Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:3847

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-09-2019
Datum publicatie
31-08-2020
Zaaknummer
C/17/163626 / HA ZA 18-267
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

- verkoop jacht door inmiddels gefailleerde vennootschap

- levering constitutum possessonium

- Eigendomsoverdracht in samenhang art. 42 FW. ivm benadeling andere schuldeisers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2020-0255
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/163626 / HA ZA 18-267

Vonnis van 11 september 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap

YACHTPAINTS EQUIPMENT & CONSULTANCY VOLLENHOVE B.V,

gevestigd te Vollenhove,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. T.E. Heslinga te Leeuwarden,

tegen

MR. CHRISTIAN GEFFROY

in hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid JETTEN YACHTING B.V.,

wonende te Heerenveen,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. W. Schoo te Leeuwarden.

Partijen zullen hierna YEC en de curator genoemd worden. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Jetten Yachting B.V. zal hierna worden aangeduid als Jetten.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie

  • -

    de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Jetten exploiteerde een jachtwerf. YEC exploiteert een groothandel in verf en verfwaren en leverde regelmatig verfwaren aan Jetten voor de bij Jetten in aanbouw zijnde schepen. In de betalingsverplichtingen van Jetten jegens YEC is op een gegeven moment een achterstand ontstaan, die in april 2018 ruim € 86.000,00 bedroeg.

2.2.

Op 16 april 2018 hebben YEC en Jetten een koop- en aannemingsovereenkomst gesloten met betrekking tot een jacht van het type Jetten 38 Cabrio (hierna: het jacht).

In de overeenkomst, waarin YEC is aangeduid als opdrachtgever en Jetten als opdrachtnemer, is het volgende - voor zover van belang - bepaald:

"OVEREENKOMST

De opdrachtgever en de opdrachtnemer verklaren hierbij dat partijen zijn overeengekomen dat

- de opdrachtgever van de opdrachtnemer een jacht heeft gekocht in de staat zoals het nu is; een gedeeltelijk afgebouwd casco

- en opdrachtnemer voor de opdrachtgever het jacht zal afbouwen conform de specificatie op pagina 2 en de van deze overeenkomst deel uitmakende specificatie "Jetten 38 Cabrio Limited 5th Anniversary Edition", bladzijde 10 t/m 14.

(…)

ZEKERHEIDSSTELLING

De opdrachtgever kan zijn jacht in aanbouw, op zijn kosten, op zijn naam laten registreren in de openbare registers van het Kadaster, zodat de eigendom wordt vastgelegd.

(…)

LEVERTIJD

Zonder dat sprake is van bijkomende werkzaamheden zal de levering van het vaartuig, af werk te Sneek, plaatsvinden in de maand oktober 2018;

(…)

PRIJS EN BETALINGSCONDITIES

De prijs voor de bouw van het jacht is als volgt vastgesteld;

Specificatie Bedrag € excl. BTW.

Jetten 38 Cabrio Anniversary Edition 235.000

Korting 22.415

Bedrag exclusief BTW 212.585

Deze prijs wordt door de opdrachtgever betaald in de volgende betalingstermijnen:

Omschrijving Bedrag excl. BTW

1. bij ondertekening van de overeenkomst 91.115

2.1e week mei 20.000

3, 1e week juni 20.000

4. 1e week juli 20.000

5. 1e week augustus 20.000

6. 1e week september 20.000

7. 1e week oktober 21,470

Totaal 212.585

(…) De op dit moment openstaande facturen van opdrachtgever worden direct met de 1e termijn, bij ondertekening van de overeenkomst, zijnde € 91.115,- verrekend.

(…)"

2.3.

Op 18 april 2018 heeft YEC het jacht met haarzelf als eigenaar laten registreren in het scheepsregister bij het Kadaster.

2.4.

Op 19 april heeft YEC in het kader van voornoemde overeenkomst een bedrag ad

€ 23.518,00 aan Jetten betaald en op 4 mei 2018 een bedrag ad € 32.099,80.

2.5.

Bij vonnis van 22 mei 2018 van deze rechtbank is Jetten in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. C. Geffroy als curator.

2.6.

YEC heeft aan de curator gevraagd om afgifte van het jacht, althans om afbouw van het jacht. De curator heeft in reactie hierop bij brief van 24 augustus 2018 het standpunt ingenomen dat, indien de eigendom van het jacht zou zijn overgegaan naar YEC, er sprake is van een paulianeuze rechtshandeling. Hij heeft daarom de vernietiging van deze rechtshandeling ingeroepen op grond van artikel 42 Faillissementswet (Fw).

2.7.

In het kader van de onderhavige procedure hebben de heer [X] , directeur van YEC en de heer [Y] , directeur bestuurder van Jetten schriftelijke verklaringen afgelegd. De verklaring van [X] d.d. 22 augustus 2018 luidt - voor zover van belang - als volgt:

"(…) Aangezien wij als verfleverancier YEC nauw contact hadden met Jetten Shipyard, waren wij op de hoogte van de betalingsproblemen van deze werf. Omdat wij als leverancier belang hechten aan de continuïteit bij onze klanten, hebben wij een oplossing gevonden door voor de openstaande bedragen en toekomstige leveringen zekerheid te verkrijgen door de koop van het casco. We hebben ongeveer 40k verrekend met openstaande facturen en 50k bijbetaald aan het casco (met dit geld kon Jetten de lonen aan zijn werknemers betalen).

Omdat het niet duidelijk was of Jetten het zou redden hebben we een heldere koopovereenkomst gesloten, die aangeeft dat wij het casco hebben gekocht en dat de eigendom naar ons is overgegaan. Wij hebben daarvoor ook meteen het Kadaster gevraagd dit te registreren en een nummer in de boot aan te laten brengen. Dit is allemaal in overleg gegaan met de directeur van de werf, [Y] . De afbouw van de boot kon wat ons betreft worden uitgevoerd door Jetten, maar mocht Jetten het niet redden, dan zouden wij voldoende bedrijven in ons netwerk hebben die de boot willen en kunnen afbouwen (…)"

De verklaring van [Y] d.d. 21 augustus 2018 luidt - voor zover van belang - als volgt:

"(…) Deze boot was een voorraadboot, hetgeen ongebruikelijk is, daar normaal alleen boten op basis van een klantorder gebouwd worden. Deze boot bouwde Jetten dus op eigen rekening en risico. Normaal gesproken leveren wij de eigendom niet voordat alles betaald is. Dat was hier niet het geval en wij hebben dan ook beoogd de boot in eigendom te leveren, daarbij geen risico nemend dat we een boot geleverd hebben en dan nog maar zien dat er betaald wordt. Er was immers een strak betaalschema afgesproken, waarbij geen eindtermijn voor levering werd afgesproken en er ondertussen voldoende geld binnen kwam om de boot ook daadwerkelijk af te bouwen. (…)"

3. Het geschil

in conventie

3.1.

YEC vordert dat de rechtbank, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een verklaring voor recht geeft dat het jacht op 16 april 2018 rechtsgeldig in eigendom is overgegaan naar YEC. Voorts vordert YEC veroordeling van de curator tot afgifte van het jacht op straffe van een dwangsom. Tot slot vordert YEC proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten.

3.2.

De curator voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

De curator vordert primair dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, een verklaring voor recht geeft dat het jacht in eigendom toebehoort aan Jetten. Voorts vordert de curator de veroordeling van YEC tot het verlenen van medewerking aan de uitschrijving van het jacht uit de openbare registers van het kadaster. Subsidiair vordert de curator een verklaring voor recht dat het overdragen van het jacht aan YEC in strijd is met artikel 42 Fw. Tot slot vordert de curator proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten.

3.5.

YEC voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1.

De rechtbank zal de vorderingen in conventie en in reconventie, gezien de samenhang, gezamenlijk behandelen.

Wel of geen eigendomsoverdracht

4.2.

De rechtbank dient te beoordelen of YEC de eigendom van het jacht heeft verkregen door levering van het jacht, zoals door YEC is gesteld en door de curator is betwist.

4.3.

Voor een eigendomsoverdracht is behalve een geldige titel een leveringshandeling vereist, verricht door iemand die bevoegd is om over het goed te beschikken. Welke leveringshandeling vereist is, hangt af van hetgeen wordt overgedragen. De curator heeft aangevoerd dat het jacht, dat te boek gesteld is in het scheepsregister bij het kadaster, moet worden aangemerkt als een registergoed dat alleen kan worden overgedragen bij notariële akte (artikel 3:89 lid 4 BW). De rechtbank volgt dit standpunt van de curator niet, omdat het jacht op het door YEC gestelde moment van levering, namelijk bij het sluiten van de koop- en aanneemovereenkomst, nog niet was geregistreerd in het scheepsregister en dus nog geen registergoed was. Bij de beoordeling van de vordering van YEC gaat de rechtbank er dan ook van uit dat het jacht een roerende zaak/niet registergoed betrof, waarvan de levering plaatsvindt door aan de verkrijger het bezit te verschaffen (artikel 3:90 BW).

4.4.

YEC heeft gesteld dat het de bedoeling van partijen is geweest om met de koop- en aannemingsovereenkomst ook de overdracht van de eigendom van het jacht te effectueren. Voor beide partijen was duidelijk dat het bezit is overgedragen, hetgeen nadien ook nog eens is bevestigd door de registratie van het jacht door YEC in het scheepsregister. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft YEC de verklaringen overgelegd van [X] , directeur van YEC en van [Y] , directeur-bestuurder van Jetten, zoals die hiervoor onder 2.7. van de feiten zijn aangehaald.

4.5.

De curator heeft aangevoerd dat het jacht nooit aan YEC is geleverd en dus niet in eigendom is overgedragen. Er heeft geen feitelijke bezitsverschaffing aan YEC plaatsgevonden en uit de overeenkomst zoals partijen die hebben gesloten blijkt niet dat het de bedoeling van partijen was dat het jacht direct aan YEC zou worden geleverd. In de overeenkomst is namelijk bepaald dat (behoudens in geval van bijkomende werkzaamheden) levering plaats zal vinden in de maand oktober 2018. Bovendien is de enkele bedoeling van partijen om de eigendom van het jacht direct bij het sluiten van de koop-aannemingsovereenkomst over te laten gaan op zichzelf onvoldoende om een geldige levering te laten plaatsvinden, aldus de curator. De curator verwijst tevens naar de NJI (Nederlandse Jachtbouw Industrie) leveringsvoorwaarden die op de koop- en aannemingsovereenkomst van toepassing zijn. In artikel 6 lid 1 van die voorwaarden staat dat levering (in de zin van bezitsverschaffing) pas plaatsvindt op het moment dat het schip, na inbedrijfsstelling, ter beschikking wordt gesteld aan de opdrachtgever. Verder wijst de curator op de algemene werkwijze van Jetten ten aanzien van het vastleggen van afspraken met klanten, aan de hand van een standaard bouwovereenkomst waarin altijd werd overeengekomen dat levering van het jacht pas zou plaatsvinden na afronding van de werkzaamheden op de in de overeenkomst bepaalde datum.

4.6.

De rechtbank overweegt het volgende. Het jacht in aanbouw is altijd op de werf van Jetten blijven liggen, zodat feitelijke bezitsverschaffing aan YEC niet heeft plaatsgevonden. Dit brengt mee dat de levering op de voet van artikel 3:115 sub a BW heeft moeten plaatsvinden, dat wil zeggen door middel van een tweezijdige verklaring van overdracht van het bezit, de zogenaamde 'levering constitutum possessorium' (hierna: c.p. levering) genoemd. Anders dan de curator heeft betoogd is naar het oordeel van de rechtbank niet vereist dat een specifieke bepaling moet zijn opgenomen in de koop- en aannemingsovereenkomst waaruit blijkt dat partijen al direct bij het sluiten van de overeenkomst de bezitsoverdracht aan YEC wilden bewerkstelligen. Een tweezijdige verklaring van de overdracht van het bezit kan ook uit de omstandigheden worden afgeleid. De rechtbank wijst op artikel 3:37 lid 1 BW, waarin staat dat tenzij anders is bepaald, verklaringen in iedere vorm kunnen geschieden en in een of meer gedragingen besloten kunnen liggen.

4.7.

De rechtbank is gelet op de omstandigheden van dit geval van oordeel dat een

levering als bedoeld in artikel 3:115 sub a BW heeft plaatsgevonden. De tweezijdige verklaring als hiervoor bedoeld ligt al besloten in de koop- en aannemingsovereenkomst. Die overeenkomst is immers klaarblijkelijk gesloten met de bedoeling om het jacht direct aan YEC over te dragen met het oog op haar wens om op deze wijze zekerheid te verkrijgen ten aanzien van de betaling van haar openstaande facturen bij Jetten. Uit de hiervoor aangehaalde verklaringen van [X] en [Y] , de vertegenwoordigers van de partijen die de koop- en aannemingsovereenkomst sloten, is de wens van Jetten en YEC te herleiden dat het jacht direct bij het sluiten van de overeenkomst zou worden geleverd om zodoende aan YEC de zekerheid te verschaffen dat zij haar facturen betaald zou krijgen. De expliciete bepaling in de koopovereenkomst dat de opdrachtgever het jacht in aanbouw, op zijn kosten, op zijn naam mocht laten registreren in de openbare registers van het Kadaster, zodat de eigendom wordt vastgelegd, draagt er tot slot ook aan bij dat in dit geval sprake is geweest van een c.p. levering met de bedoeling om de eigendom van het jacht over te dragen.

4.8.

Hetgeen de curator heeft aangevoerd met betrekking tot de gebruikelijk werkwijze van Jetten is in deze procedure niet relevant. De onderhavige overeenkomst was immers een andere dan de gebruikelijk overeenkomsten zoals Jetten die met klanten sloot, alleen al omdat YEC niet een 'normale' klant was, maar een leverancier. Bij de door de curator bedoelde standaardovereenkomsten gaat het bovendien om bouwovereenkomsten, terwijl het in de situatie van YEC expliciet benoemd is dat het een koop- en aannemingsovereenkomst betreft.

4.9.

Gevolg van de c.p. levering is dat Jetten het verkochte en geleverde jacht als houder voor YEC onder zich heeft gehouden, teneinde het verder af te bouwen. De in de overeenkomst vermelde leveringsdatum dient naar het oordeel van de rechtbank te worden aangemerkt als de opleveringsdatum, namelijk de datum waarop alle bouwwerkzaamheden aan het jacht zijn afgerond en de feitelijke macht over het jacht aan YEC zal worden verschaft. Het begrip bezitsverschaffing heeft een andere (ruimere) strekking dan de bezitsoverdracht waarop in artikel 3:115 sub a BW wordt gedoeld.

4.10.

Voor zover in artikel 6 van de algemene voorwaarden een van de overeenkomst afwijkende regeling is opgenomen ten aanzien van de levering, geldt dat de bepalingen uit de overeenkomst voor gaan (artikel 1.3. van de algemene voorwaarden).

4.11.

De slotsom is dat het jacht op 16 april 2018 rechtsgeldig aan YEC is geleverd en dat aldus de eigendom van het jacht per die datum naar haar is overgegaan. Dit betekent dat de door YEC gevorderde verklaring voor recht met betrekking tot de eigendom van het jacht kan worden toegewezen en dat de vorderingen van de curator ten aanzien van de eigendom van het jacht en de uitschrijving van het jacht uit de openbare registers van het kadaster zullen worden afgewezen.

4.12.

Of de curator ook moet worden veroordeeld tot afgifte van het jacht, zoals door YEC is gevorderd, hangt af van de hierna te beoordelen vraag of de overdracht al dan niet als paulianeus moet worden aangemerkt.

Pauliana

4.13.

Vervolgens komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de subsidiaire stelling van de curator, namelijk dat het overdragen van het jacht aan YEC in strijd is met artikel

42 Fw.

4.14.

De curator heeft gesteld dat de overdracht van het jacht onverplicht is verricht vóór de faillietverklaring van Jetten en benadeling van de gezamenlijke schuldeisers tot gevolg heeft, terwijl zowel Jetten als YEC wist dat de verkoop tot benadeling van de gezamenlijke schuldeisers zou leiden. De curator wijst er op dat de faillissementsaanvraag op 30 maart 2018 is ingediend en dat partijen - getuige de verklaring van [X] - ermee bekend waren dat Jetten in zwaar weer verkeerde en mogelijk failliet zou gaan. YEC had op dat moment ruim € 86.000,00 te vorderen van Jetten en heeft deze vordering kunnen verrekenen met de waarde van het jacht, terwijl de opbrengst anders ten goede was gekomen aan de gezamenlijke schuldeisers. Blijkens de verklaring van [X] was zowel het faillissement als het tekort daarin ten tijde van de koopovereenkomst met een redelijke mate van waarschijnlijkheid te voorzien, aldus de curator.

4.15.

YEC betwist dat zij wist of had kunnen weten dat het faillissement voorzienbaar was. Zij wist wel van de betalingsachterstand die Jetten had en die zij niet op korte termijn zou kunnen inlopen, maar niet van de faillissementsaanvraag op 30 maart 2018 dan wel van de mogelijkheid dat Jetten failliet verklaard zou kunnen worden. In de verklaring van [X] , waarin hij het heeft over het "niet redden" van Jetten wordt niet expliciet gedoeld op een faillissement, maar op het stoppen van de samenwerking door YEC met Jetten. Het komt vaker voor dat er bij betalingsachterstanden afspraken gemaakt worden om de leveringen te continueren. In dit geval zag de getroffen regeling ook op het kunnen voortzetten van de leveranties. YEC betwist voorts dat sprake is geweest van benadeling van schuldeisers. YEC heeft daadwerkelijk een fors bedrag van in totaal € 55.617,80 voldaan aan Jetten waarmee juist schuldeisers konden worden betaald. Er is slechts een bedrag van

€ 54.631,35 verrekend. Bovendien is er geen sprake geweest van wetenschap van benadeling. De transactie is op een eerlijke wijze (na een taxatie en met een duidelijke koop- en aannemingsovereenkomst) tot stand is gekomen. Als de transactie niet tot stand zou zijn gekomen zou het casco in de boedel zijn achtergebleven en had het slechts tegen executiewaarde verkocht kunnen worden, hetgeen nimmer tot enig voordeel voor de boedel zou leiden.

4.16.

De rechtbank overweegt het volgende. De curator in een faillissement kan ingevolge artikel 42 Fw een door de gefailleerde voor de faillietverklaring verrichte rechtshandeling buitengerechtelijk vernietigen indien: (i) die rechtshandeling onverplicht is verricht, (ii) de schuldeisers van de gefailleerde daardoor zijn benadeeld, en (iii) (bij een rechtshandeling anders dan om niet) zowel de gefailleerde als degene met of jegens wie hij de rechtshandeling verrichtte ten tijde van het verrichten van die rechtshandeling wisten of behoorden te weten dat benadeling van schuldeisers daarvan het gevolg zou zijn.

4.17.

Een rechtshandeling is onverplicht in de zin van artikel 42 Fw indien deze wordt verricht zonder dat daartoe een op de wet of overeenkomst berustende rechtsplicht bestaat. In het onderhavige geval staat vast dat Jetten gehouden was tot betaling van de openstaande facturen. Met de verkoop van het jacht aan YEC heeft Jetten dan ook iets anders gepresteerd dan waartoe hij rechtens gehouden was, waarbij het de achterliggende bedoeling was dat YEC de zekerheid zou krijgen dat haar openstaande facturen betaald zouden kunnen worden. Met verwijzing naar vaste rechtspraak hieromtrent (o.a. HR 18 december 1992, ECLI:HR:1992:ZC0804 en Rb Leeuwarden 8 juli 2009, ECLI:NL:RBLEE:2009:BJ2525),

is de rechtbank van oordeel dat hier kan worden gesproken van een onverplichte rechtshandeling. Van de zijde van YEC is dit ook niet weersproken.

4.18.

De rechtbank is voorts van oordeel dat door de eigendomsoverdracht, en doordat YEC als gevolg hiervan een gedeelte van de koopsom voor het jacht heeft kunnen verrekenen met haar openstaande vordering op Jetten, andere schuldeisers van Jetten zijn benadeeld. Indien de verkoop aan YEC was uitgebleven had de curator het jacht immers aan een derde kunnen verkopen en zou de gehele opbrengt aan de schuldeisers ten goede zijn gekomen, waar thans in totaal een bedrag ad € 55.617,80 is betaald. Van de zijde van de curator is voorts terecht aangevoerd dat de transactie tussen Jetten en YEC tevens heeft gezorgd voor een verstoring van de rangorde tussen YEC en de overige schuldeisers van Jetten, hetgeen eveneens zorgt voor een benadeling van de crediteuren (o.a. Hof Arnhem-Leeuwarden 26 januari 2016, ECLI:GHARL:2016:463). Dit betekent dat ook aan de voorwaarde ad (ii) voor buitengerechtelijke ontbinding is voldaan.

4.19.

Tot slot staat ter beoordeling of Jetten en YEC wisten of behoorden te weten dat door de eigendomsoverdracht van het jacht schuldeisers zouden worden benadeeld. YEC betwist niet dat er bij Jetten sprake is geweest van wetenschap van benadeling. Zij betwist alleen wetenschap bij haarzelf. Van wetenschap van benadeling van schuldeisers is sprake, indien ten tijde van de bestreden rechtshandeling het faillissement en een tekort daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid waren te voorzien. Voor de vereiste mate van waarschijnlijkheid is volgens het voornoemde arrest niet vereist dat YEC ten tijde van de rechtshandelingen (voldoende) dwingende aanwijzingen heeft gehad dàt Jetten zou failleren. Een faillissement en een tekort daarin – en derhalve benadeling van schuldeisers – moeten met een redelijke mate van waarschijnlijkheid te voorzien zijn geweest (o.a. HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8493).

4.20.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de verklaring van [X] , waarin staat dat Jetten het mogelijk "niet zou redden" worden afgeleid dat YEC ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst aanwijzingen had dat er mogelijk een faillissement zat aan te komen. YEC had voorts gelet op de omvang van de betalingsachterstand van Jetten bij haar, die fors genoemd kan worden, ook kunnen vermoeden dat zij niet de enige schuldeiser was en dat de andere schuldeisers bij een eventueel faillissement zouden worden benadeeld door de eigendomsoverdracht van het jacht aan YEC. Tot slot neemt de rechtbank in aanmerking dat ten tijde van de koopovereenkomst de faillissementsaanvraag al was ingediend en dat de transactie zeer kort voor de faillissementsdatum heeft plaatsgevonden.

4.21.

Het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd, brengt met zich dat aan alle vereisten voor een succesvol beroep op de in artikel 42 Fw geregelde faillissementspauliana is voldaan. De door de curator gevorderde verklaring voor recht dat het overdragen van het jacht aan YEC in strijd is met artikel 42 Fw is dan ook toewijsbaar.

Conclusie in conventie en in reconventie

4.22.

Al het vorenstaande leidt tot de volgende slotsom. In conventie zal de rechtbank voor recht verklaren dat het jacht op 16 april 2018 rechtsgeldig in eigendom is overgegaan naar YEC. De vordering van YEC tot afgifte van het jacht wijst de rechtbank echter af, gelet op de te geven beslissing in reconventie. In reconventie zal de rechtbank namelijk de subsidiaire vordering van de curator toewijzen en voor recht verklaren dat de eigendomsoverdracht in strijd is met artikel 42 Fw.

4.23.

YEC zal als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van de curator worden vastgesteld op

€ 1.920,00, namelijk € 291,00 voor griffierecht en 2 x tarief II ad € 543,00 voor conventie en 1 x tarief II ad € 543,00 voor reconventie = € 1.629,00 voor salaris gemachtigde. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen op de wijze zoals hierna in het dictum is bepaald.

4.24.

De door de curator gevorderde nakosten zullen worden toegewezen zoals gevorderd.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

verklaart voor recht dat het jacht op 16 april 2018 rechtsgeldig in eigendom is overgegaan naar YEC,

5.2.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd,

in reconventie

5.3.

verklaart voor recht dat het overdragen van het jacht aan YEC in strijd is met artikel 42 Fw.

5.4.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd,

in conventie en in reconventie

5.5.

veroordeelt YEC in de proceskosten, aan de zijde van de curator tot op heden vastgesteld op € 1.920,00, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat YEC niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de 15e dag na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.6.

veroordeelt YEC in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat YEC niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.7.

verklaart dit vonnis ten aanzien van rechtsoverweging 5.5. en 5.6. uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Werkema en in het openbaar uitgesproken op

11 september 2019.1

1 type: 619