Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:3916

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-09-2019
Datum publicatie
18-09-2019
Zaaknummer
LEE 19/367 en LEE 19/373
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor een consumentenvuurwerkopslagplaats tot 10.000 kg met verkooppunt op een bedrijventerrein.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 19/367 en LEE 19/373

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 september 2019 in de zaken tussen

1. de besloten vennootschap "Parkmanagement B.V", gevestigd te Emmen, (hierna: Parkmanagement BV)

(gemachtigde H.G. Idema),

2. [de Wijkvereniging]gevestigd te Emmen, (hierna: de Wijkvereniging)

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen, verweerder

(gemachtigden: E. Boksebeld-de Jong en M.A. de Jonge).

Als derde partij neemt aan het geding deel: de besloten vennootschap "Lowbudget 2 Chance BV", gevestigd te Emmen (hierna: vergunninghouder)

(gemachtigde: ing. F.C.J.H. Köhler).

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder voor de activiteit "bouwen" en voor de activiteit "handelen in strijd met de regels van ruimtelijke ordening" een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een consumentenvuurwerkopslagplaats tot 10.000 kg met vuurwerkverkooppunt op het perceel Handelsweg 2 te Emmen (hierna: het perceel).

Tegen dit besluit hebben de Wijkvereniging en de Vereniging Parkmanagement Bedrijventerrein Emmen afzonderlijk bezwaar gemaakt.

Bij afzonderlijke besluiten van 20 december 2018 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

Parkmanagement BV en de Wijkvereniging hebben tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar van de Vereniging Parkmanagement Bedrijventerrein Emmen respectievelijk het bezwaar van de Wijkvereniging beroep ingesteld. Deze beroepen zijn geregistreerd onder kenmerk LEE 19/367 respectievelijk LEE 19/373.

Met toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is vergunninghouder door de rechtbank in de gelegenheid gesteld als partij aan de gedingen deel te nemen. Van die gelegenheid heeft vergunninghouder gebruik gemaakt. Bij brief van 1 1 maart 2019 heeft vergunninghouder een reactie ingediend.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Beiden beroepen zijn gevoegd behandeld op de zitting van 4 juni 2019. De Wijkvereniging, Parkmanagement BV en verweerder zijn verschenen bij hun gemachtigde(n). Vergunninghouder is vertegenwoordigd door [gemachtigde 2] , bijgestaan door de gemachtigde van vergunninghouder.

Overwegingen

Ontvankelijkheid beroep Parkmanagement BV

1. De rechtbank ziet zich eerst ambtshalve gesteld voor de vraag of Parkmanagement BV in haar beroep ontvangen kan worden. Die vraag beantwoordt de rechtbank bevestigd.

Vast staat dat Parkmanagement BV niet op eigen naam bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit. Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij - voor zover hier van belang- geen bezwaar heeft gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is Parkmanagement BV dusdanig verweven met de Vereniging Parkmanagement Bedrijventerrein Emmen dat het door die vereniging gemaakte bezwaar ook geacht moet zijn namens Parkmanagement BV gemaakt te zijn. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de Vereniging Parkmanagement Bedrijventerrein Emmen enig aandeelhouder is van Parkmanagement BV en Idema zowel (directeur) bestuurder is van die vereniging als van Parkmanagement BV.

Inleiding

2.1

Vergunninghouder exploiteert in het pand aan de Handelsweg 2 te Emmen een kringloopwinkel. Op 21 maart 2018 heeft vergunninghouder een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend om in het pand tevens een bewaarplaats, bufferbewaarplaats en verkoopruimte te realiseren ten behoeve van het opslaan, ompakken, verkopen van consumentenvuurwerk. Daarnaast heeft vergunninghouder voor die nieuwe bedrijfsactiviteiten een melding op grond van het Activiteiten- en het Vuurwerkbesluit gedaan. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij in de bewaarplaats 6880 kg en in de bufferbewaarplaats 1956 kg aan consumentenvuurwerk zal bewaren.

2.2

Bij het primaire besluit heeft verweerder voor het realiseren van een vuurwerkbewaarplaats met verkooppunt overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlagen, waaronder een situatie- en constructie- tekening, een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit "bouwen" en voor de activiteit "handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening". Daartoe is overwogen dat de in artikel 2.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) genoemde gronden om de vergunning voor de activiteit "bouwen" te weigeren zich niet voordoen. Verder bestaat bij verweerder geen ruimtelijke bezwaar tegen vestiging van de aangevraagde consumentenvuurwerkopslagplaats met verkooppunt op het perceel. Daarbij wijst verweerder erop dat het uitgangspunt van het gemeentelijk beleid is dat een consumentenvuurwerkopslag plaats vindt op een bedrijventerrein en dat in dit geval geen belemmeringen bestaan voor vestiging van de aangevraagde consumentenvuurwerkopslagplaats met verkooppunt op het perceel. Voldaan is namelijk aan de eisen van het Vuurwerkbesluit en verder is de detailhandel beperkt tot maximaal drie dagen per jaar, aldus verweerder.

2.3

De tegen het primaire besluit gemaakte bezwaren zijn op 30 oktober 2018 op de hoorzitting van de commissie van advies voor de bezwaarschriften (hierna: de commissie) behandeld. In haar advies van 27 november 2018 heeft de commissie geconcludeerd dat verweerder in het primaire besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat vestiging van de vergunde consumentenvuurwerkopslagplaats op het perceel planologisch passend is te achten, gezien de ruimtelijke uitstraling daarvan op de directe omgeving. De commissie adviseert verweerder het primaire besluit te heroverwegen.

2.4

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit, onder aanvulling van de motivering, gehandhaafd. Naar de mening van verweerder is vestiging van de onderhavige consumentenvuurwerkopslag met verkooppunt op het perceel niet in strijd met de goede ruimtelijke ordening. Daarbij acht verweerder van belang dat het plan voldoet aan de afstandsnormen tot andere bedrijven en aan de eisen van het Vuurwerk- en Activiteitenbesluit, zoals de daarin opgenomen brandweer-, bouwkundige- en constructie- eisen. Op de naleving van die eisen zal ook in de toekomst worden toegezien. Daarnaast heeft verweerder bij het bestreden besluit betrokken dat niet is gebleken dat andere bedrijven in hun bedrijfsvoering worden beperkt, noch dat hun concurrentiepositie in geding komt. Voorts wijst verweerder erop dat opslag en verkoop van consumentenvuurwerk bedrijfsmatig onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, nu strenge eisen worden gesteld aan het vervoer van consumentenvuurwerk en combinatie van opslag en verkoop van vuurwerk het aantal vervoersbewegingen beperkt.

2.5

De Wijkvereniging en Parkmanagement BV zijn het niet eens met de door hen bestreden besluiten, voor zover die zien op de verleende omgevingsvergunning voor de activiteit "handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening". De rechtbank zal hierna ingaan op de door hen aangevoerde gronden en haar beoordeling van die gronden afsluiten met een conclusie.

De gevolgde procedure

3. De Wijkvereniging betoogt dat verweerder haar voorafgaand aan de vergunningverlening op grond van de Verordening overlegstructuur gemeenten Emmen 2016 (hierna: de Verordening) had moeten betrekken bij zijn besluitvorming. Nu het bieden van overleg geen onderdeel uitmaakt van de onderhavige vergunningprocedure kan het niet nakomen van een verplichting op grond van de Verordening geen gevolgen hebben voor de rechtmatigheid van de gevolgde vergunningprocedure. Steun voor dit standpunt ziet de rechtbank in de uitspraak van 30 mei 2012 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:BW6963). Beantwoording van de vraag of verweerder in strijd met de Verordening heeft gehandeld kan om die reden onbeantwoord blijven. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de Wijkvereniging in bezwaar in de gelegenheid is gesteld haar standpunten schriftelijk en mondeling naar voren te brengen.

Omgevingsvergunning voor de activiteit "handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening"

4.1.1

Op het perceel rust ingevolge het bestemmingsplan Barger-Oosterveld, vastgesteld bij besluit van 18 december 2008, de bestemming Bedrijventerrein met aanduiding BT (3).

Zulke gronden zijn onder meer op grond van artikel 7.1, onderdeel b, van de planvoorschriften bedoeld voor bedrijven in de milieucategorieën 1, 2, en 3.1 en 3.2, zoals bedoeld in de bijgevoegde Staat van inrichtingen, bijlage 2, met uitzondering van risicovolle inrichtingen met een plaatsgebonden risicocontour van 10-6/ jaar, geluidzoneringsplichtige inrichtingen, zoals bedoeld in het Inrichting- en vergunningenbesluit milieubeheer, en vuurwerkbedrijven. Onder een vuurwerkbedrijf wordt ingevolge artikel 1 nr. 85 van de planvoorschriften verstaan een bedrijf dat is gericht op de vervaardiging of assemblage van vuurwerk of de handel in vuurwerk, c.q. de opslag van vuurwerk en/of de daarvoor benodigde stoffen.

Voormelde gronden zijn op grond van artikel 7.1, onderdeel c, van de planvoorschriften ook bestemd voor detailhandel voor ABC goederen (Auto’s, Boten, Caravans) en bijhorende accessoires.

4.1.2

In artikel 7.4 , eerste lid, onderdeel a, van de planvoorschriften is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid toegekend om vrijstelling ter verlenen van het bepaalde in 7.1. letter a en b van de planvoorschriften ten einde toe te staan dat andere bedrijven zich mogen vestigen binnen de voor Bedrijventerrein (BT) bestemde gronden, die in aard en omvang gelijk zijn aan de milieucategorie van de bedrijven, volgens de bestemmingsplankaart overeenkomstig de bijgevoegde staat van bedrijven (bijlage 2), met uit uitzondering van detailhandels bedrijven, bedrijven met een risicocontour van 10-6/ jaar, geluidzoneringsplichtige inrichtingen, zoals bedoeld in het Inrichting- en vergunningenbesluit milieubeheer, en vuurwerkbedrijven.

4.2

Vast staat dat het bestemmingsplan op het perceel noch detailhandel in consumentenvuurwerk noch een consumentenvuurwerkopslagplaats toestaat. Anders dan de Wijkvereniging meent, brengt dit verbod niet reeds mee dat de omgevingsvergunning daarom geweigerd moet worden. In de Wabo heeft de wetgever aan verweerder de bevoegdheid gegeven om onder omstandigheden een omgevingsvergunning te verlenen voor activiteiten in strijd met het bestemmingsplan.

4.3

Met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2º, van de Wabo in samenhang met artikel 4, aanhef en onder 9, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht heeft verweerder voor voormelde afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning voor de activiteit "handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening" verleend. In dit geding staat centraal de vraag of verweerder in redelijkheid van die afwijkingsbevoegdheid gebruik heeft mogen maken.

4.4

De rechtbank overweegt dat verweerder een grote mate van beleidsruimte heeft om te beslissen of het al dan niet gebruik zal maken van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan. De rechter toetst of verweerder bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Het gaat daarbij om de ruimtelijke effecten van het plan, in bijzonder op de (negatieve) invloed die het plan in ruimtelijk opzicht op haar omgeving objectief heeft.

Veiligheid

4.5.

Parkmanagement BV en de Wijkvereniging betogen in de eerste plaats dat met de komst van de vergunde consumentenvuurwerkopslagplaats met verkooppunt de veiligheid op het bedrijventerrein en in de nabijgelegen woonwijk om diverse redenen niet voldoende meer is gewaarborgd.

4.6

De Wijkvereniging heeft in dit verband ter zitting erop gewezen dat de door vergunninghouder aangebrachte sprinklerinstallatie onvoldoende bescherming biedt tegen het (verder) ontwikkelen van een brand. Daartoe is erop gewezen dat consumentenvuurwerk chemicaliën bevatten, waardoor brand niet (afdoende) kan worden bestreden door te blussen met water. De rechtbank constateert dat vergunninghouder op grond van het Vuurwerkbesluit om veiligheidsredenen verplicht is de consumentenvuurwerkopslagplaats en het verkooppunt te voorzien met automatische sprinklerinstallaties. De rechtbank ziet in hetgeen door de Wijkvereniging is aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de wetgever daarin een onjuiste keuze heeft gemaakt. De rechtbank betrekt daarbij dat door de Wijkvereniging geen rapport is ingediend waaruit het tegendeel zou blijken.

4.7.1

Parkvereniging BV en de Wijkvereniging wijzen er verder met klem op dat in de directe nabijheid van het perceel wordt gewoond, ook op het bedrijventerrein en wel op het naastgelegen perceel, en dat vuurwerk en wonen niet samen gaat. Verweerder stelt dat de vergunde consumentenvuurwerkopslagplaats met verkoop punt voldoet aan de in het Vuurwerkbesluit opgenomen afstandseisen en dat de veiligheidsregio Drenthe heeft ingestemd met de vestiging op het perceel. Daartoe verwijst verweerder naar de bevindingen van A.J. Bergman, Specialist Risicobeheerder van Veiligheidsregio Drenthe, verwoord in de brieven van 29 mei 2018, 13 augustus 2018 en 26 februari 2019.

4.7.2

Ingevolge artikel 1.2a van Bijlage 3 van het Vuurwerkbesluit moet bij een inrichting waarin, in totaal niet meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk aanwezig mag zijn, een veiligheidsafstand van ten minste 8 meter in acht worden genomen tot een beperkt kwetsbaar of kwetsbaar object en een geprojecteerd beperkt kwetsbaar of kwetsbaar object, gemeten vanaf de bewaarplaats en de bufferbewaarplaats in voorwaartse richting. Onder een "kwetsbaar object" wordt ingevolge artikel 1 van het Vuurwerkbesluit, voor zover hiervan belang, verstaan: een woning, (…) niet zijnde een beperkt kwetsbaar object. Onder "beperkt kwetsbaar object" wordt -voor zover hiervan belang verstaan een woning, (…) gelegen op een locatie met een dichtheid van maximaal twee woningen, woonschepen of woonwagens per hectare, een dienst- of bedrijfswoning van een derde of een kantoorgebouw, niet zijnde een kwetsbaar object of een bedrijfsgebouw, niet zijnde een kwetsbaar object.

4.7.3

Vast staat, en staat tussen partijen ook niet in geschil, dat voldaan is aan de in artikel 1.2a van Bijlage 3 van het Vuurwerkbesluit opgenomen afstandseis. Dit betekent dat de vergunde consumentenvuurwerkopslagplaats op meer dan 8 meter afstand ligt van nabijgelegen rechtens toegestane (bedrijfs)woningen en bedrijfsgebouwen. Het feit dat voldaan wordt aan milieuregelgeving is naar het oordeel van de rechtbank een aanwijzing voor een goed woon-en leefklimaat.

4.7.4

Parkmanagement BV en de Wijkvereniging betwijfelen dat vergunninghouder zich in de toekomst zal houden aan de milieueisen als ook dat verweerder daar adequaat toezicht op zal houden. De rechtbank ziet in dit betoog geen grond voor het oordeel dat verweerder de vergunning om veiligheidsredenen had moeten weigeren nu dit een argument is dat niet ziet op de vergunningverlening maar op de handhaving van de vergunning. Parkmanagement BV en Wijkvereniging hebben overigens geen concrete, objectieve feiten en/of argumenten aangevoerd waaruit blijkt dat ten tijde van het bestreden besluit ernstige betwijfeld moest worden of vergunninghouder zich in de toekomst aan de milieuregels kan en zal voldoen. Dat volgens Parkmanagement BV en de Wijkvereniging vergunninghouder de veiligheidsrisico's te lichtvaardig opvat, nu hij er vanuit gaat dat met de aanwezigheid van een sprinklerinstallatie niets mis kan gaan, is daartoe onvoldoende.

De rechtbank wijst er ten overvloede op dat Parkmanagement BV en de Wijkvereniging een handhavingsverzoek kunnen doen indien vergunninghouder zich niet zou houden aan de milieuregelgeving en dat verweerder heeft aangegeven dat de Regionale Uitvoeringsdienst twee maal per jaar de vuurwerkopslagplaats zal controleren en zo nodig vaker. Die controles worden, aldus verweerder, doorgaans in november en tijdens de verkoopdagen uitgevoerd. Voorts voeren, aldus ook verweerder, toezichthouders van de gemeente Emmen controles uit. De rechtbank kan om die reden Parkmanagement BV en de Wijkvereniging niet volgen in hun stelling dat de toezicht op de naleving ontoereikend is. Parkmanagement BV en de Wijkvereniging hebben ook geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan geconcludeerd moet worden dat ernstig tekortgeschoten wordt in de controle op de naleving van het Vuurwerkbesluit.

4.8

Parkmanagement BV betoogt dat vuurwerk naar zijn aard niet veilig is: het is "tricky" ; het vliegt alle kanten op. De rechtbank stelt dat subjectieve elementen, zoals een negatieve gevoelswaarde bij een zekere gebruik geen rol spelen in de onderhavige besluitvorming. Uit het Vuurwerkbesluit volgt dat uit milieu hygiënisch oogpunt het verantwoord is dat een consumentenvuurwerkopslagplaats tot 10.000 kg op minimaal 8 meter afstand gevestigd wordt op onder meer een (bedrijfs)woning en een bedrijfsgebouw, ervan uitgaande dat aan de overige in het Vuurwerkbesluit gestelde eisen is voldaan. Het Vuurwerkbesluit maakt onder meer onderscheid in consumentenvuurwerk en professioneel vuurwerk. Voor professioneel vuurwerk gelden aanmerkelijk strengere veiligheidseisen wegens de aanmerkelijk grotere veiligheidsrisico’s. In de Nota van Toelichting (Staatsblad 2002, 33 pagina 91) is in dit verband het volgende overwogen:

"Op verzoek van de Minister van VROM hebben de Nederlandse Vereniging van Brandweerkorpsen en het College van Commandanten van Regionale Brandweren advies uitgebracht over de veiligheidsafstanden die bij de opslag van consumentenvuurwerk in acht genomen moeten worden. Het bedoelde advies is ondersteund door het Nederlands Instituut voor Brandweer en Rampenbestrijding (Nibra). In overeenstemming met het advies is de veiligheidsafstand voor de opslag van verpakt consumentenvuurwerk tot ten hoogste 10 000 kg en voor de opslag van onverpakt consumentenvuurwerk tot ten hoogste2 000 kg bepaald op 8 meter. Voor een (buffer)bewaarplaats waar ten hoogste 10 000 kg verpakt dan wel 2 000 kg onverpakt consumentenvuurwerk mag worden opgeslagen, behoeft naar het oordeel van de brandweer geen afstand tot de erfgrens te worden aangehouden. In het ontwerpbesluit was voor een bewaarplaats waar meer dan 1 000 kg verpakt consumentenvuurwerk wordt opgeslagen een afstand voorgeschreven van ten minste 5 meter. Daarnaast is overeenkomstig het advies geen verbod opgenomen ten aanzien van het opslaan van consumentenvuurwerk onder kwetsbare objecten. Ten aanzien van inrichtingen voor het opslaan van meer dan 10 000 kg consumentenvuurwerk zijn de afstanden zoals die in het ontwerpbesluit waren opgenomen, in stand gelaten. Deze afstanden zijn gebaseerd op

onderzoek dat is uitgevoerd door TNO (Richtlijnen voor de opslag en bewerking van vuurwerk, mei 2001 (hierna: TNO-rapport). Voor deze inrichtingen is het verbod om consumentenvuurwerk op te slaan onder kwetsbare objecten gehandhaafd" .

De enkele stelling van Parkmanagement BV dat vuurwerk onveilig is kan daarom niet tot gegrondheid van het beroep leiden.

Bedrijventerrein

4.9.1

Parkmanagement BV stelt zich verder op het standpunt dat een consumentenvuurwerkplaats niet op het bedrijventerrein past, te meer gezien de aard van de bedrijven die in de directe nabijheid van het perceel zijn gevestigd, zijnde en bedrijf met hout- en plaatopslag, een bedrijf dat meer dan 100.000 m3/jaar gasverbruik verbruikt (rechtbank: een bedrijf dat beschuit en koekjes en ander houdbaar banketbakkerswerk vervaardigd), en een groothandelsbedrijf in industriële gassen (waaronder gasflessen). Laatstgenoemd bedrijf heeft bovendien op zijn terrein een opslagtank voor propaangas van 5000 liter, aldus Parkmanagement BV.

4.9.2

Verweerder voert het beleid, verwoord in de Structuurvisie werklocaties Emmen 2020 en de beleidsnota externe veiligheid gemeente Emmen, dat bedrijventerreinen in beginsel de aangewezen locaties zijn voor de vestiging van opslag van consumentenvuurwerk. Aan dit beleidsstandpunt ligt ten grondslag dat het clusteren van risicovolle bedrijven behulpzaam is bij het beheersen van die risico's is. Ten einde evenwel rekening te kunnen houden met de specifieke omstandigheden van het betrokken bedrijventerrein en consumentenvuurwerkopslagplaats zijn in bestemmingsplannen de vestiging van zo'n opslagplaats in het algemeen verboden zodat elk verzoek om vestiging van een consumentenvuurwerkopslagplaats op zijn eigen merites kan worden beoordeeld, aldus verweerder. In dit geval is het verweerder niet gebleken dat bestaande bedrijven op het bedrijven terreinen in hun bedrijfsvoering worden beperkt, noch dat hun concurrentiepositie in geding komt. Dit standpunt heeft Parkmanagement BV noch betwist noch heeft zij feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan aan de juistheid van dat standpunt getwijfeld moet worden.

4.9.3

Gelet op het door verweerder gevoerde beleid en het feit dat dat het gemeentebestuur bij de ruimtelijke invulling van gronden een grote mate van beleidsvrijheid toekomt, ziet de rechtbank in het beroep van Parkmanagement BV en de Wijkvereniging geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vestiging van een consumentenvuurwerkopslagplaats op het perceel in planologische zin passend is te achten.

Verkoop van consumentenvuurwerk

4.10

De Wijkvereniging en Parkmanagement BV betogen tenslotte dat verkoop van consumentenvuurwerk niet past op een bedrijventerrein en in de nabijheid van een woonwijk.

Vast staat dat verweerder het beleid voert om op bedrijventerreinen geen detailhandel toe te staan, behoudens uitzonderingen.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de vergunde detailhandelsactiviteiten niet op één lijn te stellen met gebruikelijke detailhandelsactiviteiten, nu deze slechts op zeer beperkte schaal plaatsvinden, en wel drie dagen per jaar. Onder die omstandigheden heeft verweerder in redelijkheid kunnen concluderen dat uit planologische oogpunt geen bezwaar bestaat tegen verkoop van consumentenvuurwerk op het perceel. Eiseres hebben niet met concrete feiten dan wel argumenten onderbouwd dat als gevolg van de verkoop van consumentenvuurwerk het woon- en leefklimaat van omwonenden dan wel de belangen van de op het bedrijventerrein Barger-Oosterveld reeds gevestigde en te vestigen bedrijven onaanvaardbaar wordt aangetast. Dat tijdens verkoop sprake zal zijn van een toename van verkeer en van parkeerdrukte, is daartoe onvoldoende. Die toename betekent niet dat detailhandel ook zal leiden tot onaanvaardbare hinder. Uit de beschikbare gegevens heeft de rechtbank daartoe ook geen aanwijzingen voor gezien en de vergunninghouder heeft ter zitting verklaard dat klanten gebruik kunnen maken van de parkeerruimte op zijn perceel en dat de klanten zoveel mogelijk over de dag zullen worden verspreid. Daartoe zullen klanten die in de voorverkoop vuurwerk kopen, in de praktijk 70% van zijn klanten, enkel binnen een vast afgesproken uur het vuurkoop kunnen komen afhalen, aldus vergunninghouder.

Conclusie

5.1

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank in het beroep van de Wijkvereniging en de Parkmanagement BV geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid de aangevraagde omgevingsvergunning voor de activiteit "handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening" heeft kunnen verlenen.

5.2

De beroepen zijn ongegrond.

5.3

Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gegeven door mr. R.L. Vucsán, rechter, in tegenwoordigheid van mr. B.M. van der Doef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 september 2019.

Griffier Rechter

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.