Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:381

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
05-02-2019
Datum publicatie
05-02-2019
Zaaknummer
18/830143-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Poging tot zware mishandeling. Ontslag van alles rechtsvervolging wegens een geslaagd beroep op noodweer bij het gebruik van een mes.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830143-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 5 februari 2019 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats],

thans gedetineerd te PI Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van

22 januari 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E. van der Meer, advocaat te Groningen. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L.G. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 juli 2018 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp die [slachtoffer],

-in de onderrug heeft gestoken (overgang lendenwervelkolom naar heiligbeen) en/of

-meermalen, althans eenmaal, elders in de rug heeft gestoken en/of gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 19 juli 2018 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, (te weten [slachtoffer]), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, die [slachtoffer]

-in de onderrug heeft gestoken (overgang lendenwervelkolom naar heiligbeen) en/of

-meermalen, althans eenmaal, elders in de rug heeft gestoken en/of gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte in ieder geval voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van aangever. Verdachte heeft aangever meermalen, in een oncontroleerbare situatie, gestoken met een mes in het bovenlichaam, terwijl hij dicht op aangever stond. Daarmee heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het steken een dodelijke afloop zou hebben.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, maar dat het subsidiair ten laste gelegde wel bewezen kan worden.

Oordeel van de rechtbank

Poging doodslag

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat verdachte aangever meermalen heeft gestoken in zijn rug. De algemene ervaring leert dat messteken in de rug in beginsel dodelijk letsel kunnen veroorzaken. De rechtbank dient te beoordelen of verdachte in onderhavig geval redelijkerwijs dodelijk letsel heeft kunnen toebrengen aan aangever. Bij die beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende redengevende feiten en omstandigheden.

Aangever zag, terwijl hij op zijn fiets reed, verdachte met zijn hond lopen. Aangever is naar verdachte toe gefietst en heeft hem, na de fiets te hebben weggezet, een vuistslag in het gezicht gegeven. Vervolgens heeft aangever geprobeerd verdachte te fixeren door hem vast te pakken bij zijn hoofd/nek.1 Zowel uit de verklaring van verdachte als uit de verklaringen van aangever en getuige [getuige 1] blijkt dat verdachte tijdens het beetpakken van het hoofd/de nek voorover gebogen stond.2 De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte het mes pas tevoorschijn heeft gehaald en aangever gestoken en gesneden heeft in zijn rug toen hij reeds door aangever was beetgepakt. De verklaring van verdachte hierover acht de rechtbank geloofwaardig, terwijl de verklaring van aangever dat dit al op een eerder moment is geweest, niet door enig ander bewijsmiddel wordt ondersteund. De rechtbank neemt bij dat oordeel tevens in aanmerking dat de verwondingen die verdachte zelf bij het incident heeft opgelopen duiden op een situatie waarin verdachte het mes pas heeft gepakt toen de confrontatie al begonnen was.3 Tevens past dit bij de verklaring van verdachte dat hij eerst nog zijn hond heeft losgemaakt op het moment dat hij aangever op zich af zag komen.

De rechtbank stelt verder vast dat verdachte vervolgens, terwijl hij bij zijn hoofd/nek vastgepakt laag voorovergebogen stond, vanuit die houding om het lichaam van aangever heen hem in zijn rug heeft gestoken. De rechtbank is van oordeel dat verdachte vanuit die houding geen vitale lichaamsdelen van aangever heeft kunnen raken. Dit oordeel vindt steun in in de door drs. Naujocks opgemaakte letselverklaring waaruit blijkt dat slechts sprake was van oppervlakkige snij- en steekverwondingen in de rug van aangever.4

De rechtbank is gelet op voornoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op het intreden van de dood bij aangever. De rechtbank acht de primair ten laste gelegde poging doodslag dan ook niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

Poging zware mishandeling

De rechtbank acht de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 januari 2019;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 21 juli 2018, opgenomen op pagina 52 e.v. van het dossier met nummer 2018187393 d.d. 12 september 2018, inhoudende de verklaring van [slachtoffer];

3. een geneeskundige verklaring, opgenomen op pagina 108 e.v. van voornoemd dossier, op 27 juli 2018 opgemaakt en ondertekend door mw. drs. Tatjana Naujocks, forensisch arts KNMG.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 19 juli 2018 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, te weten [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes, die [slachtoffer]

- in de onderrug heeft gestoken (overgang lendenwervelkolom naar heiligbeen) en

- elders in de rug heeft gestoken en gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op:

subsidiair poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid

Standpunt van de verdediging (met betrekking tot het beroep op noodweer(-exces))

De raadsman heeft namens verdachte primair een beroep op noodweer gedaan. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat sprake is geweest van een noodweersituatie, waarin verdediging door verdachte tegen de aanranding van zijn lijf door aangever noodzakelijk was. Kijkend naar de omstandigheden waaronder het incident heeft plaatsgevonden, was de verdediging door verdachte proportioneel. Verdachte leefde in angst, gelet op de verschillende bedreigingen die aangever in zijn richting heeft geuit, en toen het tot een confrontatie kwam tussen verdachte en aangever was verdachte onmachtig. Verdachte kon geen kant meer op en heeft toen uit een reflex zijn mes gepakt en daarmee om zich heen gezwaaid.

De raadsman heeft subsidiair een beroep op noodweerexces gedaan.

Standpunt van de officier van justitie (met betrekking tot het beroep op noodweer(-exces))

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat weliswaar sprake is geweest van een noodweersituatie, waarin verdediging noodzakelijk was, maar dat de verdediging door verdachte disproportioneel was. Verdachte heeft immers gestoken met een mes als reactie op een aanval met blote handen door aangever. Een beroep op noodweer kan daarom niet slagen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een beroep op noodweerexces evenmin kan slagen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat geen sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging bij verdachte. Mocht al sprake zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging bij verdachte, dan was deze hevige gemoedsbeweging al aanwezig voordat het tot een confrontatie kwam tussen verdachte en aangever. Verdachte had immers al voor de confrontatie met aangever bedacht dat hij zou gaan steken als het tot een confrontatie zou komen. Het strafbare feit kan derhalve geen onmiddellijk gevolg zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding door aangever was veroorzaakt.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) allereerst de vraag moet worden beantwoord of er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte, dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor, en vervolgens of de door verdachte tegen deze (dreigende) aanranding gevoerde verdediging noodzakelijk was (anders gezegd: of aan het subsidiariteitsvereiste is voldaan). Tenslotte moet worden beoordeeld of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was (met andere woorden: of aan het proportionaliteitsvereiste is voldaan).

Vaststelling van de feitelijke toedracht voorafgaand aan het incident

De rechtbank is op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting van oordeel dat de feitelijke toedracht voorafgaand aan het incident als volgt is.

Verdachte had ten tijde van het incident een relatie met de ex-partner van aangever, getuige [getuige 2]. Aangever en [getuige 2] hebben samen een dochter en ook de oudere dochter van [getuige 2] wordt door aangever als zijn dochter beschouwd. Aangever heeft duidelijk te kennen gegeven dat hij niet wilde dat [getuige 2] een relatie met verdachte had, omdat aangever verdachte geen geschikte persoon vindt om zijn stiefdochter en zijn dochter in diens nabijheid te laten verblijven. Aangever heeft op meerdere momenten voorafgaand aan het incident en ook op de datum van het incident, 19 juli 2018, verdachte dreigende bewoordingen toegevoegd.

Op 19 juli 2018 heeft aangever samen met [getuige 2] een gesprek gehad bij het zogeheten WIJ-team. Op het moment dat [getuige 2] na afloop van dat gesprek bij haar woning aankwam, was verdachte daar ook. [getuige 2] was bang dat aangever bij haar woning zou komen en vreesde voor escalatie, waar de minderjarige kinderen bij aanwezig zouden zijn. Om deze reden heeft zij verdachte gevraagd te vertrekken. In de woning heeft verdachte nog contact gehad met de politie en heeft hij aangegeven dat de sfeer grimmig was en heeft hij verzocht om hulp van de politie. Verdachte is vervolgens op verzoek van [getuige 2] vertrokken uit haar woning. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard te hebben nagedacht over de te nemen route, omdat hij aangever niet tegen wilde komen. Hij heeft bewust niet gekozen voor de route door het park, omdat hij de inschatting maakte dat de kans groter zou zijn om aangever op die route tegen te komen.

Ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding

Op grond van de door de rechtbank vastgestelde feitelijke toedracht voorafgaand aan het incident, zoals hiervoor opgenomen, en hetgeen de rechtbank heeft overwogen omtrent de beoordeling van het bewijs, is de rechtbank met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte door aangever [slachtoffer]. De aanranding bestond uit een vuistslag door aangever in het gezicht van verdachte en het vervolgens bij zijn hoofd/nek beetpakken om hem te fixeren, waardoor verdachte in heel korte tijd op een heftige manier werd beperkt in zijn bewegingsvrijheid, dan wel waardoor hem deze werd ontnomen.

De rechtbank komt hiermee tot het oordeel dat sprake was van een noodweersituatie. Voor een geslaagd beroep op noodweer zal vervolgens moeten worden beoordeeld of de door verdachte gehanteerde verdediging proportioneel is geweest en of voldaan is aan het vereiste van subsidiariteit.

Subsidiariteit

Bij de vraag of aan het subsidiariteitsvereiste is voldaan, moet worden beoordeeld of verdachte in plaats van de gehanteerde verdediging een andere uitweg had, een zinvol alternatief, waarvoor hij had moeten kiezen. De rechtbank komt tot het oordeel dat op grond van de vastgestelde feiten kan worden geconcludeerd dat verdachte vóór het moment waarop aangever hem een vuistslag gaf, geen reële mogelijkheden heeft gezien om te vluchten of anderszins een confrontatie met aangever te voorkomen. Naar het oordeel van de rechtbank kon dit evenmin van verdachte worden gevergd. Hierbij heeft de rechtbank meegewogen hetgeen verdachte heeft verklaard, namelijk dat hij die dag slippers heeft gedragen. Voorts heeft verdachte aangegeven tot twee keer toe aan zijn knieën te zijn geopereerd, waardoor vluchten op het moment dat hij aangever zag geen optie was. Bovendien beschikte aangever over een fiets, terwijl verdachte te voet was en aangever zich aldus sneller zou kunnen voortbewegen.

Ten tijde van de confrontatie werd verdachte door aangever eerst met een vuistslag in het gezicht geslagen en vervolgens beetgepakt en vastgehouden. Hierdoor was er geen mogelijkheid meer voor verdachte om zich aan de aanval door aangever te onttrekken. Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van het voorgaande aan het vereiste van subsidiariteit voldaan.

Proportionaliteit

Ten aanzien van de vraag of de manier van verdedigen in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding, merkt de rechtbank allereerst op dat het feit dat verdachte een mes bij zich droeg, niet in de weg hoeft te staan aan het oordeel dat het gebruik daarvan ter verdediging, in een situatie waarin sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lijf, geboden is. Hierbij is relevant het moment en de wijze waarop verdachte het mes heeft gebruikt, alsmede de omstandigheden, waardoor van het mes gebruik is gemaakt.

De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte het mes pas, nadat aangever de aanval was begonnen, ter hand heeft genomen. Nadat verdachte een vuistslag van aangever heeft moeten incasseren en vervolgens door hem om zijn hoofd/nek werd vastgegrepen en gehouden, heeft hij, om kennelijk uit die positie vandaan te komen, gebruik gemaakt van het mes. In de voorovergebogen houding, waarin verdachte stond, heeft verdachte aan aangever het beperkte letsel in diens rug toegebracht, waarna de aanval van aangever werd beëindigd. De rechtbank is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden, de wijze van verdedigen door verdachte in een redelijke verhouding stond tot de op hem uitgeoefende aanranding.

De rechtbank komt tot de conclusie dat het bewezenverklaarde feit niet strafbaar is, nu daaraan de wederrechtelijkheid ontbreekt. Verdachte zal daarom worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 840,- ter vergoeding van materiële schade en € 5.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen met betrekking tot de materiële schade, maar dat de vergoeding van de immateriële schade gematigd zou moeten worden tot een bedrag van € 1.000,-.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft het immateriële gedeelte afgewezen moet worden, nu dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd en bovendien sprake is van eigen schuld. De raadsman heeft met betrekking tot het materiële gedeelte aangevoerd dat de vordering kan worden toegewezen met uitzondering van de schade die is gevorderd voor het eigen risico in 2019, aangezien dat toekomstige schade betreft.

Oordeel van de rechtbank

Nu het beroep van verdachte op noodweer door de rechtbank is gehonoreerd en verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd, zal de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen en te kwalificeren als voormeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte ter zake van alle rechtsvervolging.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Janssen, voorzitter, mr. R. Baluah en mr. H.J. Schuth, rechters, bijgestaan door mr. C.A.C. Thiadens, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 februari 2019.

1 Zie de verklaring van aangever [slachtoffer] d.d. 21 juli 2018, opgenomen op pagina 52 e.v. en de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 22 januari 2019.

2 Zie de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 22 januari 2019, de verklaring van aangever [slachtoffer] d.d. 31 juli 2018, opgenomen op pagina 57 e.v. en de verklaring van getuige [getuige 1] d.d. 22 juli 2018, opgenomen op pagina 199 e.v.

3 Zie het proces-verbaal van Sporenonderzoek d.d. 27 juli 2018, opgenomen op pagina 75 e.v.

4 Zie de geneeskundige verklaring, op 27 juli 2018 opgemaakt en ondertekend door mw. drs. Tatjana Naujocks, forensisch arts KNMG, opgenomen op pagina 108 e.v.