Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:3761

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-04-2019
Datum publicatie
02-09-2019
Zaaknummer
LEE 18/2451
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toewijzing verzoek op grond van artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit terecht en op goede gronden heeft beslist dat de AVG van toepassing is. Voorts stelt de rechtbank vast dat eiser bezwaar en beroep heeft ingesteld tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een exploitatievergunning door de burgemeester van Groningen. De informatie die de burgemeester en verweerder hebben gewisseld vormt in die procedure een fundamenteel aspect. Gelet op hetgeen is verklaard tijdens de voorlopige voorzieningenprocedure acht de rechtbank het aannemelijk dat de persoonsgegevens zijn opgevraagd voor het voeren van verweer in deze procedure. Daarbij ziet de rechtbank in het feit dat eiser zijn verzoek op grond van de Wbp gelijkluidend is aan het verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) dat eiser een integrale verstrekking van stukken beoogt van alle informatie die is uitgewisseld tussen de burgemeester en verweerder. Naar het oordeel van de rechtbank bepaalt artikel 8:42, eerste lid, van de Awb dat het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken inzendt. Voor inzicht in de stukken die ten grondslag liggen aan de beoordeling om geen exploitatievergunning te verstrekken, kan eiser hier een beroep op doen. Daarbij stelt de rechtbank vast dat in het kader van de AVG hooguit aanspraak bestaat op inzage van de hem betreffende feitelijke persoonsgegevens die de Belastingdienst verwerkt. Voor zover moet worden geconstateerd dat het eiser uiteindelijk niet gaat om de juistheid van hem betreffende feitelijke persoonsgegevens die op die informatiedragers voorkomen, maar het eiser te doen is om informatie te verkrijgen die hij wil gebruiken in een eventueel andere procedure is de rechtbank van oordeel dat daarmee sprake is van misbruik van het recht. De rechtbank ziet hierin een vergelijkbare situatie als aan de orde in de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2019. Hoewel de Afdeling in de uitspraak van 23 januari 2019 heeft geoordeeld dat de Wob en de Wbp (thans AVG) verschillende materie betreffen die maakt dat het oordeel dat er misbruik van recht is gemaakt ter zake van de Wob niet zonder meer betekent dat ook van misbruik van de Wbp/AVG sprake zou zijn, is hier naar het oordeel van de rechtbank gelet op de geschetste omstandigheden echter voldoende reden om ook misbruik van het recht aan te nemen onder de AVG. Daarbij is ter zitting gebleken dat inmiddels alle stukken waaronder een controlerapport reeds in het bezit zijn van eiser. De rechtbank is niet gebleken dat er nog andere persoonsgegevens zijn verwerkt door verweerder. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3 13
Burgerlijk Wetboek Boek 3 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 18/2451

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser

(gemachtigde: C.F.M. Jungerman),

en

de Minister van Financiën, verweerder

(gemachtigden: E.J.T. Zuidhof en mr. J. de Vries).

Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek op grond van artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) toegewezen.

Bij besluit van 29 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2019. Eiser is niet verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Op 20 oktober 2017 heeft eiser een verzoek ingediend op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) waarin wordt verzocht om toezending van de brieven, berichten en e-mailberichten die de Belastingdienst heeft verzonden aan alsmede heeft ontvangen van de burgemeester van Groningen of één van zijn medewerkers die eiser betreffen. Het verzoek ziet ook op telefoon- en gespreksnotities, alsmede elektronische correspondentie. Het verzoek betreft de periode van 1 januari 2015 tot heden. Bij besluit van 23 november 2017 heeft verweerder dit verzoek afgewezen onder verwijzing naar artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWIR). Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

2. Bij brief van 15 januari 2018 heeft de gemachtigde in aanvulling op het Wob-verzoek van 6 december 2017, de Belastingdienst verzocht om toezending van de in artikel 35, eerste en tweede lid, van de Wbp genoemde bescheiden. Het verzoek van 6 december 2017 betreft een verzoek op grond van de Wob namens [persoon] . Het verzoek is daarna aangevuld bij brief van 15 januari 2018 waarin is opgenomen dat het verzoek wordt ingediend namens [persoon] en eiser.

3. Bij besluit van 1 maart 2018 heeft verweerder het verzoek van eiser toegewezen. Daarbij wordt overwogen dat eiser reeds beschikt over de gevraagde bescheiden. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

4. De rechtbank dient allereerst vast te stellen of verweerder het juiste toetsingskader heeft

toegepast. Per 25 mei 2018 is de rechtstreeks werkende Verordening (EU) 2016/679 van het

Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (AVG) en de Uitvoeringswet AVG in werking getreden en is de Wbp ingetrokken. De beslissing op bezwaar in deze zaak is na 25 mei 2018 genomen, zodat naar het oordeel van de rechtbank de AVG en de Uitvoeringswet AVG in deze zaak van toepassing zijn. De rechtbank ziet in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3460) een bevestiging van dit oordeel. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, in tegenstelling tot het standpunt dat ter zitting is ingenomen door de gemachtigde van verweerder, in het bestreden besluit terecht en op goede gronden heeft beslist dat de AVG van toepassing is. In tegenstelling tot hetgeen ter zitting is betoogd ziet de rechtbank in de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:181, geen aanknopingspunten voor een ander oordeel, met name nu de beslissing op bezwaar in die procedure dateerde van ver voor de inwerktreding van de AVG.

5. Artikel 4, eerste en tweede lid, van de AVG luiden:

“1) „persoonsgegevens”: alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon („de betrokkene”); als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon;

2) „verwerking”: een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens;”

Artikel 5 van de AVG luidt:

“1. Persoonsgegevens moeten:

a. a) worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is („rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie”);

b) voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verzameld en mogen vervolgens niet verder op een met die doeleinden onverenigbare wijze worden verwerkt; de verdere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden wordt overeenkomstig artikel 89, lid 1, niet als onverenigbaar met de oorspronkelijke doeleinden beschouwd („doelbinding”);

c) toereikend zijn, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt („minimale gegevensverwerking”);

d) juist zijn en zo nodig worden geactualiseerd; alle redelijke maatregelen moeten worden genomen om de persoonsgegevens die, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, onjuist zijn, onverwijld te wissen of te rectificeren („juistheid”);

e) worden bewaard in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen niet langer te identificeren dan voor de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt noodzakelijk is; persoonsgegevens mogen voor langere perioden worden opgeslagen voor zover de persoonsgegevens louter met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden worden verwerkt overeenkomstig artikel 89, lid 1, mits de bij deze verordening vereiste passende technische en organisatorische maatregelen worden getroffen om de rechten en vrijheden van de betrokkene te beschermen („opslagbeperking”);

f) door het nemen van passende technische of organisatorische maatregelen op een dusdanige manier worden verwerkt dat een passende beveiliging ervan gewaarborgd is, en dat zij onder meer beschermd zijn tegen ongeoorloofde of onrechtmatige verwerking en tegen onopzettelijk verlies, vernietiging of beschadiging („integriteit en vertrouwelijkheid”).

2. De verwerkingsverantwoordelijke is verantwoordelijk voor de naleving van lid 1 en kan deze aantonen („verantwoordingsplicht”).”

Artikel 15 van AVG luidt als volgt:

“1. De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie:

a. a) de verwerkingsdoeleinden;

b) de betrokken categorieën van persoonsgegevens;

c) de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;

d) indien mogelijk, de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;

e) dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken dat persoonsgegevens worden gerectificeerd of gewist, of dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens wordt beperkt, alsmede het recht tegen die verwerking bezwaar te maken;

f) dat de betrokkene het recht heeft klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit;

g) wanneer de persoonsgegevens niet bij de betrokkene worden verzameld, alle beschikbare informatie over de bron van die gegevens;

h) het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde profilering, en, ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de verwachte gevolgen van die verwerking voor de betrokkene.

2. Wanneer persoonsgegevens worden doorgegeven aan een derde land of een internationale organisatie, heeft de betrokkene het recht in kennis te worden gesteld van de passende waarborgen overeenkomstig artikel 46 inzake de doorgifte.

3. De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt. Indien de betrokkene om bijkomende kopieën verzoekt, kan de verwerkingsverantwoordelijke op basis van de administratieve kosten een redelijke vergoeding aanrekenen. Wanneer de betrokkene zijn verzoek elektronisch indient, en niet om een andere regeling verzoekt, wordt de informatie in een gangbare elektronische vorm verstrekt.

4. Het in lid 3 bedoelde recht om een kopie te verkrijgen, doet geen afbreuk aan de rechten en vrijheden van anderen.”

5. Eiser stelt dat de belastingdienst en de burgemeester van Groningen overleggen met elkaar in, wat zij noemen, het regionaal informatie- en expertisecentrum. Eiser meent dat zij ook uitgebreid hebben overlegd over eiser. Althans, de burgemeester heeft er herhaaldelijk van getuigd dat hij door de belastingdienst (onder andere) is geïnformeerd over de bezettingsgraad van het door eiser geëxploiteerde seksbedrijf en aan [persoon]

opgelegde belastingaanslagen. Daarnaast heeft de burgemeester de belastingdienst onder andere geïnformeerd over de weigering om aan eiser een vergunning te verlenen. Deze kennelijk uitgebreide en veelvuldige uitwisseling van informatie doet de vraag rijzen: welke persoonsgegevens zijn er zonder toestemming gedeeld? Maar ook: waren dit ‘slechts’ zakelijke gegevens? Ook pijnigen [eiser] en [persoon] hun hersens met de vraag: waarom is er over hen zo intensief overlegd tussen de burgemeester en de belastingdienst nu de eerste de zorg heeft voor de openbare orde en de tweede uitsluitend voor belastinginning en het uitkeren van toeslagen moet zorgen? Eiser geeft vervolgens aan dat in de primaire besluiten ten onrechte enkel algemene informatie is verstrekt, maar verweerder geen inzicht heeft gegeven in de gevraagde bescheiden. Uit informatie van zowel verweerder als de burgemeester blijkt echter dat er een uitwisseling van informatie heeft plaatsgevonden.

5.1.

Verweerder heeft in het verweerschrift het standpunt ingenomen dat er sprake is van misbruik van recht. Verweerder baseert dit met name op grond van hetgeen in de voorlopige voorzieningenprocedure is aangevoerd. Dit betreft het standpunt van eiser dat voor de behandeling van andere beroepsprocedures eiser wenst te beschikken over de gevraagde informatie. Verweerder neemt derhalve het standpunt in dat het in deze procedure dan ook niet gaat om in het kader van de Wbp/AVG te controleren welke feitelijke persoonsgegeven over hen worden verwerkt, maar om het verkrijgen van complete stukken die betrekking hebben op procedures die elders in het bestuursrecht aanhangig zijn. Op die manier wordt de Wbp/AVG misbruikt voor het complementeren van stukken die op een andere bestuursrechtelijke procedure betrekking hebben. Daarvoor biedt namelijk de Awb alle mogelijkheden.

5.2.

De rechtbank is van oordeel dat het aannemen van misbruik van het recht feitelijk betekent dat een rechtsgang wordt ontzegd aan eiser en dat daar terughoudend mee om moet worden gegaan. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 28 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3873. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraken van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129 en ECLI:NL:RVS:2014:4135), kan ingevolge artikel 13, gelezen in verbinding met artikel 15, van Boek 3 van het BW, de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich tegen inhoudelijke behandeling van een bij de bestuursrechter ingesteld beroep dat misbruik van recht behelst en bieden een wettelijke grondslag voor

niet-ontvankelijkverklaring van een zodanig beroep. Daartoe zijn zwaarwichtige gronden vereist, die onder meer aanwezig zijn indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.

5.3.

In de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:347, heeft de Afdeling geoordeeld dat:

“[wederpartij] heeft op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wob verzocht om informatie betreffende een aan hem opgelegde verkeersboete. Ingevolge deze bepaling kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. Ingevolge het derde lid behoeft een verzoeker om informatie geen belang te stellen. Het belang van [wederpartij] bij kennisneming van de gevraagde informatie kan - omdat het informatie over de bewijslast betreft - echter redelijkerwijs slechts gelegen zijn in het aanvechten van de verkeersboete en niet in het voor een ieder openbaar worden van de betreffende informatie. De enkele omstandigheid dat [wederpartij] heeft gesteld dat het informatieverzoek het algemeen belang dient en dat hij de opgevraagde informatie op de website www.flitsservice.nl wil plaatsen, doet daaraan, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.1 is vastgesteld en vermeld, niet af. Voor het aanvechten van de verkeersboete kon [wederpartij] op grond van een daarvoor bedoelde wettelijke regeling informatie betreffende de verkeersboete verkrijgen en desgewenst op internet plaatsen. Immers, tegen een verkeersboete staat administratief beroep bij de officier van justitie open en artikel 7:18, vierde lid, van de Awb geeft belanghebbenden het recht om in een administratieve beroepsprocedure afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken te verkrijgen. Na administratief beroep zijn beroep bij de kantonrechter en hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden mogelijk. Op grond van artikel 11, vijfde (voorheen: vierde) lid, en artikel 19, vierde lid, van de Wahv kan de beboete persoon in het kader van die procedures afschriften van stukken verkrijgen.”

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit deze uitspraak worden afgeleid dat geen beroep kan worden gedaan op de Wob ter verkrijging van documenten, die het bestuursorgaan in het kader van een aanhangige bezwaar of (administratief) beroepsprocedure toch al had moeten verstrekken als op de zaak betrekking hebbende stukken.

Op 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:181, heeft de Afdeling ook een uitspraak gedaan over misbruik van het recht. Deze uitspraak van de Afdeling gaat over misbruik op grond van de Wbp. De Afdeling heeft geoordeeld dat: “De enkele omstandigheid dat de gemachtigde van [appellant] en [appellant] eerder in het kader van Wob-procedures niet-ontvankelijk zijn verklaard, is onvoldoende om ook in deze procedure tot het oordeel te komen dat sprake is van misbruik van recht. De Wob en de Wbp betreffen een verschillende materie die maakt dat het oordeel dat er misbruik van recht is gemaakt ter zake van de Wob niet zonder meer betekent dat ook van misbruik van de Wbp sprake zou zijn.”

Ter beoordeling ligt daarom voor de vraag of er aanleiding bestaat aan te nemen dat het beroep dat eiser heeft gedaan op de Wbp/AVG, anders beoordeeld dient te worden dan als een beroep op de Wob bij het beantwoorden van de vraag of er sprake is van misbruik van het recht.

6. De rechtbank stelt vast dat eiser bezwaar en beroep heeft ingesteld tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een exploitatievergunning door de burgemeester van Groningen. De informatie die de burgemeester en verweerder hebben gewisseld vormt in die procedure een fundamenteel aspect. Gelet op hetgeen is verklaard tijdens de voorlopige voorzieningenprocedure acht de rechtbank het aannemelijk dat de persoonsgegevens zijn opgevraagd voor het voeren van verweer in deze procedure. Daarbij ziet de rechtbank in het feit dat eisers zijn verzoek op grond van de Wbp gelijkluidend is aan het verzoek op grond van de Wob dat eiser een integrale verstrekking van stukken beoogt van alle informatie die is uitgewisseld tussen de burgemeester en verweerder. Naar het oordeel van de rechtbank bepaalt artikel 8:42, eerste lid, van de Awb dat het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken inzendt. Voor inzicht in de stukken die ten grondslag liggen aan de beoordeling om geen exploitatievergunning te verstrekken, kan eiser hier een beroep op doen. Daarbij stelt de rechtbank vast dat in het kader van de AVG hooguit aanspraak bestaat op inzage van de hem betreffende feitelijke persoonsgegevens die de Belastingdienst verwerkt. Voor zover moet worden geconstateerd dat het eiser uiteindelijk niet gaat om de juistheid van hem betreffende feitelijke persoonsgegevens die op die informatiedragers voorkomen, maar het eiser te doen is om informatie te verkrijgen die hij wil gebruiken in een eventueel andere procedure is de rechtbank van oordeel dat daarmee sprake is van misbruik van het recht. De rechtbank ziet hierin een vergelijkbare situatie als aan de orde in de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2019. Hoewel de Afdeling in de uitspraak van 23 januari 2019 heeft geoordeeld dat de Wob en de Wbp (thans AVG) verschillende materie betreffen die maakt dat het oordeel dat er misbruik van recht is gemaakt ter zake van de Wob niet zonder meer betekent dat ook van misbruik van de Wbp/AVG sprake zou zijn, is hier naar het oordeel van de rechtbank gelet op de geschetste omstandigheden echter voldoende reden om ook misbruik van het recht aan te nemen onder de AVG. Daarbij is ter zitting gebleken dat inmiddels alle stukken waaronder een controlerapport reeds in het bezit zijn van eiser. De rechtbank is niet gebleken dat er nog andere persoonsgegevens zijn verwerkt door verweerder.

7. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.E. Melissen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.