Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:401

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
05-02-2019
Datum publicatie
06-02-2019
Zaaknummer
18-820474-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor diefstallen en lokaalvredebreuk. De rechtbank heeft aan verdachte de ISD-maatregel opgelegd voor de duur van twee jaren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 138
Wetboek van Strafrecht 310
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18-820474-18

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/820323-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 5 februari 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] ,

thans verblijvende te P.I. Leeuwarden, Holstmeerweg 7 te Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 januari 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.L.P. Fauser, advocaat te Delfzijl.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 17 november 2018 te Groningen met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen 2 flessen Port en/of 2 flessen

New Moonshiners en/of 2 four-pack's Bacardi Cola, alhans een hoeveelheid

alcohlhoudende drank, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan het winkelbedrijf [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte;

2.

hij op of omstreeks 17 november 2018 te Groningen

in het besloten lokaal [straatnaam] (winkelpand [benadeelde partij] ) bij het winkelbedrijf

[benadeelde partij] ,

althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik

wederrechtelijk is binnengedrongen

immers was hem, verdachte, met ingang van 25 mei 2018 schriftelijk de

toegang tot dat pand van de [benadeelde partij] ontzegd voor de duur van een jaar;

3.

hij op of omstreeks 28 juni 2018 te Groningen met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening (in/uit een woning aan de [straatnaam]) heeft

weggenomen een jas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van de stukken in het dossier gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1, 2 en 3.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1, nu verdachte niet heeft gehandeld met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, omdat hij de goederen nog wilde afrekenen. Met betrekking tot feit 3 heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte eveneens dient te worden vrijgesproken, nu de jas die verdachte heeft gepakt, zijn eigen jas betreft.

De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd omtrent de bewijsbaarheid van feit 2.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Ten aanzien van feit 1

1. De door verdachte op de terechtzitting van 22 januari 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik ben op 17 november 2018 in de [benadeelde partij] te Groningen geweest. Ik heb spullen in mijn tas gestopt.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 17 november 2018, opgenomen op pagina 15 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-20188303234 d.d. 19 november 2018, inhoudende als verklaring van [medewerker] , namens [benadeelde partij] :

Ik ben namens het slachtoffer gerechtigd tot het doen van aangifte. Zie bijgevoegd landelijk aangifteformulier.

3. Een schriftelijk stuk, te weten een landelijk aangifteformulier winkeldiefstal, opgenomen op pagina 17 e.v. van voornoemd dossier en ondertekend door [medewerker] :

Op 17 november 2018 heeft [medewerker] gezien dat meneer allerlei spullen in een [benadeelde partij] tas doet. Meneer zet zijn mandje bij de bananen neer en loopt met de tas vol goederen langs de kassa.

In de tas gevonden: Bacardi Rumco 4pack, Moonshiners Rum, Moonshiners Vodka, Porta Cruz Ruby, Quevedo Rose Port.

De persoon gaf op te zijn: [verdachte] .

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 november 2018, opgenomen op pagina 23 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Op 18 november 2018 keek ik, verbalisant [verbalisant] , beelden uit van een winkeldiefstal welke gepleegd was op zaterdag 17 november 2018 bij de supermarkt [benadeelde partij] te Groningen. Ik zag dat de voor mij ambtshalve bekende [verdachte] omstreeks 21:30:56 uur de winkel komt binnenlopen. Ik zag op de beelden dat hij omstreeks 21:33:05 uur langs kassa 4 in de [benadeelde partij] liep. Ik zag dat hij geen goederen ter betaling aanbood en de kassa voorbij liep. Ik zag dat hij een plastic [benadeelde partij] tas in zijn rechterhand droeg, uit het zicht van de kassamedewerker.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende. Uit de hiervoor vermelde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte op 17 november 2018 de [benadeelde partij] te Groningen binnen is gegaan met een lege plastic tas. Hij heeft vervolgens deze plastic tas in de [benadeelde partij] gevuld met alcoholische dranken en heeft zich met deze tas richting de uitgang begeven. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door de alcoholische dranken in de meegebrachte tas te doen en vervolgens voorbij de kassa’s te lopen, deze goederen buiten de macht van de rechthebbende heeft gebracht en zich de goederen op dat moment wederrechtelijk heeft toegeëigend. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij nog niet langs de kassa was en de goederen alsnog wilde betalen gelet op de bewijsmiddelen in het dossier onaannemelijk. Naar het oordeel van de rechtbank is er, gelet op het hiervoor overwogene, sprake van een voltooide diefstal.

Ten aanzien van feit 2

1. De door verdachte op de terechtzitting van 22 januari 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik ben op 17 november 2018 in de [benadeelde partij] te Groningen geweest. Ik heb eerder wel een brief uitgereikt gekregen over een ontzegging om winkels in te mogen, maar ik heb niet getekend voor ontvangst en de brief niet gelezen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 17 november 2018, opgenomen op pagina 26 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-20188303234 d.d. 19 november 2018, inhoudende als verklaring van [medewerker] , namens [benadeelde partij] :

Ik ben namens het slachtoffer gerechtigd tot het doen van aangifte. Zie het afzonderlijk opgemaakt aangifteformulier van huisvredebreuk.

3. Een schriftelijk stuk, te weten een aangifteformulier huisvredebreuk, opgenomen op pagina 28 e.v. van voornoemd dossier en ondertekend door [medewerker] :

Op 17 november 2018 te [benadeelde partij] Groningen heb ik de genoemde persoon aangehouden als verdacht van overtreding van artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht. Deze persoon gaf mij op te zijn: [verdachte] . Aangever verklaart gerechtigd te zijn tot het doen van aangifte en verklaart dat de genoemde persoon zich wederrechtelijk in voornoemd perceel ophield.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 november 2018, opgenomen op pagina 31 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant(en):

Aan verdachte is sinds 25 mei 2018 een ontzegging opgelegd voor alle vestigingen van de [benadeelde partij] in de stad Groningen. Deze is geldig voor de duur van 1 jaar.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan lokaalvredebreuk.

Ten aanzien van feit 3

1. De door verdachte op de terechtzitting van 22 januari 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik ben op 28 juni 2018 in de woning aan de [straatnaam] te Groningen geweest. Ik heb een jas gepakt en meegenomen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 13 juli 2018, opgenomen op pagina 12 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PLOl00- 2018164905 d.d. 1 augustus 2018, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

Op 27 juni 2018 heb ik mijn jas, een zwarte Arc'teryx outdoorjas, op de

kapstok in mijn woning aan de [straatnaam] gehangen. Op donderdag 28 juni 2018, omstreeks 14.45 uur zag ik dat mijn zwarte jas niet meer op de kapstok hing.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende. Verdachte heeft tijdens het verhoor bij de politie verklaard dat hij de jas niet gestolen kon hebben omdat hij die dag in Leeuwarden was. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij wel een jas uit de woning heeft gepakt, maar dat dit zijn eigen jas betreft. De rechtbank constateert dat verdachte aldus verschillende verklaringen heeft afgelegd omtrent zijn betrokkenheid bij de diefstal van de betreffende jas. Deze verklaringen zijn voorts op geen enkele wijze door verdachte onderbouwd, noch blijkt overigens van enige ondersteuning van (een van) zijn stellingen. Integendeel, verdachte is niet in staat uit eigen wetenschap het adres waar de jas zich bevond te noemen, noch kan hij aangeven wie de bewoners van de woning zijn, terwijl hij aangeeft daar vaak te komen. Op grond van het voorgaande, en gelet op de aangifte, is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet zijn eigen jas, maar de jas van aangever heeft meegenomen, en zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. hij op 17 november 2018 te Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 2 flessen Port, 2 flessen New Moonshiners en 2 four-packs Bacardi Cola toebehorende aan het winkelbedrijf [benadeelde partij] ;

2. hij op 17 november 2018 te Groningen in het besloten lokaal [straatnaam] (winkelpand [benadeelde partij] ) bij het winkelbedrijf [benadeelde partij] wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 25 mei 2018 schriftelijk de toegang tot dat pand van de [benadeelde partij] ontzegd voor de duur van een jaar;

3. hij op 28 juni 2018 te Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (uit een woning aan de [straatnaam]) heeft weggenomen een jas toebehorende aan [slachtoffer] .

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. diefstal;

2. in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen;

3. diefstal.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Motivering van de maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat ter zake van de feiten 1, 2 en 3 aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) wordt opgelegd voor de duur van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor een andere afdoening dan door de officier van justitie is gevorderd. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte bij een bewezenverklaring voldoet aan de voorwaarden voor het opleggen van de ISD-maatregel. Gelet op het feit dat verdachte weigert mee te werken aan hulpverlening, zal het opleggen van deze maatregel echter neerkomen op twee jaren kale opsluiting. De raadsvrouw heeft gepleit voor oplegging van een gevangenisstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van de reclassering, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstallen en lokaalvredebreuk. Naast dat dit kwalijke feiten zijn, veroorzaken zij ook veel hinder voor de gedupeerden. De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte eerder meerdere malen onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

De rechtbank zal aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opleggen. Verdachte voldoet aan de voorwaarden voor het opleggen van de ISD-maatregel, zoals gesteld in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht. De door verdachte begane feiten betreffen misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, verdachte is in de vijf jaren voorafgaand aan deze misdrijven ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf veroordeeld en het feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Voorts moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan, en de veiligheid van personen of goederen eist het opleggen van de maatregel.

De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen het advies dat op 20 december 2018 is uitgebracht door Reclassering Leger des Heils onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het recidiverisico is, ondanks ingezette interventies, onverminderd hoog gebleven. Wij adviseren een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Wij komen tot dit advies gezien het ontbreken van motivatie voor intensieve begeleiding c.q. behandeling om de recidivekans in te perken, gecombineerd met ervaringen in de afgelopen jaren dat de mogelijkheden binnen een voorwaardelijk (ambulant) kader ontoereikend zijn. Er resteert alleen nog een meer dwingend kader, waarbij verdachte de kans krijgt om binnen een gestructureerde setting een maatschappelijk aanvaardbaar bestaan op te bouwen, maar er bij onvoldoende medewerking of een terugval wel direct kan worden teruggevallen op het justitiële kader van een ISD-maatregel.

Gelet op bovenstaande acht de rechtbank oplegging van de ISD-maatregel ter beveiliging van de maatschappij en ter beëindiging van de recidive van de verdachte, niet alleen aangewezen, maar ook passend en geboden. Dat verdachte niet gemotiveerd is en heeft aangegeven niet te willen meewerken, staat aan het opleggen van deze maatregel niet in de weg. De rechtbank zal de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen. Om de maximale termijn van twee jaren optimaal te kunnen benutten zal de rechtbank geen aftrek toepassen van het door verdachte ondergane voorarrest.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 150,- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard, nu deze onvoldoende is onderbouwd omdat er geen bonnen of andere bewijsstukken zijn aangevoerd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft eveneens bepleit dat vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Oordeel van de rechtbank

Hoewel voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezen verklaarde, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte daarvan te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk vonnis van 6 juni 2018 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Groningen, is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 dagen, waarvan 19 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 21 juni 2018. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen. De officier van justitie heeft bij vordering van 27 december 2018 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.

De hiervoor onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten zijn door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.

Ter terechtzitting van 22 januari 2019 heeft de officier van justitie afwijzing van de vordering gevorderd.

Gelet op het feit dat de ISD-maatregel wordt opgelegd, acht de rechtbank de tenuitvoerlegging van bovengenoemde voorwaardelijk opgelegde straf niet proportioneel en zinvol. De rechtbank zal daarom de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38m, 38n, 57, 63, 138, 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1, 2 en 3 laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Ten aanzien van 18-820474-18, feit 3:

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/820323-18:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 6 juni 2018.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schuth, voorzitter, mr. L.W. Janssen en mr. R. Baluah, rechters, bijgestaan door mr. S. Fokkert, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 februari 2019.