Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:3808

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
05-09-2019
Datum publicatie
06-09-2019
Zaaknummer
LEE 18/3445 en LEE 18/3542
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak bestuurlijke lus. Omgevingsvergunning supermarkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 18/3445 en LEE 18/3542

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 september 2019 in de zaken tussen

[eiser 1] , te [woonplaats 1] , eiser in zaaknummer LEE 18/3445

(gemachtigde: mr. E.T. van Dalen),

[eiser 2] , te [woonplaats 2] , eiser in zaaknummer LEE 18/3542

(gemachtigde: mr. R. de Kamper),

gezamenlijk te noemen: eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân, verweerder

(gemachtigde: A. Basic).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Lidl Nederland GmbH

(gemachtigde: mr. A.P. Loo).

Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het vernieuwen en vergroten van een supermarkt aan de [adres supermarkt] te [plaats] .

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2019, waarbij de rechtbank de beroepen met zaaknummers LEE 18/3445 en LEE 18/3542 gevoegd heeft behandeld.

[eiser 1] is ter zitting in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld door [naam] . Namens [eiser 2] is zijn gemachtigde verschenen. Namens verweerder is verschenen zijn gemachtigde, vergezeld door [naam] . Namens de derde-partij is verschenen zijn gemachtigde, vergezeld door [naam] .

Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Het onderzoek is heropend, omdat de rechtbank aanleiding heeft gezien om een bestuurlijke lus toe te passen.

Overwegingen

1. De onderhavige vergunning is verleend met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. De rechtbank heeft geconstateerd dat een verklaring van geen bedenkingen in het dossier ontbreekt. Bij brief van 23 mei 2019 heeft de rechtbank verweerder hierover bevraagd.

3. Verweerder heeft vervolgens aangegeven dat de gemeenteraad categorieën van gevallen heeft aangewezen waarin een verklaring van geen bedenkingen niet is vereist. Op grond van categorie 6 daarvan hoeft de gemeenteraad geen verklaring van geen bedenkingen af te geven, indien het activiteiten betreft waarmee de raad planologisch heeft ingestemd. Volgens verweerder heeft de gemeenteraad op 8 maart 2018 besloten om in te stemmen met het onderhavige bouwplan.

4. In het raadsvoorstel dat - naar de rechtbank begrijpt - ten grondslag ligt aan het (instemmings)besluit van de gemeenteraad van 8 maart 2018 staat onder meer het volgende vermeld:

"Ruimtelijke Kwaliteit.

Bij de ontwikkeling van het plan is nadrukkelijk aandacht geweest voor de Ruimtelijke inpassing en kwaliteit van zowel het gebouw als het terrein. Zo zal de bomenstructuur langs de [straatnaam ] langs dit terrein worden doorgezet en zal er rondom een afschermende haag worden geplant. Voorts zullen de beide voorgevels in baksteen worden uitgevoerd, dit in afwijking van de gebruikelijke standaard voor [naam supermarkt] . Uiteraard zal het plan t.z.t. ook nog door de welstandscommissie worden beoordeeld."

5. De welstandscommissie heeft bij brief van 16 april 2018 als volgt geadviseerd:

"Op grond van de ingediende gegevens is de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit van oordeel dat het plan, getoetst aan de door de gemeenteraad vastgestelde criteria, voldoet aan redelijke eisen van welstand. Bij de beoordeling is uitgegaan van de toepassing van een haag met leilindes tussen de laden- en lossen zone en de straat."

6. De rechtbank stelt vast dat zowel de gemeenteraad als de welstandscommissie bij de beoordeling van het bouwplan zijn uitgegaan van (deels) een afschermende haag met leilindes. Het is komen vast te staan dat voornoemde afschermende haag (van leilindes) niet gerealiseerd gaat worden, omdat de grond waarop dit geplaatst zou worden kabels en leidingen bevat. Een deel van het bouwplan wordt daardoor niet gerealiseerd zoals oorspronkelijk de bedoeling was. Verweerder heeft in voornoemde wijziging geen aanleiding gezien om nader advies te vragen aan de welstandscommissie, noch om opnieuw instemming te vragen van de gemeenteraad. Naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte. De gemeenteraad noemt de afschermende haag expliciet en verwijst naar het nog op handen zijnde advies van de welstandscommissie. De welstandscommissie noemt de haag met leilindes eveneens expliciet. Naar het oordeel van de rechtbank - en in tegenstelling tot hetgeen verweerder kennelijk meent - kan dan ook niet gezegd worden dat voornoemde haag niet dusdanig van belang is geweest voor zowel de gemeenteraad als de welstandscommissie. Op geen moment is door verweerder controleerbaar inzichtelijk gemaakt dat de gemeenteraad daadwerkelijk van mening was dat de betreffende haag niet van dusdanig belang was, noch dat de gemeenteraad heeft aangegeven dat er niet opnieuw instemming van haar gevraagd hoeft te worden. Gelet op het voorgaande kan er naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat de gemeenteraad heeft ingestemd met het (aangepaste) plan. Er is dan ook geen sprake van categorie 6, zoals opgenomen in de aangewezen categorieën van gevallen waarvoor een verklaring van geen bedenkingen niet is vereist. Dit betekent dat in het onderhavige geval een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad vereist is. Nu een dergelijke verklaring niet is afgegeven was verweerder niet bevoegd om de onderhavige omgevingsvergunning te verlenen.

7. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo en artikel 6.5, eerste en derde lid, van het Bor. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb, kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Om het gebrek te herstellen, dient verweerder de gemeenteraad te verzoeken om in te stemmen met het bouwplan zónder dat een afschermende haag (met leilindes) gerealiseerd zal worden. Omdat er ter zitting is verklaard dat [naam supermarkt] bereid is om een alternatieve groenvoorziening op de locatie van de haag met leilindes te plaatsen die - gelet op de kabels en leidingen die aanwezig zijn in de betreffende strook grond - ter plaatse wél gerealiseerd kan worden, acht de rechtbank het opportuun dat verweerder bij zijn verzoek aan de gemeenteraad om in te stemmen met het bouwplan diezelfde raad tevens verzoekt om in te stemmen met de bij dat bouwplan behorende alternatieve groenvoorziening. Het besluit van de gemeenteraad - naar aanleiding van voornoemd verzoek van verweerder - dient verweerder naar de rechtbank te sturen. De rechtbank zal vervolgens beoordelen of met dat raadsbesluit het gebrek in verweerders besluitvorming is hersteld. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.

8. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

9. Om verdere vertraging zoveel mogelijk te voorkomen zal de rechtbank nu reeds overgaan tot het beoordelen van de beroepsgronden. De rechtbank merkt hierbij op dat het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, in beginsel beperkt blijft tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) van 12 juni 2013, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder ECLI:NL:RVS:2013:CA2877.

Bespreking beroepsgronden in zaaknummer LEE 18/3445 (beroep [eiser 1] )

10. De rechtbank overweegt dat verweerder het van belang heeft geacht dat het vanuit een sterke en toekomstige detailhandelsstructuur gewenst is dat supermarkten toekomstbestendig zijn en goed op de huidige locaties kunnen functioneren. In het onderhavige geval is er sprake van een vergroting van een reeds bestaande, solitaire supermarkt om daarmee een kwaliteitsslag te kunnen maken en aan te sluiten bij de huidige behoefte binnen het verzorgingsgebied. Dit is volgens verweerder gewenst vanuit het oogpunt om een toekomstbestendige supermarkt te behouden en te voldoen aan maatschappelijke behoeften. Een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau door de onderhavige vergunning wordt dan ook niet verwacht. De rechtbank is niet gebleken dat verweerder - met voornoemde uitgangspunten - de detailhandelsstructuurvisie verkeerd zou hebben uitgelegd, zoals door eiser is gesteld. De beroepsgrond slaagt niet.

11. In tegenstelling tot hetgeen eiser kennelijk meent is de rechtbank niet gebleken dat verweerder zich bij het verlenen van de onderhavige vergunning zou hebben beperkt tot de in het verleden verleende toestemming aan de (huidige) [naam supermarkt] om zich op de betreffende locatie te vestigen. De rechtbank verwijst in dit kader onder meer naar hetgeen hiervoor is overwogen in rechtsoverweging 10. De beroepsgrond faalt.

12. Aan de stelling van eiser dat er geen overleg met hem is gevoerd gaat de rechtbank voorbij, reeds omdat er (hetgeen niet is betwist) een inloopavond is geweest voor omwonenden, georganiseerd door de initiatiefnemer en waarbij verweerders gemeente aanwezig is geweest.

13. Met betrekking tot het uitzicht is de rechtbank van oordeel dat de door eiser gestelde waardevermindering van zijn pand of de eventuele genoodzaakte huurverlaging, beide ten gevolge van het uitzicht, door eiser niet zijn onderbouwd noch anderszins zijn gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit dan ook niet worden tegengeworpen. De beroepsgrond treft geen doel.

14. Met betrekking tot de verkeersaspecten overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft zich - onder verwijzing naar de ruimtelijke onderbouwing en het aanvullende verkeersadvies van Roelofs Advies en Ontwerp BV ( Roelofs ) van 15 februari 2019 - op het standpunt gesteld dat er geen onaanvaardbare verkeerssituatie als gevolg van het bouwplan zal ontstaan. In het bijzonder acht verweerder daarbij relevant dat de huidige verkeersstromen ten behoeve van het thans aanwezige tankstation zullen verdwijnen. Een vergelijk tussen de (nieuwe) plansituatie en de huidige situatie laat zien dat de hoeveelheid verkeer van en naar het totale plangebied op een gemiddelde openingsdag met circa 450 verkeersbewegingen afneemt ten opzichte van de huidige situatie. Dit zijn dagelijks circa 225 voertuigen minder die arriveren en weer vertrekken, aldus verweerder. Op de maatgevende openingsdag (zaterdag) kent de plansituatie een toename van circa 50 verkeersbewegingen per etmaal ten opzichte van de huidige situatie. Dit komt neer op circa 25 extra voertuigen die arriveren en weer vertrekken gedurende de openingstijd van het [naam supermarkt] -filiaal (8:00 uur tot 21:00 uur). Daarnaast wordt er aldus verweerder voldaan aan de noodzakelijke parkeerbehoefte. Die noodzakelijke parkeerbehoefte is 117 parkeerplaatsen en het plan voorziet in 138 parkeerplaatsen. De rechtbank ziet geen aanleiding om het voorgaande - en daarmee tevens het verkeersadvies van Roelofs - niet te volgen. Dat eiser zelf tellingen heeft uitgevoerd en op een andere hoeveelheid verkeersbewegingen uitkomt maakt - wat daar verder ook van zij - het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er onvoldoende rekenschap is gehouden met de parkeerbehoefte. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat er slechts beoordeeld dient te worden of wordt voorzien in de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het bouwplan. Daarnaast is de rechtbank met verweerder van oordeel dat van een reeds problematische parkeersituatie ter plaatse overigens niet is gebleken.

15. In het rapport van [Peutz BV] van 5 december 2017 is de geluidbelasting in de (woon)omgeving ten gevolge van de supermarkt (het onderhavige bouwplan) bepaald, hetgeen vervolgens is getoetst aan de grenswaarden zoals opgenomen in het Activiteitenbesluit Milieubeheer. Naast het geluid ten gevolge van de activiteiten die onder het regime van het Activiteitenbesluit plaatsvinden (directe hinder) is tevens het geluid ten gevolge van de activiteiten buiten de grenzen van de inrichting beschouwd (indirecte hinder).

Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ten gevolge van de supermarkt ter hoogte van de beoordelingsposities ten hoogste 48, 43 en 28 dB(A) bedraagt in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Hiermee wordt voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit (respectievelijk 50, 45 en 40 dB(A)). Het maximale geluidniveau ter hoogte van de woningen bedraagt ten hoogste 74 dB(A) in de dagperiode en 64 dB(A) in de avondperiode. In de nachtperiode treden er geen relevante maximale geluidniveaus op. De hoogste waarde voor het maximale geluidniveau in de dagperiode is het gevolg van de laad- en losactiviteiten van de supermarkt. De grenswaarden uit het Activiteitenbesluit zijn in de dagperiode hierop niet van toepassing. Ten gevolge van de activiteiten die niet tot het laden en lossen behoren, treden ter hoogte van de dichtstbijzijnde woningen in de dagperiode maximale geluidniveaus op van ten hoogste 64 dB(A). Hiermee wordt voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit voor het maximale geluidniveau van 70 dB(A) en 65 dB(A) voor respectievelijk de dag- en avondperiode. Het equivalente geluidniveau ten gevolge van het verkeer van en naar de inrichting op de openbare weg voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A)-etmaalwaarde conform de VROM-circulaire 'Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer'.

16. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het rapport van [Peutz BV] (zie hiervoor in rechtsoverweging 15) aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen. Aldus dit rapport blijft (samengevat) de geluidbelasting ten gevolge van het bouwplan binnen de daarvoor geldende normen. Gelet hierop is er geen aanleiding voor het oordeel dat de verleende vergunning geen stand kan houden, op de grond dat diezelfde vergunning zal leiden tot geluidsoverlast. De beroepsgrond faalt.

17. Voor zover eiser van mening is dat de verleende omgevingsvergunning aangepast zou moeten worden, door geen afwijking van het bestemmingsplan toe te staan en de [naam supermarkt] te verplichten binnen de kaders van het bestemmingsplan te bouwen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder dient te beslissen op de aanvraag zoals deze is ingediend. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de AbRvS van 26 september 2019, ECLI:NL:RVS:2018:3118. Voor zover eiser de noodzaak tot aanpassing van de verleende vergunning ziet in de door hem gestelde (geluids)overlast, het verlies van uitzicht en het verlies van huurgenot is de rechtbank van oordeel dat daarvan niet is gebleken (zie hetgeen eerder is overwogen in rechtsoverwegingen 13 tot en met 16).

18. Ten aanzien van de beroepsgronden van eiser met betrekking tot de haag met leilindes, die thans niet meer gerealiseerd gaat worden, verwijst de rechtbank naar hetgeen eerder is overwogen in rechtsoverwegingen 1 tot en met 8.

19. Ten aanzien van de stelling van eiser dat bij de toetsing van het plan is uitgegaan van een onjuiste feitelijke situatie overweegt de rechtbank als volgt. De bestemming van het pand aan de [adres] is gewijzigd van horeca naar (kortgezegd) een zorggebouw. Hoewel deze wijziging van bestemming niet is opgenomen in de bij de aanvraag overgelegde ruimtelijke onderbouwing, is de gewijzigde bestemming (naar zorgwoningen) wel degelijk opgenomen in het advies van Roelofs en meegenomen in diens beoordeling. De rechtbank oordeelt de discrepantie in de feitelijke omschrijving van de omgeving zoals opgenomen in de ruimtelijke onderbouwing, niet zodanig bepalend dat verweerder de omgevingsvergunning op grond daarvan niet heeft kunnen verlenen. Temeer aangezien uit het akoestisch onderzoek en het verkeersonderzoek geen beletsels naar voren zijn gekomen wat betreft de onderhavige ruimtelijke ontwikkeling. De beroepsgrond slaagt niet.

Bespreking beroepsgronden in zaaknummer LEE 18/3542 (beroep [eiser 2] )

20. Eiser heeft onder meer gesteld dat verweerder ten onrechte geen verkeersonderzoek heeft laten uitvoeren. De rechtbank overweegt dat in de ruimtelijke onderbouwing behorende bij de vergunning wordt ingegaan op verkeersaspecten ten gevolge van het bouwplan. Aanvullend heeft verweerder een verkeersadvies laten uitbrengen door Roelofs (het advies van 15 februari 2019 van Roelofs Advies en Ontwerp BV). Reeds hierom treft de beroepsgrond geen doel.

21. Eiser vreest voor geluidsoverlast ten gevolge van de nieuwe verkeersbewegingen en de nieuwe in- en uitritten. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de bestaande in- en uitritten van de benzinepomp gebruikt zullen worden om de supermarkt te kunnen bereiken. Deze reeds bestaande in- en uitritten liggen tegenover de woning van eiser. Ten aanzien van de extra verkeersbewegingen heeft verweerder zich - onder verwijzing naar het verkeersonderzoek van Roelofs - op het standpunt gesteld dat er sprake is van een geringe toename van extra voertuigen die geen substantiële effecten heeft op het ontsluitende wegennet in de omgeving, omdat deze verkeersbewegingen verdeeld zijn over de openingstijden van de supermarkt. In algemene zin zal de verkeerssituatie volgens verweerder verbeteren ten gevolge van het bouwplan. In hetgeen eiser heeft gesteld ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder hierin niet te volgen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om het verkeersonderzoek van Roelofs voor onjuist te houden. De beroepsgrond faalt.

22. Met betrekking tot het aspect geluid (ten gevolge van de nieuwe verkeersbewegingen) overweegt de rechtbank als volgt. Zoals eerder overwogen in rechtsoverwegingen 15 en 16 is de rechtbank van oordeel dat verweerder het rapport van [Peutz BV] aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen. Volgens dit rapport blijft de geluidbelasting ten gevolge van het bouwplan binnen de daarvoor geldende normen. [Peutz BV] heeft in voornoemd rapport onder meer de geluidbelasting op de gevels van meerdere woningen gelegen aan de [straatnaam ] (waaronder de woning van eiser) berekend. De daarvoor geldende geluidsnorm wordt volgens [Peutz BV] niet overschreden. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarvan af te wijken. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder niet gehouden was om het aanvullende verkeersonderzoek van Roelofs alsnog voor te leggen aan [Peutz BV] . [Peutz BV] heeft namelijk berekend dat de geluidbelasting van (onder andere) personenwagens van bezoekers van de supermarkt, op de gevels van de omliggende woningen, de geluidsnorm niet overschrijdt. Kortgezegd blijft de geluidbelasting per auto, op de gevel van de betreffende woning, binnen de daarvoor geldende geluidsnorm. Niet valt in te zien hoe het verkeersadvies van Roelofs - waarin onder meer wordt ingegaan op verkeersstromen en aantallen auto's - voornoemde berekening van [Peutz BV] van de gevelbelasting per auto zou kunnen pareren. De rechtbank ziet in het niet opvragen van een nader rapport van [Peutz BV] dan ook geen gebrek in verweerders besluitvorming.

Overig

23. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op de beroepen. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Visser, rechter, in aanwezigheid van

mr. D.C. van der Ven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

5 september 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.