Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:4032

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-09-2019
Datum publicatie
27-09-2019
Zaaknummer
C/18/193773 PR RK 19-282
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Rekestprocedure
Wraking
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek. Verzoeker stelt in de strafzaak dat hij niet betrokken is bij het ten laste gelegde feit en verzoekt dat daarover een getuige wordt gehoord. De strafkamer heeft bij de afwijzing van dit verzoek overwogen dat er voldoende aanwijzingen zijn voor betrokkenheid van verzoeker bij het tenlastegelegde en dat verzoeker daarom geen verdedigingsbelang heeft bij het horen van de getuige. Kennelijk heeft de strafkamer de overtuiging dat verzoeker, ondanks zijn ontkenning, betrokken is bij het tenlastegelegde. De strafkamer heeft hiermee de schijn van vooringenomenheid over het daderschap gewekt terwijl de inhoudelijke behandeling ter zitting nog niet heeft plaatsgehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

zaaknummer: C/18/193773 / PR RK 19-282

beslissing van de meervoudige kamer van 24 september 2019

op het verzoek van

[naam], verzoeker

(gemachtigde: mr. J.A.M. Kwakman),

tot wraking van

mr. H.J. Schuth en mr. R.R. van der Heide, rechters.

Procesverloop

Bij brief van 19 augustus 2019 is namens verzoeker een verzoek ingediend tot wraking van

bovengenoemde rechters, beiden rechter in de afdeling strafrecht van deze rechtbank, in de procedure met parketnummer 18/830088-19, waarin verzoeker als verdachte is gedagvaard.

Bij brief van 20 augustus 2019 hebben de rechters medegedeeld niet in de wraking te berusten.

Het verzoek is ter zitting van 17 september 2019 door de wrakingskamer behandeld.

Verzoeker is, met kennisgeving, niet in persoon verschenen, maar wel werd hij vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

De rechters zijn, met kennisgeving, niet verschenen.

Namens het Openbaar Ministerie is de officier van justitie mr. N. Tromp verschenen.

Overwegingen

wettelijke bepalingen

1. Ingevolge artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie iedere rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Ingevolge artikel 513, eerste lid, wordt het verzoek gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.

Ingevolge het tweede lid geschiedt het verzoek schriftelijk en is het gemotiveerd. Tijdens de rechtszitting kan het ook mondeling geschieden.

Ingevolge het derde lid moeten tegelijk alle feiten en omstandigheden worden voorgedragen.

feiten

2.1.

Verzoeker wordt strafrechtelijk vervolgd in verband met betrokkenheid bij (poging tot) inbraak en het bezit van een vuurwapen. In dat verband heeft op 25 juli 2019 de meervoudige strafkamer van deze rechtbank, bestaande uit onder meer mrs. Schuth (als voorzitter) en Van der Heide een zitting gehouden. Verzoeker is niet op die zitting verschenen. Een kantoorgenote van verzoekers gemachtigde was aanwezig en heeft verklaard uitdrukkelijk door verzoeker te zijn gemachtigd hem ter terechtzitting te verdedigen.

2.2.

Namens verzoeker heeft zij de strafkamer verzocht om medeverdachte [A] als getuige te horen.

2.3.

Na beraadslaging heeft de voorzitter medegedeeld dat de rechtbank dat verzoek afwijst. Die beslissing is, blijkens het proces-verbaal van die zitting, als volgt toegelicht: ‘Uit het proces-verbaal van identificatie n.a.v. DNA-sporen d.d. 5 juli 2019 blijkt dat het DNA van verdachte is aangetroffen op het magazijn van één van de in beslag genomen vuurwapens, te weten een doorgeladen Walther P99. Gelet op het voorgaande zijn er voldoende aanwijzingen voor de betrokkenheid van verdachte bij de ten laste gelegde feiten. De rechtbank is derhalve van oordeel dat er thans geen verdedigingsbelang aanwezig is om medeverdachte [A] als getuige te horen over de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde’.

De rechtbank heeft het onderzoek geschorst tot de terechtzitting van 17 oktober 2019.

2.4.

Op 14 augustus 2019 heeft de gemachtigde van verzoeker de inhoud van het proces-verbaal met verzoeker besproken in de penitentiaire inrichting waarin verzoeker op dat moment gedetineerd was.

ontvankelijkheid

3. In de eerste plaats dient beoordeeld te worden of het verzoek, overeenkomstig artikel 513, eerste lid, van de Sv, is gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.

4.1.

De rechtbank gaat ervan uit dat verzoeker niet eerder van de inhoud van het proces-verbaal op de hoogte is geraakt dan op 14 augustus 2019 (zie 2.4.).

4.2.

De gemachtigde van verzoeker heeft het verzoek vervolgens ingediend op 19 augustus 2019. Ter zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat zij na de bespreking met verzoeker op 14 augustus 2019 dezelfde week overleg heeft gevoerd met een kantoorgenoot over de vraag of zij inderdaad een wrakingsverzoek zou moeten indienen, juist omdat tot indiening van een dergelijk verzoek niet lichtvaardig moet worden overgegaan, dat om diezelfde reden het verzoek zorgvuldig diende te worden geformuleerd en dat zij het verzoek op maandagochtend 19 augustus 2019 vroeg heeft ingediend.

4.3.

De rechtbank overweegt dat blijkens de wetsgeschiedenis voor de bewoordingen van artikel 513, eerste lid, van de Sv, is gekozen om misbruik van de mogelijkheid om een wrakingsverzoek in te dienen zoveel mogelijk te vermijden in verband met een goede voortgang van de procedure en een eerlijke bejegening van de betrokken rechter.

4.4.

Gelet op de toelichting van de gemachtigde (zie 4.2.), de vereisten van het tweede en derde lid van artikel 513 van het Sv, en mede omdat de vervolgbehandeling van de zaak niet eerder dan op 17 oktober 2019 is geagendeerd, acht de rechtbank de periode van bezinning voordat is overgegaan tot de indiening van het verzoek, geen beletsel voor de ontvankelijkheid van het verzoek.

inhoudelijk

5.1.

Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1413) overweegt de rechtbank dat bij de beoordeling van een verzoek tot wraking voorop dient te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, en dat slechts als zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens de verdachte of het openbaar ministerie een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte of het openbaar ministerie dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is, dit vermoeden moet wijken.

5.2.

In genoemd arrest heeft de Hoge Raad voorts overwogen dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich evenzeer ertegen dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.

6.1.

Verzoeker stelt in de strafzaak dat hij niet betrokken is geweest bij de ten laste gelegde (poging tot) inbraak en dat hij in het belang van zijn verdediging wenst dat genoemde getuige wordt gehoord.

6.2.

Verzoeker heeft aangevoerd dat dit wrakingsverzoek niet moet worden gezien als een verkapt appel tegen de afwijzing van het verzoek om een getuige te horen. Het gaat om de motivering van de afwijzing van het verzoek. Die motivering wekt de indruk, volgens verzoeker, dat de rechters niet onpartijdig en onbevangen naar zijn zaak (zullen) kijken waardoor hij geen eerlijk proces krijgt.

6.3.

De strafkamer heeft bij de afwijzing van dat verzoek onder meer overwogen dat er voldoende aanwijzingen zijn voor de betrokkenheid van verzoeker bij de ten laste gelegde feiten en derhalve van oordeel te zijn dat er geen verdedigingsbelang aanwezig is om medeverdachte [A] als getuige te horen.

6.4.

De rechtbank overweegt dat uit deze motivering volgt dat de strafkamer kennelijk de opvatting is toegedaan dat verzoeker, zijn ontkenning ten spijt, betrokken is geweest bij de hem tenlastegelegde feiten. Aldus is naar het oordeel van de rechtbank door de strafkamer de schijn van vooringenomenheid gewekt met betrekking tot het daderschap van verzoeker terwijl het inhoudelijk onderzoek naar de tenlastegelegde feiten ter zitting nog niet had plaatsgehad. Het verzoek tot wraking van de rechters die beiden deel uitmaken van de strafkamer wordt daarom toegewezen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    wijst het verzoek tot wraking toe;

  • -

    beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker,

aan mrs. Schuth en Van der Heide en aan het Openbaar Ministerie.

Aldus gegeven door mrs. P.J. Duinkerken, voorzitter, Th.A. Wiersma en A.F. Gerding, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Hulst als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 september 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen de beslissing staat geen rechtsmiddel open.