Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:3825

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
09-09-2019
Zaaknummer
AWB 18/1370
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak in een zaak over de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015); de gemeente heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiseres met haar persoonsgebonden budget (pgb) de nodige zorg daadwerkelijk kan betalen. De gemeente heeft niet concreet aangegeven bij welke instellingen eiseres met haar pgb dan wél terecht kan en op welke termijn. Het enkel noemen van zorgaanbieders die personen zoals eiseres in theorie kunnen huisvesten en behandelen, is onvoldoende. Daarmee blijft immers onduidelijk of eiseres daar met haar problematiek en pgb daadwerkelijk terecht kan. Verweerder heeft niet de compensatie en maatwerk geleverd die de Wmo 2015 vereist. Verder twijfelt de gemeente er kennelijk niet aan dat de instelling waar eiseres nu zit, de juiste zorg kan verlenen. Dat de gemeente voor het pgb een lager tarief (75%) hanteert, betekent dat eiseres met dat pgb niet de zorg kan betalen die zij nodig heeft, terwijl van een adequaat alternatief niet is gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2019-0242
JWWB 2019/253
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: 18/1370

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 september 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: L.R.J. Folkers),

en

het college van burgemeester en wethouders van Emmen, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Miltenburg).

Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2018 (hierna: het primaire besluit) heeft verweerder eiseres in aanmerking gebracht voor de maatwerkvoorziening beschermd wonen. De ondersteuning is in de vorm van een persoonsgebonden budget (hierna: het pgb) toegekend voor de periode 22 november 2017 tot en met 22 juni 2018. Voor de berekening van de hoogte van het pgb heeft verweerder conform artikel 15c van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Emmen 2015 (hierna: de Verordening) een tarief van 75% van het dagtarief beschermd wonen gehanteerd. Dit resulteert in een toekenning van een pgb voor de periode 22 november 2017 tot en met 31 december 2017 van € 111,94 per etmaal en voor de periode 1 januari 2018 tot en met 22 juni 2018 van € 117,43 per etmaal.

Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 15 maart 2018 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij brieven van 21 april 2018 en 25 september 2018 heeft zij nadere gronden ingediend.

Verweerder heeft bij brief van 11 oktober 2018 een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft bij brief van 12 oktober 2018 een reactie gegeven op het verweerschrift.

Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2018 op de locatie Assen. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te doen.

Bij brief van 16 november 2018 heeft verweerder een nader standpunt ingenomen. Bij brief van 23 november 2018 heeft eiseres hierop een reactie gegeven.

De rechtbank heeft de zaak vervolgens verwezen naar de meervoudige kamer.

Bij brief van 11 februari 2019 heeft eiseres een nadere onderbouwing van haar beroep ingediend.

Bij brief van 4 april 2019 heeft verweerder een nader verweerschrift ingediend. Hierop heeft eiseres bij brief van 8 april 2019 een reactie gegeven.

Het onderzoek is hervat ter zitting van de meervoudige kamer op 17 april 2019 op de locatie Groningen. Partijen hebben zich daar laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Het beroep is gelijktijdig behandeld met het beroep (met kenmerk 18/2968) van [naam] . Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. De rechtbank heeft besloten om in deze zaak afzonderlijk uitspraak te doen.

Overwegingen

1. Eiseres verblijft in het kader van beschermd wonen in een zogenoemde kantelwoning aan de [adres] in [woonplaats] , dat onderdeel is van zorgonderneming [zorgonderneming] , tegen een tarief van € 150,-- per etmaal. De looptijd van de zorgovereenkomst tussen eiseres en [zorgonderneming] is vastgesteld voor de periode 15 december 2017 tot en met 27 juni 2018.

2. Verweerder heeft aan het bij het bestreden besluit gehandhaafde primaire besluit - voor zover hier van belang - ten grondslag gelegd dat uit artikel 15c van de Verordening volgt dat aan door de gemeente gecontracteerde of daarmee te vergelijken aanbieders een dagvergoeding van 100% wordt vastgesteld. In de periode 22 november 2017 tot en met 31 december 2017 is dit dagtarief € 149,25 per etmaal en in de periode 1 januari 2018 tot en met 27 juni 2018 is dit € 156,57 per etmaal. Voor niet gecontracteerde of daarmee te vergelijken zorgaanbieders geldt een tarief van 75%. Van dat laatste is sprake bij [zorgonderneming] , aldus verweerder. Van een “daarmee te vergelijken” zorgaanbieder is volgens verweerder bovendien geen sprake, omdat [zorgonderneming] niet voldoet aan door verweerder opgestelde voorwaarden die zien op de kwaliteit van de aanbieders. Concreet betekent dit dat eiseres voor de periode 22 november 2017 tot en met 31 december 2017 een pgb ontvangt ter hoogte van 75% x € 149,25 = € 111,94 per etmaal en voor de periode 1 januari 2018 tot en met 22 juni 2018 75% x € 156,57 = € 117,43 per etmaal.

3. Eiseres is van mening dat verweerder haar een pgb moet verstrekken tegen een tarief van 100%, met een maximum van € 150,-- per etmaal. Zij voert daartoe aan dat [zorgonderneming] de door haar gewenste adequate zorg levert. Zij stelt dat op basis van de voorwaarden die verweerder stelt een niet gecontracteerde zorgaanbieder niet aan de kwaliteitseisen kan voldoen, onder meer niet omdat een niet gecontracteerde zorgaanbieder niet kan zijn aangesloten op het systeem IWMO, waarmee aanbieders van zorg in natura met elkaar communiceren. Verder wijst eiseres erop dat de kostprijs van haar zorg bij [zorgonderneming] met € 150,-- per etmaal lager is dan het 100% tarief van verweerders gemeente.

Bovendien handelt verweerder willekeurig door ten aanzien van een aantal niet gecontracteerde zorgaanbieders, dat volgens eiseres vergelijkbaar is met [zorgonderneming] , wel een 100% tarief te hanteren. In haar brief van 11 februari 2019, voorzien van bijlagen, noemt eiseres een aantal zorgaanbieders dat evenmin door verweerder is gecontracteerd en ten aanzien waarvan verweerder wél een 100% tarief hanteert.

4. In het verweerschrift van 4 april 2019 stelt verweerder primair dat eiseres per 23 november 2018 waarschijnlijk is toegelaten tot de Wet Langdurige Zorg (hierna: WLZ) en dat haar begeleiding voor de toekomst via de WLZ loopt. Daarmee heeft eiseres volgens verweerder geen belang meer bij deze procedure, omdat de vergoeding van gemaakte kosten van de Wmo 2015 wordt verschoven naar de WLZ. Inhoudelijk stelt verweerder onder meer dat [zorgonderneming] op een aantal onderdelen niet is te vergelijken met de door eiseres aangehaalde zorgaanbieders. Verweerder merkt op dat [zorgonderneming] niet aantoonbaar voldoet aan de kwaliteitseisen die verweerder hanteert. Bovendien stelt verweerder dat niet is gebleken dat eiseres specifiek afhankelijk is van [zorgonderneming] .

5. In haar brief van 8 april 2019 merkt eiseres op - voor zover hier van belang - dat verweerder uit het oog verliest dat eiseres met het aan haar toegekende pgb de zorg moet kunnen inkopen die zij nodig heeft. Daarvan is met het bestreden besluit geen sprake, aldus eiseres.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

7. Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat eiseres geen belang heeft bij deze procedure, omdat zij vanaf 23 november 2018 is toegelaten tot de WLZ, volgt de rechtbank verweerder niet, reeds omdat het in deze zaak gaat om een andere periode, namelijk van 22 november 2017 tot en met 22 juni 2018 en het bestreden besluit ziet op een beoordeling in het kader van de Wmo 2015. Het beroep is daarom ontvankelijk.

8. Ingevolge artikel 2.3.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: de Wmo 2015) draagt het college er zorg voor dat aan personen die daarvoor in aanmerking komen, een maatwerkvoorziening wordt verstrekt.

In artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 is onder meer bepaald dat het college tot verstrekking van een maatwerkvoorziening beslist ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid (…) die de cliënt ondervindt (…).

De maatwerkvoorziening levert (…) een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid (…).

In artikel 2.3.6, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat, indien de cliënt dit wenst, het college hem een pgb verstrekt dat de cliënt in staat stelt de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken.

Ingevolge artikel 2.3.6, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wmo 2015 kan het college een pgb weigeren voor zover de kosten van het betrekken van de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen van derden hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening.

In artikel 15, derde lid, van de Verordening is het volgende opgenomen:

3. De hoogte van het pgb:

a. wordt mede bepaald aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden;

b. is toereikend om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken en wordt waar nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering;

c. bedraagt niet meer dan de kostprijs c.q. referentietarief van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate in de gemeente beschikbare voorziening in natura.

In artikel 15c, eerste en tweede lid, van de Verordening is het volgende opgenomen:

1. De hoogte van een pgb voor beschermd wonen uitgevoerd door een door het college gecontracteerde aanbieder of een daarmee te vergelijken aanbieder, bedraagt maximaal 100% van het dagtarief voor beschermd wonen zoals door het college gecontracteerd.

2. De hoogte van een pgb voor beschermd wonen uitgevoerd door derden, niet zijnde personen uit het sociale netwerk of mantelzorgers, bedraagt maximaal 75% van het dagtarief voor beschermd wonen, zoals door het college gecontracteerd.

9. De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geschil is welke zorg eiseres blijkens het onderliggende indicatiebesluit nodig heeft en dat [zorgonderneming] in deze zorg kan voorzien. Verder benadrukt de rechtbank dat in voornoemd artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 de beginselen van compensatie en maatwerk tot uitdrukking worden gebracht. Dit heeft tot gevolg dat verweerder ervoor dient zorg te dragen dat eiseres met het aan haar toegekende pgb de zorg kan inkopen die zij volgens het indicatiebesluit nodig heeft.

9.1.

De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder geen gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid die hij krachtens artikel 2.3.6, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wmo 2015 heeft, om aan eiseres op de in die bepaling genoemde gronden een pgb te weigeren.

9.2.

Daarnaast staat vast dat eiseres met het door verweerder gehanteerde 75% tarief niet de door haar gewenste zorg van € 150,-- per etmaal kan inkopen.

9.3.

De rechtbank is van oordeel dat, indien zoals in het geval van eiseres wordt gekozen om een pgb toe te kennen, verweerder gehouden is om te onderzoeken of het pgb daadwerkelijk toereikend is om in het individuele geval de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening te bekostigen. Artikel 2.3.6, eerste lid, van de Wmo 2015 bepaalt immers dat verweerder een pgb verstrekt dat de cliënt in staat stelt de diensten die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken. In het geval van eiseres dient verweerder naar het oordeel van de rechtbank te onderzoeken of eiseres daadwerkelijk (in haar specifieke situatie) voor het door verweerder toegekende pgb terecht kan bij een (al dan niet gecontracteerde) aanbieder die de door eiseres benodigde zorg kan leveren.

9.4.

Verweerder heeft in dit verband ter zitting op 17 april 2019 opgemerkt dat eiseres voor het inkopen van de voor haar benodigde zorg terecht kan bij andere zorginstellingen. Er zijn voldoende andere aanbieders om zorg te verlenen volgens de verleende indicatie, aldus verweerder. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting echter naar voren gebracht dat de door verweerder genoemde aanbieders niet de voor eiseres adequate zorg kunnen verlenen. Zij heeft een aantal van de door verweerder genoemde aanbieders benaderd, maar de zorg die deze aanbieders verlenen is om uiteenlopende redenen ongeschikt, bijvoorbeeld omdat er slechts hulp aan kinderen dan wel bejaarden wordt geboden, of omdat er zorg op afstand met gebruikmaking van een app wordt verleend. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting verklaard dat hij niet heeft onderzocht of eiseres daadwerkelijk terecht kan bij de door hem genoemde alternatieve instellingen. Verweerder heeft opgemerkt dat het ondoenlijk is om met alle aanbieders te spreken en dat het bovendien een gegeven is dat deze aanbieders “het ervoor kunnen doen”.

9.5.

De rechtbank overweegt dat aan het besluit dat hier aan de orde is een nadere motivering ten grondslag dient te liggen, waaruit blijkt dat eiseres met het aan haar toegekende pgb de door haar benodigde zorg daadwerkelijk kan bekostigen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bestreden besluit in dit verband onvoldoende heeft gemotiveerd. Verweerder heeft verzuimd om concreet aan te geven bij welke instellingen eiseres met haar pgb de indicatie die haar in het indicatiebesluit is toegekend, daadwerkelijk kan realiseren en op welke termijn dit kan gebeuren. Het ter (tweede) zitting enkel noemen van zorgaanbieders die personen met de indicatie zoals die van eiseres in theorie kunnen huisvesten en behandelen, is daartoe onvoldoende. Daarmee blijft immers onduidelijk of eiseres daar met haar problematiek en het aan haar toegekende pgb ook daadwerkelijk terecht kan. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder niet de vereiste compensatie en maatwerk heeft geleverd, zoals in rechtsoverweging 8 is weergegeven. De rechtbank betrekt daarbij dat verweerder er blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting niet aan twijfelt dat [zorgonderneming] adequate zorg aan eiseres kan verlenen. Dat verweerder ten aanzien van [zorgonderneming] een tarief van 75% hanteert, maakt dit niet anders, omdat dit feitelijk voor eiseres tot gevolg heeft dat zij met het aan haar toegekende pgb niet de zorg kan bekostigen die zij nodig heeft, terwijl van een adequaat alternatief niet is gebleken.

9.6.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat een deugdelijke motivering ontbreekt.

10. Het beroep is reeds hierom gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd.

11. De rechtbank zal, gelet op het voorgaande en gelet op het belang van een finale beslechting van het geschil, zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat verweerder aan eiseres voor de periode 22 november 2017 tot en met 22 juni 2018 een pgb toekent van € 150,-- per etmaal.

12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres in bezwaar en beroep gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.560,-- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 18 oktober 2018 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 17 april 2019 [waarde per punt van € 512,--], met een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit, stelt het pgb vast op € 150,-- per etmaal voor de periode 22 november 2017 tot en met 22 juni 2018 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,-- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.560,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Willems-Keekstra, voorzitter, mr. P.G. Wijtsma en mr. H.D. Tolsma, leden, in aanwezigheid van mr. E.H. Pot, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 september 2019.

De griffier is buiten staat deze voorzitter

uitspraak mede te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.