Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:3853

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-09-2019
Datum publicatie
12-09-2019
Zaaknummer
LEE 18/3391
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning drijvend zonnepark op de Lippe Gabriëlsplas te Ureterp De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval in redelijkheid geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om de aanvraag buiten behandeling te stellen. Uit de gedingstukken volgt niet dat de aard en omvang van het bouwplan tijdens de aanvraagprocedure onvoldoende duidelijk waren. De rechtbank volgt eisers verder niet in hun stelling dat de gemeenteraad foutief zou zijn geïnformeerd. Voorts volgt de rechtbank eisers niet in hun stelling dat aannemelijk is dat een foutieve goedkeuring van het waterschap is gegenereerd. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder de natuurwaarden van de plas voldoende heeft betrokken bij zijn besluitvorming. Verweerder heeft in redelijkheid zwaarder gewicht mogen toekennen aan de belangen gemoeid met realisatie van het bouwplan dan aan ecologische belangen gemoeid met het achterwege laten van deze ingreep. Tevens is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan niet mer-plichtig is. In de veiligheidsaspecten van het bouwplan heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om de gevraagde vergunning te weigeren. Ook is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vergunbaar is. Verweerder heeft in redelijkheid gebruikt gemaakt van zijn bevoegdheid om voor het bouwplan een omgevingsvergunning te verlenen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWA 2019/101 met annotatie van Meijden, D. van der
JBO 2019/417 met annotatie van Meijden, D. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 18/3391

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 september 2019 in de zaak tussen

[eisers] , te [plaats] , eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opsterland, verweerder

(gemachtigden: T.J. de Ruijter en mr. P.J. Daling).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Univergy NL B.V., te Amsterdam, vergunninghouder

(gemachtigde: J.J. Wesselink).

Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan de vergunninghouder op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo) een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een drijvend zonnepark op de Lippe Gabriëlsplas te Ureterp.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 11 december 2018 (bekend onder zaaknummer LEE 18/3390) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank een verzoek om voorlopige voorziening van eisers niet-ontvankelijk verklaard.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2019. Eiser [eiser] is verschenen, bijgestaan door [persoon 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De vergunninghouder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [persoon 2] .
Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen om nader met elkaar in gesprek te gaan over een mogelijk gezamenlijke oplossing van het geschil.

Bij brief van 29 mei 2019 heeft verweerder de rechtbank bericht dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt.
Bij brief van 19 juni 2019 heeft de vergunninghouder een reactie ingediend.

Bij brief van 22 juni 2019 hebben eisers een reactie ingediend.

Op 28 juni 2019 heeft de rechtbank partijen schriftelijk bericht dat zij het niet nodig vindt om in deze zaak opnieuw een zitting te houden. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken aan te geven of zij mondeling op een nadere zitting willen worden gehoord.
De vergunninghouder en verweerder hebben de rechtbank schriftelijk verzocht om een nadere zitting achterwege te laten en uitspraak te doen.

Eisers hebben geen reactie ingediend.

De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Feiten

1. Bij de beoordeling van dit beroep neemt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden als vaststaand aan.

1.1.

Eiser [eiser] is eigenaar van en woonachtig op het perceel [adres] .

1.2.

Bij brief van 11 april 2018 heeft de vergunninghouder bij verweerder een principeverzoek ingediend voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het realiseren van een drijvend zonnepark op het zuidelijk gedeelte van de Lippe Gabriëlsplas te Ureterp (de plas).

Op grond van het bestemmingsplan “Buitengebied” (het bestemmingsplan) is een groot gedeelte van de locatie van het bouwplan bestemd als ‘Water’, met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf-zandwinning’. De oevers van de plas zijn bestemd als ‘Agrarisch’.

Bij brief van 24 april 2018 heeft verweerder aan de vergunninghouder meegedeeld dat hij heeft besloten in principe medewerking te verlenen aan het zonnepark.

1.3.

Op 1 mei 2018 heeft het Wetterskip Fryslân (het waterschap) een watertoets verricht betreffende het bouwplan.

Op 23 mei 2018 heeft de vergunninghouder een aanvraag ingediend voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het realiseren van een drijvend zonnepark op het zuidelijke gedeelte van de plas.

Aan de aanvraag ligt onder meer de ‘Ontwerp Ruimtelijke Onderbouwing Drijvend Zonnepark Lippe Gabriëlsplas, gemeente Opsterland’ (de ontwerponderbouwing) van
14 juni 2018 ten grondslag. Daaruit volgt dat het bouwplan bestaat uit het plaatsen van tienduizenden zonnepanelen op vier drijvende constructies op de plas. Die constructies worden verankerd in de oevers. Die panelen worden via stroomkabels verbonden met drie transformatorhuizen en een MS-verzamelstation op de oever. Verder behelst het bouwplan het herinrichten van de zuid- en oostzijden van de plas, onder meer door natuurvriendelijke oevers te creëren.

Aan de aanvraag liggen ook de ‘Notitie quick scan beschermde soorten Lippe Gabriëlsplas, Ureterp’ (de quickscan) en het ontwerp ‘Inrichtingsplan drijvend zonnepark Lippe Gabriëlsplas Ureterp – Opsterland’ (het ontwerpinrichtingsplan) ten grondslag.

Bij brief van 30 mei 2018 heeft Hûs en Hiem (de welstandscommissie) verweerder bericht dat het bouwplan voldoet aan redelijk eisen van welstand.

Op 28 juni 2018 heeft verweerder een ontwerp-omgevingsvergunning, met bijbehorende ontwerpverklaring van geen bedenkingen, ter inzage gelegd.

Hierover hebben eisers hun zienswijze gegeven.

Bij advies van 16 juli 2018 heeft verweerder de raad van de gemeente Opsterland (de raad) voorgesteld om een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) voor het zonnepark af te geven.

Bij brief van 21 september 2018 heeft verweerder de raad van nadere informatie voorzien.

Bij besluit van 24 september 2018 heeft de raad een vvgb afgegeven.

Op 24 september 2018 hebben de vergunninghouder en de gemeente de ‘Planovereenkomst drijvende zonnepark Lippe Gabriëlsplas Ureterp’ (de planovereenkomst) gesloten.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo in samenhang gelezen met artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo en met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wabo.

Onderdelen van dat besluit zijn onder meer het ‘Inrichtingsplan drijvend zonnepark Lippe Gabriëlsplas Ureterp – Opsterland’ van 28 september 2018 (het inrichtingsplan), de ‘Ruimtelijke Onderbouwing Drijvend Zonnepark Lippe Gabriëlsplas, gemeente Opsterland’ (de ruimtelijke onderbouwing), de aangepaste quickscan van 18 juni 2018, een zienswijzennota en diverse technische en detailtekeningen.

Overwegingen

3. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat eisers niet-ontvankelijk zijn in hun beroep omdat zij geen rechtstreeks belang bij deze zaak zouden hebben. Los van het feit dat verweerder dat standpunt pas eerst ter zitting heeft ingenomen, is niet aannemelijk geworden dat eisers geen rechtstreekse feitelijke gevolgen van het bouwplan kunnen gaan ondervinden. Dat eisers op 225 meter van de plas wonen, acht de rechtbank niet doorslaggevend. Niet in geschil is immers dat eisers vanaf hun perceel enig zicht hebben op de plas en de zuidoever. Daar komt bij dat de nieuwe woning van eisers op hun perceel dichterbij de plas wordt gesitueerd. Gelet op de omvang van het zonnepark en de aard en omvang van de herinrichting van de oevers valt niet uit te sluiten dat zij gevolgen van het bouwplan voor hun directe woon- en leefsituatie zullen ondervinden.

Procedure behandeling aanvraag

4.1.

Eisers menen dat de aanvraag ten onrechte in behandeling is genomen. Zij voeren – samengevat – aan dat de aanvraag tegenstrijdigheden bevat met betrekking tot het aantal panelen, waardoor het bouwplan niet eenduidig en niet goed te beoordelen was en de

de raad foutief is geïnformeerd. Eisers stellen dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat geen aanvullende informatie hoefde te worden opgevraagd. Dat terwijl er ook onduidelijkheid was over de materiaalkeuze van de drijvers en de typering van de panelen.

Desondanks is het bouwplan vergund, met nog meer panelen dan was aangevraagd.

Daarnaast stellen eisers dat de raad zich niet heeft uitgelaten over het toestaan van de Engelse taal voor (behandeling van) de aanvraag. In plaats van heldere informatie te geven, heeft de vergunninghouder volgens eisers een waas van mist opgetrokken en vele fouten gemaakt. Tevens stellen eisers dat verweerder ten onrechte de anterieure overeenkomst met de vergunninghouder niet tijdig heeft gepubliceerd. Dit is niet conform hetgeen is overwogen in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de AbRS) van 23 januari 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BY9237), aldus eisers.

4.2.

In reactie op deze beroepsgronden heeft verweerder – kort samengevat – aangevoerd dat in de aanvraag niet wordt gesproken over een aantal zonnepanelen. Verweerder acht de structuur van de eilanden met zonnepanelen en het aantal hectare water dat bedekt wordt door het bouwplan, leidend bij de verlening van de omgevingsvergunning. In de ontwerponderbouwing en de ruimtelijke onderbouwing is dat aantal hectare benoemd. Ondanks dat het aantal panelen diverse malen in het aanvraagproces anders is aangeduid, is het aantal hectare steeds hetzelfde gebleven. Volgens verweerder waren bij de terinzagelegging alle relevante stukken van het bestreden besluit in te zien. Verweerder heeft aangevoerd dat voor de beoordeling van de onderhavige aanvraag voor hem niet noodzakelijk was dat de tekeningen in het Nederlands werden aangeleverd. In dit geval heeft verweerder de tekeningen voldoende geacht om een goede beoordeling van het bouwplan te kunnen maken. Verweerder betreurt dat eisers negatieve ervaringen aan de informatievoorziening hebben overgehouden. Er zijn twee informatieavonden gehouden, waarbij gesprekken met omwonenden zijn gevoerd. Ook zijn keukentafelgesprekken gevoerd. Naar aanleiding van de informatie van bewoners is het inrichtingsplan waar mogelijk aangepast. De raad heeft de gelegenheid gehad om alle zienswijzen en de zienswijzennota te bekijken, waarbij de zienswijzen en foto’s die door eisers zijn ingediend als vertrouwelijke stukken door de raad zijn behandeld. Volgens verweerder is er met de vergunninghouder geen anterieure overeenkomst gesloten, maar wel een planovereenkomst. Er bestaat geen wettelijke verplichting om die overeenkomst te publiceren, aldus verweerder.

4.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval in redelijkheid geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om de aanvraag buiten behandeling te stellen. Anders dan eisers stellen, volgt uit de gedingstukken niet dat de aard en omvang van het bouwplan tijdens de aanvraagprocedure onvoldoende duidelijk waren. Los van de vraag hoeveel panelen precies zijn aangevraagd, is tijdens die procedure voldoende duidelijk geworden welke oppervlakte van de plas met panelen zou worden gevuld en hoe de panelen op de plas zouden worden opgesteld. Zowel de ruimtelijke onderbouwing als het inrichtingsplan geven daarover een eenduidig beeld. Voldoende duidelijk is geworden dat aanpassingen van het aantal panelen tijdens de aanvraagprocedure de aard en omvang van het bouwplan niet hebben gewijzigd. Ook is tijdens die procedure voldoende duidelijk geworden welke keuzes betreffende materiaal en paneeltypering zijn gemaakt. Tevens heeft verweerder de aanvraag voldoende begrijpelijk mogen achten. Dat bepaalde tekeningen en voorbeelden van referentieprojecten van de vergunninghouder in de Engelse taal zijn opgesteld, maakt dit niet anders gelet op de andere stukken bij de aanvraag. Daar komt bij dat verweerder tijdens de aanvraagprocedure meerdere malen overleg met de vergunninghouder heeft gehad ter verduidelijking van het bouwplan. De rechtbank volgt eisers verder niet in hun stelling dat de raad foutief zou zijn geïnformeerd. Verweerder heeft de raad op verschillende momenten tijdens de aanvraagprocedure over het bouwplan geïnformeerd, waarbij gewezen is op de stukken en onderbouwing van de aanvraag. Daar komt bij dat de raad in zijn vergadering van 17 september 2018 gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om verweerder nadere specifieke vragen te stellen over de aanvraagprocedure en het bouwplan. Bij brief van 21 september 2018 heeft verweerder die vragen beantwoord, waarbij verweerder onder meer de zienswijzen van eisers heeft betrokken. Daarnaast volgt de rechtbank eisers niet in hun stelling dat verweerder gehouden was een anterieure overeenkomst met de vergunninghouder te publiceren. Van een dergelijke overeenkomst is in dit geval geen sprake. Evenmin is sprake van een grondexploitatieovereenkomst als bedoeld in de uitspraak van 23 januari 2013. Daarnaast was verweerder niet gehouden om de planovereenkomst ter inzage te leggen.

Deze beroepsgronden slagen niet.

Bestemming

5.1.

Eisers voeren – kort samengevat – aan dat zandwinning in de plas niet meer mogelijk is en niet vergunbaar is en de plas moet worden beschouwd als natuur. Het bestemmingsplan is op dit punt achterhaald en de bestemming ‘bedrijf zandwinning’ is ten onrechte niet door de gemeente aangepast, aldus eisers.

5.2.

In reactie op deze beroepsgrond heeft verweerder – kort samengevat – aangevoerd dat de plas van oorsprong een zandwinningsput is en niet een natuurgebied. Het feit dat er geen geldende vergunning is om op dit moment zand te mogen winnen, doet niets af aan het feit dat op grond van het bestemmingsplan die vergunning wel weer kan worden verleend. Door die bestemming van de gronden te halen, zou verweerder de eigenaar het recht op een vergunning voor zandwinning ontnemen hetgeen kan leiden tot planschade. Mede om die reden heeft verweerder de bestemming gehandhaafd. Eisers dienen er dus rekening mee te houden dat er weer een mogelijkheid kan bestaan tot het winnen van zand op de gronden bij de plas, aldus verweerder.

5.3.

De rechtbank begrijpt het betoog van eisers aldus dat de raad ten onrechte de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf-zandwinning’ op het perceel heeft laten rusten omdat er geen zand meer uit de put kan worden gewonnen. De wijziging van de bestemming van de plas is thans niet aan de orde. De aanvraag van 23 mei 2018 had niet tot doel om de bestemming te laten wijzigen. Met het bestreden besluit heeft verweerder bouwen en gebruiken in strijd met het bestemmingsplan toegestaan. De rechtbank volgt eisers daarom niet in hun betoog dat verweerder ten onrechte niet tot bestemmingswijziging is overgegaan.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Water

6.1.

Voorts voeren eisers – kort samengevat – aan dat de watertoets niet correct is ingevuld, waardoor een foutieve goedkeuring is gegenereerd. Zo kloppen de oppervlakten niet en wordt er wel degelijk grond gedumpt in het oppervlaktewater waardoor de inhoud van de waterberging wordt gewijzigd. Het waterschap is niet van dumpen op de hoogte gesteld. Eisers menen dat ten onrechte een vergunning voor het demping ontbreekt, nu de vergunninghouder een talud wil realiseren. Door wisselende informatie van de vergunninghouder is onduidelijk wat hij gaat uitvoeren. Onduidelijk is hoeveel grond wordt gedumpt; eisers missen de juiste hoeveelheden en afmetingen. Ook is niet gebleken dat de watervergunning is aangevraagd op grond van artikel 3.2 van de keur van het waterschap, aldus eisers.

6.2.

In reactie op deze beroepsgrond heeft verweerder – kort samengevat – aangevoerd dat de plannen voor advies naar het waterschap zijn gestuurd en dat het waterschap de watertoets heeft verricht. Daarbij heeft het waterschap aangegeven dat bij de realisatie van dit zonnepark geen water wordt gedempt of zaken worden verhard, waardoor geen compenserende maatregelen hoeven te worden gerealiseerd. Wel moet de hoofdwatergang in het midden van de zandwinningsput beschikbaar blijven voor beheer en onderhoud en moet het doorstroomprofiel van de hoofdwatergang worden gewaarborgd. Op basis van de toegestuurde tekeningen gaat het waterschap er vanuit dat dit het geval is. Volgens verweerder heeft het waterschap die beoordeling gedaan met inachtneming van het inrichtingsplan. Op 31 mei 2018 is er nogmaals contact met het waterschap geweest, in verband met de aanleg van het wandelpad. Het waterschap heeft daarbij eisen gesteld als het gaat om de aanleg van bruggen. Die aanleg is vervolgens echter uit het bouwplan gehaald, aldus verweerder.

6.3.

De rechtbank volgt eisers niet in hun stelling dat aannemelijk is dat een foutieve goedkeuring van het waterschap is gegenereerd. Uit de watertoets van 1 mei 2018 volgt dat de locatie, aard en omvang van het bouwplan aan het waterschap zijn voorgelegd, op basis van tekeningen. De in die toets genoemde oppervlakte van het bouwplan komt overeen met wat in de aanvraagstukken daarover is opgenomen. Bij die toets heeft het waterschap geconstateerd dat het bouwplan niet voorziet in demping van oppervlaktewater. Die constatering komt overeen met wat in het inrichtingsplan is opgenomen. Van het gesteld dumpen van grond is in het bouwplan geen sprake. Dat het bouwplan voorziet in het herinrichten van de zuidelijke en oostelijke oevers van de plas, maakt dit niet anders. Uit het inrichtingsplan volgt in voldoende mate dat die herinrichting is gericht op realisatie van natuurlijke oevers, niet op het dempen van gedeelten van de plas. De vraag of in dit geval een watervergunning had moeten worden aangevraagd en verleend, valt buiten de omvang van het onderhavige geding.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Bodem

7.1.

Tevens voeren eisers – kort samengevat – aan dat zij het verplichte bodemonderzoek missen. Zij menen dat verweerder had moeten aangeven dat voor demping van water wel degelijk een onderzoek naar de grondkwaliteit nodig is. Nu er in het verleden sprake is geweest van het storten van puin kan verweerder hier niet uitgaan van geschikte grond op basis van de bodemkwaliteitskaart Fryslân. Volgens eisers is mogelijk sprake van grond die asbestverdacht is. Tevens stellen eisers dat onduidelijk is hoe toegang tot de planlocatie plaatsvindt nu een bouwplaats inrichtingstekening ontbreekt. Waar eerst werd gesproken van halfverharding voor wandelpaden en ontsluiting daarvan, ontbreken die nu op de laatste tekeningen, aldus eisers.

7.2.

In reactie op deze beroepsgronden heeft verweerder – kort samengevat – aangevoerd dat een bodemonderzoek niet nodig is omdat het zonnepark wordt gevormd door bouwwerken en geen gebouwen waar mensen langer dat twee uren verblijven. Voor het uitvoeren van het inrichtingsplan is geen bodemonderzoek nodig voor wat betreft het versterken van het wandelpad en de begroeiing. Die gronden staan bij de provincie op de interactieve bodemkwaliteitskaart Fryslân aangegeven als geschikt voor de functies water en agrarisch. Voor de halfverharding van het wandelpad zijn de exacte afmetingen en materiaalkeuze in dit stadium nog niet vastgelegd. Dit wordt afgestemd met omwonenden voordat aan de aanleg wordt begonnen. Verder is in het bestreden besluit als voorwaarde gesteld dat eventueel vrijgekomen grond op de locatie moet worden verwerkt. De uitwerking van het inrichtingsplan en de inrichtingstekening is een technische aangelegenheid, die nader wordt uitgewerkt door de vergunninghouder wanneer de uitvoering daadwerkelijk kan plaatsvinden. Op dit moment is nog niet vast te stellen hoeveel grond er exact voor de natuurvriendelijke oevers moet worden afgegraven en op welke wijze de grond gaat worden verwerkt. In de globale raming is wel onder andere rekening gehouden met afvoer van grond en puin. De dieptekaart is door de eigenaar beschikbaar gesteld en wordt gebruikt voor de technische uitwerking. In de technische tekeningen wordt uitgewerkt hoe de natuurvriendelijke oever zal aansluiten op het bestaande onderwatertalud.

Tijdens de bouw heeft de vergunninghouder toegang tot het plangebied vanaf De Lipomwyk. Van een ontsluiting naar De Feart is nooit sprake geweest, aldus verweerder.

7.3.

De rechtbank herhaalt allereerst de constatering dat van het gesteld dumpen van grond en dempen van water in het bouwplan geen sprake is. Daarnaast is niet in geschil dat het bouwplan niet voorziet in realisatie van gebouwen waar te verwachten valt dat mensen daar langer dan twee uren zullen verblijven. Verweerder was in die zin niet gehouden een bodemonderzoek te verlangen. In de herinrichting van de zuidelijke en oostelijke oevers heeft verweerder evenmin aanleiding hoeven zien om een bodemonderzoek te verlangen. Uit het inrichtingsplan volgt in voldoende mate dat de herinrichting zal plaatsvinden met grond uit het gebied zelf, binnen de bestaande functies water en agrarisch. Met de voorwaarde dat eventueel vrijgekomen grond op de locatie moet worden verwerkt, heeft verweerder voldoende waarborg voor gebruik van lokale grond ingebouwd. De stellingen dat er in het verleden sprake is geweest van het storten van puin en asbestverdachte grond, wat daar ook van zij, maakt dat niet anders. Wat de ontsluiting van de locatie van het bouwplan betreft, is onweersproken dat ontsluiting via De Lipomwyk zal plaatsvinden. Het inrichtingsplan en de ruimtelijke onderbouwing bevatten daartoe ook aanwijzingen. Ook bevatten die stukken aanwijzingen voor de halfverharding van het wandelpad, waartoe ook de ontsluiting naar De Lipomwyk behoort. Dat die halfverharding niet tot in detail daarin is uitgewerkt, heeft verweerder niet onoverkomelijk hoeven achten gelet op nader overleg dat daarover zal plaatsvinden met omwonenden.

Deze beroepsgronden slagen niet.

Natuur

8.1.

Eisers voeren – kort samengevat – aan dat de natuurwaarden met dit bouwplan niet worden gerespecteerd. Zij menen dat het bouwplan de aanwezige natuur en natuurwaarden grof geweld aandoet. Bij de provincie is ten onrechte geen aanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming ingediend. Ook menen zij dat er geen sprake is geweest van een volledig onderzoek naar de flora en fauna; de quickscan volstaat daartoe niet. Onduidelijk is hoe men denkt de natuur te versterken, gelet op de voorgenomen bomenkap en de aanwezigheid van roofvogels, vleermuizen en zwanen. Volgens eisers maakt het wandelpad langs de plas onderdeel uit van de natuur en heeft het een educatieve functie. Zij menen dat dat pad met dit bouwplan de nek wordt omgedraaid. Daar komt volgens eisers bij dat niet aannemelijk is dat de anti-reflectie coating op de panelen voldoende bescherming zal bieden tegen schittering. Eisers verwijzen in dit kader naar opmerkingen gemaakt inzake zonneparken onder Oosterwolde en in Hijken. Eisers vermoeden dat binnen tien jaar alle coating verdwenen zal zijn, terwijl er geen onderhoud of vervolgbehandelingen zijn gepland. Die coating en de drijvers in de plas zorgen ook voor waterverontreiniging en voor bevordering van blauwalg, aldus eisers.

8.2.

In reactie op deze beroepsgronden heeft verweerder – kort samengevat – aangevoerd dat er uitgebreid vooroverleg met de provincie is geweest over de flora en fauna en het inrichtingsplan. Bij e-mailbericht van 27 juli 2018 heeft de provincie aangegeven akkoord te gaan met de plannen en geen zienswijze in te dienen. De provincie heeft ingestemd met de quickscan. Volgens verweerder is ontheffing op grond van de Wnb niet noodzakelijk en is de quickscan op deugdelijke wijze uitgevoerd. Uit dat onderzoek komen geen soorten naar voren die bijzondere bescherming genieten waardoor het bouwplan niet kan worden gerealiseerd. Verweerder heeft geen reden om aan die scan te twijfelen, temeer nu eisers geen tegenrapport hebben ingediend. Wanneer er bij de uitvoering van de plannen sprake is van bijvoorbeeld ganzen op het water, zal hiermee rekening worden gehouden. De uitvoering van werkzaamheden zal dan moeten wachten tot de ganzen weer zijn vertrokken. Volgens verweerder gebruiken watervogels de plas thans echter minder graag, nu het water daar diep is. Met de uitvoering van het inrichtingsplan, van de vergunde natuurvriendelijke oevers wordt de plas voor vogels aantrekkelijker. Daarnaast blijft het noordelijke gedeelte van de plas voor vogels beschikbaar. Tevens heeft verweerder aangevoerd dat coating op de panelen reflectie verkleint. Desondanks kan op bepaalde momenten bij bepaalde zonnestralen enige reflectie door mens en dier worden ervaren. Water reflecteert echter meer zonlicht dan zonnepanelen, waardoor er na plaatsing van het zonnepark sprake zal zijn van een reductie van reflecterende licht, aldus verweerder.

8.3.1.

De rechtbank stelt voorop dat de plas noch de oevers een natuurbestemming in het bestemmingsplan hebben. Voorts stelt de rechtbank vast dat uit de Verordening Romte Fryslân 2014 (de verordening) niet volgt dat de plas en oevers tot de Ecologische hoofdstructuur (de EHS) behoren. Het gebied is daarin wel aangemerkt als natuur buiten de EHS. Dit betekent onder meer dat in het ruimtelijke plan, hier het bouwplan, voorzien moet zijn in een passende bestemming met gebruiksregels die zijn gericht op behoud, herstel of ontwikkeling van natuurwaarden. Ook betekent dit dat het onderhavige bouwplan op deze locatie met een zandwinningsbestemming is toegestaan, mits het bouwplan geen onevenredige afbreuk doet aan de natuurlijke waarden van het gebied. Daarnaast constateert de rechtbank dat in de quickscan is geconcludeerd dat met het bouwplan geen afbreuk aan de huidige natuurwaarden zal worden gedaan, dat de ingreep geen schade zal veroorzaken die moet worden gemitigeerd of gecompenseerd en dat het project ook kansen voor de natuur biedt zoals als gevolg van het aanleggen van natuurvriendelijke oevers. Tevens stelt de rechtbank vast dat eisers geen deskundig tegenadvies betreffende (de gevolgen van het bouwplan op) natuurwaarden in en rondom de plas hebben ingediend.

8.3.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de natuurwaarden van de plas voldoende heeft betrokken bij zijn besluitvorming. Uit de gedingstukken volgt dat verweerder de quickscan heeft beoordeeld en daarover meerdere malen contact heeft gehad met de provincie. Uit e-mailberichten van de provincie aan verweerder volgt dat de provincie de conclusies van de conceptquickscan grotendeels navolgbaar vond, maar wel bedenkingen had bij de gevolgen van het bouwplan voor de mogelijkheden die ganzen hebben om de plas als rustgebied te gebruiken. De beoordeling door verweerder en de provincie heeft geleid tot aanpassing van de quickscan in juni 2018. Bij die aanpassing is meer aandacht geschonken aan compenserende rustgebieden in de omgeving van de plas. Ook is acht geslagen op de verordening. Uit berichten van de provincie aan verweerder tijdens de aanvraagprocedure en aan de rechtbank tijdens deze beroepsprocedure volgt dat de provincie vervolgens geen aanleiding heeft gezien om een (nadere) zienswijze over het bouwplan bij verweerder in te dienen. Hoewel een nadere expliciete beoordeling van de definitieve quickscan door de provincie ontbreekt, heeft verweerder in de berichtgeving van de provincie voldoende aanleiding mogen zien voor de conclusie dat het bouwplan niet in strijd is met de provinciale regelgeving. Evenmin volgt uit de provinciale berichtgeving dat een Wnb-vergunning moest worden aangevraagd. De enkele stellingen van eisers over (de gevolgen van het bouwplan voor) de natuurwaarden van de bouwlocatie maken die feiten niet anders. In de quickscan is een onderbouwde afweging gemaakt tussen de natuurwaarden van de plas en eventuele schade door dit bouwplan. Bij die afweging zijn specifieke kenmerken van de plas en van het bouwplan betrokken, zoals de diepte van de plas, de positionering van de drijvers ten opzichte van de oevers en de beschikbaarheid van het noordelijke gedeelte van de plas. Anders dan eisers stellen, heeft verweerder op basis van de quickscan en het inrichtingsplan voldoende aannemelijk mogen achten dat het bouwplan ook positieve invloed op de natuurwaarden heeft met name gelet op de voorgenomen aanleg van natuurvriendelijke oevers. Bij dat voornemen is ook (de waarde van) het wandelpad betrokken. De mening van eisers dat dit bouwplan de natuur, de natuurwaarden en het wandelpad niet respecteert, kan daarom niet worden gevolgd. Voorts hebben eisers geen onderbouwing ingediend van hun stellingen betreffende (de ecologische gevolgen van) de drijvers en de coating op de panelen. Die stellingen doen reeds daarom geen afbreuk aan hetgeen over de aard en omvang van de ecologische gevolgen van het bouwplan is opgenomen in de quickscan en in verweerder belangenafweging. In het licht van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid zwaarder gewicht heeft mogen toekennen aan de belangen gemoeid met realisatie van het bouwplan dan aan ecologische belangen gemoeid met het achterwege laten van deze ingreep.

Deze beroepsgronden slagen niet.

Mer

9.1.

Tevens voeren eisers – kort samengevat – aan dat ten onrechte een milieueffectrapportage (mer) ontbreekt. Volgens eisers geeft de provincie aan dat die wel verplicht is, gelet op de kwalificatie van natuur buiten de EHS. Zij stellen dat de quickscan daartoe niet voldoende is, nu er wel sprake is van beschermingswaardige natuur.

9.2.

In reactie op deze beroepsgrond heeft verweerder – kort samengevat – aangevoerd dat de aanleg van een zonnepark doorgaans geen mer-plichtige activiteit is. Hier is geen sprake van een warmtekrachtcentrale als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage (het Besluit mer). Volgens verweerder is ook geen sprake van een landinrichtingsproject omdat er geen sprake is van (grootschalige) ruilverkaveling en het zonnepark maar ongeveer 15 hectare groot is.

9.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan niet mer-plichtig is. Gesteld noch anderszins gebleken is dat het bouwplan valt onder één van de categorieën van het Besluit mer. De stelling van eisers dat de provincie een mer wel verplicht acht, maakt dit niet anders. Die stelling vindt geen onderbouwing in de (van de provincie afkomstige) gedingstukken, dan wel in de provinciale regelgeving.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Veiligheid

10.1.

Voorts voeren eisers – kort samengevat – aan dat een zonnepark op het water realiseren en onderhouden, andere en grotere gevaren met zich meebrengt dan bij een zonnepark op het land. Niet gebleken is dat veiligheidsvoorzieningen en beheersmaatregelen worden gerealiseerd voor kabels en leidingen op, in en onder het water. Ook is er geen veiligheids- en gezondheidsplan bekend. Eisers achten het aantal branden op zonneparken zorgwekkend en een reëel risico. Van brandweerdeskundigen hebben eisers begrepen dat reeds bij een kleine brand op dit park, de brand moet worden bestempeld als niet te blussen. Eisers hebben geen inzage gekregen in de te gebruiken materialen op het park, waardoor onduidelijk is welke typen materialen worden verwerkt. Duidelijk is wel dat bij een brand een enorme milieuramp zal ontstaan. Dat verweerder die risico’s als een uitdaging bestempelt, achten eisers volstrekt onacceptabel. Tevens stellen eisers dat er geen goedgekeurde berekeningsmethode is voor verankeringen van zonneparken op het water, voor de windbelasting, voor ijsvorming en voor opstuwing door ijs. Dat verweerder toch op voorhand vindt dat alles al voldoende is onderzocht, begrijpen eisers niet. Ook is onvoldoende door verweerder erkend dat gekoppelde zonnepanelen elektrische velden vormen. Een dergelijke zonnepark kan niet worden gelijkgesteld met een elektriciteitsdistributiebedrijf, nu er geen sprake is van distributie maar van productie van stroom. Tevens heeft verweerder ten onrechte niet heeft onderkend dat netbeheerder Liander heeft aangegeven dat het huidige elektriciteitsnetwerk de opslag vanuit het bouwplan niet aankan, aldus eisers.

10.2.

In reactie op deze beroepsgronden heeft verweerder – kort samengevat – aangevoerd dat er geen reden is om aan te nemen dat er sprake zal zijn van een onveilige situatie. Alle kabels en de drijvers zijn voorzien van isolatie waardoor geen elektrische velden ontstaan onder de panelen. De stroom zal niet in of door het water lopen. De bekabeling voldoet aan de NEN-normen en het park wordt geïnstalleerd door ervaren installateurs. Wat de brandveiligheid betreft, heeft contact plaatsgevonden met de brandweer Fryslân. Vanuit de brandweer is aangegeven dat ten aanzien van dit bouwplan geldt dat er geen gevaar is voor uitbreiding van een brand (naar gebouwen). De brandweer zal terughoudend zijn met blussen, gelet op de eigen veiligheid in verband met gevaar voor elektrocutie. Er is volgens de brandweer echter geen sprake van een groot risico. De brandweer is ten aanzien van bestrijding van een dergelijke brand bekend met de eventuele gevaren en kan daar goed op inspringen. Voor de brandweer is er dan ook geen aanleiding afwijzend te zijn tegen een drijvend zonnepark. Volgens verweerder zijn wereldwijd diverse drijvende zonneparken gerealiseerd en zijn er geen meldingen gedaan van elektromagnetische velden die nadelige gevolgen hebben voor mens of dier. De verantwoordelijkheid voor veilige producttoepassing en een deugdelijke en veilige werkwijze ligt bij de vergunninghouder, die veel ervaring heeft met het aanleggen van zonneparken. Het effect van en de kans op kruiend ijs op zonnepanelen is niet bekend, evenals de eventuele onveilige situaties die zich hierbij kunnen voordoen. Voor verweerder is dit echter geen reden om de vergunning niet te verlenen. Daarnaast heeft verweerder aangevoerd dat er geen problemen zijn te verwachten met de levering van elektriciteit. Opgewekte energie wordt uitsluitend en direct geleverd aan het openbare elektriciteitsnetwerk van Liander. Liander beschikt over voorzieningen om piekspanningen te neutraliseren. De levering zal worden afgestemd tussen de vergunninghouder en Liander, aldus verweerder.

10.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de veiligheidsaspecten van het bouwplan geen aanleiding heeft hoeven zien om de gevraagde vergunning te weigeren. Vaststaat dat het bouwplan niet is geprojecteerd op een locatie nabij gevoelige objecten. Daarnaast is niet in geschil dat de brandweer (de brandveiligheid van) het bouwplan heeft beoordeeld en een positief advies daarover heeft afgegeven aan verweerder. Voldoende aannemelijk is dat daarbij de aard en omvang van dit bouwplan in voldoende mate zijn betrokken. Evenmin is in geschil dat de vergunninghouder ruime ervaring heeft met het realiseren van drijvende zonneparken. Verweerder heeft het advies van de brandweer en de ervaring van de vergunninghouder in redelijkheid bij zijn beoordeling mogen betrekken. De kritische kanttekeningen van eisers over de brandveiligheid maken dit niet anders. Hoewel eisers stellen brandveiligheidsdeskundigen te hebben geraadpleegd over dit bouwplan, hebben zij hun kanttekeningen niet met een deskundig tegenadvies gestaafd. De stellingen van eisers dat onduidelijk is welke typen materialen in dit bouwplan worden verwerkt, welke berekeningsmethoden zijn gebruikt en welke veiligheidsvoorzieningen en beheersmaatregelen worden getroffen, volgt de rechtbank niet gelet op de technische tekeningen en productinformatie bij de gedingstukken. Wat (de veiligheid van) het elektriciteitstransport vanaf het bouwplan betreft, heeft verweerder mogen wijzen op afspraken die zijn gemaakt tussen de vergunninghouder en Liander. De enkele stellingen van eisers geven geen aanleiding om daaraan te twijfelen. Verweerder heeft in dat kader een parallel kunnen trekken met een elektriciteitsdistributiebedrijf. Deze beroepsgronden slagen niet.

Beleid

11.1.

Eisers voeren – kort samengevat – aan dat het bouwplan is strijd is met het huidige Ambitiedocument zonne-energie van de gemeente Opsterland (het ambitiedocument) nu de plas daarin niet genoemd is als (optionele) locatie voor een grootschalig zonnepark.

11.2.

In reactie op deze beroepsgrond heeft verweerder – kort samengevat – aangevoerd dat in het ambitiedocument is aangegeven dat meervoudig ruimtegebruik een pre heeft bij de realisatie van een zonnepark. Een zandwinput is als mogelijkheid in dat document genoemd. Gezien het veranderende beleid van de provincie en de mate van beleidsvrijheid die de gemeente heeft, staat een dergelijk document volgens verweerder niet in de weg aan het verlenen van medewerking aan dit bouwplan. Het document wordt nog wel aangepast, waarbij specifieker op verschillende opties voor zonneparken zal worden ingegaan, aldus verweerder.

11.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft mogen stellen dat het ambitiedocument zich niet tegen de locatie verzet. Hoewel de plas niet in dat document is genoemd als potentiële locatie voor een zonnepark, is Ureterp daarin wel als zodanig aangewezen. Ook is daarin aangegeven dat zonnepanelen in een zandwinput of op water onder meervoudige ruimtegebruik valt. Hoewel in dit geval sprake is van een groot zonnepark in relatie tot de grootte van Ureterp, heeft verweerder doorslaggevende betekenis mogen toekennen aan de ambitie van meervoudig ruimtegebruik in combinatie met de inrichting van dit bouwplan. Middels het inrichtingsplan wordt voorzien in inpassing van het zonnepark met oog voor de kwaliteit van het bestaande landschap.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Ladder voor duurzame verstedelijking

12.1.

Eisers stellen dat het bouwplan een stedelijke ontwikkeling betreft en dat verweerder dat ten onrechte niet heeft onderkend.

12.2.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hij mede gelet op de beschikbare jurisprudentie, ervan uit mag gaan dat dit bouwplan niet valt onder het begrip ladder voor duurzame verstedelijking.

12.3.

De rechtbank volgt deze stelling van eisers niet, gelet op wat door de AbRS is overwogen in de uitspraak van 23 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:178).

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Welstand

13.1.

Eisers voeren voorts – kort samengevat – aan dat de kleine commissie van de welstandscommissie op het verkeerde been is gezet door verweerders toezegging dat de bestemming zou worden aangepast. Gelet op de omvang, aard en complexiteit van dit bouwplan, had het bouwplan in de grote welstandscommissie moeten worden beoordeeld met deskundigheid op de gebieden van stedenbouw en landschapsarchitectuur. Dit bouwplan past niet in het welstandsbeleid om in natuurgebieden of in het buitengebied industriële ontwikkelingen toe te staan, aldus eisers.

13.2.

In reactie op deze beroepsgrond heeft verweerder – kort samengevat – aangevoerd dat de welstandscommissie voldoende stukken had om een goede beoordeling te kunnen maken. Het gekozen paneeltype voldoet aan het welstandsadvies. De beoordeling door welstand is volgens verweerder niet afhankelijk van de vraag of er een wijziging van het bestemmingsplan moet plaatsvinden. De welstandscommissie toetst op basis van de welstandsnota. De grootte van de commissie acht verweerder niet bepalend voor de vraag of er een juist advies door de welstandscommissie is gegeven.

13.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan het positieve welstandsadvies doorslaggevende betekenis mocht toekennen bij beantwoording van de vraag of het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Met hun enkele stellingen hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat het welstandsadvies naar inhoud en/of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dat niet aan zijn oordeel omtrent welstand ten grondslag heeft mogen leggen. Daarbij is van belang dat uit dat advies volgt dat de welstandscommissie acht heeft geslagen op de aard en omvang van het bouwplan. Zoals hiervoor reeds is vastgesteld, zijn die aard en omvang tijdens de aanvraagprocedure niet gewijzigd. De stelling van eisers over de grootte van de welstandscommissie doet daaraan niets af. Ook is van belang dat eisers geen tegenadvies van een andere deskundig te achten persoon of instantie hebben overgelegd. Met de enkele stelling dat sprake is van een industriële ontwikkeling in het buitengebied hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria.
Deze beroepsgrond slaagt niet.

Handhaving

14.1.

Eisers menen dat de verleende vergunning niet kan dienen als basis voor handhavend optreden, gelet op de vele onduidelijkheden in de bijbehorende stukken over het aantal vergunde panelen. Ook is direct toezicht niet geborgd, aldus eisers.

14.2.

De rechtbank volgt eisers hierin niet. Uit het bestreden besluit volgt in voldoende mate welke documenten deel uitmaken van de verleende omgevingsvergunning. Uit die documenten volgt wat (de omvang van) het bouwplan behelst. Daar komt bij dat in de vergunningvoorschriften is vastgelegd dat het bouwplan dient te worden uitgevoerd overeenkomstig het inrichtingsplan en de inrichtingstekening. De vraag in hoeverre verweerder in de praktijk toezicht houdt op die uitvoering valt buiten de omvang van dit geding.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Belangenafweging

15.1.

Eisers voeren tot slot – kort samengevat – aan dat verweerder een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt. Zij menen dat verweerder onvoldoende aandacht heeft besteed aan de omstandigheid dat er meer dan voldoende ruimte op daken is om zonne-energie op te wekken. Daarnaast stellen eisers dat verweerder onnodig grote risico’s loopt met het vergunnen van dit bouwplan. Bij calamiteiten of schade aan het milieu of de omgeving heeft de gemeente niets in handen om de kosten en schade te kunnen verhalen. De raad heeft die risico’s wel onderkend, gelet op de aangenomen motie die ziet op het oprichten van een waarborgfonds. Eisers stellen dat zij noch de gemeente een garantie hebben dat het zonnepark wordt opgeruimd bij het einde van de levensduur. Tevens stellen eisers dat met dit bouwplan de mogelijkheid om op de plas te recreëren ten onrechte teniet wordt gedaan. Verweerder heeft niet gestaafd dat de plas levensgevaarlijk zou zijn vanwege de diepte en gestort puin. Volgens eiser wordt het onttrekken van de plas aan de openbaarheid door verweerder gebagatelliseerd, terwijl hij zelf voorstander zegt te zijn van recreatieve ontwikkelingen. Eisers vinden het niet geloofwaardig dat gesteld wordt dat het gebied vrij toegankelijk zal blijven, gelet op de stalen kettingen en kabels die de panelen gaan verbinden met de oevers. Eisers menen dat de ruimtelijke beleving vanaf hun perceel verdwijnt door de aanplant van bomen direct bij de plas en het plaatsen van een industriële voorziening op de plas. Ook stellen eisers dat sprake is van bevoordeling van de gemeente, nu de vergunninghouder zonnepanelen op het dorpshuis van Ureterp zal gaan plaatsen en dat dorpshuis eigendom van de gemeente is, hetgeen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is. Van het kopen van planologische toestemming mag geen sprake zijn, aldus eisers.

15.2.

In reactie op deze beroepsgrond heeft verweerder – kort samengevat – aangevoerd dat de gemeente de ambitie heeft om actief mee te werken aan het halen van klimaatdoelstellingen. Daarom werkt de gemeente actief mee aan het realiseren van zonneparken zoals het onderhavige park. Dat zonnepanelen op daken kunnen worden geplaatst, maakt dit niet anders. Verweerder heeft aangevoerd dat door de raad alleen een motie is aangenomen die strekt tot het opruimen van een park aan het einde van de looptijd of bij voortijdige beëindiging. Het waarborgfonds heeft tot doel dat een zonnepark op een milieuverantwoorde wijze wordt opgeruimd als de eigenaar/exploitant in gebreke blijft. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de plas heel nadrukkelijk niet geschikt is voor recreatie. Andere plassen zijn in de regel ondiep en daardoor geschikt voor recreatie, terwijl in deze plas sprake is van stort puin en van draaikolken. Daardoor kan het gebruik van de plas voor recreatie levensgevaarlijke situaties opleveren. In de huidige en toekomstige situatie is het niet toegestaan om met een roeiboot op de plas te varen. Alleen het wandelpad blijft vrij toegankelijk. Dit als gunst door de huidige eigenaar aan de inwoners van Ureterp. De vergunninghouder wil als toekomstig eigenaar die gunst voortzetten. Het betreft een particulier terrein dat is opengesteld voor wandelaars. Nu de gemeente geen eigenaar is van die gronden, heeft zij daarover ook geen zeggenschap of verantwoordelijkheid voor het onderhoud van de natuur. In het inrichtingsplan is het behoud van de natuur en het onderhoud van het pad geregeld. Dit onderhoud is ook in de planovereenkomst vastgelegd. Op de inrichtingstekening is indicatief aangegeven welke bomen worden gekapt. Tegen de tijd dat uitvoering gegeven zal worden aan de plannen, zal hier ook overleg met omwonenden over zijn. Wat de zonnepanelen op het dorpshuis betreft, heeft verweerder aangevoerd dat de winst vanuit die panelen gaat naar de clubs die gebruikmaken van het dorpshuis. Clubleden zijn veelal inwoners van Ureterp. Ook dit is vastgelegd in de planovereenkomst. Daarnaast heeft verweerder aangevoerd dat burgers de mogelijkheid krijgen om deel te nemen aan crowdfunding. Ook op die manier kunnen direct omwonenden profiteren van de winst in het zonnepark, hetgeen de vergunninghouder in dit geval toestaat en de gemeente graag wil. Gelet op die doelen, die gunst en de planovereenkomst is er volgens verweerder geen sprake van handelen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

15.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vergunbaar is. Daarbij betrekt de rechtbank allereerst hetgeen hiervoor is overwogen over verschillende aspecten van het bouwplan. Tevens is van belang dat verweerder bij zijn afweging terecht is uitgegaan van hetgeen is aangevraagd. De door eisers gestelde omstandigheid dat er meer dan voldoende ruimte op daken is om zonne-energie op te wekken, heeft verweerder daarom niet leidend hoeven achten binnen zijn afweging. Ook is van belang dat het bouwplan past binnen de provinciale regelgeving en het gemeentelijk zonne-energiebeleid, zoals hiervoor besproken. Voorts is van belang dat verweerder bij zijn afweging expliciet oog heeft gehad voor belangen van omwonenden van de plas, recreanten en dorpsbewoners. Zo mocht hij betrekken dat in de ruimtelijke onderbouwing en het inrichtingsplan nadrukkelijk rekening is gehouden met de belangen van omwonenden bij inrichting van de plas en de oevers. Enerzijds voorziet het inrichtingsplan in gedeeltelijke afscherming van de zonnepanelen door beplanting, terwijl dat plan anderzijds voorziet in aanleg van meer recreatieve voorzieningen rondom het zuidelijk gedeelte van de plas waarvan ook omwonenden kunnen profiteren. In die stukken is ook behoud en herinrichting van (de openbaarheid van) het wandelpad gewaarborgd. Daarmee kunnen zowel omwonenden als recreanten rondom de plas blijven recreëren. Daar komt bij dat het bouwplan is aangepast naar aanleiding van ingediende zienswijzen. Aanvullend daarop heeft de vergunninghouder toegezegd dat hij met omwonenden in gesprek gaat over de nadere details van de herinrichting. Aan het gestelde belang van recreatie op de plas zelf heeft verweerder geen doorslaggevende betekenis hoeven toekennen. Los van het feit dat de plas niet planologisch is bestemd voor recreatie, staat vast dat de eigenaar van de plas geen recreatief gebruik van de plas toestaat. Daar komt bij dat de natuurlijke omstandigheden van de plas, zoals de diepte en stromingen, recreatief gebruik niet bevorderen. Van bagatellisering door verweerder van de recreatieve mogelijkheden na realisatie van het bouwplan is geen sprake. Daarnaast heeft verweerder in de planovereenkomst bepaalde doelen en waarborgen met de vergunninghouder afgesproken, ten gunste van het dorp Ureterp. Niet in geschil is dat ook eisers profijt kunnen hebben van die doelen en waarborgen. Uit verweerders afweging volgt in voldoende mate dat hij het doel en de aard van het bouwplan zelf zwaarwegend heeft geacht, niet het feit dat de vergunninghouder het dorpshuis ook zal voorzien van zonnepanelen. Van gestelde ongeoorloofde bevoordeling dan wel het gesteld kopen van planologische toestemming is hier geen sprake. Vervolgens heeft verweerder aan de door eisers gestelde risico’s en nadelen van het bouwplan geen doorslaggevende betekenis hoeven toekennen. Naast hetgeen hiervoor is overwogen over veiligheidsaspecten van het bouwplan, heeft verweerder mogen wijzen op de verantwoordelijkheid van de vergunninghouder om het bouwplan te gebruiken zoals vergund. Daarbij hoort ook dat voldaan moet worden aan de vergunde technische (kwaliteits)kenmerken van het bouwplan. Indien de vergunninghouder niet handelt overeenkomstig de verleende omgevingsvergunning kan verweerder handhavend optreden. Dat geen expliciete garantie is gegeven over het opruimen van het zonnepark bij het einde van de levensduur, maakt dit niet anders. Al met al overweegt de rechtbank dat verweerder aan de belangen gemoeid met verlening van de gevraagde omgevingsvergunning meer gewicht heeft mogen toekennen dan aan de belangen van eisers bij weigering van die vergunning.
Deze beroepsgrond slaagt niet.

16. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid gebruikt heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om voor het bouwplan een omgevingsvergunning te verlenen. Het bestreden besluit is voldoende draagkrachtig gemotiveerd.

17. Het beroep is ongegrond.

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. de Jonge, voorzitter, en mr. H.J. Bastin en
mr. M.M. van Driel, leden, in aanwezigheid van mr. R.A. Schaapsmeerders, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 september 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

typ: SCHA

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.