Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:4052

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
30-09-2019
Datum publicatie
02-10-2019
Zaaknummer
18/138769-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Opzettelijke brandstichting met gemeen gevaar voor goederen en voor personen, wederrechtelijke vrijheidsberoving, bedreiging, mishandeling en vernieling. TBS met voorwaarden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 157
Wetboek van Strafrecht 282
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 300
Wetboek van Strafrecht 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/138769-18

ter berechting gevoegd parketnummers 18/083743-17 en 18/108021-17

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/044548-15

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 30 september 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] ,

thans verblijvende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 8 september 2017, 2 februari 2018 (beiden politierechterzittingen), 18 december 2018, 21 mei 2019 en 17 september 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W.M. Bierens, advocaat te Assen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. B. Rademacher.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Parketnummer 18/138769-18

hij, op of omstreeks 16 augustus 2017, te Emmen, in de woning aan [straatnaam] , opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan de woning aan [straatnaam] te Emmen, althans goederen in die woning, geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel voor zich in, of in de nabijheid van, die woning(en) bevindende perso(o)n(en), te duchten was, en/of terwijl daar gemeen gevaar voor een of meer belendende woning(en) en/of in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

Parketnummer 18/108021-17

hij op of omstreeks 16 juni 2017 te Emmen opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door de schuurdeur op slot te doen terwijl die [slachtoffer 1] haar fiets uit de schuur aan het pakken was;

Parketnummer 18/083743-17

1.

hij op of omstreeks 6 mei 2017 te Emmen, gemeente Emmen, [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal heeft bedreigd met

- enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen ‘dat hij hem en/of zijn vrouw en/of kinderen zou doodmaken”, en/of

- met brandstichting, althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij op of omstreeks 6 mei 2017 te Emmen, gemeente Emmen [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal tegen het lichaam te slaan en/of een (deel van een) tuinhek, althans een hard voorwerp tegen de hand, althans het lichaam van die [slachtoffer 2] te gooien;

3.

hij op of omstreeks 6 mei 2017 te Emmen, gemeente Emmen, opzettelijk en wederrechtelijk een tuinhek en/of een ruit (van een woning aan [straatnaam] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 2] en/of [benadeelde partij] (woningstichting), althans een ander dan aan verdachte toebehoorde, heeft

vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft een bewezenverklaring voorgesteld van alle ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van parketnummer 18/138769-18

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde brandstichting. Hij heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat er sprake is geweest van een technische oorzaak. Er is immers niet vastgesteld op welke wijze de brand is ontstaan. Daarnaast kan niet worden uitgesloten dat een derde verantwoordelijk is geweest voor de brand. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de facebookberichten, geplaatst met het account van verdachte op 16 augustus 2017 tussen 01:16 en 01:18 uur, niet aan verdachte gelinkt kunnen worden nu uit het onderzoek geen IP-logs naar voren zijn gekomen.

Ten aanzien van parketnummer 18/108021-17

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving omdat het opzet van verdachte niet gericht was op de vrijheidsberoving van aangeefster. Verdachte heeft aangeefster juist opgesloten in het schuurtje om haar te beschermen. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat gelet op de geringe duur van de vrijheidsberoving geen sprake is van wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Ten aanzien van parketnummer 18/083743-17

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde nu er geen ander bewijs is dan de aangifte van [slachtoffer 2] . Feit 3 kan wel wettig en overtuigend worden bewezen.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van parketnummer 18/138769-18

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 augustus 2017, opgenomen op pagina 11 e.v. van het dossier met nummer NN3R017071-Velta d.d. 30 januari 2018, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Toen wij op 16 augustus 2017 omstreeks 01:58 uur, ter plaatse kwamen aan [straatnaam] te Emmen zagen wij, verbalisanten, aan het begin van het betreffende [straatnaam] reeds vlammen vanuit de bovenverdieping aan de achterzijde van
de betreffende woning komen. Hierop zijn wij naar de voorzijde van de woning gerend. Wij zagen dat de vlammen uit de openstaande ramen op de bovenverdieping naar buiten kwamen. Wij, verbalisanten, zijn hierop samen met enkele buurtbewoners de woningen bij langs gegaan om te kijken of er nog ergens mensen in de woning zaten die er uit moesten in

verband met hun veiligheid. Wij, verbalisanten, zagen dat inmiddels alle bewoners van

het betreffende huizenblok hun woning hadden verlaten en buiten op straat stonden. Omstreeks 02:12 uur zag ik, verbalisant [verbalisant] , dat enkele lieden van de brandweer de woning uitkwamen met een slachtoffer. Nadat het slachtoffer op een brancard gelegd was herkende ik, verbalisant [verbalisant] , het slachtoffer als zijnde de bewoner van het betreffende pand, genaamd [verdachte] . Omstreeks 02:21 uur werd gemeld dat de brand meester was en dat er geen tweede slachtoffer in de woning was aangetroffen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van brandonderzoek van Politie Noord-Nederland d.d. 23 oktober 2017, opgenomen op pagina 93 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Op 16 augustus 2017, hebben wij, verbalisanten een onderzoek ingesteld naar aanleiding van een brand op 16 augustus 2017 op het adres [straatnaam] te Emmen, gemeente Emmen.

Brand- en schadebeeld

Keuken

In de woning werd in de keuken, gelegen op de begane grond aan de voorzijde van de woning, in de spoelbak een gedeeltelijk verbrand stuk stof aangetroffen. Wij zagen dat naast het aanrechtblok een gaskomfoor stond. Wij zagen dat rond een van de pitten van dit gaskomfoor asresten lagen. Kennelijk was er met behulp van een van de pitten van het gaskomfoor een stof tot ontbranding gebracht. Door een van de pitten van het gasconform te ontsteken en in de vlam van deze pit een stof te houden komt de stof tot ontbranding en zal asresten achterlaten.

Trap

In de hal van de woning zagen wij voor de toegangsdeur naar de woonkamer aan de rechterzijde de trap opgang naar de verdieping. Wij zagen dat deze op de trapopgang een hevige brand had gewoed. Wij zagen dat het stucwerk door hitte inwerking van de muren was losgeraakt. Tevens was het schutbord van de trap geheel verbrand. Op de hal op de eerste etage was door de brand zwaar beschadigd. Opvallend was dat het houten traphek op deze etage weinig was aangetast door de brand. Door ons werd de trap dan ook aangemerkt als afzonderlijke brandhaard. Op de trap waren geen installaties die deze brand had kunnen veroorzaken.

Slaapkamer

In de slaapkamer gelegen op de eerste verdieping aan de voorzijde van de woning had een

hevige brand gewoed. In deze slaapkamer had vermoedelijk een boxspring (bed) gestaan. Het hoofdbord van het bed was nog zichtbaar. De matrassen van het bed waren geheel verbrand. Links tussen het bed en het raam van de voorgevel was, gezien het brandbeeld, een brandhaard. Met behulp van de PID meter en de brandhond werd de slaapkamer onderzocht op de aanwezigheid van vluchtige brandbare stoffen. Op de vloer tussen het bed en het raam tekende de hond. Op de plaats gaf de PID een sterk verhoogde waarde aan. Op de plaats waar gezien het brandbeeld de brand was ontstaan werden geen technische voorzieningen aangetroffen die de brand zou hebben kunnen veroorzaken.

Ontwikkeling van de brand.

In de slaapkamer bevonden zich vele brandbare goederen. Hierdoor heeft de brand zich snel kunnen ontwikkelen. Gemiddeld kan een dergelijke brand zich in circa 5 tot 20 minuten ontwikkelen tot een hevige uitslaande brand.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 24 augustus 2017 opgenomen op pagina 22 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Op vrijdag 18 augustus 2017 heb ik verbalisant telefonisch contact gehad met bevelvoerder van de brandweer, [getuige 1] . Hij was aanwezig bij de woningbrand aan [straatnaam] te Emmen. Ik hoorde dat hij mij het volgende vertelde:

Gezien de brand, heeft het denk ik niet meer dan een half uur gebrand. Ik denk dat de brand snel over de 1e verdieping verspreid is. Dit omdat aan de voorzijde van de 1e verdieping en achterzijde van de 1e verdieping ramen openstonden. Hierdoor krijg je veel trek in de woning en gaat het vuur richting de kamer waar het raam open staat.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 29 augustus 2017 opgenomen op pagina 30 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Op woensdag 16 augustus 2017 om 01:55 uur kwam er bij de meldkamer Noord-Nederland een melding binnen van een woningbrand aan [straatnaam] te Emmen. Aan de hand van verifieerbare- en vast staande onderzoeksgegevens hebben we onderstaande tijdlijn gemaakt.

16 augustus 2017

• Er worden kort achter elkaar drie berichten op het Facebookaccount van [verdachte] geplaatst.

01:16 uur: 'Ik kan niet meer'

01:17 uur: 'Ik geen pijn hebben'

01:18 uur: 'Ik nu'

• 01:55 uur: 1e melding brand.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 16 augustus 2017 opgenomen op pagina 15 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

In de nacht van 15 augustus 2017 op 16 augustus 2017 was ik als operationeel coordinator (opco) aanwezig bij een woningbrand te Emmen, perceel [straatnaam] . Ik ging in gesprek met getuigen [getuige 2] en [getuige 2] , wonende in perceel [straatnaam] . Een van de dochters van getuige [getuige 2] vertelde mij dat buurman [verdachte] in het recente verleden vaak had gezegd, dat hij “de boel in de hens zou steken”.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van Politie Noord-Nederland d.d. 23 augustus 2017 opgenomen op pagina 46 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 4] :

[verdachte] heeft wel vaker geroepen dat hij de boel in brand zou steken.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van Politie Noord-Nederland d.d. 16 augustus 2017 opgenomen op pagina 50 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

Ik woon samen met mijn vriend, [verdachte] aan [straatnaam] te

Emmen. Op 15 augustus 2017 rond 20:00 uur begon [verdachte] tegen mij te schelden. Ik hoorde hem toen zeggen "Ik steek het huis in de fik". Ik hoorde [verdachte] nog een aantal keer zeggen dat hij het huis in brand zou steken. Ik ben naar buiten gegaan en kwam omstreeks 00:50 uur bij mijn buren aan [straatnaam] aan.

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van Politie Noord-Nederland d.d. 18 augustus 2017 opgenomen op pagina 72 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 5] :

Op 16 augustus 2017 omstreeks 00:40 uur kwam [slachtoffer 1] bij mij in de woning. Ik heb een andere buurvrouw, [naam 1] , gewhatsappt om te vragen of ze wilde komen. Ik zie op mijn telefoon dat ik om 01:02 [naam 1] geappt hebt. [slachtoffer 1] was toen denk ik ongeveer 15 min bij mij. Vanaf het moment dat [slachtoffer 1] hier was tot aan het moment dat [verdachte] weg ging met de ambu is [slachtoffer 1] hier in mijn woning geweest en is niet weg geweest.

9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 20 november 2017 [gelet op de datum van het verhoor, te weten 13 december 2017, gaat de rechtbank uit van een kennelijke schrijffout] opgenomen op pagina 117 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:


Ik woon met [slachtoffer 1] op het adres [straatnaam] te Emmen. In de nacht van 15 augustus 2017 op 16 augustus 2017 waren ik en [slachtoffer 1] thuis. [slachtoffer 1] is even weg gegaan. Toen de brand uitbrak was ik alleen.

Ten aanzien van parketnummer 18/108021-17

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 16 juni 2017, opgenomen op pagina 14 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2017156333 d.d. 16 juni 2017 inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :

Ik woon samen met [verdachte] op het adres [straatnaam] te Emmen. Op 16 juni 2017 ben ik naar buiten gelopen en wilde mijn fiets pakken. Ik was ik in de schuur en [verdachte] kwam mij na. Ik moest de sleutel van de woning afgeven. Ik heb [verdachte] mijn sleutels gegeven. [verdachte] pakte de sleutels en draaide zich om en deed de schuurdeur dicht met de sleutel. Ik raakte in paniek en wilde eruit. Ik kon er niet uit omdat [verdachte] mij opgesloten had. Ik heb toen een hamer gepakt en begon op de ruit te slaan. Na een paar keer ging het glas van die ruit kapot. [verdachte] deed de schuurdeur weer open met de sleutel.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 7 mei 2017, opgenomen op pagina 8 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verdachte:

[slachtoffer 1] liep naar de schuur. Ik ben ook naar de schuur gelopen en ik heb de schuur op slot gedraaid. Ze wilde haar fiets pakken omdat ze een tijdje bij haar moeder wilde gaan wonen. Ik heb haar gezegd dat ze niet naar haar moeder moest gaan. Dat is slecht voor haar. Ik zag dat ze met een hamer tegen het raam sloeg en toen heb ik de deur open gedaan.

Ten aanzien van parketnummer 18/083743-17

Feiten 1 en 2

De rechtbank past ten aanzien van de feiten 1 en 2 de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 6 mei 2017, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2017152239 d.d. 12 juni 2017 inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :

Op 6 mei 2017 was ik thuis in mijn woning in Emmen. De buurman van [nummer] belde aan. Hij zei dat hij mij dood zou maken en dat hij ons huis zou verbranden. De man heeft mij een paar keer geslagen. Door de klappen die ik heb gehad van de man heb ik enigszins last van mijn nek. Ik zei tegen de man dat hij gewoon weg moest gaan. Ik vernam dat ik toen wederom door de man geslagen werd. Deze keer werd ik op mijn gezicht geraakt.

Ik zag dat de man toen een stuk van het tuinhek oppakte en in mijn richting gooide. Ik werd hierdoor geraakt op mijn rechter hand en liep daar lichte (schaaf)verwondingen door op. Ik heb nu wel veel pijn aan deze hand. Ik hoorde dat de man telkens bleef herhalen dat hij mij, mijn vrouw en mijn kinderen dood zou maken.

2. Een geneeskundige verklaring d.d. 7 mei 2017, opgenomen op pagina 8 e.v. van voornoemd dossier, opgemaakt door L.J. Schadenberg, arts-assistent spoedeisende hulp ziekenhuis locatie Scheper , voor zover inhoudend, als zijn/haar verklaring:

Op 7 mei 2018 zag ik patiënt de heer [slachtoffer 2] . Ik constateerde een fors gezwollen rechterhand met enkele zeer minimale schaafverwondingen. X-hand/vingers rechts: Mogelijk zeer kleine avulsiefractuur basisfalanx 3e straal.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 mei 2017, opgenomen op pagina 21 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Ik, verbalisant, heb de aangeleverde beelden bekeken en zag het volgende. Buiten zie je een man staan. Deze man blijkt later verdachte [verdachte] te zijn. Verdachte [verdachte] staat ter hoogte van de woning van later blijkt de aangever [slachtoffer 2] . Verdachte [verdachte] pakt met zijn rechterhand een houten plank van de grond en gooit deze bovenhands in de richting van de woning van aangever [slachtoffer 2] . Verdachte [verdachte] schreeuwt vervolgens: "Je gaat dood jonge, ik maak je hartstikke dood" en wijst hierbij naar aangever [slachtoffer 2] . Verdachte [verdachte] schreeuwt nogmaals: "je gaat dood jonge, vieze buitenlander, vieze turk, kanker maar op mongool".

Feit 3

De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank ten aanzien van dit feit met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 september 2019.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 6 mei 2017, opgenomen op pagina 5 van het dossier met nummer PL0100-2017152239 d.d. 12 juni 2017, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] , mede namens [benadeelde partij] .


De rechtbank acht al het ten laste gelegde op grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen en heeft daartoe als volgt overwogen.

Ten aanzien van parketnummer 18/138769-18

Op 16 augustus 2017 heeft een brand gewoed in de woning van verdachte en zijn toenmalige vriendin aan [straatnaam] te Emmen. De raadsman heeft aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat er sprake is van een technische oorzaak. De rechtbank overweegt in dat kader als volgt. Uit het proces-verbaal van sporenonderzoek volgt dat er twee afzonderlijke brandhaarden in de woning zijn aangetroffen, te weten op de trap en op de eerste verdieping in een slaapkamer tussen het bed en het raam. Op die plaatsen zijn geen technische voorzieningen aangetroffen die de brand hebben kunnen veroorzaken, terwijl er wel sterke aanwijzingen zijn die erop duiden dat de brand opzettelijk is aangestoken. Bij het onderzoek op de aanwezigheid van vluchtig brandbare stoffen in de slaapkamer gaf de PID-meter namelijk een sterk verhoogde waarde aan en tekende de brandhond op de vloer tussen het bed en het raam, de plek die is aangeduid als een brandhaard. Voorts lagen er asresten rond een van de pitten van het gasfornuis in de keuken, wat blijkens het proces-verbaal van sporenonderzoek erop duidt dat er met behulp van die pit een stof tot ontbranding is gebracht. Ook is een gedeeltelijk verbrand stuk stof in de spoelbak naast het gasfornuis aangetroffen. Gelet op vorenstaande omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de brand is ontstaan door opzettelijke brandstichting. Voorts blijkt uit de genoemde bewijsmiddelen dat er levensgevaar voor personen te duchten was, en dat er gemeen gevaar voor goederen bestond.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de facebookberichten die in de nacht van de brand tussen 01:16 uur en 01:18 uur zijn geplaatst met het account van verdachte – onder andere inhoudende “ik geen pijn hebben” en “ ik kan niet meer” – niet gelinkt kunnen worden aan verdachte, en dat niet kan worden uitgesloten dat een derde verantwoordelijk is voor de brand. Met betrekking tot de facebookberichten overweegt de rechtbank dat er geen aanleiding is te veronderstellen dat iemand anders dan verdachte deze berichten heeft geplaatst. Dat uit het onderzoek naar de betreffende berichten geen IP-logs naar voren zijn gekomen, maakt dit niet anders. Een en ander betekent immers slechts dat niet kan worden vastgesteld vanaf welke locatie of gegevensdrager de berichten zijn geplaatst. Het betekent dus niet dat de berichten niet vanaf het adres van verdachte kunnen zijn geplaatst of vanaf een gegevensdrager waar verdachte toegang toe had. De verklaring van verdachte dat [slachtoffer 1] de berichten zou hebben geplaatst acht de rechtbank bovendien niet geloofwaardig. Uit het dossier noch uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken van enige beweegreden voor [slachtoffer 1] om de berichten te plaatsen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het verdachte moet zijn geweest die de brand heeft gesticht. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte als enige in de woning aanwezig was op het moment dat de brand uitbrak. Niet alleen heeft verdachte dat zelf verklaard, het wordt ook mede door objectieve gegevens bevestigd. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers dat verdachte om 02:12 uur door de brandweer uit de brandende woning is gehaald en dat om 02:21 het sein “brandmeester” is gegeven met de mededeling dat er geen tweede slachtoffer was. Volgens een bevelvoerder van de brandweer heeft de brand waarschijnlijk niet meer dan een half uur gebrand en heeft de brand zich in 5 tot 20 minuten kunnen ontwikkelen tot een uitslaande brand. Dat brengt met zich mee dat de brand rond 01:40 uur moet zijn ontstaan. Dit wordt ondersteund door het gegeven dat om 01:55 uur de eerste melding van de brand werd gedaan. Voorts kan op basis van de bewijsmiddelen worden vastgesteld dat verdachte in ieder geval vanaf 01:02 uur tot het moment dat hij door de brandweer uit de woning is gehaald, alleen in de woning was en dus ook op het moment dat de brand ontstond. Deze tijdlijn sluit naar het oordeel van de rechtbank uit dat een ander dan verdachte de brand heeft gesticht. Dit oordeel vindt bovendien steun in voornoemde facebookberichten die kort voor het ontstaan van de brand door verdachte zijn geplaatst, alsmede in verschillende getuigenverklaringen waaruit blijkt dat verdachte regelmatig had gezegd dat hij het huis in brand zou steken.

Gelet op al het vorenstaande acht de rechtbank het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van parketnummer 18/108021-17

Verdachte heeft op 16 juni 2017 [slachtoffer 1] opgesloten in de schuur. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het opzet had om [slachtoffer 1] van haar vrijheid te beroven. Uit de bewijsmiddelen volgt dat aangeefster de schuur in ging om haar fiets te pakken omdat ze een tijdje bij haar moeder wilde gaan wonen. Uit de verklaring van verdachte bij de politie maakt de rechtbank op dat verdachte de schuur vervolgens op slot heeft gedraaid omdat hij wilde voorkomen dat [slachtoffer 1] naar haar moeder zou gaan. Daarmee was het opzet van verdachte gericht op de vrijheidsberoving van [slachtoffer 1] . Dit wordt bovendien ondersteund door de omstandigheid dat [slachtoffer 1] , terwijl zij zich in de schuur bevond, haar sleutels moest afgeven aan verdachte. Ook hieruit blijkt dat verdachte wilde verhinderen dat [slachtoffer 1] zelf uit de schuur zou kunnen komen. Hieruit volgt tevens dat verdachte [slachtoffer 1] ook opzettelijk van haar vrijheid beroofd heeft gehouden.

Met betrekking tot het verweer van de raadsman dat gelet op de geringe duur van de vrijheidsberoving geen sprake is van wederrechtelijke vrijheidsberoving, overweegt de rechtbank dat ook zeer korte beperkingen van de bewegingsvrijheid als vrijheidsberoving in de zin van art. 282 Wetboek van Strafrecht kunnen worden aangemerkt. Bij de vraag of sprake is van een vrijheidsberoving in voornoemde zin gaat het niet zozeer om de duur van de vrijheidsberoving, maar veeleer om het iemand wederrechtelijk doen vertoeven op een plaats waarvan of waaruit deze zich niet op ieder gewenst ogenblik kan verwijderen. Dat daarvan sprake was in het onderhavige geval is hierboven reeds gebleken.

De rechtbank acht het ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van parketnummer 18/083743-17

Feiten 1 en 2

De rechtbank acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen. De aangifte van [slachtoffer 2] wordt in voldoende mate ondersteund door de medische verklaring en de beelden die door een buurman met zijn telefoon zijn gemaakt. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat het bij aangever geconstateerde letsel – te weten schaafverwondingen en een kleine botbreuk – veel beter past bij het geraakt worden door een plank van een tuinhekje dan bij het door verdachte geschetste scenario, te weten dat aangever dat letsel heeft opgelopen door hem, verdachte, te slaan. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman.

Bewezenverklaring

De rechtbank al het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

Ten aanzien van parketnummer 18/138769-18

hij op 16 augustus 2017, te Emmen, in de woning aan [straatnaam] , opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan de woning aan [straatnaam] te Emmen, gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel voor zich in, of in de nabijheid van, die woning bevindende personen, te duchten was, en terwijl daar gemeen gevaar voor belendende woningen en gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

Ten aanzien van parketnummer 18/108021-17

hij op 16 juni 2017 te Emmen opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door de schuurdeur op slot te doen terwijl die [slachtoffer 1] haar fiets uit de schuur aan het pakken was.

Ten aanzien van parketnummer 18/083743-17

1.

hij op 6 mei 2017 te Emmen, gemeente Emmen, [slachtoffer 2] meermalen, heeft bedreigd met

- enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen ‘dat hij hem en zijn vrouw en kinderen zou doodmaken”, en

- brandstichting;

2.

hij op 6 mei 2017 te Emmen, gemeente Emmen [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] meermalen tegen het lichaam te slaan en een deel van een tuinhek, tegen de hand, van die [slachtoffer 2] te gooien;

3.

hij op 6 mei 2017 te Emmen, gemeente Emmen, opzettelijk en wederrechtelijk een tuinhek en een ruit van een woning aan [straatnaam] , die aan [benadeelde partij] , toebehoorde, heeft vernield.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van parketnummer 18/138769-18

opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten is.

Ten aanzien van parketnummer 18/108021-17

opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden

Ten aanzien van parketnummer 18/083743-17

1. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en brandstichting

2. mishandeling

3. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort, vernielen

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Motivering straf en maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake alle ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, te weten 2 dagen, alsmede dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege (hierna: TBS met verpleging van overheidswege) wordt opgelegd. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte niet voldoet aan de vereisten voor oplegging van de door de psycholoog en psychiater geadviseerde terbeschikkingstelling met voorwaarden (hierna: TBS met voorwaarden). Verdachte heeft namelijk niet uitdrukkelijk ingestemd met de voorwaarden die mogelijk kunnen worden verbonden aan een TBS met voorwaarden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat een TBS met verpleging van overheidswege of voorwaarden geen meerwaarde heeft gelet op het feit dat verdachte momenteel met een rechterlijke machtiging is opgenomen in Hoeve Boschoord en een ander justitieel kader niet noodzakelijk is. De begeleiding en behandeling van verdachte kan immers ook binnen het huidige kader worden vormgegeven en de afgelopen anderhalf jaar is gebleken is dat het maatschappelijk gevaar binnen de perken kan worden gehouden middels de BOPZ-maatregel. Voorts is de kans dat een rechterlijke machtiging zonder meer wordt opgeheven niet zo groot. Gelet op de lopende rechterlijke machtiging en het feit dat detentie (bijvoorbeeld als passant TBS) zal zorgen voor een breuk in de behandeling die verdachte momenteel ondergaat, heeft de raadsman gepleit voor een schuldigverklaring zonder oplegging van straf. Subsidiair heeft de raadsman gepleit voor een gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm aangezien verdachte bang is voor een verblijf in de gevangenis, zodat een voorwaardelijke gevangenisstraf een goede stok achter de deur is om te voorkomen dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen.

Oordeel van de rechtbank

Straf

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich binnen een periode van 2 maanden schuldig gemaakt aan een vijftal strafbare feiten. Op 6 mei 2017 heeft verdachte zijn buurman mishandeld en bedreigd en heeft hij een tuinhekje en een ruit van het huis van die buurman vernield. Deze feiten getuigen van volstrekt onbeheerst, agressief gedrag en van een gebrek aan respect voor de psychische en lichamelijke integriteit van een ander en voor andermans eigendommen. Door aldus te handelen heeft verdachte gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij aangever, zoals ook blijkt uit de onderbouwing van de door de buurman gevorderde vergoeding van immateriële schade.

Uit het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt bovendien dat verdachte eerder onherroepelijk in veroordeeld wegens mishandeling en bedreiging. Daarnaast liep verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten in een proeftijd die betrekking had op voornoemde veroordeling wegens mishandeling en bedreiging. Een en ander heeft verdachte er echter niet van weerhouden om opnieuw over te gaan tot het plegen van dezelfde soort strafbare feiten.

Vervolgens heeft verdachte op 16 juni 2017 zijn toenmalige vriendin opgesloten in de schuur naast het huis waar zij destijds samen in woonden, bij uitstek de plaats waar men zich veilig en vrij moet kunnen voelen. Verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op de persoonlijke vrijheid van aangeefster en haar veel angst aangejaagd. Zij was zo in paniek dat zij een ruit heeft ingeslagen van de schuur om eruit te kunnen komen.

Tot slot heeft verdachte op 16 augustus 2017 opzettelijk brand gesticht in zijn eigen woning, waarbij hij zelf ernstig gewond is geraakt. De bewoners van omliggende woningen waren door de brand genoodzaakt hun woning te verlaten. Dankzij ingrijpen van de brandweer werd voorkomen dat de brand kon overslaan naar de naastgelegen woningen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij door zijn handelen naast zichzelf, ook anderen in levensgevaar heeft gebracht en zich geen rekenschap heeft gegeven van de mogelijk ernstige gevolgen van brandstichting. Daarnaast heeft verdachte door zijn handelen veel onrust en schade veroorzaakt. Ook dit rekent de rechtbank verdachte aan.

De hoeveelheid bewezenverklaarde feiten, de aard en ernst van de feiten - de brandstichting in het bijzonder - en de omstandigheid dat verdachte in een proeftijd liep, rechtvaardigen in beginsel een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank acht echter het belang van behandeling van verdachtes hierna te bespreken psychische problematiek en het belang van continuïteit van het reeds ingezette behandeltraject, groter dan het belang van detentie. De rechtbank zal daarom volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, te weten 2 dagen.

Maatregel

Verdachte is zowel door een psychiater als een psycholoog onderzocht. Naar aanleiding van deze onderzoeken is door T.W.D.P. van Os, psychiater, op 29 april 2019 en door R.A. Sterk, psycholoog, op 17 mei 2019, rapport uitgebracht.

Beide deskundigen komen tot de conclusie dat verdachte lijdt aan een verstandelijke ontwikkelingsstoornis en een persoonlijkheidsstoornis, volgens de psycholoog met narcistische en antisociale trekken. Hierdoor is de impuls- en agressieregulatie van verdachte beperkt en zijn verdachtes copingvaardigheden gebrekkig. Bij tegenslag en pijnlijke gevoelens is hij al snel geneigd om dit te dempen met alcohol of uit te ageren middels agressief gedrag. Er wordt dan ook tevens een stoornis in alcoholgebruik vastgesteld. Voorts wordt door beide deskundigen een ongespecificeerde schizofreniespectrum of andere psychotische stoornis vastgesteld. Deze problematiek was volgens de rapporteurs ook aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde en beiden zien de problematiek ook terug in de tenlastegelegde feiten. Volgens de psycholoog moet verdachte in staat worden geacht om verstandelijk de wederrechtelijkheid van de tenlastegelegde feiten in te kunnen zien. Hij is echter, als gevolg van de geconstateerde psychische problematiek, niet goed in staat om zijn wil overeenkomstig voornoemd inzicht geheel in vrijheid te bepalen. Zowel de psycholoog als de psychiater adviseren om het tenlastegelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

De kans op herhaling van gewelddadig gedrag wordt door beide deskundigen als hoog ingeschat. De grootste risicofactor is gelegen in de combinatie van een verstandelijke ontwikkelingsstoornis, een persoonlijkheidsstoornis en een stoornis in alcoholgebruik. Andere risicofactoren zijn onder andere de justitiële voorgeschiedenis, het gebrek aan probleeminzicht en de omstandigheid dat hij niet goed in staat is om zelfstandig essentiële dagelijkse taken te vervullen. Daarnaast kan geconcludeerd worden dat er geen beschermende, recidiveverlagende factoren aanwijsbaar zijn. Dit betekent dat het risico op gewelddadig gedrag in de toekomst als hoog moet worden ingeschat met name wanneer verdachte teveel aan zichzelf wordt overgeleverd en de onmacht dan toeslaat. Zonder behandeling blijven deze risicofactoren onveranderd. Een behandeling en begeleiding is noodzakelijk om de kans op herhaling van feiten zoals de tenlastegelegde feiten binnen aanvaardbare grenzen te krijgen. Gelet op de complexe problematiek en het grote recidive gevaar volstaat een ambulante setting niet. Verdachte is afhankelijk van een professioneel netwerk om hem heen om te zorgen dat hij binnen maatschappelijk aanvaardbare grenzen blijft functioneren. Een klinische behandelsetting is daarom aangewezen. Een behandeling als voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijk strafdeel wordt niet geïndiceerd geacht omdat verdachte kan kiezen voor detentie indien hij zich niet aan de behandelvoorwaarden wil conformeren. Een kader met meer externe druk is aangewezen. Beide deskundigen adviseren dan ook een TBS-maatregel met voorwaarden, ter beveiliging van de maatschappij en om de behandeldruk te vergroten.

De rechtbank kan zich met deze conclusies verenigen en maakt die tot de hare en concludeert dat de bewezen verklaarde feiten aan verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Blijkens de genoemde rapportages bestond bij verdachte tijdens het begaan van het bewezen verklaarde een ziekelijke stoornis van zijn geestesvermogens en een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens. Voorts is een van de door verdachte begane feiten – te weten de brandstichting – een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel vereist. Zonder behandeling van de psychische problematiek van verdachte vormt hij een blijvend gevaar voor de samenleving. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat dit gevaar niet voldoende kan worden ingeperkt met de lopende BOPZ-maatregel. Vanwege de weinig meewerkende houding van verdachte is de afgelopen anderhalf jaar in Hoeve Boschoord immers geen behandeling van de grond gekomen. De BOPZ-maatregel is voor verdachte kennelijk geen voldoende drukmiddel om mee te werken aan behandeling, terwijl die behandeling noodzakelijk is ter beveiliging van de maatschappij. De rechtbank acht een TBS met voorwaarden dan ook passend en geboden. Bij een TBS met voorwaarden zijn de mogelijke consequenties bij onttrekking aan de voorwaarden immers verstrekkender dan bij een onttrekking aan een rechterlijke machtiging. Dit brengt tevens met zich mee dat niet volstaan kan worden met een behandeling als voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel, zoals bepleit door de raadsman. Dan bestaat immers het risico dat verdachte onbehandeld terugkeert in de maatschappij.

De rechtbank ziet geen noodzaak om over te gaan tot oplegging van een TBS met verpleging van overheidswege, zoals geëist door de officier van justitie. Alhoewel de samenwerking tussen verdachte en de hulpverlening in Hoeve Boschoord moeizaam verloopt, hebben er geen incidenten plaatsgevonden en heeft verdachte ook niet geprobeerd zich te onttrekken. Zowel [naam 3] , reclasseringswerker, als [naam 3] , als psychotherapeut werkzaam bij Trajectum (Hoeve Boschoord), hebben ter zitting verklaard dat verdachte, zij het onder protest, uiteindelijk wel meewerkt. De reclassering heeft er gerede hoop op dat verdachte zich (noodgedwongen) zal voegen in een TBS met voorwaarden. Om die reden komt de reclassering in haar rapport van 19 augustus 2019 uiteindelijk tot een positief advies ten aanzien van een TBS met voorwaarden. Daarnaast heeft verdachte ter zitting verklaard dat wanneer de rechtbank op zou leggen dat hij in Hoeve Boschoord moet blijven, hij dan maar moet blijven. Gelet op de hierboven genoemde omstandigheden moet een TBS met voorwaarden niet bij voorbaat als kansloos worden uitgesloten. De rechtbank zal daarom gelasten dat verdachte ter beschikking wordt gesteld onder de hierna in het dictum vermelde voorwaarden.

De maatregel van terbeschikkingstelling wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Ter voorkoming van herhaling van ernstige delicten die de lichamelijke integriteit van anderen kunnen aantasten, zal de rechtbank op de voet van artikel 38 lid 6 Wetboek van Strafrecht bepalen dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

Benadeelde partij

Ten aanzien van parketnummer 18/083743-17, feiten 1 en 2

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 400,00 ter vergoeding van immateriële schade vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft in verband met de bepleite vrijspraak aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen. De raadsman heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot het geval dat de rechtbank tot een bewezenverklaring komt.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 18/083743-17 onder 1 en 2 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte onvoldoende door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 6 mei 2017.

Nu vast staat dat verdachte aansprakelijk is tot de hiervoor genoemde schade ter hoogte van € 400,00 die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk vonnis van 10 juni 2015 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, is verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 3 jaren. De proeftijd is ingegaan op 24 juni 2015 en liep tot 22 juni 2018. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

De officier van justitie heeft bij vordering van 27 juni 2017 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf omdat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan een of meer strafbare feiten, zoals tenlastegelegd in de dagvaarding met parketnummer 18/083743-17.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen omdat het van groot belang is dat verdachte wordt behandeld voor zijn problematiek.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen.

Oordeel van de rechtbank

Nu veroordeelde de bewezenverklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijd, kan de vordering in beginsel worden toegewezen. Gelet op het belang dat verdachte wordt behandeld voor zijn problematiek, acht de rechtbank de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf niet opportuun. Een tenuitvoerlegging van 2 maanden gevangenisstraf staat een voortgang van de behandeling in Hoeve Bosschoord in de weg, nu de kans groot is dat veroordeelde zijn straf buiten voornoemde inrichting zal moeten uitzitten. De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie dan ook afwijzen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 38, 38a, 157, 282, 285, 300, 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder parketnummer 18/138769-18 ten laste gelegde, het onder parketnummer 18/108021-17 ten laste gelegde en het onder parketnummer 18/083743-17 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 2 dagen.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Beveelt dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en stelt ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de volgende voorwaarden:

1. Verdachte maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;

2. Verdachte werkt mee aan reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in dat:

- Verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;

- Verdachte laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van verdachte vast te stellen;

- Verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan

aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te

helpen bij het naleven van de voorwaarden;

- Verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;

- Verdachte werkt mee aan huisbezoeken, indien aan de orde;

- Verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;

- Verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.

- Verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met verdachte, als dat van belang is voor het toezicht;

3. Verdachte werkt mee aan een time-out in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling, als de reclassering dat nodig vindt. Deze time-out duurt maximaal 7 weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal 7 weken, tot maximaal 14 weken per jaar;

4. Verdachte gaat niet naar het buitenland of naar de Nederlandse Antillen, zonder toestemming van het Openbaar Ministerie;

5. Verdachte werkt mee aan een klinische opname binnen Trajectum of een soortgelijke zorginstelling. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling.

6. Verdachte verblijft, aansluitend op de klinische opname, indien geïndiceerd door de reclassering, in een nader te bepalen begeleide woonvorm. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

7. Verdachte gebruikt geen alcohol en werkt mee aan controle op dit alcoholverbod. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd. Mogelijke controlemiddelen zijn urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest);

8. Verdachte werkt mee aan controles, de reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;

9. Verdachte zet zich in voor het hebben en behouden van dagbesteding passend bij zijn draagkracht en mogelijkheden;

10. Verdachte geeft inzage in zijn sociale contacten.

Beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Ten aanzien van parketnummer 18/083743-17, feiten 1 en 2

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 400,- (zegge: vierhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2017.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] te betalen een bedrag van € 400,- (zegge: vierhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2017, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 0 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/044584-15:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 10 juni 2015.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H.A. Fransen, voorzitter en mr. M.A.M. Wolters en mr. M. van den Steenhoven, rechters, bijgestaan door mr. L. Lamers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 september 2019.

Mr. M.A.M. Wolters is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.