Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:3798

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
05-09-2019
Zaaknummer
18/730072-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het dreigen met een terroristisch misdrijf. Daarnaast heeft verdachte een wapen met geluidsdemper en kogelpatronen voorhanden gehad, evenals een grote hoeveelheid joints met daarin hennep, henneptoppen en hennepgruis. Ten aanzien van de bedreigingen acht de rechtbank verdachte verminderd toerekeningsvatbaar. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een ambulante behandeling passend en oplegging daarvan geboden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 285
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730072-19

ad informandum gevoegd parketnummer 18/730072-19

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 3 september 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1959 te [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats],

thans gedetineerd in P.I. Veenhuizen, gevangenis Esserheem te Veenhuizen, Meidoornlaan 38.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 augustus 2019.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.D. Nijenhuis, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van het jaar 2019 (tot en met 18 april 2019), in elk geval van 20 februari 2019 tot en met 28 maart 2019, te Sneek, in elk geval in de gemeente Súdwest-Fryslân, in elk geval in Nederland, een of meer medewerker(s) van de gemeente Súdwest-Fryslân en/of een adviseur openbare orde en veiligheid van de gemeente Súdwest-Fryslân en/of een maatschappelijk werker bij het gebiedsteam Zuid van de gemeente Súdwest-Fryslân en/of een of meer medewerker(s) van de politie en/of een meer ander(e) perso(o)n(en) met een terroristisch misdrijf, in elk geval met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of brandstichting, heeft bedreigd, door die medewerkers en/of perso(o)n(en) dreigend de woorden toe te voegen:

- " Ik draai het gas open thuis en laat de boel in de hens gaan." en/of

- " Ik heb mijn plannen al gemaakt en als de politie aan de deur komt dan blaas ik de boel op." en/of

- " Ik heb de deuren gebarricadeerd/verstevigd voor en achter. Ik heb twee vaten benzine in huis en als ze komen draai ik het gas open en blaas ik de boel op." en/of

- " Als ik mijn zoon niet krijg te zien, dan heb ik geen enkele reden meer om te leven, maar ik ga niet alleen." en/of

- " Ik ga iets doen waar ik heel veel aandacht mee krijg." en/of

- " Als ik niet wordt teruggebeld, dan kom ik (morgen) met gasflessen en benzine (naar het Gemeentehuis)." en/of

- " Ze maken een terrorist van mij." en/of

- " Als ik mijn kind niet te zien krijg, gaan er slachtoffers vallen." en/of

- " Ik zal onrechtige daden plegen voor het onrecht dat mij is aangedaan." en/of

- " Ik weet jullie allemaal te vinden, ik zal jullie allemaal verrassen." en/of

- " Ik heb twee blikken benzine op zolder. Als ze me komen halen, dan steek ik die in de hens en ik hoop dat dan het hele huizenblok wordt weggemaaid." en/of

- " Als ik nee te horen krijg, dan heeft het leven geen zin meer, maar ik ga niet alleen. Ik zorg er voor dat er vragen worden gesteld over hoe dit zo ver heeft kunnen komen en dan zal duidelijk worden het het systeem mij kapot heeft gemaakt."

althans (telkens) woorden van gelijke (be)dreigende aard of strekking en/of heeft verdachte daarbij meermalen gerefereerd naar de aanslag in Utrecht;

2.

hij in of omstreeks de periode van 26 maart 2019 tot en met 8 april 2019, te Sneek, in elk geval in de gemeente Súdwest-Fryslân, en/of te Almelo, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een medewerker van de gemeente Sneek en/of een maatschappelijk werker dreigend de woorden toe te voegen: "Als ik een Nee krijg op de omgang met mijn

zoon, dan maak ik [slachtoffer 1] dood.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en welke dreigende woorden in voornoemde periode door de politie aan die [slachtoffer 1] kenbaar zijn gemaakt;

3.

hij in of omstreeks de maand april 2019, in elk geval in het jaar 2019, te Sneek, in elk geval in de gemeente Súdwest-Fryslân, via internet, te weten via verdachtes, althans een, Facebookpagina, [slachtoffer 2] en/of een of meer ander(e) perso(o)n(en) met een terroristisch misdrijf, althans enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling heeft bedreigd, door op die Facebookpagina dreigend de woorden te vermelden: "Ja alles open. Baar dan. Weet iedereen wat het motief is als ik straks iedereen. Vermoord de gemeente is op de hoogte en Utrecht is er niks bij.", althans woorden van

gelijke (be)dreigende aard of strekking;

4.

hij op of omstreeks 18 april 2019 te Sneek, in elk geval in de gemeente Súdwest-Fryslân,

A.

een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet Wapens en munitie, te weten een (omgebouwd) (gas)pistool, van het merk BBM, type 315 Auto, kaliber 6,35 mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, en/of

B.

een wapen van categorie I, onder 3 van de Wet Wapens en munitie, te weten een (geluids)demper, en/of

C.

munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 7, kogelpatronen (van het merk Fiocchi), van het kaliber 6,35 mm.

voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

5.

A.

hij in of omstreeks het jaar 2018 en/of het jaar 2019 (tot en met 16 april 2019) te Sneek, in elk geval in de gemeente Súdwest-Fryslân, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand gelegen aan of bij de [straatnaam] een (groot) aantal hennepplanten en/of delen daarvan en/of

B.

hij op of omstreeks 18 april 2019, te Sneek, in elk geval in de gemeente Súdwest-Fryslân, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand gelegen aan of bij de [straatnaam]

- een (grote) hoeveelheid (312 zakjes, met in ieder zakje 8) voorgedraaide joints met daarin een hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep en/of

- een (grote) hoeveelheid henneptoppen (ongeveer 1997 gram), althans een (grote) hoeveelheid van hennep en/of delen daarvan en/of

- een (grote) hoeveelheid hennepgruis (ongeveer 1398 gram), althans een (grote) hoeveelheid materiaal bevattende hennep in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van

die wet.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feiten 1, 2, 3, 4 en 5, met dien verstande dat ten aanzien van feiten 1 en 3 niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de bedreiging met een terroristisch misdrijf heeft plaatsgevonden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er sprake moet zijn van het oogmerk om vrees aan te jagen door middel van een terroristische actie. Het gerechtshof in Den Bosch heeft uitleg gegeven over hoe de bedreiging in artikel 83a van het Wetboek van Strafrecht moet worden uitgelegd en geeft aan dat naar het geheel en de context moet worden gekeken. In de zaak van het gerechtshof Amsterdam 2012, BY 2559, was sprake van een soortgelijke zaak. In deze zaak werden bepaalde uitlatingen en verwijzingen naar een aanslag in het buitenland gedaan tegen politiemensen. De officier van justitie volgt de lezing dat een terroristisch misdrijf niet kan worden aangenomen. Ten aanzien van de gedachtestreepjes onder feit 1 heeft de officier van justitie aangevoerd dat de uitlatingen ”Ik ga iets doen waar ik aandacht mee krijg” en ”Ik zal onrechtige daden plegen voor onrecht dat mij is aangedaan” niet bedreigend zijn, omdat deze ook op een andere manier uitgelegd kunnen worden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken, althans gedeeltelijk, van feiten 1, 2 en 3 en dat een veroordeling kan volgen voor feiten 4 en 5. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Ten aanzien van feiten 1 en 3, waarbij is ten laste gelegd dat verdachte met een terroristisch misdrijf heeft gedreigd deelt de raadsman het standpunt van de officier van justitie. Ten aanzien van feiten 1, 2 en 3 heeft de raadsman aangevoerd dat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad een bedreiging van dien aard moet zijn en onder zodanige omstandigheden zijn geuit dat de redelijke vrees kon ontstaan dat het feit zou kunnen worden gepleegd. De raadsman heeft verwezen naar de zaak van de Hoge Raad, 8 januari 2005, AR7062, waarin verdachte naar hoofdagenten riep ”die kankerwouten, die moeten ze afmaken”. Voor een veroordeling is van belang dat de agenten de vrees konden hebben dat ze het leven konden laten. In die zaak was dat niet bewezen geacht. De raadsman heeft aangevoerd dat de onderhavige zaak vergelijkbaar is met deze zaak, omdat de uitlatingen te algemeen en niet gericht op de gesprekspartners zijn. Ten aanzien van feit 5 heeft de raadsman aangevoerd dat alleen het aanwezig hebben van hetgeen in de tenlastelegging is opgenomen wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak ten aanzien van feit 3

De rechtbank acht feit 3 niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij het volgende.

Ten aanzien van de bedreiging met een terroristisch misdrijf overweegt de rechtbank als volgt. Het onder 3 ten laste gelegde ziet op de bedreiging van [slachtoffer 2] en/of andere personen.

De feitelijke handelingen van verdachte waar de tenlastelegging op ziet houden in dat hij op zijn facebookpagina danwel een facebookpagina de woorden heeft vermeld: ‘Ja alles open.Baar dan. Weet iedereen wat het motief is als ik straks iedereen. Vermoord de gemeente is op de hoogte en Utrecht is er niks bij’.

De rechtbank stelt vast dat de woorden van verdachte niet specifiek aan [slachtoffer 2] zijn gericht en is van oordeel dat het dreigement niet van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij haar of bij andere personen de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen. Wat betreft de ‘andere personen’ zoals opgenomen in de tenlastelegging geldt tevens dat niet is gebleken dat ‘andere personen’ daadwerkelijk op de hoogte zijn geraakt van de bedreiging.

Bewezenverklaring ten aanzien van feiten 1, 2, 4A, 4B, 4C, 5A en 5B

De verdachte heeft van het hem tenlastegelegde niet duidelijk en ondubbelzinnig bekend dat hij feiten 1 en 2 heeft gepleegd. De rechtbank acht op grond van na te noemen bewijsmiddelen dit gedeelte van het onder 1 en 2 tenlastegelegde evenwel wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feiten 1 en 2

Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. De door verdachte ter zitting van 20 augustus 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Op 28 maart 2019 heb ik over [slachtoffer 1] gezegd: ”Ik kan hem wel dood maken.” Ik heb gezegd: ”Ik kan de boel wel opblazen hier, want ik heb niets meer om voor te leven.”

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 3 april 2019, opgenomen op pagina 43 tot en met 45 van het dossier van Politie Noord-Nederland met parketnummer 18/730072-19 van 18 april 2019, inhoudend als verklaring van [getuige 1]:

Ik ben werkzaam als teamleider Juridische en Veiligheidszaken van de gemeente Sûdwest Fryslân. Als zodanig ben ik bekend met dhr. [verdachte]. Op 20 februari 2019 was dhr. [verdachte] boos op het gemeentehuis gekomen en had bij de baliemedewerkers behoorlijk heftige uitspraken gedaan. Hij had onder andere gezegd dat als de opvolger van [getuige 3] of zijzelf niet terug zou bellen vandaag, dat hij dan morgen met vaten benzine zou komen. [getuige 2], werkzaam als adviseur Openbare Orde en Veiligheid van de gemeente Sudwest Fryslan, heeft dhr. [verdachte] telefonisch benaderd en hem aangehoord. Hij begon rustig met zijn verhaal, maar uiteindelijk werd hij erg boos. Mijn medewerker hoorde dat dhr. [verdachte] iets in de trant zegt van: "ik draai het gas open thuis en laat de boel in de hens gaan". Op 28 maart 2019 om 13.00 uur is er een gesprek geweest met dhr. [verdachte] op het gemeentehuis te Sneek. Bij het gesprek waren aanwezig [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4]. Ondanks dat dhr. [verdachte] rustig in het gesprek, horen mijn medewerkers dat hij zegt: "Als ik een Nee krijg op de omgang met mijn zoon, dan maak ik [slachtoffer 1] dood". [slachtoffer 1] is de medewerker van de Raad van de Kinderbescherming die betrokken is bij de situatie van dhr. [verdachte]. Als mijn medewerkers hem op zijn uitspraak wijzen dan horen de medewerkers dat dhr. [verdachte] zegt: "dat kan mij niets schelen, want ik heb mijn plannen al gemaakt en als de politie aan de deur komt dan blaas ik de boel op. Ik heb mijn deuren gebarricadeerd/verstevigd voor en achter. Ik heb 2 vaten benzine in huis en als ze komen draai ik het gas open en blaas ik de boel op. Want als ik mijn zoon niet krijg te zien, dan heb ik geen enkele reden meer om te leven, maar ik ga niet alleen". Dhr. [verdachte] heeft gerefereerd aan de aanslag in Utrecht. De uitspraken die dhr. [verdachte] heeft gebruikt naar de medewerkers toe in de afgelopen periode zijn onder andere;

- Ik ga iets doen waar ik heel veel aandacht mee krijg

- Ik ga niet alleen

- Ze maken een terrorist van mij

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 8 april 2019, opgenomen op pagina 47 en 48 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2]:

Ik ben werkzaam als adviseur Openbare Orde en Veiligheid bij de gemeente Sûdwest

Fryslân. Op 20 februari 2019 was dhr. [verdachte] boos op het gemeentehuis gekomen en had hij bij de baliemedewerkers behoorlijk heftige uitspraken gedaan. Hij had onder andere gezegd dat als ik of mijn collega [getuige 3] niet terug zou bellen vandaag, dan zou hij morgen met gasflessen en of benzine komen. Ik heb hem vervolgens gebeld en hem voor de eerste keer gesproken. Ik hoorde dat hij zei, dat hij het gas open zou draaien thuis en dat de boel in de hens zou gaan. Op 28 maart 2019 om 13.00 uur was er een gesprek met dhr. [verdachte] op het gemeentehuis van de gemeente Sûdwest Fryslân te Sneek. Bij het gesprek waren tevens aanwezig mijn collega [getuige 3] en [getuige 4]. Ondanks dat dhr. [verdachte] rustig in het gesprek, hoorde ik dat hij zei: "als ik een Nee krijg op de omgang met mijn zoon, dan maak ik [slachtoffer 1] dood". [slachtoffer 1] is de medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming die betrokken is bij de situatie van dhr. [verdachte]. Ik hoorde dat dhr. [verdachte] vervolgens zei: "Ik heb mijn plannen al gemaakt en als de politie aan de deur komt, dan blaas ik de boel op". Tevens hoorde ik hem zeggen: "Ik heb mijn deuren gebarricadeerd/verstevigd voor en achter. Ik heb 2 vaten benzine in huis en als ze komen draai ik het gas open en blaas ik de boel op. Want als ik mijn zoon niet krijg te zien dan heb ik geen enkele reden meer om te leven, maar ik ga niet alleen". Dhr. [verdachte] refereerde naar de aanslag in Utrecht.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 10 april 2019, opgenomen op pagina 50 tot en met 52 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 3]:

Ik ben werkzaam als beleidsadviseur Openbare Orde en Veiligheid bij de gemeente Sudwest Fryslan. Ik ben betrokken bij dhr. [verdachte]. In de contacten en gesprekken die ik met dhr. [verdachte] had, heeft hij tot ons gesprek op 28 maart jl. in mijn bijzijn niet specifiek iemand of een medewerker bedreigd. Hij uitte wel in algemene termen dreigementen. Voorbeelden hiervan zijn:

"ze maken een terrorist van mij";

"als ik mijn kind niet te zien krijg, gaan er slachtoffers vallen";

"ik weet ze allemaal te vinden, ik kan jullie allemaal verrassen".

Dit gesprek was op 28 maart in het gemeentehuis te Sneek. Tijdens zijn gesprek uitte hij dreigementen over betrokken medewerkers. Hij gaf ook aan dat hij voor zich zag hoe e.e.a. zou gebeuren. Tijdens dit gesprek op 28 maart hoorde ik hem de volgende dingen zeggen:

"Als ik een nee te horen krijg, dat ik geen omgang krijg met mijn zoon, dan maak ik [slachtoffer 1] (medewerker RvdK Almelo) dood";

"Ik heb thuis twee blikken benzine op zolder. Als ze me komen halen, dan steek ik die in de hens en ik hoop dat dan het hele huizenblok wordt weggemaaid";

"Als ik een nee te horen krijg, dan heeft het leven geen zin meer, maar ik ga niet alleen. Ik zorg ervoor dat er vragen worden gesteld over hoe dit zo ver heeft kunnen komen en dan zal duidelijk worden hoe het systeem mij kapot heeft gemaakt".

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 8 april 2019, opgenomen op pagina 54 tot en met 56 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van L. [getuige 4]:

Ik ben werkzaam als maatschappelijk werker bij het gebiedsteam Zuid te Sneek. Ik ben betrokken bij de casus van dhr. [verdachte]. Op 28 maart 2019 is er een gesprek geweest met dhr. [verdachte] op het gemeentehuis, te Sneek. Bij het gesprek waren tevens aanwezig [getuige 2] en [getuige 3], beide beleidsadviseurs van Openbare orde en Veiligheid van de gemeente Sudwest Fryslan. Ondanks dat dhr. [verdachte] rustig in het gesprek, hoor ik dat hij zegt: "als ik een Nee krijg op de omgang met mijn zoon, dan maak ik [slachtoffer 1] dood". [slachtoffer 1] is de medewerker van de Raad van de Kinderbescherming die betrokken is bij de situatie van dhr. [verdachte]. Ik hoorde dat [getuige 2] dhr. [verdachte] aansprak op zijn bedreiging die hij uitte. Ik hoorde dat dhr. [verdachte] vervolgens zei: "dat kan mij niets schelen, want ik heb mijn plannen al gemaakt en als de politie aan de deur komt dan blaas ik de boel op". Tevens hoor ik hem zeggen: "Ik heb mijn deuren gebarricadeerd/verstevigd voor en achter. Ik heb 2 vaten benzine in huis en als ze komen draai ik het gas open en blaas ik de boel op. Want als ik mijn zoon niet krijg te zien dan heb ik geen enkele reden meer om te leven, maar ik ga niet alleen". Dhr. [verdachte] refereert naar de aanslag in Utrecht.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 8 april 2019, opgenomen op pagina 64 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1]:

Ik ben werkzaam als raadsonderzoeker voor de Raad van de Kinderbescherming. Op 26 maart 2019 werd ik gebeld door [verdachte]. Ik hoorde dat [verdachte] een week later op het gemeentehuis is geweest voor gesprekken met onder andere de politie en gemeente. Hier zou hij het volgende hebben gezegd: "Bij een negatief advies ga ik hem doodmaken". Maandag middag hoorde ik dit van de politie en hier schrok ik erg van. Ik ben erg bang dat hij zijn woorden ten uitvoer zou brengen.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 16 april 2019, opgenomen op pagina 125 en 126 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verdachte:

V: Je zou gezegd hebben dat je twee vaten benzine in huis zou hebben, je het gas open zou draaien en dat je de deuren gebarricadeerd had. Wat kan je daarover verklaren?

A: Ja, zulk soort dingen speelt door je hoofd op het laatst. Ik heb twee tankjes benzine in de auto.

V: 'Ik heb niks meer te verliezen'

A: Ik heb niks te verliezen nee, alles is me afgenomen.

V: 'Ze maken een terrorist van mij'

A: Ja. Beloven en niks doen.

Overwegingen rechtbank

Ten aanzien van feit 1

Anders dan de officier van justitie en de raadsman acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met een terroristisch misdrijf. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Artikel 83a van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat onder terroristisch oogmerk wordt verstaan het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.

Verdachte heeft zijn uitlatingen gedaan in een gesprek met medewerkers van de overheid. Dit betreft medewerkers die verdachte onder andere hulp en bijstand verleenden met betrekking tot de mogelijkheden tot omgang met zijn zoon. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen dat verdachte door dreigementen te uiten de overheid heeft willen dwingen de omgang met zijn zoon mogelijk te maken. Onder andere de dreigementen, inhoudende dat verdachte met gasflessen en benzine naar het gemeentehuis zou komen als hij niet werd teruggebeld, alsook dat hij de boel zou opblazen als de politie kwam, wijzen naar het oordeel van de rechtbank op een terroristisch motief. Dit wordt versterkt doordat verdachte op 28 maart 2019 heeft verwezen naar Utrecht waar tien dagen eerder, op 18 maart 2019, een schietincident met dodelijke afloop en meerdere slachtoffers had plaatsgevonden.

Op grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen en het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat de ten laste gelegde uitlatingen van dien aard zijn en zijn gedaan onder zodanige omstandigheden dat hierdoor bij betrokkenen de redelijke vrees kon ontstaan dat er een terroristisch misdrijf kon worden gepleegd.

Ten aanzien van feit 2

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in het gesprek op 28 maart 2019 heeft aangegeven dat hij [slachtoffer 1] wel dood kan maken. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij boos en gefrustreerd was, maar dat hij niet heeft gezegd dat hij [slachtoffer 1] dood gaat maken.

De rechtbank overweegt dat de drie getuigen die bij het gesprek aanwezig waren allemaal over dezelfde uitlating van verdachte hebben verklaard. De rechtbank begrijpt dat het voor verdachte erg frustrerend is dat hij zijn kind al lange tijd niet heeft gezien en dat de mededeling dat dit nog langer zal duren boosheid en frustraties bij hem heeft opgeroepen. Dit is echter geen vrijbrief om vervolgens dergelijke op de persoon gerichte bedreigende uitlatingen te doen.

Op grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat de door verdachte gedane uitlating van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is gedaan dat hierdoor bij [slachtoffer 1] de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen.

Ten aanzien van feiten 4A, 4B, 4C, 5A en 5B

Voor het overige volstaat de rechtbank ten aanzien van het onder 4A, 4B, 4C, 5A en 5B bewezen verklaarde, met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte dit bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 augustus 2019;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van 18 april 2019, opgenomen op pagina 103 tot en met 105 van het dossier van Politie Noord-Nederland met parketnummer 18/730072-19 van 18 april 2019, inhoudende de verklaring van verbalisanten;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van 18 april 2019, opgenomen op pagina 109 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verbalisant;

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van 18 april 2019, opgenomen op pagina 113 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verbalisanten;

5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van 1 april 2019, opgenomen op pagina 130 tot en met 138 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte;

6. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van 19 april 2019, los bijgevoegd bij voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte;

7. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van 29 mei 2019, los bijgevoegd bij voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verbalisant;

8. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van 19 april 2019, los bijgevoegd bij voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte.

Overweging rechtbank ten aanzien van feit 5A

De raadsman heeft aangevoerd dat ten aanzien van feit 5 enkel het voorhanden hebben bewezen kan worden verklaard. De rechtbank overweegt dat verdachte bij de politie, alsook ter terechtzitting heeft verklaard dat hij drie keer heeft geprobeerd een hennepkwekerij op te zetten. Verdachte heeft verklaard zelf de hennepkwekerij te hebben aangelegd, alsook dat hij 1,5 jaar geleden is begonnen met het telen van hennep. In die tijd heeft verdachte één geslaagde oogst en twee mislukte oogsten gehad. Ook heeft verdachte bij de politie verklaard dat de twee zakken met henneptoppen, van totaal 2 kilo, die in zijn woning zijn aangetroffen, zijn oogst was. Gelet op deze bekennende verklaring van verdachte, acht de rechtbank ook dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feiten 1, 2, 4A, 4B, 4C, 5A en 5B wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 20 februari 2019 tot en met 28 maart 2019, te Sneek, medewerkers van de gemeente Súdwest-Fryslân en een adviseur openbare orde en veiligheid van de gemeente Súdwest-Fryslân en een maatschappelijk werker bij het gebiedsteam Zuid van de gemeente Súdwest-Fryslân en medewerkers van de politie en andere personen met een terroristisch misdrijf, heeft bedreigd, door die medewerkers en personen dreigend de woorden toe te voegen:

- " Ik draai het gas open thuis en laat de boel in de hens gaan." en

- " Ik heb mijn plannen al gemaakt en als de politie aan de deur komt dan blaas ik de boel op." en

- " Ik heb de deuren gebarricadeerd/verstevigd voor en achter. Ik heb twee vaten benzine in huis en als ze komen draai ik het gas open en blaas ik de boel op." en

- " Als ik mijn zoon niet krijg te zien, dan heb ik geen enkele reden meer om te leven, maar ik ga niet alleen." en

- " Als ik niet wordt teruggebeld, dan kom ik morgen met gasflessen en benzine ." en

- " Ze maken een terrorist van mij." en

- " Als ik mijn kind niet te zien krijg, gaan er slachtoffers vallen." en

- " Ik weet jullie allemaal te vinden, ik zal jullie allemaal verrassen." en

- " Ik heb twee blikken benzine op zolder. Als ze me komen halen, dan steek ik die in de hens en ik hoop dat dan het hele huizenblok wordt weggemaaid." en

- " Als ik nee te horen krijg, dan heeft het leven geen zin meer, maar ik ga niet alleen. Ik zorg er voor dat er vragen worden gesteld over hoe dit zo ver heeft kunnen komen en dan zal duidelijk worden hoe het systeem mij kapot heeft gemaakt."

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en heeft verdachte daarbij meermalen gerefereerd aan de aanslag in Utrecht.

2.

hij in de periode van 26 maart 2019 tot en met 8 april 2019, te Sneek, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door een medewerker van de gemeente Sneek en een maatschappelijk werker dreigend de woorden toe te voegen: "Als ik een Nee krijg op de omgang met mijn zoon, dan maak ik [slachtoffer 1] dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en welke dreigende woorden in voornoemde periode door de politie aan die [slachtoffer 1] kenbaar zijn gemaakt.

4.

hij op 18 april 2019 te Sneek,

A.

een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwd gaspistool, van het merk BBM, type 315 Auto, kaliber 6,35 mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, en

B.

een wapen van categorie I, onder 3 van de Wet wapens en munitie, te weten een geluidsdemper, en

C.

munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 7, kogelpatronen van het merk Fiocchi, van het kaliber 6,35 mm,

voorhanden heeft gehad.

5.

A.

hij in het jaar 2018 en het jaar 2019, tot en met 16 april 2019, te Sneek, meermalen, opzettelijk heeft geteeld, in een pand gelegen aan de [straatnaam], hennepplanten en delen daarvan en

B.

hij omstreeks 18 april 2019, te Sneek, opzettelijk aanwezig heeft gehad, in een pand gelegen aan de [straatnaam]

- een hoeveelheid, 31 zakjes, met in ieder zakje 8 voorgedraaide joints met daarin een hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep en

- een hoeveelheid henneptoppen, ongeveer 1997 gram, en

- een hoeveelheid hennepgruis, ongeveer 1398 gram,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Bedreiging met een terroristisch misdrijf.

2. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

4A. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

4B. Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

4C. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

5A. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

5B. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feiten 1, 2, 3, 4 en 5 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en daarbij de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, alsmede een contactverbod met [slachtoffer 2]. Daarnaast vordert de officier van justitie dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 heeft de officier van justitie de conclusie van de psycholoog dat er sprake is van verminderde toerekeningsvatbaarheid overgenomen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een onvoorwaardelijke straf gelijk aan de duur van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, alsmede een voorwaardelijke straf voor de duur van 14 maanden met de voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de rapportage van de psycholoog N. van der Weegen d.d. 27 juni 2019, het trajectconsult door psychiater A.P. van der Woerdt d.d. 2 mei 2019, het rapport van de reclassering d.d. 24 juni 2019, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de door verdachte erkende ad informandum gevoegde feiten, die hiermee zijn afgedaan.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het dreigen met een terroristisch misdrijf. Daarnaast heeft verdachte een wapen met geluidsdemper en kogelpatronen voorhanden gehad, evenals een grote hoeveelheid joints met daarin hennep, henneptoppen en hennepgruis. De rechtbank overweegt dat dreigen met een terroristisch misdrijf een zeer ernstig en angstaanjagend delict is en onrust in de samenleving veroorzaakt. De rechtbank acht de situatie extra zorgelijk doordat er een wapen, geluidsdemper en munitie zijn aangetroffen. Dit, met de aanwezigheid van een hennepkwekerij in de woning, wijst er naar het oordeel van de rechtbank op dat verdachte zich bezig houdt met criminele activiteiten. Voor dergelijke feiten dient een gevangenisstraf het uitgangspunt te zijn.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een bedreiging en het bezit van wapens.

In het rapport van 27 juni 2019 adviseert de psycholoog om de feiten met betrekking tot de ten laste gelegde bedreigingen in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De psycholoog heeft hiertoe opgenomen dat verdachte lijdt aan een lichte verstandelijke ontwikkelingsstoornis en een geagiteerde depressieve stoornis. Hierdoor ontbreekt het hem aan voldoende probleemoplossende vaardigheden en emotieregulatievaardigheden. Verdachte is al jaren bezig om contact met zijn zoon te krijgen en ervaart hierin tegenwerking en onrecht. Hierdoor voelt hij zich machteloos en boos, maar weet niet hoe om te gaan met deze gevoelens. Ten aanzien van het wapenbezit en het bezit van hennep heeft de psycholoog aangegeven dat de hiervoor genoemde stoornissen geen invloed hebben gehad op het gedrag van verdachte. Deze feiten kunnen volledig aan verdachte worden toegerekend. De rechtbank neemt de adviezen van de psycholoog over.

In het rapport van 24 juni 2019 heeft de reclassering aangegeven dat het wenselijk is dat verdachte begeleiding en ondersteuning krijgt vanuit een instelling als het FACT-GGZ. Zij bieden zorg aan mensen met een (lichte) verstandelijke beperking en onbegrepen, risicovol gedrag binnen een forensische setting. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een ambulante behandeling. De rechtbank acht het belangrijk dat verdachte hulp krijgt en is van oordeel dat hier niet te lang mee gewacht moet worden. Verdachte moet leren naar zichzelf en zijn eigen gedrag te kijken en hieraan te werken. Dit is belangrijk en mede in het belang van zijn zoon met betrekking tot de omgang. De rechtbank kan zich vinden in het advies van de reclassering, alsook in de eis van de officier van justitie ten aanzien van de gevorderde gevangenisstraf.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een ambulante behandeling passend en oplegging daarvan geboden. De rechtbank ziet geen meerwaarde in het daarnaast opleggen van een taakstraf zoals gevorderd door de officier van justitie.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank acht het inbeslaggenomen voorwerp, te weten de Prada tas, vatbaar voor verbeurdverklaring nu het een voorwerp is met behulp van welke de opsporing van het feit is belemmerd en dit toebehoort aan verdachte.

De rechtbank acht de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een stroomstootwapen, pepperspray, een vlindermes, een vals biljet van vijf euro, een kweektent, een wapen, een demper, een magazijnhouder, een patroon, hennep, XTC en cocaine vatbaar voor onttrekking aan het verkeer nu verdachte deze voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarmee strafbare feiten zijn gepleegd en zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan door verdachte in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 33, 33a, 36b, 36c, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde, de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 3 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 4A, 4B, 4C, 5A en 5B ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 12 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen vijf dagen volgend op zijn ontslagdatum uit detentie meldt bij Reclassering Verslavingszorg Noord Nederland, op het adres Oostergoweg 6 te Leeuwarden en zich daarna gedurende een door de reclassering te bepalen periode, die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd en op door de reclassering te bepalen tijdstippen dient te blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang die instelling dat noodzakelijk acht;

2. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat begeleiden en onder behandeling zal stellen van het FACT-GGZ, of een soortgelijke zorgverlener, zulks ter bepaling door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die deskundige/zorginstelling aan te geven, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de huisregels en aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling zullen worden gegeven, ook als dit inhoudt de inname van door de behandelaars in het kader van de behandeling voorgeschreven medicatie op de voorgeschreven wijze en de controle hierop.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

-ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

-medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van de onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen 1.00 STK Tas, PRADA.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen:

  • -

    1.00 STK Wapen, POWERMAXX stroomstootwapen

  • -

    1.00 STK Pepperspray

  • -

    1.00 STK Vlindermes

  • -

    Geld, 5 EURO

  • -

    1.00 STK KWEEKTENT

  • -

    1.00 STK Wapen

  • -

    1.00 STK Demper

  • -

    1.00 STK Wapen, magazijnhouder

  • -

    1.00 STK Patroon GLF 6.35

  • -

    31.00 ZAK Hennep

  • -

    4.00 STK Hennep

  • -

    1997.00 GR Hennep

  • -

    5.00 STK Hennep

  • -

    8.00 STK Xtc

  • -

    1.00 STK Xtc

  • -

    2.00 STK Cocaïne

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. M.B. de Wit en mr. R.B. Maring, rechters, bijgestaan door mr. C.G. Velvis, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 september 2019.

Mr. Dölle is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.