Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:3766

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
29-08-2019
Datum publicatie
02-09-2019
Zaaknummer
18/134067-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Aan verdachte is zowel primair als subsidiair tenlastegelegd dat hij – kort gezegd – onvoldoende rechts heeft gehouden. Nu niet met zekerheid kan worden vastgesteld waar de beide voertuigen zich bevonden vlak voor de aanrijding, waar zij elkaar hebben geraakt, en hoe de auto op zijn eindpositie is terechtgekomen, kan de rechtbank niet komen tot een bewezenverklaring. De rechtbank spreekt verdachte daarom van het primair en het subsidiair tenlastegelegde vrij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/134067-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 29 augustus 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [straatnaam].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 augustus 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C. Eenhoorn, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A. van den Oever.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 22 december 2015 te Meeden, gemeente Menterwolde als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Beneden Veensloot zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, door (in een flauwe bocht) onvoldoende rechts te houden op het moment dat een tegemoetkomende bestuurder van een scooter hem, verdachte, tegemoet reed en/of zeer dicht was genaderd, waarbij een botsing, aanrijding of aanglijding, in elk geval een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel te weten een open breuk van het bovenste deel van het dijbeen/de heup, welke breuk operatief is behandeld of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 december 2015 te Meeden, gemeente Menterwolde als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, het Beneden Veensloot, en toen (in een flauwe bocht) onvoldoende rechts heeft gehouden op het moment dat een tegemoetkomende bestuurder van een scooter hem, verdachte, tegemoet reed en/of zeer dicht was genaderd, waarbij een botsing, aanrijding of aanglijding, in elk geval een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor, althans mede waardoor de bestuurder van die scooter, te weten [slachtoffer] (zeer) ernstig gewond werd geraakt in de vorm van een open breuk van het bovenste deel van het dijbeen/de heup, welke breuk operatief is behandeld, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

de in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

Procesverloop

Het openbaar ministerie heeft op 30 juni 2016 beslist om verdachte niet te vervolgen wegens gebrek aan bewijs. Het slachtoffer van het ongeval, [slachtoffer], heeft op 7 december 2016 beklag gedaan tegen deze beslissing op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering. Op 8 januari 2018 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een tussenbeschikking gewezen en daarbij opdracht gegeven om aanvullend onderzoek te laten doen. Op 26 maart 2018 heeft de Verkeers Ongevallen Dienst een aanvullend proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse (hierna: VOA) opgesteld. Naar aanleiding daarvan heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 16 april 2019 het openbaar ministerie bevolen over te gaan tot vervolging van verdachte.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van de stukken in het dossier gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden door onvoldoende rechts te houden terwijl een scooter hem tegemoet kwam. Door het rijgedrag van verdachte is een ongeval ontstaan met zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer] tot gevolg. De officier van justitie heeft daarbij in aanmerking genomen dat het donker was, het wegdek nat was en dat het een bochtige landweg betrof. Van verdachte mocht onder deze omstandigheden meer voorzichtigheid worden verwacht, temeer nu verdachte heeft verklaard dat hij de scooter had zien aankomen.

De officier van justitie heeft gevorderd een taakstraf voor de duur van 90 uur, subsidiair 45 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar op te leggen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte ter zake van het primair en subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het verkeersgedrag van verdachte niet kan worden aangemerkt als aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend. De raadsman heeft daarbij verwezen naar de diverse aannames in de VOA en hij heeft vraagtekens geplaatst bij deze aannames en daaraan verbonden conclusies. Volgens de VOA is het slachtoffer door de aanrijding gevallen op het punt waar het krasspoor begint. Door de impact van de aanrijding is het echter onwaarschijnlijk dat de scooter op het moment van de botsing direct naar beneden valt. Het ligt meer in de lijn der verwachting dat de scooter verderop is gevallen of eerst een slinger heeft gemaakt en pas daarna het wegdek heeft geraakt. Het feit dat onderdelen van de auto en het krasspoor op de voor de scooter bestemde weghelft zijn aangetroffen hoeft niet te betekenen dat de auto op die weghelft reed op het moment van de aanrijding. Daarnaast neemt de VOA aan dat de auto niet of nauwelijks van rijrichting is veranderd na de aanrijding. Dit hoeft evenmin het geval te zijn: het is heel goed mogelijk dat de rijrichting nog is veranderd, bijvoorbeeld doordat, zoals verdachte ter zitting heeft verklaard, verdachte zijn auto aan de zijkant van de weg heeft geparkeerd na het ongeval. Uit de positie van de auto na de aanrijding leidt de VOA – ten onrechte – de rijrichting ten tijde van het ongeval af. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat uit het rapport en de verklaringen van het slachtoffer niet kan worden opgemaakt waar precies het slachtoffer zich op de weg bevond direct voorafgaand aan het ongeval. Het slachtoffer verklaart enkel dat hij de auto zag aankomen, dat hij zijn blik wisselde tussen opkijken en het volgen van de lichtbundel van zijn scooter om zijn positie op de weg te bepalen, en dat hij op een gegeven moment opkeek, de auto er ineens was en de botsing volgde. Tot slot is er bij de berekeningen uitgegaan van een verkeerde breedte van de auto. Nu dezelfde omstandigheden en gedragingen die ten grondslag hebben gelegen aan het primaire feit ook de grondslag vormen voor het subsidiaire feit, het veroorzaken van gevaar op de weg, dient verdachte ook daarvan te worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder primair en subsidiair ten laste is gelegd en moet hij daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Uit het dossier en uit hetgeen ter terechtzitting is besproken leidt de rechtbank het volgende af. Op 22 december 2015 rond 7.45 uur reed verdachte met zijn auto over de Beneden Veensloot komende uit de richting van Muntendam. Het slachtoffer reed op dezelfde weg in tegengestelde richting. Deze weg is 3,65 meter breed. De auto van verdachte is 1,78 meter breed. Het was nog donker, er was geen straatverlichting aanwezig en het wegdek was nat van de regen. Tussen verdachte en het slachtoffer is een aanrijding ontstaan, waardoor het slachtoffer ten val is gekomen. Het slachtoffer heeft ten gevolge van dit ongeval ernstig letsel opgelopen. Bij de politie en ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij zoveel mogelijk rechts heeft gehouden en dat hij het slachtoffer heeft gezien voordat hij de bocht inging.

Aan verdachte is zowel primair als subsidiair tenlastegelegd dat hij – kort gezegd – onvoldoende rechts heeft gehouden. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er, ook na de twee VOA-rapporten, nog veel onduidelijkheid over de feitelijke toedracht van de aanrijding. Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting kan niet vastgesteld worden wat precies de positie op de weg was van beide voertuigen op het moment van de aanrijding. Het door de verdediging geschetste scenario, waarbij in twijfel wordt getrokken dat de start van het krasspoor redengevend is voor de locatie van het botspunt en of de richting van de auto na de aanrijding niet is veranderd, kan naar het oordeel van de rechtbank op basis van het dossier niet worden uitgesloten.

Nu niet met zekerheid kan worden vastgesteld waar de beide voertuigen zich bevonden vlak voor de aanrijding, waar zij elkaar hebben geraakt, en hoe de auto op zijn eindpositie is terechtgekomen, kan de rechtbank niet komen tot een bewezenverklaring. De rechtbank spreekt verdachte daarom van het primair en het subsidiair tenlastegelegde vrij.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van den Steenhoven, voorzitter, mr. E. Läkamp en

mr. M.A.M. Wolters, rechters, bijgestaan door mr. N.F. Nijboer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 augustus 2019.