakpanelen en

[benadeelde partij 15]

-vier pallets dakplaten;

feit 5 primair:

hij op 14 april 2017 te Rottevalle, een goed te weten een shovel heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

feit 6 primair:

hij op 2 maart 2017 in Nederland, een geldbedrag van 170 euro heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit geldbedrag wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

feit 6 subsidiair:

hij op 2 maart 2017, in Nederland, een geldbedrag van 170 euro, heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dat geldbedrag geheel – onmiddellijk – afkomstig was uit enig misdrijf;

feit 7:

hij op 21 juni 2017 te Drachten, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een worst, toebehorende aan de [benadeelde partij 17] .

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De rechtbank acht de feiten 5 primair, 6 primair en 6 subsidiair bewezen maar niet te zijn een strafbaar feit, en ontslaat verdachte ter zake van alle rechtsvervolging. De rechtbank overweegt ten aanzien van deze feiten het volgende:

feit 5 primair

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op 14 april 2017 te Rottevalle een shovel heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en het voorhanden krijgen wist dat de shovel door misdrijf was verkregen. Het dossier bevat echter concrete aanwijzingen dat hij die shovel zelf als (mede)pleger door misdrijf had verkregen, namelijk door met zijn medeverdachte [medeverdachte 1] [benadeelde partij 18] op te lichten onder de dekmantel van de ‘plof-bv’ [naam bedrijf 1] . De rechtbank neemt dan ook aan dat verdachte zelf als medepleger het voorwerp door misdrijf heeft verkregen. Op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad staat de omstandigheid dat iemand een helingshandeling verricht ten aanzien van een voorwerp dat hij zelf als (mede)pleger door misdrijf heeft verkregen, aan de kwalificatie heling in de weg. Het bewezenverklaarde levert dus geen strafbaar feit op, zodat verdachte ter zake ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging.

feit 6 primair

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op 2 maart 2017 in Nederland een geldbedrag van € 170,00 heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van dit voorhanden krijgen wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Uit de bewijsmiddelen blijkt echter ook dat verdachte het bedrag zelf als pleger door een misdrijf heeft verkregen, namelijk door middel van internetoplichting. Zoals reeds onder feit 5 primair is uitgelegd, brengt dit mee dat het bewezenverklaarde feit niet als heling gekwalificeerd kan worden en geen strafbaar feit oplevert, zodat verdachte ter zake ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging.

feit 6 subsidiair:

De rechtbank stelt vast dat verdachte het geldbedrag van € 170,00 slechts heeft verworven en voorhanden gehad. Uit het procesdossier blijkt niet dat verdachte daarnaast een gedraging heeft verricht die ook (kennelijk) gericht was op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld. Immers heeft verdachte het geld naar zijn eigen rekening laten overboeken, welke rekening ook op zijn naam stond. Deze gedraging kan naar het oordeel van de rechtbank daarom niet als (schuld)witwassen worden gekwalificeerd. De rechtbank acht het feit onder 6 subsidiair derhalve niet strafbaar en ontslaat verdachte ter zake van alle rechtsvervolging.

De rechtbank acht de onder 3 meer subsidiair, 4 primair en 7 bewezen verklaarde feiten strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten. De rechtbank kwalificeert deze feiten als volgt:

feit 3 meer subsidiair:

diefstal door twee of meer verenigde personen;

feit 4 primair:

(medeplegen van) oplichting, meermalen gepleegd;

feit 7:

diefstal.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten 2, 3 primair, 4 primair, 5 subsidiair, 6 subsidiair en 7 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, waaraan verbonden de bijzondere voorwaarden, kort gezegd, meldplicht, deelname aan de training cognitieve vaardigheden, behandelverplichting en een drugs- en alcoholverbod.

Standpunt van de verdediging

De verdachte heeft de rechtbank verzocht om hem geen gevangenisstraf op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de reclasseringsrapportages van 17 november 2017, 13 september 2018 en 22 juli 2019, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en hetgeen verdachte heeft aangevoerd omtrent zijn persoonlijke omstandigheden.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen:

Verdachte heeft zich in de periode van 1 december 2016 tot en met 30 april 2017 met anderen schuldig gemaakt aan oplichting van in totaal 12 bedrijven. Met gebruikmaking van een ‘plof-bv’ als dekmantel heeft verdachte, met zijn mededaders, op een georganiseerde en haast bedrijfsmatige wijze bedrijven gedupeerd door goederen te bestellen en te huren zonder die goederen te betalen of te retourneren. Hierdoor hebben verdachte en zijn mededader(s) een grove inbreuk gemaakt op het vertrouwen dat deze bedrijven in hem als klant hadden gesteld. Meer in het algemeen wordt daardoor ook het vertrouwen aangetast dat partijen in het handelsverkeer nu eenmaal in elkaar moeten stellen om zaken te kunnen doen. Verdachte heeft zich enkel laten leiden door eigen financieel gewin. Hij heeft geen oog gehad voor de grote schade en overlast die onder zijn leveranciers werd aangericht. Dit klemt te meer nu het financiële nadeel dat deze ondernemers hebben geleden, op geen enkele wijze is vergoed.

Verdachte heeft nauwelijks openheid van zaken gegeven over zijn aandeel. Hij heeft telkens geprobeerd de schuld af te schuiven op anderen en voortdurend verklaard dat hij niet verantwoordelijk was voor wat er gebeurde binnen de ‘plof-bv’ [naam bedrijf 1] . De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte hiervoor geen enkele verantwoordelijkheid aanvaardt.

Verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan diefstal van 40 rijplaten en winkeldiefstal. Dit zijn ernstige feiten die de rechtbank eveneens laat meewegen bij de straftoemeting.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het door verdachte erkende ad informandum gevoegde feit met parketnummer 18/720335-17, dat hiermee is afgedaan.

De rechtbank weegt voorts in het nadeel van verdachte mee dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden om zich opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten. Op 11 juni 2015 is verdachte bovendien veroordeeld tot een taakstraf ter zake van opzetheling en diefstal. Die taakstraf heeft verdachte vóór het plegen van de huidige feiten verricht. Op grond van artikel 22b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht kan verdachte daarom niet opnieuw worden veroordeeld tot enkel een taakstraf. De rechtbank is, gelet op al het vorenstaande, van oordeel dat voor de onderhavige feiten enkel een vrijheidsbenemende straf is aangewezen.

Alles overziend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, passend en oplegging daarvan geboden. Het voorwaardelijk deel daarvan dient als een forse stok achter de deur, om verdachte te weerhouden van nieuwe strafbare feiten. De rechtbank zal hieraan een proeftijd van drie jaren verbinden. De rechtbank ziet geen grond voor oplegging van bijzondere voorwaarden, zodat aan het voorwaardelijke deel enkel de algemene voorwaarde zal worden gekoppeld dat verdachte in de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zal plegen.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

feiten 1 en 3:

- [benadeelde partij 1] , tot een bedrag van € 7.800,00 ter zake van materiële schade en

€ 2,690,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente;

feit 4:

- [benadeelde partij 4] , tot een bedrag van € 1.463,96 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente;

- [benadeelde partij 6] , tot een bedrag van € 2.922,61 ter zake van materiële schade;

- [benadeelde partij 7] , tot een bedrag van € 11.891,48 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente, alsmede € 3.950,00 aan proceskosten;

- [benadeelde partij 8] , tot een bedrag van € 11.320,50 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente;

- [benadeelde partij 9] , tot een bedrag van € 2.725,00 ter zake van materiële schade en € 1.000,00 ter zake van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente;

- [benadeelde partij 10] , tot een bedrag van € 29.768,42 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente;

- [benadeelde partij 11] , tot een bedrag van € 3.169,75 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente;

- [benadeelde partij 12] , tot een bedrag van € 3.171,44 ter zake van materiële schade en € 500,00 ter zake van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente, alsmede

€ 460,00 aan proceskosten;

- [benadeelde partij 13] , tot een bedrag van € 1.251,85 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

- [benadeelde partij 14] , tot een bedrag van € 17.201,11, vermeerderd met wettelijke rente;

- [benadeelde partij 15] , tot een bedrag van € 3.000,00 ter zake van materiële schade en

€ 1.750,00 ter zake van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente;

- [benadeelde partij 16] , tot een bedrag van € 5.745,53, vermeerderd met wettelijke rente;

- [slachtoffer] , tot een bedrag van € 170,00 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de volgende vorderingen hoofdelijk kunnen worden toegewezen: [benadeelde partij 1] (tot een bedrag van

€ 1.410,00), [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 6] (tot een bedrag van € 2.415,38), [benadeelde partij 7] , [benadeelde partij 8] , [benadeelde partij 9] , [benadeelde partij 10] (tot een bedrag van € 24.602,00), [benadeelde partij 12] (tot een bedrag van

€ 3.688,26), [benadeelde partij 13] , [benadeelde partij 14] (tot een bedrag van € 14.728,36), [benadeelde partij 15] , [benadeelde partij 16] (tot een bedrag van € 4.748,37) en [slachtoffer] . De officier van justitie heeft daarbij gevorderd dat ten aanzien van deze vorderingen de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 6] , [benadeelde partij 7] , [benadeelde partij 8] , [benadeelde partij 9] , [benadeelde partij 10] , [benadeelde partij 12] , [benadeelde partij 15] en [benadeelde partij 16] primair afgewezen dienen te worden omdat uit de stukken van de benadeelde partijen niet blijkt dat de indieners bevoegd of gemachtigd waren om die bedrijven te vertegenwoordigen. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de vorderingen onvoldoende onderbouwd zijn en dat deze vorderingen daarom, naar de rechtbank begrijpt, afgewezen dienen te worden.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 13] en [benadeelde partij 12] eveneens op het standpunt gesteld dat deze vordering afgewezen dienen te worden omdat zij onvoldoende onderbouwd zijn.

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 11] .

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt ten aanzien van vorderingen van de benadeelde partijen het volgende:

De verdediging heeft tegen diverse vorderingen aangevoerd dat niet is gebleken van een geldige vertegenwoordigingsbevoegdheid omdat machtigingen of uittreksels uit het

Handelsregister ontbreken. Concrete bezwaren inzake de vertegenwoordigingsbevoegdheid zijn echter niet aangevoerd. De rechtbank overweegt dat het veruit te prefereren is dat een rechtspersoon, optredend als benadeelde partij, een machtiging en uittreksel uit het Handelsregister overlegt. De rechter kan dan immers snel de vertegenwoordigingsbevoegdheid beoordelen, en de benadeelde partij loopt geen risico op niet-ontvankelijkheid vanwege een gebrek daarin. Anderzijds dient naar het oordeel van de rechtbank niet reeds bij het enkele ontbreken van een uittreksel uit het Handelsregister de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. In een dergelijk geval dient mede op basis van het dossier te worden beoordeeld of de juiste rechtspersoon schadevergoeding vordert. Nu hier geen aanwijzingen zijn van het tegendeel – er is bijvoorbeeld niet gebleken van enige andere (rechts)persoon die met een benadeelde partij concurreert om vergoeding van één en dezelfde schade –, gaat de rechtbank er mede op basis van de aangiften en onderliggende dossierstukken telkens vanuit dat de indieners van de vorderingen bevoegd waren die rechtspersonen hierbij te vertegenwoordigen. De benadeelde partijen zijn derhalve ontvankelijk in hun vorderingen. De rechtbank heeft mede gelet op het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 juni 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:2283.

feiten 1 en 3:

- [benadeelde partij 1] :

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van feit 3, meer subsidiair. De schade die verband houdt met feit 1, ad € 7.800,00, komt niet voor vergoeding in aanmerking, nu dit feit niet bewezen is verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de schadepost ‘administratiekosten’ voldoende gespecificeerd is. De onder deze post opgevoerde kosten komen de rechtbank niet onredelijk voor. De rechtbank zal deze schade, waarvan de hoogte onvoldoende door de verdediging is betwist, daarom toewijzen tot een bedrag van € 1.410,00, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 5 juni 2018. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering kan voor dit deel slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

feit 4:

- [benadeelde partij 4] :

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van feit 4, primair. De vordering, waarvan de hoogte onvoldoende door de verdediging is betwist, zal daarom worden toegewezen tot het gestelde schadebedrag, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 30 april 2017.

- [benadeelde partij 6] :

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van feit 4, primair. De vordering, waarvan de hoogte niet door de verdediging is betwist, zal daarom worden toegewezen tot het gestelde schadebedrag minus de btw, te weten € 2.415,38. Ten aanzien van het meer gevorderde zal de rechtbank de vordering afwijzen.

- [benadeelde partij 7] :

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van feit 4, primair. De vordering, waarvan de hoogte niet is betwist door de verdediging, zal daarom worden toegewezen tot het gevorderde schadebedrag, voor zover dat bedrag betrekking heeft op de dakplaten, het zetwerk, de schroeven en transportkosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 30 april 2017. De gevorderde proceskosten acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd, zodat dit deel van de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard. De vordering kan voor dit deel slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

- [benadeelde partij 8] :

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van feit 4, primair. De vordering, waarvan de hoogte niet is betwist door de verdediging, zal daarom worden toegewezen tot het gevorderde schadebedrag, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 30 april 2017.

- [benadeelde partij 9]

Hoewel voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van feit 4, primair, beschikt de rechtbank thans over onvoldoende informatie om de hoogte daarvan te kunnen beoordelen. Immers is de hoogte van de schade niet onderbouwd met enig stuk, en blijkt die hoogte evenmin uit het procesdossier. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

- [benadeelde partij 10] :

Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van het procesdossier (in het bijzonder de aangifte van [getuige 14] ) en de slachtofferstukken voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van feit 4, primair. De vordering, waarvan de hoogte niet door de verdediging is betwist, zal daarom worden toegewezen tot het gestelde schadebedrag minus de btw, te weten € 24.602,00, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 30 april 2017. De rechtbank zal de vordering voor het overige afwijzen.

- [benadeelde partij 11] :

Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van het procesdossier en de slachtofferstukken voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van feit 4, primair. De vordering, waarvan de hoogte niet door de verdediging is betwist, zal daarom worden toegewezen tot het gestelde schadebedrag minus debtw, te weten € 3.169,75, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 30 april 2017. De rechtbank zal de vordering voor het overige afwijzen.

- [benadeelde partij 12] :

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg is van feit 4, primair. Voor wat betreft de schadepost ‘steigerhout’ zal de rechtbank de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.701,36, bestaande uit het onbetaald gebleven steigerhout, minus de btw. Daarnaast zal de rechtbank de schadepost ‘deurwaarderskosten’ toewijzen. De hoogte van deze schadeposten is onvoldoende door de verdediging betwist.

De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van de overige schadeposten niet-ontvankelijk verklaren omdat deze naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd zijn en ook uit het dossier niet blijken. De vordering kan voor wat betreft deze schadeposten slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

- [benadeelde partij 13] :

Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van het procesdossier (in het bijzonder de aangifte van [getuige 18] ) en de slachtofferstukken voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van feit 4, primair. De vordering, waarvan de hoogte onvoldoende door de verdediging is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 30 april 2017.

- [benadeelde partij 14] :

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van feit 4, primair. Voor wat betreft de schadepost ‘materialen’ zal de rechtbank de vordering toewijzen tot een bedrag van € 13.203,40 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 30 april 2017. Dit betreft de schade bestaande uit onbetaald gebleven levering van dakplaten minus de btw. Ten aanzien van deze schadepost zal de rechtbank het meer gevorderde afwijzen.

Voor wat betreft de schadepost ‘reiskosten’ is de rechtbank van oordeel dat deze schadepost niet onderbouwd is en ook niet anderszins aannemelijk is geworden. De rechtbank zal de benadeelde partij voor wat betreft deze schadepost daarom niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. In de schadepost ‘rente’ wordt reeds voorzien door de toewijzing van wettelijke rente, zodat de rechtbank de separate rentevordering zal afwijzen.

- [benadeelde partij 15] :

Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van het procesdossier en de slachtofferstukken voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van feit 4, primair. Voor wat betreft de materiële schade, waarvan de hoogte onvoldoende door de verdediging is betwist, zal de rechtbank de vordering toewijzen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 30 april 2017. Ten aanzien van de immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat de benadeelde partij door het handelen van verdachte in zijn persoon is aangetast. Daartoe zijn gevoelens van onrechtvaardigheid en een beschadigd vertrouwen onvoldoende. Voorts is niet door deskundigenrapportage aangetoond dat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft bekomen, dan wel dat sprake is van een zodanig ernstige normschending dat de gevolgen daarvan voor de benadeelde ook neerkomen op een aantasting in de persoon. De rechtbank zal de vordering voor wat betreft de immateriële schade daarom afwijzen.

- [benadeelde partij 16] :

Ten aanzien van het feit waarop deze vordering betrekking heeft, wordt verdachte vrijgesproken. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

- [slachtoffer] :

De rechtbank acht het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan, weliswaar bewezen, maar niet te zijn een strafbaar feit. Aangezien aan verdachte ter zake van dit feit geen straf of maatregel wordt opgelegd en hij ook niet schuldig wordt verklaard zonder strafoplegging, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het onder 3 meer subsidiaire feit samen met een ander en het onder 4 primaire feit samen met een of meer anderen, althans alleen, heeft gepleegd. Verdachte en zijn mededader(s) zijn dus naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de toegewezen schadevergoedingen niet meer aan de betreffende benadeelde partij hoeft te voldoen indien en voor zover de medeverdachte(n) deze heeft/hebben betaald, en vice versa.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 6] , [benadeelde partij 7] , [benadeelde partij 8] , [benadeelde partij 9] , [benadeelde partij 10] , [benadeelde partij 11] , [benadeelde partij 12] , [benadeelde partij 13] , [benadeelde partij 14] en [benadeelde partij 15] , tot aan deze uitspraak in verband met hun vorderingen hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die deze benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de benadeelde partijen [benadeelde partij 7] en [benadeelde partij 12] in het bijzonder dat de door hen gevorderde proceskosten thans onvoldoende onderbouwd en gespecificeerd zijn. De rechtbank acht de gevorderde proceskosten daarom niet voor toewijzing vatbaar en begroot deze op nihil.

De rechtbank bepaalt voorts dat de benadeelde partijen [benadeelde partij 16] en [slachtoffer] hun eigen kosten dragen.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk vonnis van 17 februari 2016 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland is verdachte veroordeeld tot – onder meer – een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, met een proeftijd van 3 jaren. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde in de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen. De proeftijd is ingegaan op 3 maart 2016 en is sindsdien tweemaal opgeschort omdat verdachte rechtens zijn vrijheid was ontnomen. De einddatum van de proeftijd is thans vastgesteld op 21 april 2020. De politierechter heeft op 31 oktober 2017 reeds de gedeeltelijke tenuitvoerlegging gelast van 1 maand gevangenisstraf. De rechtbank dient zich thans derhalve te buigen over het resterend voorwaardelijk strafdeel, te weten 2 maanden gevangenisstraf.

De officier van justitie en de raadsman hebben betoogd dat de proeftijd van het resterend voorwaardelijk strafdeel wordt verlengd met één jaar.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte de onder 3 meer subsidiair, 4 primair en 7 bewezenverklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijd. De rechtbank zal daarom de tenuitvoerlegging gelasten van het resterend voorwaardelijk strafdeel. Niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel moeten leiden.

Inbeslaggenomen goederen

Op 14 april 2017 is onder verdachte een telefoon van het merk iPhone 7 en een telefoon van het merk Alcatel in beslag genomen. Ten aanzien van deze voorwerpen, in beslag genomen met toepassing van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, is nog geen last tot teruggave gegeven.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de telefoons verbeurd worden verklaard. De verdediging heeft hierover geen standpunt ingenomen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de telefoon van het merk Alcatel vatbaar voor verbeurdverklaring nu het feit met behulp van deze telefoon is begaan of voorbereid. Uit het dossier blijkt immers dat deze telefoon met telefoonnummer [telefoonnummer] meermalen is gebruikt door verdachte of zijn medeverdachten om bedrijven te benaderen. De rechtbank zal de telefoon dan ook verbeurd verklaren.

De rechtbank acht de iPhone vatbaar voor verbeurdverklaring nu de telefoon aan verdachte toebehoorde en geheel of grotendeels is verkregen uit de baten van feit 4, primair. Verdachte heeft immers tegenover de politie verklaard dat hij deze telefoon heeft gekregen voor zijn diensten bij [naam bedrijf 1] . Nu deze vennootschap een dekmantel was voor criminele activiteiten en geen legale economische activiteiten ontplooide, is aannemelijk dat de telefoon uit de baten van de bewezenverklaarde feiten afkomstig is. De rechtbank zal de telefoon daarom verbeurdverklaren.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 33, 33a, 36f, 47, 57, 60, 60a, 63, 310, 311, 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair, 2, 3 primair, 3 subsidiair en 5 subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 5 primair, 6 primair en 6 subsidiair ten laste gelegde bewezen als voormeld maar niet te zijn een strafbaar feit.

Ontslaat verdachte ter zake van alle rechtsvervolging.

Verklaart het onder 3 meer subsidiair, 4 primair en 7 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 7 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit en dat veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Ten aanzien van de feiten 1 en 3:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van

€ 1.410,00 (zegge: duizend vierhonderdtien euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 juni 2018, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk. De vordering kan voor dit deel slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] , te betalen een bedrag van € 1.410,00 (zegge: duizend vierhonderdtien euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 juni 2018, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit € 1.410,00 aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 4, zaak 1:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.463,96 (zegge: duizend vierhonderddrieënzestig euro en zesennegentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 april 2017, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 4] , te betalen een bedrag van € 1.463,96 (zegge: duizend vierhonderddrieënzestig euro en zesennegentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 april 2017, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit € 1.463,96 aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 4] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 4, zaak 4:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van

€ 2.415,38 (zegge: tweeduizend vierhonderdvijftien euro en achtendertig cent), in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 6] , te betalen een bedrag van € 2.415,38 (zegge: tweeduizend vierhonderdvijftien euro en achtendertig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 11 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit € 2.415,38 aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 6] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 4, zaak 5:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 7] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 11.891,48 (zegge: elfduizend achthonderdeenennegentig euro en achtenveertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 april 2017, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 7] , te betalen een bedrag van € 11.891,48 (zegge: elfduizend achthonderdeenennegentig euro en achtenveertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 april 2017, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 56 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit € 11.891,48 aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 7] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 4, zaak 6:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 8] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van

€ 11.320,50 (zegge: elfduizend driehonderdtwintig euro en vijftig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 april 2017, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 8] , te betalen een bedrag van € 11.320,50 (zegge: elfduizend driehonderdtwintig euro en vijftig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 april 2017, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 53 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit € 11.320,50 aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 8] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 4, zaak 9:

Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 9] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Ten aanzien van feit 4, zaak 12:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 10] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van

€ 24.602,00 (zegge: vierentwintigduizend zeshonderdtwee euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 april 2017, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 10] , te betalen een bedrag van € 24.602,00 (zegge: vierentwintigduizend zeshonderdtwee euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 april 2017, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 117 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit € 24.602,00 aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 10] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 4, zaak 13:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 11] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 3.169,75 (zegge: drieduizend honderdnegenenzestig euro en vijfenzeventig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 april 2017, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 11] , te betalen een bedrag van € 3.169,75 (zegge: drieduizend honderdnegenenzestig euro en vijfenzeventig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 april 2017, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 15 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit € 3.169,75 aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 11] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 4, zaak 14:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 12] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van

€ 2.814,15 (zegge: tweeduizend achthonderdveertien euro en vijftien cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 april 2017, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Wijst de meer gevorderde schade ten aanzien van de schadepost ‘steigerhout’ af.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft het overige niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 12] , te betalen een bedrag van € 2.814,15 (zegge: tweeduizend achthonderdveertien euro en vijftien cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 april 2017, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 13 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit € 2.814,15 aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 12] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 4, zaak 15:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 13] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.251,85 (zegge: duizend tweehonderdeenenvijftig euro en vijfentachtig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 april 2017, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 13] , te betalen een bedrag van € 1.251,85 (zegge: duizend tweehonderdeenenvijftig euro en vijfentachtig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 april 2017, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 5 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit € 1.251,85 aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 13] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 4, zaak 16:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 14] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 13.203,40 (zegge: dertienduizend tweehonderddrie euro en veertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 april 2017, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Wijst de meer gevorderde schade ten aanzien van de schadepost ‘dakpanelen’ en de gevorderde schade ten aanzien van de schade post ‘rente’ af.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft het overige niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 14] , te betalen een bedrag van € 13.203,40 (zegge: dertienduizend tweehonderddrie euro en veertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 april 2017, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 62 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit € 13.203,40 aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 14] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 4, zaak 17:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 15] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van

€ 3.000,00 (zegge: drieduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 april 2017, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 15] , te betalen een bedrag van € 3.000,00 (zegge: drieduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 april 2017, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 14 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit € 3.000,00 aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 15] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 4, nagekomen aangifte:

Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 16] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Ten aanzien van feit 6:

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/231133-15:

Gelast de tenuitvoerlegging van het nog niet ten uitvoer gelegde gedeelte van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 17 februari 2016, te weten:

een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen goederen:

- een telefoon van het merk Alcatel met goednummer PL0100-2017076343-855285;

- een iPhone 7 met goednummer PL0100-2017095934-920162.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Post, voorzitter, mr. J.Y.B. Jansen en mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door mr. W.D. de Boer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 oktober 2019.

Mr. C. Krijger is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.