Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:379

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-02-2019
Datum publicatie
12-02-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2750
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Informatiebeschikking terecht genomen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 12-02-2019
V-N Vandaag 2019/321
FutD 2019-0446
V-N 2019/19.2.7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 17/2750

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 7 februari 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor [kantoorplaats] , verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 20 oktober 2016 een informatiebeschikking genomen met betrekking tot aan eiser op te leggen navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2010 tot en met 2014, alsmede met betrekking tot aan eiser op te leggen naheffingsaanslag(en) omzetbelasting (OB) over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 december 2014.

Bij uitspraak op bezwaar van 26 juni 2017 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [bijstand] en [bijstand] .

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Eiser verhandelde in de jaren 2010 tot en met 2014 verschillende chemische stoffen. De ingekochte chemische stoffen werden door eiser verkocht aan binnenlandse en buitenlandse afnemers tegen contante betaling.

1.2.

In de onderhavige jaren gaat het in de eerste plaats om 19 in- en verkoopkooptransacties (2 tot 5 per jaar) van chemische stoffen. Van deze 19 transacties bestaan inkoopfacturen.

1.3.

Naast de bij 1.2 vermelde inkopen heeft eiser in de periode van juli 2010 tot en met december 2012 tienmaal (samples van) chemische stoffen uit China geïmporteerd. Van deze transacties zijn in eisers administratie geen facturen of pakbonnen bekend, met uitzondering van één inkoopfactuur (zie 1.6 hierna).

1.4.

In 1992 is eiser in Costa Rica gestoken door zogenoemde “killer bees”. Als gevolg hiervan is hij voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt verklaard. De administratie van eiser werd in de jaren 2010 tot en met 2014 bijgehouden door een boekhouder. De contante opbrengsten van de onder 1.1 bedoelde transacties bracht eiser bij de boekhouder, die vervolgens zorgde voor storting bij de bank.

1.5.

De verantwoorde omzet van eiser is door de boekhouder bepaald door de inkoopwaarde van de verkopen te verhogen met 10 tot 12%.

1.6.

Op 20 november 2013 is eiser aangehouden door de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA). Hij was op dat moment in het bezit van 5 kilogram 17-beta-oestradiol, een in Nederland verboden diergeneesmiddel. Eiser werd ervan verdacht dit product te hebben geïmporteerd vanuit China. Bij aanhouding en het daarop volgende onderzoek is de administratie van het bedrijf van eiser en (een deel van) zijn privé administratie in beslag genomen. Bij een huiszoeking door de NVWA is de inkoopfactuur aangetroffen die betrekking had op deze levering. In de administratie van eiser is van de import van deze levering verder niets terug te vinden. Eiser is als gevolg van het onderzoek en de aanhouding door de NVWA bij vonnis van [rechtbank X] van [datum] strafrechtelijk veroordeeld voor onder andere het invoeren van een verboden diergeneesmiddel.

1.7.

Op verzoek van verweerder heeft het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie de inbeslaggenomen administratie verstrekt aan de Belastingdienst. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder in september 2015 een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de ingediende aangiften IB/PVV en de ingediende aangiften OB voor de jaren 2010 tot en met 2014.

1.8.

In de administratie van eiser zijn geen verkoopfacturen aangetroffen met betrekking tot de (door)verkopen van de ingekochte chemische stoffen. Ten aanzien van de inkoopadministratie is er een onderscheid te maken tussen de bij 1.3 vermelde inkopen uit China en de bij 1.2 vermelde overige inkopen. Ten aanzien van de inkopen uit China is één inkoopfactuur aangetroffen, namelijk de inkoopfactuur behorende bij de zending van 20 november 2013 (zie 1.6). Van de bij 1.2 vermelde overige transacties zijn alle inkoopfacturen aanwezig.

1.9.

Van het kasverkeer binnen de onderneming van eiser is geen afzonderlijke vastlegging bijgehouden.

1.10.

Volgens de jaarrekeningen zoals eiser die heeft ingediend bij zijn aangiften inkomstenbelasting, heeft hij in de onderhavige jaren de volgende omzetten behaald:

2010 € 8.270;

2011 € 7.441;

2012 € 27.580;

2013 € 48.519;

2014 € 3.591.

1.11.

Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft verweerder een informatiebeschikking genomen, met datum 20 oktober 2016, wegens het niet voldoen aan de administratieplicht van artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). In de informatiebeschikking is voor zover van belang het volgende opgenomen:

“Betreft: Informatiebeschikking wegens niet voldaan aan art. 52 AWR

Geachte heer [eiser] ,

In het kader van het boekenonderzoek bij u betreffende de aangiften:

  • -

    inkomstenbelasting over de jaren 2010 t/m 2014

  • -

    omzetbelasting over de periode 1 januari 2010 t/m 31 december 2014

is gebleken dat u zich op onderdelen niet gehouden hebt aan de administratieplicht.

(…)

Schending administratieplicht

Bij een geobjectiveerde benadering kom ik tot het oordeel dat uw administratie op belangrijke onderdelen niet aan de wettelijke norm voldoet. En wel op de volgende onderdelen en/of om de volgende reden(en):

- Kasboek.

Door u wordt geen (klad)kasboek bijgehouden. Uit de stortingen van contante bedragen op uw bankrekening blijkt dat er in uw onderneming contante ontvangsten plaatsvinden. Deze contante stortingen vinden hun oorsprong in uw handelsactiviteiten. Gelet op deze constatering mag van u verwacht worden dat er door u een (klad)kasboek wordt bijgehouden. Ik heb geconstateerd dat dit door u niet is bijgehouden.

(…)

- Facturen.

Door u worden geen facturen verzonden aan uw afnemers. Op grond van het bepaalde in artikel 34c van de Wet op de Omzetbelasting bent u verplicht aan uw afnemers facturen te versturen. U bent hiermee in gebreke gebleven. Door het niet opmaken en versturen van facturen ontbreekt het mij aan de mogelijkheid om de door u aangegeven omzet te vergelijken met de bijbehorende genummerde facturen. Tevens ontneemt u mij de mogelijkheid om een derdenonderzoek in te stellen bij uw afnemers, omdat deze nu niet bekend zijn. Ik kan hierdoor voor de inkomsten- en omzetbelasting geen controle instellen op de volledigheid van uw omzet.

Schending bewaarplicht

U heeft (onderdelen van) uw administratie niet gedurende de wettelijke termijn bewaard. U voldoet daardoor (op onderdelen) niet aan het vierde lid van artikel 52 van de AWR. Dit lid bepaalt dat u als administratieplichtige gehouden bent uw administratie gedurende zeven jaar te bewaren. De volgende onderdelen van uw administratie zijn weggegooid en/of vernietigd, dan wel ontbreken:

Indien u wel een kasboek hebt bijgehouden en facturen hebt opgemaakt dan zijn deze door u niet bewaard.

Informatiebeschikking

Ik stel thans dan ook vast dat u niet of niet geheel aan uw administratieve verplichtingen uit hoofde van artikel 52 van de AWR heeft voldaan. Ik geef u hiervoor dan ook een informatiebeschikking. Deze is gebaseerd op artikel 52a van de AWR, en wordt aan u afgegeven omdat u niet heeft voldaan aan één of meerdere administratieve verplichtingen uit hoofde van artikel 52 van de AWR. Deze zijn hierboven vermeld."

Geschil en beoordeling

2. In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder terecht de onderhavige informatiebeschikking heeft genomen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiser met betrekking tot de transacties in chemische stoffen heeft voldaan aan de administratieplicht van artikel 52 van de AWR.

3. Eiser heeft gesteld dat de informatiebeschikking ten onrechte is genomen, omdat het gezien de feiten (zie 1.1 tot en met 1.4) in redelijkheid niet kan worden volgehouden dat hij niet aan zijn administratieve verplichtingen heeft voldaan. De rechtbank begrijpt eiser zo dat hij stelt dat de beperkte omvang van zijn onderneming geen uitgebreide administratie vereist, terwijl door de arbeidsongeschiktheid van eiser de eisen aan de administratieplicht naar beneden moeten worden bijgesteld, waarmee eiser (althans ten dele) een beroep doet op overmacht. Ten aanzien van de door verweerder opgestelde vermogensvergelijking stelt eiser dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de opbrengsten die eiser heeft genoten uit de verkoop van paarden in de onderhavige jaren.

4. Verweerder heeft aangevoerd dat eiser niet aan de eisen van artikel 52 van de AWR heeft voldaan en heeft daartoe verwezen naar de door de controlerende ambtenaar geconstateerde gebreken genoemd in de informatiebeschikking. Het gaat om het niet bijhouden van een kasadministratie, het ontbreken van verkoopfacturen (zie 1.11) en het niet bewaren van inkoopfacturen ter zake van de inkopen uit China. Uit zijn aanvullingen daarop in het verweerschrift volgt verder dat uit de door de controlerend ambtenaar opgestelde vermogensvergelijking blijkt dat eiser meer liquide middelen tot zijn beschikking heeft gehad dan naar voren komt uit de tot de administratie behorende bankafschriften.

5. Ter zitting is door partijen bevestigd dat niet in geschil is dat eiser een onderneming drijft voor zover het gaat om de transacties in chemische stoffen en dat hij daarom wordt aangemerkt als administratieplichtige als bedoeld in artikel 52, tweede lid, sub b, van de AWR.

6. Artikel 52, eerste lid, van de AWR bepaalt, voor zover hier van belang, dat administratieplichtigen gehouden zijn van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf, naar de eisen van dat bedrijf, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken. Daarbij behoort volgens het derde lid van artikel 52 tot de administratie hetgeen ingevolge andere belastingwetten wordt bijgehouden, aangetekend of opgemaakt. Artikel 52, vierde lid, bepaalt dat administratieplichtigen in beginsel verplicht zijn de in de voorgaande leden bedoelde gegevensdragers gedurende zeven jaar te bewaren. Het zesde lid van artikel 52 van de AWR bepaalt dat de administratie zodanig dient te zijn ingericht en te worden gevoerd en dat de gegevensdragers zodanig dienen te worden bewaard, dat controle daarvan door de inspecteur binnen een redelijke termijn mogelijk is.

Reikwijdte informatiebeschikking

7. De rechtbank ziet zich allereerst, zoals zij ook ter zitting aan de orde heeft gesteld, voor de vraag gesteld op welke jaren de informatiebeschikking ziet. De rechtbank stelt vast dat de navorderingstermijn van artikel 16, derde lid, van de AWR en de naheffingstermijn van artikel 20, derde lid, van de AWR van vijf jaar voor het jaar 2010 reeds was verstreken ten tijde van het nemen van de informatiebeschikking. Omdat verweerder voor dat jaar geen navorderingsaanslag noch een naheffingsaanslag meer kan opleggen, ontbreekt het belang van de informatiebeschikking. De rechtbank is daarom van oordeel dat de informatiebeschikking ten aanzien van het jaar 2010 vernietigd dient te worden.

Ontbreken verkoopfacturen

8. Bij de beantwoording van de vraag of eiser heeft voldaan aan de administratieplicht van artikel 52 van de AWR overweegt de rechtbank dat rekening moet worden gehouden met de aard en omvang van de onderneming. Naar het oordeel van de rechtbank mag van een onderneming als die van eiser verwacht worden dat ten aanzien van de verkooptransacties een verkoopadministratie wordt bijgehouden. De onderneming bestaat weliswaar uit het verrichten van een relatief gering aantal in- en verkooptransacties (zie 1.2 en 1.3), maar die transacties genereren wel een aanzienlijk opbrengst (zie 1.10). In de verkoopadministratie moeten ten minste verkoopfacturen zijn opgenomen, of op andere wijze bescheiden of primaire vastleggingen aanwezig zijn waarmee per transactie inzichtelijk wordt gemaakt wanneer welke hoeveelheid van welke stof aan wie en voor welk bedrag is geleverd.

9. Tussen partijen is niet in geschil, hetgeen ter zitting door eiser desgevraagd is bevestigd, dat verkoopfacturen als bedoeld onder 8 in de administratie ontbreken en ook anderszins niets is vastgelegd met betrekking tot de verkooptransacties (zie 1.8). De rechtbank overweegt dat de aard en omvang van de gerealiseerde verkopen daarmee niet inzichtelijk zijn gemaakt, waardoor eiser aan verweerder de mogelijkheid heeft ontnomen om de verkoopadministratie als aangrijpingspunt te gebruiken voor een controle van de volledigheid van de omzet. Tevens is daarmee niet inzichtelijk wie de afnemers van eiser zijn, waardoor voor verweerder de mogelijkheid ontbreekt om de volledigheid van de omzet de controleren door middel van een eventueel derdenonderzoek. In het vervolg zal de rechtbank deze omstandigheid kortheidshalve aanduiden als 'het ontbreken van verkoopfacturen'.

10. Ter zitting is aan de orde gesteld wat, gelet op de bijzondere administratieve verplichtingen, in dit geval de factureringsplicht van artikel 34c, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB), de precieze rechtsgrond is voor de eventuele omkering van de bewijslast die op grond van artikel 36 van de Wet OB uit een schending van die bijzondere verplichtingen voort zou kunnen vloeien. Naar aanleiding van hetgeen besproken is ter zitting, laat de rechtbank in het midden of de beperkte opsomming van administratieve verplichtingen zoals die in artikel 52a van de AWR is opgenomen, in dit geval in de weg zou kunnen staan aan omkering op grond van artikel 36 van de Wet OB. Partijen hebben namelijk desgevraagd ter zitting bevestigd, dat het inhoudelijke verwijt van verweerder te begrijpen is onder de algemene verplichtingen zoals opgenomen in artikel 52 van de AWR. Naar het oordeel van de rechtbank is dit rechtens juist, aangezien artikel 52, derde lid, van de AWR regelt dat tot de administratie behoort hetgeen ingevolge andere belastingwetten wordt bijgehouden, aangetekend of opgemaakt. Daaronder valt in dit geval ook de factureringsplicht van artikel 34c van de Wet OB. Kortom: het ontbreken van verkoopfacturen die zijn vereist volgens artikel 34c van de Wet OB is vanwege het bepaalde in artikel 52, derde lid, van de AWR (tevens) een rechtstreekse schending van artikel 52 van de AWR.

11. Het ontbreken van verkoopfacturen in de administratie van eiser raakt naar het oordeel van de rechtbank de kern van de omzetverantwoording. Er zijn immers geen andere (objectieve) aanknopingspunten om de volledigheid van de omzetverantwoording aan de hand van primaire registraties te controleren. Het ontbreken van verkoopfacturen is daarmee dermate ernstig dat verweerder naar het oordeel van de rechtbank de informatiebeschikking terecht heeft genomen. Ook is de rechtbank van oordeel dat de daaraan te koppelen sanctie van de omkering en verzwaring van de bewijslast vanwege de ernst van de schending in dit geval gerechtvaardigd is.

12. Aangezien dit gebrek in de administratie van eiser niet meer kan worden hersteld en ter zitting door eiser is verklaard dat een hersteltermijn niet zinvol is gezien de aard van de schending, ziet de rechtbank geen aanleiding een nieuwe termijn te stellen in de zin van artikel 27e, tweede lid, van de AWR.

13. De stelling van eiser dat gezien de feitelijke situatie in redelijkheid niet gezegd kan worden dat de administratieplicht is geschonden, volgt de rechtbank niet. Hiervoor heeft de rechtbank al geoordeeld dat de aard en omvang van de onderneming wel degelijk een verkoopadministratie vereist (zie 8). De rechtbank overweegt verder dat het niet voldoen aan de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 52 van de AWR zonder nadelige gevolgen moet blijven, indien het niet naleven van het wettelijke voorschrift eiser niet kan worden aangerekend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het in de betrokken jaren (2011 tot en met 2014) voor hem niet mogelijk is geweest om in verband met zijn gezondheidstoestand, een derde aan te stellen om namens hem een deugdelijke verkoopadministratie te verzorgen (vergelijk Hoge Raad 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:130). Dit klemt te meer nu eiser kennelijk wel in de gelegenheid was om zelf een onderneming te drijven en in ieder geval jaarlijks enkele internationale in- en verkooptransacties te organiseren. Bovendien had eiser een boekhouder die de inkopen bijhield, een theoretische omzet bepaalde en kasstortingen verrichtte. Niet valt in te zien waarom die boekhouder dan ook niet een vorm van verkoopadministratie kon voeren. Het beroep op overmacht slaagt naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet.

Ontbreken kasboek

14. Het ontbreken van een kasboek is gekoppeld aan de mogelijkheid van verweerder om een controle te verrichten op de volledigheid van de omzet. Nu hiervoor al is geconcludeerd dat het ontbreken van verkoopfacturen dit controlebelang in ernstige mate heeft gefrustreerd, kan het antwoord op de vraag of het ontbreken van een kasboek een afzonderlijke of zelfstandige schending van de administratieplicht van artikel 52 van de AWR oplevert, in het midden blijven.

Bewaarplicht

15. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat zijn stelling over het schenden van de bewaarplicht uitsluitend ziet op het niet bewaren van de inkoopfacturen ter zake van de inkopen uit China. Dat die inkoopfacturen er wel allemaal zijn geweest, is volgens verweerder aannemelijk omdat één factuur ten aanzien van de inkopen uit China aangetroffen is bij de huiszoeking door de NVWA (zie 1.8). Dat rechtvaardigt volgens verweerder het vermoeden dat er ook facturen (of ten minste pakbonnen) van de andere inkopen vanuit China zijn geweest, maar dat deze niet door eiser zijn bewaard. Omdat eiser deze niet heeft overgelegd, stelt verweerder dat er ten aanzien van de inkoopfacturen sprake is van schending van de bewaarplicht. Eiser heeft daar tegenover aangevoerd dat het om monsters (samples) ging, ter zake waarvan hij geen facturen heeft ontvangen.

16. Veronderstellenderwijs uitgaande van de juistheid van verweerders stelling, verbindt de rechtbank hieraan toch geen gevolgen. De rechtbank is namelijk van oordeel dat, voor zover verweerder deze onderbouwing wil gebruiken om de hoogte van de omzet te schatten, dat niet meer nodig is nu het ontbreken van verkoopfacturen al tot omkering van de bewijslast kan leiden (zie hiervoor onder 8 tot en met 11). Voor zover het gaat om de juistheid van de eventueel in aftrek te brengen inkoopkosten op de omzet is naar het oordeel van de rechtbank voor omkering geen plaats, nu de bewijslast daarvoor reeds, op basis van de reguliere regels van bewijslastverdeling, bij eiser ligt.

17. Ten aanzien van de vermogensvergelijking voor de onderhavige jaren, oordeelt de rechtbank dat zij deze buiten beschouwing laat. Dit gelet op de toelichting van verweerder ter zitting dat de vermogensvergelijking slechts geldt als steunbewijs en niet direct ziet op de onderbouwing van enige schending van artikel 52 van de AWR.

Conclusie

18. Het beroep is gegrond voor zover het betreft het jaar 2010. Voor het overige blijft de informatiebeschikking in stand, omdat eiser artikel 52 van de AWR heeft geschonden doordat hij geen verkoopfacturen heeft opgemaakt.

19. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

20. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar, alsmede de informatiebeschikking, doch uitsluitend voor zover deze betrekking hebben op het jaar 2010 (IB) en de periode 1 januari 2010 tot en met 31 januari 2010 (OB);

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Heidekamp, voorzitter, en mr. M. van den Bosch en mr. M. Nusmeier, leden, in aanwezigheid van mr. M.F.A. Blaauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2019.

w.g. griffier w.g. voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.