Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:3763

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
30-08-2019
Datum publicatie
02-09-2019
Zaaknummer
18/840007-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Minderjarige (15 jaar) veroordeeld tot een voorwaardelijke PIJ-maatregel en jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest, voor het medeplegen van een poging tot doodslag, een bedreiging met de dood, een diefstal uit een woning en een gewapende overval op een cafetaria.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 77a
Wetboek van Strafrecht 77g
Wetboek van Strafrecht 77i
Wetboek van Strafrecht 77s
Wetboek van Strafrecht 77x
Wetboek van Strafrecht 77z
Wetboek van Strafrecht 77aa
Wetboek van Strafrecht 77gg
Wetboek van Strafrecht 77za
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 311
Wetboek van Strafrecht 312
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/840007-19

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 30 augustus 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [straatnaam].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 augustus 2019.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Flach, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Roggen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 17 februari 2019 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet (meermalen en/of met kracht) met een veerdrukpistool, dan wel een (op een) (echt) vuurwapen (gelijkend voorwerp), althans een hard en/of metalenvoorwerp, op en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft/hebben geslagen en/of (meermalen en/of met kracht en/of met geschoeide voet(en)) tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft/hebben geschopt en/of (meermalen en/of met

kracht en/of met de vuist(en)) op en/of tegen hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam heeft/hebben geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 17 februari 2019 te Groningen tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (meermalen en/of met kracht) met een veerdrukpistool, dan wel een (op een) (echt) vuurwapen (gelijkend voorwerp), althans een hard en/of metalen voorwerp, op en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft/hebben geslagen en/of (meermalen en/of met kracht en/of met geschoeide voet(en)) tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft/hebben geschopt en/of (meermalen en/of met kracht en/of met de vuist(en)) op en/of tegen hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam heeft/hebben geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 17 februari 2019 te Groningen openlijk, te weten, op/aan of bij de Sluiskade, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer 1] door hem (- zakelijk weergegeven -)

- ( meermalen en/of met kracht) met een veerdrukpistool, dan wel een (op een) (echt) vuurwapen (gelijkend voorwerp), althans een hard en/of metalen voorwerp, op en/of tegen het hoofd te slaan, en/of

- ( meermalen en/of met kracht en/of met geschoeide voet(en)) tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam te schoppen, en/of

- ( meermalen en/of met kracht en/of met de vuist(en)) op en/of tegen hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam te slaan;

2.

hij op of omstreeks 17 februari 2019 te Groningen [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een veerdrukpistool, dan wel een (op een) (echt) vuurwapen (gelijkend voorwerp) in de richting van en/of op en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] te houden en/of te drukken en/of (daarbij) dat veerdrukpistool, dan wel een (op een) (echt) vuurwapen (gelijkend voorwerp) door te laden en/of (meermalen) de trekker van dat veerdrukpistool, dan wel een (op een) (echt) vuurwapen (gelijkend voorwerp) over te halen en/of aan die [slachtoffer 1] toe te voegen; "Ik schiet je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij op of omstreeks 16 februari 2019 te Groningen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

- een MacBook Pro (van het merk Apple, 13.3 inch. Grijs van kleur) en/of

- een Playstation 4 (zwart van kleur) en/of

- een Iphone 5 (wit van kleur) en/of

- een Samsung galaxy (wit van kleur) en/of

- een sleutel (van de berging) en/of

- buitenlandse (bank)biljetten en/of

- een monitor (van het merk BenQ, zwart van kleur, type Zowie RL2460),

in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door - zakelijk weergegeven - (zonder toestemming of daartoe gerechtigd te zijn) met een voor nood te gebruiken en/of in een bloempot verstopte huissleutel, de toegangsdeur van de woning te openen;

4.

hij op of omstreeks 01 september 2018 te Groningen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 4], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) met bedekte gezichten en/of met een (op een) stroomstootwapen/taser (gelijkend voorwerp) en/of een (op een) mes (gelijkend voorwerp) en/of een (op een) pistool/vuurwapen (gelijkend voorwerp) het pand/de cafetaria ([naam cafetaria]) is/zijn binnengedrongen/gegaan en/of met dat/die (op een) stroomstootwapen/taser (gelijkend voorwerp) heeft/hebben gezwaaid en/of dat/die (op een) stroomstootwapen/taser (gelijkend voorwerp) (meermalen of voortdurend) heeft/hebben laten knetteren en/of dat (op een) mes (gelijkend voorwerp) tegen/op de buik, althans het lichaam, van die [slachtoffer 4] heeft/hebben gehouden/gedrukt en/of dat (op een) pistool/vuurwapen (gelijkend voorwerp) op die [slachtoffer 4] heeft/hebben gericht en/of gericht heeft/hebben gehouden.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat uit het dossier blijkt dat er geen sprake was van medeplegen door verdachte en medeverdachte [medeverdachte]. Verder blijkt dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte het slachtoffer tegen het hoofd heeft geschopt nadat hij hem met het veerdrukpistool tegen het hoofd had geslagen.

Het door verdachte uitgeoefende geweld kan niet worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag. De onder 1 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

De onder 2 ten laste gelegde bedreiging kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard, met uitzondering van de ten laste gelegde bedreigende woorden. Op grond van de verklaringen kan niet worden vastgesteld dat verdachte degene was die deze woorden heeft geuit. Verder kan niet worden vastgesteld dat verdachte de trekker heeft overgehaald; wel dat hij de slede naar achteren heeft gehaald.

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Verdachte heeft ten aanzien van dit feit verklaard dat de zoon van aangeefster [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], met verdachte had afgesproken om de ten laste gelegde goederen voor zover die aan [slachtoffer 3] toebehoorden, uit de woning weg te nemen. Door het te laten lijken op een diefstal, kon er verzekeringsgeld geïnd worden. Daarnaast kon de opbrengst van de verkoop van deze goederen worden verdeeld.

Verdachte moet van het onder 4 ten laste gelegde feit worden vrijgesproken, omdat er onvoldoende bewijs is om tot een veroordeling te komen. De verklaring van [medeverdachte] is niet overtuigend. Het op de slaapkamer van verdachte aangetroffen en door verdachte geschreven briefje waarin hij over een overval spreekt, is geschreven onder invloed van wiet en moet in de context van de andere door verdachte geschreven teksten worden gelezen. Verder geldt dat alle informatie die in het briefje benoemd wordt, afkomstig is uit de uitzending van "Opsporing Verzocht" waarnaar verdachte gekeken had. Hieruit kan dus niet worden afgeleid dat verdachte de tekst op basis van eigen ervaring heeft geschreven.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Feiten 1 en 2

1. De door verdachte ter zitting van 16 augustus 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik heb op 17 februari 2019 te Groningen meermalen met een veerdrukpistool hard op het hoofd geslagen van een jongen waarvan ik nu weet dat hij [slachtoffer 1] heet. [medeverdachte] heeft tegen het hoofd van [slachtoffer 1] geschopt. [medeverdachte] en ik zijn vervolgens samen weggegaan.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 18 februari 2019, opgenomen op pagina 59 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland van 20 mei 2019, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1]:

Op zondag 17 februari 2019 zat ik met een aantal vrienden in het parkje bij de Mediamarkt aan de Sluiskade in Groningen. Verderop zaten 4 jongens. Een van die jongens rende samen met een andere jongen naar mij toe. Ik zag dat hij een pistool trok en ik hoorde hem zeggen: ''ik ga je schieten''. Ik hoorde dat hij dit een paar keer zei. Ik zag dat hij het vuurwapen in zijn hand had en dat hij dit wapen op mij richtte. Op een gegeven moment kwam hij naar mij toe en hield het pistool tegen de achterkant van mijn hoofd. Ik hoorde een leeg schot. Nadat ik dat hoorde, voelde ik iets heel hards tegen mijn hoofd. Dit was twee of drie keer. Ik voelde dat het pijn deed. Daarna lag ik op de grond. Hij ging samen met een vriend op mij inschoppen. Ik voelde dat dit op mijn hoofd was. Ik voelde dat dit pijn deed.

Ik voelde toen allemaal bloed over mijn hoofd en rug stromen. Eén wond is met drie hechtingen gehecht en de andere wond is geplakt.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 19 februari 2019, opgenomen op pagina 78 e.v. e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige]:

Op zondag 17 februari 2019 omstreeks 21:30 uur ben ik met een paar vrienden, vanaf

mijn huis, naar de stad gegaan om ergens te gaan zitten. We wilden naar het parkje achter de Westerhaven gaan.

Bovenaan de trap zaten vier personen. Een van die personen was [verdachte], die ken ik via sociale media. Ik zag toen dat drie van dat groepje in de richting van [slachtoffer 1] renden. Van een van de personen weet ik zeker dat het [verdachte] was.

Ik zag toen dat [verdachte] met zijn rechterhand naar zijn broek ging. Wat ik vervolgens zag is dat [verdachte] iets in zijn handen hield. Ik zag dat hij zijn linkerhand er boven op legde en iets naar achteren trok. Ik zag dat hij het vervolgens tegen het hoofd van [slachtoffer 1] zette. Ik zag dat [verdachte] nog steeds in de richting van [slachtoffer 1] liep. Toen hij op ongeveer een halve meter afstand van [slachtoffer 1] stond hoorde ik hem zeggen: ''Ik schiet je dood''. Vervolgens zag ik duidelijk dat hij de trekker overhaalde. Ik zag echt duidelijk dat hij zijn vingeren naar achteren bewoog en dus wilde gaan schieten. Ik stond slechts op een meter afstand. Direct daarop hoorde ik een hele doffe knal. Ik zag toen dat het een zwart handpistool was. Vervolgens zag ik dat [verdachte] het wapen opnieuw met zijn linkerhand probeerde door te laden. Volgens mij duwde [verdachte], [slachtoffer 1] toen naar achter, ik zag dat [slachtoffer 1] op de grond viel. Ik zag dat hij het wapen vervolgens heel hard tegen het hoofd van [slachtoffer 1] drukte.

Ik bedoel dan dat hij het er niet zacht tegenaan zette, maar hij drukte het met heel veel agressie tegen het hoofd van [slachtoffer 1]. Het leek bijna wel of hij het pistool dwars door zijn hoofd wilde duwen. Wat er daarna is gebeurd weet ik niet precies. Ik weet nog dat [slachtoffer 1] opeens op de grond lag en dat [verdachte] een aantal keren heel hard met het pistool op het hoofd van [slachtoffer 1] sloeg. Ik zag toen dat het wapen uit elkaar viel en in verschillende delen in de bosschages terecht kwam. Ik zag dat er rond [slachtoffer 1] allemaal bloed lag en dat hij een flinke hoofdwond had. Ik zag dat [verdachte] daarna nog meerdere keren met beide vuisten hard op [slachtoffer 1] in sloeg. Ik zag dat nog één van de andere twee jongens [slachtoffer 1] een harde trap gaf.

Feit 3

1. De door verdachte ter zitting van 16 augustus 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik ben op 16 februari 2019 te Groningen samen met [medeverdachte] de woning van de moeder van [slachtoffer 3] binnengegaan met een bij de voordeur verstopte sleutel. Ik heb uit die woning een Mac Book Pro, een PlayStation 4, een iPhone, een Samsung Galaxy, een sleutel, buitenlands geld en een monitor meegenomen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 18 maart 2019, opgenomen op pagina 163 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2]:

Ik doe aangifte mede namens: [slachtoffer 3].

Op zaterdag 16 februari 2019 verliet ik omstreeks 15:30 uur mijn woning aan [straatnaam] te Groningen. Bij vertrek trok ik mijn voordeur achter mij dicht, deze valt dan in het slot. Zonder sleutel is deze normaliter niet te openen. Op zondag 17 februari 2019 kwam ik omstreeks 17:30 uur weer thuis. Omstreeks 22:45 uur wilde ik iets opzoeken op mijn computer. Dit betreft een MacBook Pro van het merk Apple. Normaal gesproken ligt deze MacBook altijd op de keukentafel. Nu zag ik echter dat de MacBook daar niet lag. Mijn zoon, [slachtoffer 3], is sinds vrijdag 15 februari op vakantie naar Spanje. Ik belde hem om hem te vragen of hij mijn MacBook misschien had gebruikt en ergens anders had opgeborgen. Hij vertelde mij dat hij de MacBook niet had gebruikt. Ik moest concluderen dat de MacBook gestolen moest zijn. [slachtoffer 3] vroeg om naar zijn kamer te gaan om te kijken of zijn PlayStation 4 er nog stond. Ik zag dat zijn Playstation er niet meer stond. Ik zag dat er kasten en lades open stonden. [slachtoffer 3] vroeg hij me om naar mijn geldkistje te gaan waarin buitenlandse valuta werd bewaard. Ik opende het kistje en zag dat het papiergeld weg was. Toen ik dit aan [slachtoffer 3] vertelde hoorde ik hem zeggen: "mam, dan weet ik wie het gedaan heeft". [slachtoffer 3] vertelde dat hij zijn vriend [verdachte] namelijk de stapel biljetten ongeveer een maand geleden had laten zien. [slachtoffer 3] wilde opscheppen en zei tegen [verdachte] dat het veel geld waard was. Ik zei tegen [slachtoffer 3] dat er geen sporen van braak waren en vroeg hem of [verdachte] kon weten waar de sleutel ligt. [slachtoffer 3] vertelde mij dat hij vorige maand, in januari, eens naar binnen was gegaan met de noodsleutel en dat [verdachte] had gezien waar hij deze vandaan haalde. Ik sprak nog steeds met [slachtoffer 3] aan de telefoon en hoorde dat hij zei dat hij via de Instagram account van [verdachte] had gezien dat hij een laptop en een PlayStation aan iemand probeerde te verkopen.

Een opsomming van de spullen die ik mis;

- MacBook Pro.

- Playstation 4. Van mijn zoon [slachtoffer 3].

- IPhone 5. Van mijn zoon [slachtoffer 3].

- Samsung Galaxy. Van mijn zoon [slachtoffer 3].

- Sleutel van de berging.

- Buitenlandse biljetten

Feit 4

1. De door verdachte ter zitting van 16 augustus 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik heb in een schrift geschreven dat ik een OV had gezet in september, toen ik nog 14 jaar was. Met een OV bedoel ik een overval. Dit schrift lag in mijn slaapkamer.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 1 september 2018, opgenomen op pagina 230 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 4]:

Vandaag l september 2018 was ik aan het werk in de cafetaria [naam cafetaria] gelegen aan [straatnaam] te Groningen. Ik ben eigenaar van de zaak samen met mijn man genaamd [naam 1].

Wij waren met zijn tweeën aan het werk en op dat moment stond er l klant binnen. Het was omstreeks 22:00 uur.

Ik stond op het moment achter de kassa en had zicht op wie er binnen komt. Ik was even aan het frituren, ik hoorde geluid vanuit de ingang/voordeur komen. Ik draaide mij om en ik zag dat er drie personen binnen waren gekomen. Een van die personen liep direct naar mij achter de kassa. Ik zag dat deze persoon een mes in zijn handen had. De persoon die achter de kassa kwam drukte het mes tegen mijn buik aan. Ik zag dat het een klein mes betrof een soort fruitmesje. De andere twee die bleven aan de andere kant van de kassa staan. Een van die personen had een taser in zijn handen. Deze schreeuwde dat ze geld wilden hebben. Ik deed de kassa lade open en ik zei hierbij tegen de man met het mes, pak maar. De persoon die achter de kassa stond pakte geld uit de kassalade, vervolgens zag die een bakje staan waar wij kleingeld in hebben. Ik zag dat de persoon hier ook nog een greep in deed. Ik rende richting het barretje waar mijn telefoon lag. Ik pakte mijn mobiel en riep, als jullie niet weg gaan bel ik.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 6 maart 2019, opgenomen op pagina 261 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medeverdachte]:

Ongeveer drie weken geleden logeerde ik bij [naam 2]. Toen ik daar was kwam [verdachte] ook langs.Toen ik bij [naam 2] was vertelde [verdachte] mij dat hij een overval had gepleegd op een cafetaria in de wijk Helpman. Hij heeft toen ook de beelden laten zien van Opsporing Verzocht. [verdachte] vertelde mij toen dat hij de jongen was met de taser. Hij vertelde ook nog dat ze dachten dat een van de twee anderen een meisje was maar dat was niet zo. Ook dat was een jongen. Hij had wel meisjeskleding aan volgens [verdachte]. Ik weet echt niet wie die andere twee zijn. [verdachte] heet ook nog gezegd dat de vrouw niet heeft gezegd dat zij de politie zou bellen, dat was volgens [verdachte] niet waar. De vrouw zou helemaal niets hebben gezegd.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt verhoor van getuige, d.d. 4 april 2019, opgenomen op pagina 296 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3]:

V: Ik heb jou gisteren uitgelegd dat de informatie die jij hebt met betrekking tot de overval op cafetaria "[naam cafetaria]" voor ons onderzoek van belang is.

V: Wat kan jij ons vertellen over deze overval?

V: Wie hebben het gedaan?

A: 3 jongens

V: Wie zijn die 3 jongens?

A: [verdachte]

V: En de andere 2?

A: Dat ga ik niet zeggen.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, d.d. 20 december 2018, opgenomen op pagina 316 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verbalisant:

Tijdens de doorzoeking in de slaapkamer van verdachte [verdachte] werd onder andere een schrift formaat A5 aangetroffen en in beslag genomen. In dit schrift is l pagina beschreven, dit betreft de eerste pagina. Hierop staat het volgende geschreven:

"Donderdag 20 december 2018 22:00

Hoi mijn naam is [verdachte] ik ben 15 nu eigenlijk wou ik dit schrijven beginnen op l januari 2019 maar ik dacht dat ik het zou vergeten. ik ben de laatste tijd echt klaar met het leven, en ik zie nog allerlij tegenslagen aan komen, school is gewoon aan het zeuren aan me hoofd, ik ben op een race in de nacht terwijl ik over een paar uur school heb. Dat sws 1x per week, ik smoke veelste veel, en ik merk dat me stress toeneemt hoe meer nuchter ik ben. 24/7 denk ik aan geld, in september heb ik een OV gezet toen was ik nog 14. ik was de eerste youngboy van groningen op opsporing verzocht. niks om trots op te zijn... maar ik krijg er zoveel respect door".

Bewijsoverweging

Feit 1 en 2

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte het slachtoffer meermalen hard met een veerdrukpistool tegen het hoofd heeft geslagen; dusdanig hard dat het pistool in stukken uiteen viel. Verdachte heeft het slachtoffer vervolgens nog met de vuisten geslagen. [medeverdachte] heeft het slachtoffer tegen het hoofd geschopt.

Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat er tussen verdachte en [medeverdachte] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking en gezamenlijke uitvoering. De geweldshandelingen die beiden hebben gepleegd, volgden elkaar direct op en nadat het geweld stopte zijn beide jongens gezamenlijk vertrokken.

De rechtbank is verder van oordeel dat het op de hiervoor omschreven wijze slaan en schoppen tegen het hoofd, een zeer kwetsbaar onderdeel van het lichaam, de aanmerkelijke kans op het ontstaan van dodelijk letsel in het leven roept. Uit de gedragingen van beide verdachten moet worden afgeleid, dat het niet anders kan dan dat zij deze kans bewust hebben aanvaard. Aldus kan voorwaardelijk opzet op de dood worden aangenomen. De rechtbank acht het onder 1 primair ten laste gelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit is de rechtbank van oordeel dat het verweer van de raadsvrouw door de inhoud van de opgesomde bewijsmiddelen wordt weerlegd. De rechtbank acht ook dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Feit 3

De rechtbank overweegt met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feit als volgt.

Verdachte heeft bekend dat hij met een sleutel de woning van de moeder van [slachtoffer 3] is binnengegaan. Hij deed dit samen met [medeverdachte]. Verdachte en [medeverdachte] hebben de goederen zoals die in de tenlastelegging zijn opgesomd meegenomen. Verdachte heeft verder verklaard dat hij – kortgezegd – toestemming had om de goederen die aan [slachtoffer 3] toebehoorden mee te nemen. Hij bestrijdt daarmee het wederrechtelijke van zijn handelen voor zover het die goederen betreft.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte dat hij een afspraak had met [slachtoffer 3] niet wordt gesteund door enig ander bewijsmiddel en onaannemelijk is. De rechtbank neemt bij dit oordeel in aanmerking dat [slachtoffer 3] heeft ontkend een afspraak met verdachte te hebben gemaakt over het wegnemen van goederen. Verdachte heeft daarnaast desgevraagd geen enkel detail kunnen geven over hetgeen hij met [slachtoffer 3] had afgesproken over bijvoorbeeld het verkopen van de goederen en de verdeling van de opbrengst. Ook heeft verdachte geen zicht gehouden op de betreffende goederen nadat deze uit het huis waren meegenomen en wist hij niet waar de goederen terechtgekomen zijn. Ten slotte blijkt uit de aangifte van mevrouw [slachtoffer 2] dat haar zoon [slachtoffer 3] direct zijn vermoedens richting verdachte tegen haar uitsprak. In geval van een afspraak tussen [slachtoffer 3] en verdachte had dit niet voor de hand gelegen.

Het onder 3 ten laste gelegde feit is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen.

Feit 4

Verdachte heeft steeds ontkend iets met de ten laste gelegde overval te maken te hebben.

Op grond van de met betrekking tot dit feit opgesomde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, komt de rechtbank echter tot het oordeel dat het feit niet alleen wettig maar ook overtuigend bewezen is. Deze overtuiging baseert de rechtbank met name op het volgende. Uit de verklaring van [medeverdachte] blijkt dat verdachte hem niet slechts heeft verteld dat hij één van de daders was, maar dat hij hem ook specifieke details over de overval heeft verteld. Zo zou aangeefster volgens verdachte, anders dan in de uitzending van Opsporing Verzocht werd vermeld, tijdens de overval niet hebben gezegd dat zij de politie zou bellen. Het geven van dit soort specifieke details draagt bij aan de overtuiging dat verdachte zelf bij de overval betrokken is geweest. Overigens is [medeverdachte] niet de enige die verdachte als dader aanwijst. Ook [slachtoffer 3] noemt de naam van verdachte.

Daarnaast is er het briefje dat in de slaapkamer van verdachte is aangetroffen, waarin hij aangeeft op zijn veertiende, in september, een overval te hebben gepleegd en in Opsporing Verzocht te zien is geweest. De rechtbank gaat er gezien deze details vanuit dat verdachte in het door hem geschreven briefje doelt op de overval op cafetaria [naam cafetaria].

Verdachte verklaart niet eenduidig over zijn beweegredenen voor het schrijven van deze tekst. Dat hij dit louter en alleen heeft opgeschreven om stoer te doen en bij anderen respect af te dwingen acht de rechtbank, gelet op de plaats waar het is aangetroffen (de beslotenheid van zijn eigen kamer) en de treurige en enigszins wanhopige toonzetting, niet aannemelijk. Dat verdachte meerdere (rap)teksten heeft geschreven over criminaliteit en het straatleven maakt niet dat voornoemde tekst om die reden niet serieus genomen kan worden. Deze tekst wijkt qua vorm en toonzetting overigens dusdanig af van deze raps dat aangenomen moet worden dat deze met een andere intentie is geschreven. De rechtbank gaat er van uit dat verdachte hier (als in een dagboek) zijn eigen ervaringen en gedachten aan het papier heeft toevertrouwd.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de feiten 1 primair, 2, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. Primair

hij op 17 februari 2019 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen en met kracht met een veerdrukpistool, op en tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geslagen en meermalen en met kracht en met geschoeide voet tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geschopt en meermalen met kracht met de vuisten tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 17 februari 2019 te Groningen, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door een veerdrukpistool in de richting van en tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] te houden en te drukken en daarbij dat veerdrukpistool door te laden en de trekker van dat veerdrukpistool over te halen en aan die [slachtoffer 1] toe te voegen; "Ik schiet je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij op 16 februari 2019 te Groningen, tezamen en in vereniging met een ander

- een MacBook Pro en

- een PlayStation 4 en

- een iPhone 5 en

- een Samsung Galaxy en

- een sleutel van de berging en

- buitenlandse bankbiljetten en

- een monitor

dat aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse sleutel, door - zakelijk weergegeven - zonder toestemming of daartoe gerechtigd te zijn met een voor nood te gebruiken huissleutel, de toegangsdeur van de woning te openen;

4.

hij op 1 september 2018 te Groningen tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], welke diefstal werd voorafgegaan door en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 4], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en zijn mededaders met bedekte gezichten en met een taser en een mes en een op een pistool gelijkend voorwerp de cafetaria [naam cafetaria] is binnengedrongen en met die taser heeft gezwaaid en die taser meermalen heeft laten knetteren en dat mes tegen de buik van die [slachtoffer 4] heeft gehouden en dat op een pistool gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 4] heeft gericht en gericht heeft gehouden.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Primair Medeplegen van poging tot doodslag.

2. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

3. Diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels.

4. Diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1 primair, 2, 3 en 4 wordt veroordeeld tot een jeugddetentie gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis, te weten 73 dagen met aftrek van voorarrest. Voorts vordert de officier van justitie voorwaardelijke oplegging van de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (verder: PIJ-maatregel) met een proeftijd voor de duur van twee jaar en daarbij de voorwaarden zoals geadviseerd in het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming. De officier van justitie heeft ten slotte gevorderd dat de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor oplegging van een jeugddetentie gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis alsmede een (voorwaardelijke) werkstraf. Gelet op de door de raadsvrouw bepleite vrijspraken verzoekt zij dat aan verdachte niet de voorwaardelijke PIJ-maatregel wordt opgelegd en evenmin het traject ITB Harde Kern. Indien gewenst kan reclasseringstoezicht als voorwaarde worden gesteld bij een voorwaardelijk straf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de opgemaakte rapportages en het uittreksel uit de justitiële documentatie. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft daarbij met name gelet op de volgende rapportages:

- Raad voor de Kinderbescherming d.d. 4 augustus 2019;

- psychiatrisch onderzoek door R.F. Ferdinand, d.d. 19 juni 2019;

- psychologisch onderzoek door G. van der Stam-van der Kleij, d.d. 19 juni 2019;

Ter terechtzitting hebben de heer [naam 3] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en de heer [naam 4] namens de jeugdreclassering een toelichting gegeven op de rapporten.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot doodslag, een bedreiging met de dood, een diefstal uit een woning en een gewapende overval op een cafetaria. Het betreffen zeer ernstige feiten waarbij het voor zich spreekt dat met name de ernstige geweldsfeiten zeer grote gevolgen hebben voor de slachtoffers, die van de gevolgen vaak nog lange tijd last ondervinden. Hoe fors de impact van een geweldsdelict is blijkt wel uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer 1] zoals die ter terechtzitting is gegeven.

Verdachte is niet eerder veroordeeld. Hij is psychologisch en psychiatrisch onderzocht.

Beide deskundigen concluderen dat sprake is van een 15-jarige gemiddeld intelligente jongen met een oppositionele opstandige stoornis, een normoverschrijdende-gedragsstoornis en een stoornis in cannabisgebruik. Onderliggend is sprake van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. De feiten zijn onder invloed van deze stoornissen gepleegd en de deskundigen concluderen dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. De recidivekans ten aanzien van een geweldsdelict wordt als hoog ingeschat. De recidivekans ten aanzien van een vermogensdelict wordt als verhoogd ingeschat.

De psychiater en de psycholoog adviseren dat aan verdachte een voorwaardelijke PIJ-maatregel wordt opgelegd. Verdachte heeft in het verleden laten zien dat hij zeer moeilijk te beïnvloeden is door opvoeders en andere verantwoordelijke volwassenen. Om recidive te voorkomen is intensieve behandeling nodig. Als verdachte ambulant wordt behandeld is er een kans dat hij zich niet aan de voorwaarden houdt. Daarom is een stok achter de deur nodig en de mogelijkheid om verdachte alsnog klinisch te laten behandelen als laatste kans om alsnog tot een positieve ontwikkeling te komen. In geval van oplegging van een gedragsbeïnvloedende maatregel is de mogelijkheid van een klinische intensieve behandeling onvoldoende aanwezig.

De Raad heeft in haar rapport eveneens ernstige zorgen over de persoonlijkheidsontwikkeling van verdachte en de daarmee samenhangende kans op herhaling benoemd. De Raad stelt dat er nog mogelijkheden zijn voor behandeling en begeleiding en dat dit de kans op herhaling zal verminderen. Wel moet deze behandeling is een fors gedwongen kader plaats vinden om de schreefgroei in zijn ontwikkeling bij te sturen en de zorgen te doen afnemen.

De Raad concludeert dat zij zich kan vinden in de overweging van de psycholoog en de psychiater dat bij een GBM het alternatief van een klinische intensieve behandeling onvoldoende aanwezig is, terwijl dit bij onvoldoende resultaten of recidive wel noodzakelijk

wordt geacht. De Raad adviseert daarom eveneens dat aan verdachte een voorwaardelijke PIJ-maatregel wordt opgelegd met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht, waarvan de eerste zes maanden ITB Harde Kern, Elektronische Toezicht op het locatiegebod/-verbod, meewerken aan noodzakelijk geachte behandeling(en) bij FJP Accare, het volgen van onderwijs, meewerken aan behandeling in de vorm van MDFT en een drugs- en alcoholverbod met bloedonderzoek of urinecontrole. De Raad adviseert dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. De Raad adviseert verder dat aan verdachte een jeugddetentie wordt opgelegd gelijk aan de duur van het voorarrest alsmede een werkstraf.

De heer [naam 3] heeft ter terechtzitting het advies van de Raad bevestigd.

Namens de jeugdreclassering heeft de heer [naam 4] verklaard dat zij tevreden zijn over het verloop van de schorsing van de voorlopige hechtenis. Op één incident na heeft verdachte zich aan de voorwaarden gehouden. MDFT behandeling is al begonnen in het kader van de schorsing. Factor 5 heeft binnen de schorsing dagbesteding en scholing verzorgd.

De jeugdreclassering kan zich vinden in het strafadvies en in de geadviseerde bijzondere voorwaarden.

De rechtbank stelt vast dat de gepleegde feiten misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Op grond van hetgeen de psycholoog, de psychiater, de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdreclassering in hun rapporten en terechtzitting vermelden is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het misdrijf een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en daarnaast de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een PIJ-maatregel eisen. Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.

De rechtbank is op grond van de uitgebrachte rapportages en hetgeen ter terechtzitting is besproken, tot het oordeel gekomen dat behandeling voor verdachte noodzakelijk is en dat het kader dat een voorwaardelijke PIJ-maatregel biedt noodzakelijk is om zeker te stellen dat deze behandeling zal plaatsvinden. Immers, indien verdachte zich niet, dan wel onvoldoende aan de voorwaarden zou houden, bestaat de mogelijkheid om de behandeling in het kader van de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel te laten plaatsvinden. Een voorwaardelijke straf biedt die garantie niet. De rechtbank zal dan ook overgaan tot het opleggen van de geadviseerde bijzondere voorwaarden binnen het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een jeugddetentie opleggen gelijk aan de duur van de ondergane voorlopige hechtenis.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen spreekt de rechtbank uit dat, gelet op artikel 77za Wetboek van Strafrecht, de hierboven gestelde voorwaarden en de op grond van artikel 77aa Wetboek van Strafrecht te verlenen hulp en steun, dadelijk uitvoerbaar zijn.

De rechtbank overweegt verder dat de PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en dat bij verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Verlenging van de PIJ- maatregel is in dit geval mogelijk voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.

Benadeelde partij

[slachtoffer 1], wettelijk vertegenwoordigd door de heer [naam 5], heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, ten aanzien waarvan mr. F.B. Flooren als gemachtigde optreedt.

Gevorderd wordt een bedrag van € 5000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel waarbij de vervangende jeugddetentie op nihil moet worden gesteld.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verweer gevoerd ten aanzien van de hoogte van de vordering. Zij heeft, onder verwijzing naar jurisprudentie, verzocht het gevorderde bedrag te matigen tot

€ 750,00.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde feit.

Gelet op de ernst en de aard van het tegen [slachtoffer 1] gebruikte geweld en de psychische gevolgen die hij van de bedreiging met de dood en het gebruikte geweld blijkens de onderbouwing van de vordering heeft ondervonden en nog steeds ondervindt, komt de rechtbank tot het oordeel dat de gestelde immateriële schade billijk is en in overeenstemming met in vergelijkbare zaken toegewezen bedragen. De rechtbank zal de vordering dan ook toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 februari 2019.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachte deze al heeft betaald, en andersom.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57, 77a, 77g, 77i, 77s, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 77za, 285, 287, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een jeugddetentie voor de duur van 74 dagen.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

Plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

Bepaalt, dat deze maatregel niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich in het kader van de jeugdreclasseringsmaatregel op uitnodiging meldt bij Leger des Heils, Jeugdbescherming & Reclassering te Groningen, en dat hij zich daarna zal blijven melden zo lang en zo frequent als deze instelling dat gedurende de proeftijd noodzakelijk acht;

2. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd en zolang de het Leger des Heils - Jeugdbescherming en Reclassering het noodzakelijk acht, aanwezig zal zijn op de navolgende locatie: [straatnaam], [plaats], op door de jeugdreclassering vastgestelde tijdstippen;

3. dat de veroordeelde zich ter controle van het locatiegebod onder elektronisch toezicht zal stellen van de gecertificeerde instelling te weten Leger des Heils -

Jeugdbescherming en Reclassering;

4. dat de veroordeelde zich onder behandeling zal stellen bij FJP Accare, of een soortgelijke instantie, en meewerkt aan de nodig geachte behandeling, waaronder agressieregulatie therapie (ART) of psychomotorische therapie (PMT) en cognitieve gedragstherapie en/of Schema therapie;

5. dat de veroordeelde onderwijs zal volgen teneinde een startkwalificatie te behalen;

6. dat de veroordeelde meewerkt aan behandeling in de vorm van MDFT;

7. dat de veroordeelde zich zal onthouden van het gebruik van drugs en alcohol en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek.

8. dat de veroordeelde gedurende de eerste zes maanden van de proeftijd in het kader van het jeugdreclasseringstoezicht zal meewerken aan de maatregel Intensieve Trajectbegeleiding Harde Kern (ITB Harde Kern), nader in te vullen door Leger des Heils, Jeugdbescherming en Reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die maatregel door die instelling zullen worden gegeven.

Draagt voornoemde instelling op toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden, waarvan de eerste zes maanden van de proeftijd in het kader van Intensieve Trajectbegeleiding Harde Kern.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Heft op het geschorste bevel voorlopige hechtenis.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], wettelijk vertegenwoordigd door [naam 5], toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 5.000,00 (zegge: vijfduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 februari 2019, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], te betalen een bedrag van € 5.000,00 (zegge: vijfduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 februari 2019, en stelt de vervangende jeugddetentie op nihil en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. M.B.W. Venema en mr. R.R. van der Heide, rechters, bijgestaan door mr. E.M. Troost-van Baalen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 augustus 2019.

Mr. Van der Heide is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.