Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:3908

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-09-2019
Datum publicatie
17-09-2019
Zaaknummer
18/830035-19
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2020:5447
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de levensberoving van zijn echtgenote en hun ongeboren kind in hun gezamenlijke woning te Leens. Na een woordenwisseling over een in de visie van verdachte ongepaste opmerking van zijn vrouw, is verdachte in woede ontstoken en heeft hij zijn 24 tot 28 weken zwangere vrouw onder meer een gebroken neus toegebracht en haar bij de hals gegrepen, ten gevolge waarvan zij is overleden. Als gevolg van het overlijden van zijn vrouw, is ook hun ongeboren kind om het leven gekomen. Veroordeling voor doodslag gepleegd op zijn vrouw en doodslag gepleegd op zijn ongeboren, levensvatbare, kind. Overwegingen over opzet op de dood van beide slachtoffers en causaliteit. Aanwezigheid eenmalige dissociatieve stoornis niet aannemelijk geworden. Meerdaadse samenloop. Bij verdachte is geen stoornis vastgesteld. Verdachte wordt als volledig toerekeningsvatbaar aangemerkt. Oplegging van een gevangenisstraf van 14 jaren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-1153
NJFS 2019/291
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830035-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 17 september 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd in de P.I. Leeuwarden te Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 juni 2019, 27 augustus 2019 en 3 september 2019.

Verdachte is op 4 juni 2019 en 27 augustus 2019 verschenen, bijgestaan door mr. M.C. van Linde, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie is op 4 juni 2019 en 27 augustus 2019 ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.E. Eijzenga.

Tenlastelegging

Aan verdachte is na nadere omschrijving van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 27 februari 2019 tot en met 28 februari 2019 te Leens,

gemeente Het Hogeland, opzettelijk zijn echtgenote, [slachtoffer 1] en haar kind (die zich op dat moment nog als ongeboren/levensvatbare vrucht in de buik van de moeder, [slachtoffer 1] , bevond) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet

- die [slachtoffer 1] met een (hard) voorwerp en/of met zijn/een vuist(en)/hand(en) (hard) tegen het hoofd en/of in het gezicht geslagen en/of gestoot, althans geweld uitgeoefend op het hoofd en/of in het gezicht van die [slachtoffer 1] , (mede) tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] op de grond of tegen een hard voorwerp ten val is gekomen, en/of

- die [slachtoffer 1] bij de keel/hals gepakt/gegrepen en/of (vervolgens) de keel/hals van die [slachtoffer 1] dichtgedrukt en/of dichtgedrukt gehouden, waardoor die [slachtoffer 1] geen/onvoldoende lucht en/of zuurstof heeft kunnen krijgen, althans smorend en/of samendrukkend en/of botsend geweld op de hals van die [slachtoffer 1] uitgeoefend, en/of

- de neus en/of de mond van die [slachtoffer 1] dichtgedrukt, in elk geval de luchtwegen en/of ademhaling, van die [slachtoffer 1] belemmerd, tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] geen, althans onvoldoende, lucht en/of zuurstof heeft kunnen krijgen, althans smorend en/of samendrukkend en/of afdrukkend geweld op de hals van die [slachtoffer 1] uitgeoefend,

tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] en haar ongeboren kind is/zijn overleden.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor de ten laste gelegde doodslag van zijn echtgenote [slachtoffer 1] en haar ongeboren kind gevorderd. Hij heeft hiertoe het volgende naar voren gebracht. Uit de verklaringen van verdachte, ondersteund door het pathologisch onderzoek, volgt dat verdachte zijn vrouw meermalen heeft geslagen en dat hij met zijn handen haar keel/hals heeft dichtgedrukt, althans daar geweld op heeft uitgeoefend, waardoor zijn vrouw en het ongeboren kind zijn overleden. Gelet op de aard en omvang van het letsel moet ervan uitgegaan worden dat er kracht is gebruikt bij het aanwenden van deze geweldshandelingen. Naar zijn uiterlijke verschijningsvorm is het handelen van verdachte bovendien zozeer gericht op de dood dat het niet anders kan dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn vrouw hierdoor zou overlijden en dat

-noodzakelijkerwijs- ook het ongeboren levensvatbare kind het leven zou laten. Voor het opzet op de dood van het ongeboren kind is van belang dat verdachte wist dat zijn vrouw zwanger was en dat uit het pathologisch onderzoek volgt dat sprake is van een normaal ontwikkelde foetus met een zwangerschapsduur van 24 tot 28 weken. Nu er geen aanwijzingen zijn dat de foetus voorafgaand aan het overlijden van de moeder reeds overleden was, kan het overlijden van de foetus in redelijkheid worden toegerekend aan verdachte. De psychische gesteldheid van verdachte doet niet af aan de aanwezigheid van opzet, nu er bij verdachte in elk geval enig inzicht moet zijn geweest in de draagwijdte en mogelijke gevolgen van zijn handelen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Niet kan worden bewezen dat bij verdachte sprake was van (voorwaardelijk) opzet op de dood van zijn vrouw. Het is niet duidelijk hoe lang en met welke kracht verdachte het slachtoffer heeft vastgepakt, zodat het opzet niet uit de uiterlijke verschijningsvorm kan worden afgeleid. Daarnaast volgt uit de verklaringen van verdachte dat er bij hem op enig moment sprake is geweest van een acute dissociatieve stoornis of tijdelijke bewustzijnsvernauwing, waardoor hij geen of nauwelijks controle over zijn handelingen had. Dat lijkt met name zo te zijn geweest ten aanzien van het op de hals gerichte geweld, terwijl het slaan met de vuist tegen het hoofd of gezicht blijkens het pathologisch onderzoek niet tot de dood heeft geleid. Verdachte zegt dat hij, achteraf gezien, niet meer wist wat hij deed, dat hij zichzelf niet meer in de hand had en dat hij zichzelf heeft verloren in boosheid. Omdat niet bewezen kan worden dat verdachte de verwurgingshandelingen bewust heeft verricht, kan niet worden bewezen dat verdachte de dood van zijn echtgenote willens en wetens heeft aanvaard, zodat hij van de doodslag op zijn echtgenote moet worden vrijgesproken. Ook dient vrijspraak te volgen van de doodslag op zijn ongeboren kind, nu niet kan worden bewezen dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het overlijden van de ongeboren vrucht. Hij heeft in de verhoren op geen enkel moment benoemd dat hij zich ten tijde van de gedragingen bewust is geweest van de gevolgen die zijn handelen zou kunnen hebben op het ongeboren kind, terwijl deze bewustheid evenmin uit aard van het door verdachte gepleegde geweld kan worden afgeleid. Daarnaast kan niet worden bewezen dat bij verdachte, die dacht dat zijn vrouw vijf maanden zwanger was, sprake was van voorwaardelijk opzet op de levensvatbaarheid van de ongeboren foetus.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 27 augustus 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik heb in de avond van 27 februari 2019 in mijn woning in Leens, gemeente Het Hogeland, ruzie gekregen met mijn echtgenote [slachtoffer 1] . Ik was erg boos en heb haar geslagen en zag bloed bij haar neus. Ook heb ik haar bij haar keel gegrepen. Terwijl ik mijn handen om haar keel had, zijn wij gevallen en op de grond terecht gekomen. Ik lag bovenop haar. Op een gegeven moment zag ik veel bloed. Mijn handen zaten ook onder het bloed en er zat bloed op mijn broek. Na afloop van de ruzie lag zij op de grond en stribbelde ze niet meer tegen. Ik zag toen nog wel een enorme beweging in haar buik. Haar armen en benen bewogen toen niet meer. Ik wist dat zij zwanger was en ging hierbij uit van een zwangerschapsduur van ongeveer 5 maanden. Zij was hiervoor nog niet naar een dokter geweest. Het klopt dat de op 28 februari 2019 om 1.13 uur gedane 112-melding van mij afkomstig was.

2. De door de deskundige dr. H.H. de Boer, arts en patholoog, ter terechtzitting van 27 augustus 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik heb sectie verricht op het lichaam van [slachtoffer 1] . Er heeft in ieder geval samendrukkend geweld op de hals plaatsgevonden, hetgeen blijkt uit het letsel in het gelaat en de bindvliezen van de ogen. Voor in de hals is een lijnvormige huidbeschadiging aangetroffen waar een kettinkje in geponst lag. De huidbeschadiging paste bij de vorm van het kettinkje. Op die plaats is sprake geweest van samendrukkend geweld op de hals.

In de baarmoeder van het door mij onderzochte lichaam bevond zich een inmiddels overleden ongeboren foetus. Een ongeboren kind is voor het in leven blijven afhankelijk van de moeder. Als de moeder overlijdt, zal het kind ook overlijden. Dit is slechts anders als het kind binnen korte tijd na het overlijden van de moeder uit de baarmoeder wordt gehaald.

3. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2019.03.01.117, van 21 maart 2019, opgenomen op pagina 239 e.v. van het dossier van de Politie Noord-Nederland met nummer 2019051764 van 29 april 2019, opgemaakt door dr. H.H. de Boer, arts en patholoog, voor zover inhoudend als zijn verklaring:

Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 1995, is het

navolgende gebleken: voorafgaand aan de sectie werd het lichaam middels total body CT-scan onderzocht. Bij de beoordeling werd onder andere een breuk van het neusbeen en een foetus in de baarmoeder gezien.

1. Er waren meerdere letsels in het aangezicht:

- a. Rond de ogen en op de neus was er zwelling en onderhuidse bloeduitstorting. Hierbij waren er op de neus enkele oppervlakkige huidbeschadigingen en was er een breuk van het neusbeen.

- b. Aan de buiten- en binnenzijde van de lippen/mond waren er meerdere bloeduitstortingen en slijmvliesbeschadigingen.

2. Er waren meerdere letsels op/in de hals:

- a. Uitwendig: voorwaarts op de hals waren er in een gebied van ca. 17 x 7 cm meerdere onderhuidse bloeduitstortingen. Deze waren deels onregelmatig en deels meer langwerpig. Hierbij was er ook een dwars op de lengteas van het lichaam gelegen, deels ingedroogde smalle/streepvormige oppervlakkige huidbeschadiging, van ca. 15 x 0,2 cm.

- b. Inwendig; er waren talrijke bloeduitstortingen beiderzijds in de oppervlakkige en diepere halsspieren. Tevens waren er bloeduitstortingen aan o.a. de binnenzijde van de linkerkaak, in de mondbodem, aan de voorzijde van het schildkraakbeen en rondom de hoorntjes van het

strottenhoofd.

3. In het gelaat en in de bindvliezen van de oogleden waren er talrijke stipvormige

bloeduitstortingen (petechiën).

4. Er bleek sprake van een zwangerschap, met in de baarmoeder een voor zover te beoordelen normaal ontwikkelde foetus met een lichaamsgewicht van ca. 845 gram. De voetlengte was ca. 5 cm, passend bij een zwangerschapsduur van ca. 24-28 weken.

Interpretatie van resultaten van de sectie:

Er waren bij sectie meerdere letsels rond de ogen, op de neus en op/in de mond (sub 1). Deze letsels zijn alle bij leven ontstaan. De letsels kunnen enerzijds worden verklaard door uitwendig mechanisch stomp botsend geweld, zoals slaan, stoten of vallen. De letsels op de neus en mond kunnen anderzijds ook (deels) het gevolg zijn van samendrukkend geweld (samen- of/afdrukken van de neus en mond). Indien er sprake is geweest van gelijktijdig afdrukken van de neus en mond kan er belemmering van de luchtwegen en daarmee van de zuurstofvoorziening hebben plaatsgehad. Middels algehele orgaanschade door zuurstoftekort kan dit vervolgens tot de dood leiden (verstikking door smoren).

Ook waren er bij sectie meerdere letsels op/in de hals (sub 2). Ook deze letsels zijn alle bij leven ontstaan. De bevindingen bij letseldatering op twee letsels passen bij letsels die kort (enkele minuten) voor het overlijden zijn ontstaan. Deze letsels zijn -gezien de bevindingen sub 3- tenminste deels het gevolg van samendrukkend geweld op de hals (al dan niet met een structuur). Een deel van de letsels kan ook het gevolg zijn van stomp-botsend geweld op de hals (zoals slaan, vallen afstoten). Samendrukkend geweld op de hals kan de bloedsomloop van de hersenen belemmeren, eventueel met hersenfunctiestoornissen door zuurstoftekort en het overlijden tot gevolg. Samendrukkend en stomp botsend geweld op de hals kunnen ieder ook prikkeling van zenuwknopen in de hals veroorzaken, hetgeen (fatale) hartritmestoornissen ('vagal cardiac arrest') tot gevolg kan hebben. Een andere doodsoorzaak is niet gebleken. Het overlijden wordt derhalve verklaard door smoren, samendrukkend geweld op de hals en/of stomp botsend geweld op de hals. Een combinatie hiervan behoort ook tot de mogelijkheden.

Bij sectie bleek er sprake te zijn van een zwangerschap waarvan de zwangerschapsduur wordt geschat op ca. 24-28 weken (sub 4).

Conclusie: Het overlijden van [slachtoffer 1] , 23 jaren oud, wordt verklaard door smoren, samendrukkend geweld op de hals of stomp botsend geweld op de hals (of een willekeurige combinatie hiervan).

4. Een deskundigenbericht afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2019.03.01.117, van 25 april 2019, opgenomen op p. 258A van voornoemd dossier, opgemaakt door dr. H.H. de Boer, arts en patholoog, voor zover inhoudend als zijn verklaring:

In Nederland wordt bij vroeggeboorte een zwangerschapsduur van 24 weken aangehouden om levensondersteunend te behandelen. Bij de sectie werd een normaal ontwikkelde foetus met een zwangerschapsduur van 24-28 weken vastgesteld. Het betreft in dit geval dus in principe een levensvatbare foetus. Bij het macroscopisch onderzoek van de baarmoeder, de placenta en de navelstreng, alsmede bij de uitwendige schouw van de foetus werden geen afwijkingen gezien en er werden geen aanwijzingen (zoals maceratie) gezien voor het overlijden van de foetus voorafgaand aan het overlijden van de moeder. Dit sluit niet uit dat de foetus kort voor het overlijden van de moeder reeds dood was; tegelijkertijd is er op basis van het onderzoek geen reden om aan te nemen dat de foetus kort voor het overlijden van de moeder reeds dood was.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 28 februari 2019, opgenomen op pagina 33 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :

Op 28 februari 2019, omstreeks 1.24 uur, was ik naar aanleiding van een melding die binnenkwam via "Hartslagnu" in een woning aan de [straatnaam] te Leens. Ik kwam in de slaapkamer waar ik bijna overal op de vloer bloedvlekken en bloedvegen zag. Ik zag een vrouw liggen op de vloer van de kamer. Haar gezicht zat vol bloed. Ik constateerde geen ademhaling bij haar. Ik heb geprobeerd haar te reanimeren.

Bewijsoverwegingen

Inleiding

Uit het dossier en de hierboven opgenomen bewijsmiddelen volgt dat er op 28 februari 2019, omstreeks 1.13 uur, een 112-melding van verdachte is binnengekomen bij de meldkamer. In gebrekkig Nederlands heeft verdachte hierin aangegeven dat zijn vrouw dood is en dat er politie en/of een ambulance naar zijn woning moet komen. Naar aanleiding van deze melding zijn diverse hulpdiensten ter plaatse gegaan. In de echtelijke slaapkamer is vervolgens de vrouw van verdachte, het slachtoffer [slachtoffer 1] , aangetroffen. Tevergeefs werd gepoogd het slachtoffer, van wie geen hartslag meer is geconstateerd, te reanimeren. Na sectie op het overleden slachtoffer bleek dat zich in de baarmoeder van het slachtoffer een ongeboren en inmiddels overleden foetus van ongeveer 24 tot 28 weken bevond.

Doodslag op [slachtoffer 1]

Causaal verband handelingen verdachte en overlijden slachtoffer

Verdachte heeft verklaard dat hij ruzie met het slachtoffer heeft gehad, waarbij hij met haar in een worsteling is gekomen. Hij was erg boos en weet zich nog te herinneren dat hij haar tijdens deze ruzie in het gezicht heeft geslagen en haar bij haar keel heeft gepakt. Toen hij weer "bij zinnen" kwam, lag zij op de grond en zag hij veel bloed.

Bij sectie op het lichaam van het slachtoffer heeft de arts en patholoog geconstateerd dat onder meer sprake was van meerdere letsels in het aangezicht en op en in de hals. Hij heeft geconcludeerd dat het overlijden van het slachtoffer wordt verklaard door samendrukkend geweld op de hals of stomp botsend geweld op de hals (of een willekeurige combinatie hiervan). De dood kan daarnaast worden verklaard door verstikking door smoren, bestaande uit het gelijktijdig afdrukken van de neus en mond. Nu de inhoud van de verklaringen van verdachte geen ondersteuning bieden voor dit scenario, terwijl verdachte wel heeft verklaard over ander door hem uitgeoefend geweld op de hals, zal de rechtbank deze verklaring voor de dood van het slachtoffer buiten beschouwing laten.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het voorgaande wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het slachtoffer door geweldshandelingen van verdachte, bestaande uit het gedurende enige tijd dichtknijpen en/of -drukken van de hals/keel, is overleden.

Opzet op de dood

De raadsman heeft bepleit dat er voldoende aanwijzingen zijn dat bij verdachte sprake is geweest van een eenmalige dissociatieve stoornis, bestaande uit een bewustzijnsvernauwing, en dat zijn handelen daarom niet opzettelijk is geweest.

De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad voor een geval waarin met een beroep op een ernstige geestelijke stoornis bij de verdachte het opzet wordt bestreden, moet worden vooropgesteld dat zo'n stoornis slechts dan aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg staat indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen zou hebben ontbroken. Daarvan zal slechts bij hoge uitzondering sprake zijn.1

In het onderhavige geval heeft verdachte verklaard dat hij het feit in blinde woede heeft gepleegd en dat hij zich niet meer exact kan herinneren wat er zich tijdens de worsteling met zijn vrouw heeft plaatsgevonden. Bij het onderzoek naar de persoon van verdachte hebben de deskundigen geen stoornis kunnen vaststellen. De ter terechtzitting aanwezige deskundige, psychiater M. Braakman, heeft voorts ter terechtzitting verklaard dat onderzoek is gedaan naar de vraag of bij verdachte sprake is van een stoornis met recidiverende impulsdoorbraken of dissociatieve periodes. Nu niet is gebleken dat verdachte eerder in een dergelijke toestand heeft verkeerd, kan reeds daarom niet worden gesproken van een dergelijke geestelijke stoornis. Het is theoretisch gezien mogelijk om eenmalig in een dissociatieve toestand te verkeren. Kenmerkend voor een dergelijke situatie is echter dat de persoon, anders dan bij verdachte het geval lijkt te zijn, dan niet fragmentarisch bepaalde gebeurtenissen is vergeten, maar over een aaneengesloten periode geheugenverlies heeft. De deskundige heeft verder naar voren gebracht dat het verkeren in een emotionele toestand ertoe kan leiden dat een persoon zich niet goed kan herinneren wat er gebeurd is, aangezien gedurende die toestand sprake kan zijn van een verstoring van bepaalde cognitieve functies, die maken dat gebeurtenissen wel worden waargenomen, maar niet in het geheugen worden opgeslagen.

Nu op grond van het bovenstaande het bestaan van een eenmalige dissociatieve toestand niet aannemelijk is geworden, aangezien verdachte -weliswaar fragmentarisch- heeft kunnen verklaren over hetgeen voor, tijdens en na de ruzie heeft plaatsgevonden, kan reeds daarom niet worden aangenomen dat bij verdachte ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken. De rechtbank merkt hierbij op dat ook bij een eenmalige dissociatieve toestand, zelfs als een verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is, nog altijd sprake kan zijn van opzettelijk handelen.

De rechtbank overweegt voorts dat zij uit de aard en ernst van de door de patholoog geconstateerde letsels aan met name de hals afleidt dat verdachte, die onder meer heeft verklaard in zijn boosheid het slachtoffer bij de hals te hebben vastgepakt, het slachtoffer met kracht de hals/keel moet hebben dichtgeknepen of op andere wijze met kracht samendrukkend en/of stomp botsend geweld op de hals moet hebben uitgeoefend. Naar algemene ervaringsregels levert een dergelijke handeling die gericht is op de hals, een kwetsbaar deel van het lichaam, de aanmerkelijke kans op dat die persoon als gevolg daarvan komt te overlijden. Nu het algemene ervaringsregels betreft wordt een ieder -en dus ook verdachte- geacht wetenschap te hebben van het bestaan van deze aanmerkelijke kans.

Deze handeling kan naar uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het intreden van de dood dat het -behoudens contra-indicaties, waarvan in casu niet is gebleken- niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust heeft aanvaard. Aldus heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer als gevolg van zijn handelen zou overlijden en is zijn opzet op zijn minst genomen in voorwaardelijke zin daarop gericht geweest.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de ten laste gelegde doodslag op [slachtoffer 1] wettig en overtuigend bewezen.

Doodslag op het ongeboren kind

Causaal verband handelingen verdachte en overlijden ongeboren kind

De rechtbank stelt voorop dat de beantwoording van de vraag of een causaal verband bestaat tussen het door verdachte gepleegde geweld op de moeder van het ongeboren kind en het overlijden van het ongeboren kind dient te geschieden aan de hand van de maatstaf of dit gevolg redelijkerwijs als gevolg van de gedragingen aan de verdachte kan worden toegerekend.2

Uit de bevindingen van de arts en patholoog volgt dat zich in de baarmoeder van het overleden slachtoffer [slachtoffer 1] een inmiddels overleden maar normaal ontwikkelde foetus van 24 tot 28 weken bevond. Bij het onderzoek zijn geen aanwijzingen gezien voor het overlijden van de foetus voorafgaand aan het overlijden van de moeder. De patholoog heeft niet kunnen uitsluiten dat de foetus kort voor het overlijden van de moeder reeds dood was, maar heeft ook aangegeven dat er op basis van het onderzoek evenmin reden is om aan te nemen dat de foetus kort voor het overlijden van de moeder al overleden was.

De rechtbank leidt hieruit af dat de foetus in ieder geval tot kort voor het overlijden van de moeder nog in leven moet zijn geweest. Het dossier bevat ook overigens geen aanwijzingen waaruit kan worden afgeleid dat het door [slachtoffer 1] gedragen kind voor haar overlijden reeds overleden zou zijn. Integendeel, [slachtoffer 1] heeft op de middag voorafgaand aan haar overlijden nog met haar docent over haar zwangerschap gesproken3, terwijl verdachte heeft verklaard dat hij na de door hem gepleegde geweldshandelingen een enorme beweging in de buik van [slachtoffer 1] heeft waargenomen die -naar het oordeel van de rechtbank- zeer wel van het kind afkomstig kan zijn geweest.

Naar het oordeel van de rechtbank moet er daarom van uitgegaan worden dat de ongeboren foetus, die in ieder geval tot kort voor het overlijden van de moeder nog in leven was, is overleden als gevolg van de door verdachte teweeggebrachte dood van de moeder, [slachtoffer 1] . Uit de verklaring van de patholoog ter terechtzitting volgt immers dat het overlijden van een ongeboren foetus onvermijdelijk is, tenzij er meteen na het overlijden van de moeder medisch wordt ingegrepen. De kans dat andere niet aan de gedragingen van verdachte gerelateerde oorzaken tot de dood van de foetus hebben geleid, is naar het oordeel van de rechtbank zo klein dat daaraan als hoogst onwaarschijnlijk wordt voorbijgegaan. Het overlijden van het ongeboren kind kan daarom -als noodzakelijk en onvermijdelijk gevolg van diens handelen- redelijkerwijs aan verdachte worden toegerekend.

Opzet op de dood van het ongeboren levensvatbare kind

De raadsman heeft bepleit dat bij verdachte zowel het opzet om de foetus te doden als het opzet op de levensvatbaarheid van de ongeboren foetus heeft ontbroken.

De rechtbank stelt voorop dat een ongeboren kind op grond van art. 82a Sr wordt aangemerkt als "een ander" die van het leven beroofd kan worden, indien de ongeboren vrucht naar redelijkerwijs verwacht mag worden in staat is buiten het moederlichaam in leven te blijven. Bij een zwangerschapsduur van 24 weken en langer wordt -behoudens zich eventueel voordoende bijzondere omstandigheden- aangenomen dat hiervan sprake is.4

Uit het deskundigenbericht van de arts en patholoog volgt dat bij de sectie een normaal ontwikkelde foetus met een zwangerschapsduur van 24 tot 28 weken is vastgesteld. Dit maakt dat de rechtbank de ongeboren vrucht op het moment van de door verdachte op de moeder van de ongeboren vrucht uitgeoefende geweldshandelingen beschouwt als "een ander" als bedoeld in art. 82a Sr en art. 287 Sr.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte, die naar eigen zeggen uitging van een zwangerschapsduur van ongeveer 5 maanden, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat sprake was van een in beginsel levensvatbare foetus. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat een zwangerschapsduur van 5 maanden overeenkomt met een zwangerschapsduur van 20 tot 26 weken.

De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat verdachte tijdens de gewelddadige ruzie primair gericht was op het doden van het ongeboren kind, zodat niet kan worden vastgesteld dat hij zogenaamd vol opzet op de dood van het ongeboren kind heeft gehad. De rechtbank dient daarom te beoordelen of verdachte hierop het voorwaardelijk opzet had.

De rechtbank overweegt dat het een algemene ervaringsregel is dat een ongeboren kind zonder medisch ingrijpen spoedig na het overlijden van de moeder het leven zal laten. Nu het een algemene ervaringsregel betreft, moet verdachte hiervan ook op de hoogte zijn geweest. Door niettemin dodelijk geweld op de moeder van het ongeboren kind uit te oefenen, in de wetenschap dat zij zwanger was, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het ongeboren kind door die handelingen eveneens zou overlijden.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de ten laste gelegde doodslag op het ongeboren levensvatbare kind eveneens wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij in de periode van 27 februari 2019 tot en met 28 februari 2019 te Leens, gemeente Het Hogeland, opzettelijk zijn echtgenote, [slachtoffer 1] en haar kind, dat zich op dat moment nog als ongeboren levensvatbare vrucht in de buik van de moeder bevond, van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet

- die [slachtoffer 1] met zijn vuist hard tegen het gezicht geslagen, (mede) ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] op de grond is gevallen en

- die [slachtoffer 1] bij de keel/hals gepakt/gegrepen en vervolgens de keel/hals van die [slachtoffer 1] dichtgedrukt en dichtgedrukt gehouden, waardoor die [slachtoffer 1] geen/onvoldoende lucht en/of zuurstof heeft kunnen krijgen, althans samendrukkend en/of botsend geweld op de hals van die [slachtoffer 1] uitgeoefend,

ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] en haar ongeboren kind zijn overleden.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De raadsman heeft bepleit dat sprake is van eendaadse samenloop ten aanzien van de doodslag op [slachtoffer 1] en haar ongeboren kind.

De rechtbank overweegt dat van eendaadse samenloop als bedoeld in art. 55 lid 1 Sr sprake is indien de bewezen verklaarde gedragingen in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen niet (meer dan enigszins) uiteenloopt. Hierbij geldt in het bijzonder bij gevolgsdelicten het uitgangspunt dat elk gevolg -ook indien de verschillende gevolgen uit hetzelfde feit of feitencomplex voortvloeien- een zelfstandige vervulling van de delictsomschrijving oplevert en dat daarom in beginsel van eendaadse samenloop of van een voortgezette handeling geen sprake is.5

In het onderhavige geval is sprake van een impliciet cumulatieve tenlastelegging, waarbij zowel doodslag op het slachtoffer [slachtoffer 1] als doodslag op haar ongeboren kind is ten laste gelegd. Aangezien het delict doodslag een gevolgdelict betreft, is, alhoewel de verschillende gevolgen uit hetzelfde feit of feitencomplex voortvloeien, geen sprake van eendaadse samenloop. De doodslag op [slachtoffer 1] en de doodslag op hun ongeboren kind leveren namelijk twee verschillende verwijten op. Naar het oordeel van de rechtbank is er daarom sprake van meerdaadse samenloop als bedoeld in art. 57 Sr.

Het bewezen verklaarde levert op:

Doodslag, meermalen gepleegd.

Dit meermalen gepleegde feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft hiervoor met betrekking tot het opzet op de dood van de vrouw van verdachte overwogen dat zij niet aannemelijk acht dat verdachte de feiten heeft begaan onder invloed van een eenmalige dissociatieve toestand. Er is derhalve geen aanleiding om verdachte op die grond ontoerekeningsvatbaar te achten. Nu ook overigens niet is gebleken dat verdachte heeft gehandeld onder invloed van enige strafuitsluitingsgrond, acht de rechtbank verdachte strafbaar.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat in geval van bewezenverklaring een gevangenisstraf wordt opgelegd van aanmerkelijk kortere duur dan door de officier van justitie is gevorderd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat in ieder geval sprake is van verminderde toerekeningsvatbaarheid en dat de persoonlijke omstandigheden van verdachte een matigende werking op de straf moeten hebben. Gelet op het strafmaximum van 15 jaren bij eendaadse samenloop en gelet op wat in vergelijkbare zaken is opgelegd, acht de raadsman een gevangenisstraf van 6 tot 8 jaar meer in de rede liggen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de levensberoving van zijn echtgenote, moeder van hun twee zoontjes, en hun ongeboren kind in hun gezamenlijke woning te Leens. Na een woordenwisseling over een in de visie van verdachte ongepaste opmerking van zijn vrouw, is verdachte in woede ontstoken en heeft hij zijn 24 tot 28 weken zwangere vrouw onder meer een gebroken neus toegebracht en haar bij de hals gegrepen, ten gevolge waarvan zij is overleden. Verdachte heeft haar gedurende enige tijd in de slaapkamer laten liggen en heeft uiteindelijk 112 gebeld. Op het moment van aankomst van de hulpdiensten was zijn vrouw echter al overleden. Als gevolg van het overlijden van zijn vrouw, is ook hun ongeboren kind om het leven gekomen. Door tijdig medische hulp in te schakelen was de dood van het ongeboren kind wellicht nog te voorkomen geweest.

Door zijn handelen heeft verdachte de slachtoffers het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, ontnomen. Hij heeft er onder meer voor gezorgd dat zijn vrouw haar nog heel jonge kinderen en haar ongeboren kind niet kan zien opgroeien. Ook heeft hij bewerkstelligd dat hun zoontjes vanaf jonge leeftijd zonder moeder en zonder hun broertje of zusje moeten opgroeien. Daar komt nog bij dat verdachte ervoor verantwoordelijk is dat zijn kinderen op enig moment zullen moeten leren leven met het schrijnende besef dat hun eigen vader hun moeder en hun broertje of zusje heeft gedood. Daarnaast heeft verdachte aan de andere nabestaanden onherstelbaar leed toegebracht. Ook zij zullen moeten leven met het gemis van een dierbare.

In de persoonlijke omstandigheden van verdachte ziet de rechtbank geen aanleiding voor strafverzwaring of strafmatiging. Uit het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie volgt dat verdachte in Nederland niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.

Verdachte heeft meegewerkt aan persoonlijkheidsonderzoek door een psycholoog en een psychiater, waarbij ook milieuonderzoek heeft plaatsgevonden. De onderzoekers hebben geconcludeerd dat er ten tijde van de feiten geen sprake is geweest van een stoornis van de geestvermogens. In intellectueel opzicht is er wel sprake van een laaggemiddelde intelligentie, waarbij enige beperkingen bestaan met betrekking tot abstraheren, zelfreflectie en inlevingsvermogen. Deze beperkingen hebben echter niet het niveau van een verstandelijke beperking. In de persoonlijkheid van verdachte komen daarnaast vermijdende en afhankelijke kenmerken naar voren, maar niet in die mate dat van een persoonlijkheidsstoornis kan worden gesproken. Geadviseerd wordt om verdachte het ten laste gelegde volledig toe te rekenen.

De rechtbank kan zich met de conclusies van de deskundigen verenigen en neemt deze over en acht verdachte derhalve volledig toerekeningsvatbaar. Dat verdachte heeft gehandeld in een eenmalige dissociatieve stoornis of een zodanige bewustzijnsvernauwing dat de feiten hem volledig of in verminderde mate kunnen worden toegerekend, zoals de raadsman heeft bepleit, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. De rechtbank overweegt voorts dat in de kwalificatie van doodslag reeds besloten ligt dat, anders dan bij moord, geen sprake is geweest van planmatig en overdacht handelen. In de omstandigheid dat verdachte de feiten heeft gepleegd in een hevige gemoedsbeweging ziet de rechtbank dan ook geen reden voor strafvermindering.

Doodslag, het feit dat verdachte tweemaal heeft gepleegd, betreft één van de ernstigste feiten in het strafrecht. Dat alleen rechtvaardigt het opleggen van een lange gevangenisstraf. De rechtbank is van oordeel dat een zwaardere gevangenisstraf dient te worden opgelegd dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank acht een gevangenisstraf van 14 jaren passend en geboden en zal deze straf dan ook opleggen.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. de wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 20.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, bestaande uit affectieschade vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
2. de wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer 3] tot een bedrag van € 20.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, bestaande uit affectieschade vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

De benadeelde partijen worden bijgestaan door mr. W. van Egmond, advocaat te Naarden. Zij heeft de vorderingen toegelicht en gesteld dat zij door de voogd van de minderjarige kinderen uitdrukkelijk gemachtigd is de vorderingen in te dienen. Zij heeft voorts verzocht dat wordt bepaald dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op ten behoeve van de minderjarige slachtoffers te openen spaarrekeningen met een zogenoemde BEM-clausule.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen voor toewijzing in aanmerking komen en dat de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet in hun vorderingen kunnen worden ontvangen. Hiertoe heeft hij het volgende aangevoerd. Bepaalde noodzakelijke gegevens zijn in het daartoe bestemde formulier niet of onvolledig ingevuld. Ook de ondertekening van de voogd is op een onjuiste plaats ingevuld en op een onjuiste wijze, dat wil zeggen door een onbekende persoon "in opdracht" en voorafgaand aan de verdere invulling van het forumlier, verricht. Een aanhouding voor nader onderzoek naar aanleiding van deze gebreken zou een onevenredige belasting opleveren, zodat de vorderingen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Indien de vorderingen niettemin worden toegewezen, wordt verzocht geen vervangende hechtenis op te leggen bij een eventuele schadevergoedingsmaatregel, aangezien verdachte deze vorderingen nooit zal kunnen voldoen.

Oordeel van de rechtbank

Ontvankelijkheid

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de verklaring van de ter terechtzitting aanwezige advocaat van de benadeelde partijen genoegzaam komen vast te staan dat de wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde partijen de advocaat heeft gemachtigd de vorderingen in te dienen. Daaraan doet naar het oordeel van de rechtbank niet af dat het formulier niet op de juiste plaats en door een ander in opdracht van de wettelijk vertegenwoordiger is ondertekend. Dit geldt eveneens voor de omstandigheid dat bepaalde gegevens niet op het formulier zijn ingevuld. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de bevoegdheid van de wettelijk vertegenwoordiger niet is betwist en dat de overige niet ingevulde gegevens voor de beoordeling van de vorderingen niet relevant zijn dan wel op andere wijze in het dossier te vinden zijn.

Affectieschade

Namens beide benadeelde partijen is een vergoeding gevorderd van € 20.000,00 bestaande uit affectieschade ten gevolge van het gemis van hun moeder [slachtoffer 1] .

Op grond van art. 6:108 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek is, indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, overlijdt, die ander verplicht tot vergoeding van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, geleden door de in lid 4 genoemde naasten als gevolg van het overlijden. Als naaste wordt in lid 4 van voornoemd artikel onder meer het kind van de overledene aangewezen. Nu de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de in de periode van 27 en 28 februari 2019 gepleegde doodslag van de moeder van de benadeelde partijen, komen de vorderingen voor toewijzing in aanmerking.

Bij het bepalen van het door de benadeelde partijen geleden nadeel gaat de rechtbank uit van de normbedragen die in het Besluit vergoeding affectieschade van 20 april 2018 (Stb. 2018, 133) zijn vastgesteld. In dit besluit wordt in het geval van een minderjarig kind, waarbij de ouder als gevolg van een misdrijf is overleden, een forfaitaire vergoeding bepaald van

€ 20.000,00.

De vorderingen van de benadeelde partijen zullen daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2019.

De rechtbank zal verdachte voorts veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Aangezien de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden. De rechtbank zal de vervangende hechtenis bepalen op 1 dag.

De rechtbank zal voorts bepalen dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoedingen zullen worden gestort op ten behoeve van de minderjarige slachtoffers te openen spaarrekeningen met een zogenoemde BEM-clausule. Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarigen en hun wettelijk vertegenwoordiger kunnen aldus slechts met toestemming van de kantonrechter over het vermogen van de minderjarigen beschikken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 20.000,00 (zegge: twintigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2019.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] te betalen een bedrag van € 20.000,00 (zegge: twintigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2019, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer 2] , geboren op 11 september 2014, te openen spaarrekening met een BEM-clausule.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 20.000,00 (zegge: twintigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2019.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] te betalen een bedrag van € 20.000,00 (zegge: twintigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2019, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer 3] , geboren op 4 februari 2018, te openen spaarrekening met een BEM-clausule.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. J.V. Nolta en

mr. A. Jongsma, rechters, bijgestaan door mr. A. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 september 2019.

1 Vgl. HR 14 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3226 en HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2775

2 Vgl. HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6362 en HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:585.

3 Zie het naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 4 maart 2019, opgenomen op pagina 61 e.v. van voornoemd dossier.

4 Vgl. HR 29 mei 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8539, waarin wordt verwezen naar de MvT bij de invoering van artikel 82a Sr (TK 1978-1979, 15475, nr. 3).

5 vgl. HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111-1115.